3.1 - Bijlage 2 - Regels ontwerp omgevingsplan
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3
Algemene bepalingen Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Toepassingsbereik
4 4 5 6
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Functies Agrarisch - Agrarisch bedrijf Agrarisch - Landelijke gebieden Groen - Landschappelijke inpassing Wonen - Landelijke gebieden
7 7 10 12 14
Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Thema's Waarde - Archeologie 4 Gebruik Bouwen
17 17 21 22
Hoofdstuk 4 Artikel 11
Procesregels Algemene bepalingen
24 24
Hoofdstuk 5 Artikel 12
Overgangsrecht en slotbepalingen Overgangsrecht
25 25
2 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het uitbreiden van het bouwvlak ter plaatse van de veehouderij en het mogelijk maken van een woonfunctie ter plaatse van een agrarische gronden in het landelijk gebied. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) in het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Dus: - hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 1; - hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 2; - hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 3; - hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 4; - hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 5. - bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22c.1
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 3
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Algemene bepalingen
Begripsbepalingen
1. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan. 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in bijlage 1 daarvan is afgeweken.
4 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Artikel 2
Meet- en rekenbepalingen
In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg. 3. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen. 4. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 5. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren. 6. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 7. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 8. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 9.
de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 10. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen. 11. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 12. peil: a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 5
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Artikel 3
Toepassingsbereik
De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties Chaamseweg-Hazenberg 3 en Chaamseweg-Hazenberg 13a, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0744.TAMchaamsewhazen3-ON01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
6 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1
Functies
Agrarisch - Agrarisch bedrijf
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'.
4.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
4.2.1
Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. het exploiteren van een grondgebonden agrarisch bedrijf; b. het wonen in één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. c. het exploiteren van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven; d. productiegebonden detailhandel, waarbij de totale gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte per agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan 100 m2; e. kleinschalig logeren, waarbij de bruto-vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m2; f. opslag, bewerking en verwerking van dierlijke mest, afkomstig uit de eigen bedrijfsvoering tot maximaal 25.000 m3 op jaarbasis. g. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - differentiatievlak voeropslag' is de opslag van ruwvoer toegestaan. 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; b. paden, wegen en parkeervoorzieningen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 3 van de regels. f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - differentiatievlak voeropslag' zijn voorzieningen voor de opslag van ruwvoer toegestaan. 3.
Gebruik van ruimten binnen de bedrijfswoning en in de bijgebouwen bij de bedrijfswoning ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, wordt als gebruik overeenkomstig de functie aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan het agrarische bedrijf en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. Maximaal 35% van de oppervlakte van het vloeroppervlak van de bedrijfswoning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen mag tot ten hoogste in totaal 50 m² worden gebruikt voor de aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. Waarbij geldt dat in gemeentelijke en rijksmonumenten de maximale oppervlakte 100 m² mag bedragen. b. Degene die de activiteiten uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn. c. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken. d. Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in milieucategorie 1 van de als bijlage opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, zie Bijlage 3. e. Er mag geen detailhandel plaatsvinden. 4.2.2
Stikstofdepositie
De stikstdepositie mag niet hoger zijn dan de depositie zoals berekend met AERIUS op basis van de bedrijfsvoering, zoals beschreven in tabel 3 van hoofdstuk 2 en paragraaf 3.4 gezamenlijk van de notitie 'Passende beoordeling' behorende bij dit omgevingsplan.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 7
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
4.2.3
Voorwaardelijke verplichting
Het (doen/laten) gebruik(en) voor de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals bedoeld in Artikel 6 overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels, maximaal 1 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden,
4.2.4
Omgevingsvergunning wijzigen landschappelijk inpassingsplan
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 2 als bedoeld in sublid 4.2.3 onder 1 te wijzigen. De omgevingsvergunning voor het gewijzigd landschappelijk inpassingsplan wordt verleend als het gewijzigde landschappelijke inpassingsplan: 1. minimaal gelijk is aan het in Bijlage 2 opgenomen landschappelijk inpassingsplan; 2. voorziet in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden; 3. is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken. 4.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag activiteiten te exploiteren die afwijken van het bepaalde in lid 4.2 onder 1 voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten. De omgevingsvergunning voor andere gebruiksactiviteiten wordt verleend als: 1. De agrarische functie op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar blijft. 2. Voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten geldt dat de volgende functies bij het agrarische bedrijf zijn toegestaan: a. semi-agrarische bedrijven tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m²; b. zorgboerderijen en kinderboerderijen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m²; c. sociale en educatieve voorzieningen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m². d. recreatieve doeleinden en kleinschalige dagrecreatie tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m²; e. inpandige statische opslag tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 500 m²; f. bij cumulatie van functies mag de maximale gezamenlijke oppervlakte niet meer bedragen dan 600 m²; 3. Ondergeschikte horeca is toegestaan bij de verbrede landbouw/nevenactiviteiten zoals genoemd in sub b onder 2 waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m² en bij boerenterrassen niet meer mag bedragen dan 100 m². 4. Buitenopslag ten behoeve van de verbrede landbouw/nevenactiviteiten is niet toegestaan. 5.
De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 6. De verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben, dit mede in relatie tot de aard van de omgeving en de weg waaraan de locatie gelegen is. 7. De parkeerplaatsen moeten gerealiseerd worden op eigen terrein. 8. De verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. 4.4
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
4.4.1
Algemene beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, binnen een bouwvlak worden gebouwd; 2. De bebouwing ten behoeve van maximaal één agrarisch bedrijf wordt opgericht; 8 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a 3. De afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder bedraagt dan 15m; 4. De afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen niet minder bedraagt dan 2m; 5. Bouwwerken ten behoeve van reële agrarische bedrijven worden gebouwd; 6. Gebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van (teeltondersteunende) kassen die ook op het bestemmingsvlak mogen worden gebouwd. 7. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - differentiatievlak voeropslag' zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van de opslag van ruwvoer. 4.4.2
Beoordelingsregels bedrijfsgebouwen
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. De goothoogte niet meer bedraagt dan 8 m. 2. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 13 m. 4.4.3
Beoordelingsregels bedrijfswoningen
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. De inhoud van de woning niet meer bedraagt dan 750 m³; indien de bestaande inhoud meer bedraagt dan 750 m³ mag de bestaande inhoud niet worden uitgebreid. 2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen woonboerderijen in hun geheel als bedrijfswoning worden benut. 3. De goothoogte niet meer bedraagt dan 5 m. 4. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 9 m. 4.4.4
Beoordelingsregels bijgebouwen van bedrijfswoningen
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. Bijgebouwen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden gebouwd. 2. De gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m². 3. De goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m. 4. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m. 4.4.5
Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m. 2. De bouwhoogte van lichtmasten, silo's en windmolens niet meer bedraagt dan 15 m. 3. De bouwhoogte van sleufsilo's en mestzakken niet meer bedraagt dan 2 m. 4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 m. 4.4.6
Voorwaardelijke verplichting
1. Het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing als bedoeld in de motivering van dit TAM-omgevingsplan is uitsluitend toegestaan indien er vóór de sloopactiviteit een afdoende ecologisch onderzoek is uitgevoerd. 2. Het bouwen van agrarische bedrijfsbebouwing als bedoeld in de motivering van dit TAM-omgevingsplan is uitsluitend toegestaan indien er bij de aanvraag bouwactiviteit een afdoende ecologisch onderzoek is uitgevoerd.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 9
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Artikel 5 5.1
Agrarisch - Landelijke gebieden
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Agrarisch - Landelijke gebieden'.
5.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. het telen van gewassen in de vorm van akkerbouw- en vollegrondstuinbouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf; b. beweiden van landbouwhuisdieren; en, c. extensief recreatief verblijven 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. wegen; b. voet- en rijwielpaden; c. verkeervoorzieningen; d. straatmeubilair; e. openbare nutsvoorzieningen; f. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en, g. groen- en speelvoorzieningen. 5.3
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 5.4
het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest; motorcrossen; grootschalige openluchtevenementen; activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; het stallen van kampeermiddelen; het gebruik voor parkeren. Vergunningplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 5.2; 2. de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzineingen niet meer bedraagt dan 2,5 meter en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de in de gebruiksactiviteiten omschreven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. b. de oppervlakte aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mag per bestemmingsvlak en per agrarisch bedrijf niet meer dan 2,5 ha bedragen. 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m. 5.5
Verboden bouwactiviteiten
1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in 4.4 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel. 2. het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van: a. paardenbakken; b. trayvelden; c. permanente teeltondersteunende voorzieningen; 10 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a d. foliemestbassins; en, e. kassen.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 11
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Artikel 6 6.1
Groen - Landschappelijke inpassing
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Groen - Landschappelijke inpassing'.
6.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in Bijlage 2 ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap; De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: b. groen-voorzieningen; c. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen. 6.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 6.2 onder a. De omgevingsvergunning voor ander landschapsmaatregelen wordt verleend als: a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald; b. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waarde berekening inclusief toelichting en beplantingsplan; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden. 6.4
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 6.2 en 6.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen; b. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en, c. het gebruik voor parkeren. 6.5
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: a. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 6.2; b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter; c. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn; d. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht;.
12 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
6.6
Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 6.5 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van: a. paardenbakken; en, b. kassen.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 13
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Artikel 7 7.1
Wonen - Landelijke gebieden
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Wonen - Landelijke gebieden'.
7.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
7.2.1
Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. wonen in een woning; en, b. het exploiteren van een bed and breakfast, met een oppervlakte van 100 m2; 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. tuinen en erven; b. in- en uitritten; c. parkeervoorzieningen d. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en, e. groen- en speelvoorzieningen. 7.2.2
Voorwaardelijke verplichting
1. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 7.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals bedoeld in artikel 6 overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 van deze regels, maximaal na 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden; 2. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 7.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de woning inclusief bijgebouwen aan Chaamseweg-Hazenberg 3a feitelijk en juridisch is gesaneerd; 3. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 7.2.1 is uitsluitend toegestaan indien er bij de aanvraag bouwactiviteit voor de woning een afdoende bodemonderzoek is uitgevoerd. 4. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 7.2.1 is uitsluitend toegestaan indien er bij de aanvraag bouwactiviteit voor de woning een afdoende ecologisch onderzoek is uitgevoerd. 5. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 7.2.1 is uitsluitend toegestaan indien er bij de aanvraag bouwactiviteit voor de woning een afdoende akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd. 7.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
7.3.1
Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van 7.4.; 7.3.2
Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis
1. Onverminderd het bepaalde in 9.1 verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden: a. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling. 2. De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als: a. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is; b. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend; 14 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a c. er geen sprake is van buitenopslag en buitenactiviteiten; d. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en, e. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt. 7.4
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 7.2 en 7.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning; 2. het wonen en verblijven in kampeermiddelen; 3. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf, met uitzondering van het exploiteren van een bed and breakfast; 4. het exploiteren van een groothandels-, horeca- en/of detailhandelsbedrijf; 5. het exploiteren van een seks- en/of pornobedrijf en het uitoefenen van prostitutie; 6. het parkeren voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw, met uitzondering van in- /uitritten behorende bij een woning, tenzij op de kaart anders geregeld; en, 7. het opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen, met uitzondering van de (tijdelijke) opslag in het kader van de verwezenlijking van de toegedeelde functie en het bijbehorende beheer en onderhoud. 7.5
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
7.5.1
Algemene beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, binnen een bouwvlak worden gebouwd; 2. indien de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak ligt of een grotere maatvoering heeft dan in 7.5.2 of 7.5.3 is aangegeven: geen verdere uitbreiding plaatsvindt. Gebruik ten behoeve van het wonen en algehele herbouw van een woning op bestaande fundamenten is toegestaan; 7.5.2
Beoordelingsregels hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als: 1. per bouwvlak maximaal 1 hoofdgebouw wordt gebouwd; 2. de inhoud van een woning niet meer bedraagt dan 750 m3; 3. het hoofdgebouw wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 12 en maximaal 55 graden bedraagt, tenzij ter plaatse op de kaart een vlak dak is aangegeven, dan geldt dat een vlak dak verplicht is; 4. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; en, 5. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 9 meter. 7.5.3
Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning wordt verleend als: 1. de afstand tot de voorgevellijn van het hoofdgebouw niet minder bedraagt dan 2 meter en de afstand tot de woning niet minder dan 1 meter; 2. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter, tenzij ter plaatse op de kaart een andere goot- en/of bouwhoogte is aangegeven, dan geldt deze goot- en/of bouwhoogte; 3. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en, bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 15
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a 4. de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, die niet voldoen aan de eisen van het hoofdgebouw als bedoeld in 7.5.1, bedraagt maximaal 100 m². 7.5.4
Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als: a. voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter; b. achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter; d. de bouwhoogte van windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter. 7.6
Verboden bouwactiviteiten
1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 7.5 ten behoeve van het wonen als bedoeld in dit artikel.
16 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Hoofdstuk 3 Artikel 8 8.1
T hema's
Waarde - Archeologie 4
Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2.
8.2
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4'.
8.3
Toegestane gebruiksactiviteiten
1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen. 8.4
Toegestane bouwactiviteiten
Het is toegestaan de volgende bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: 1. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 1.000 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functies, of; 2. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s) of; 3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits: a. de bestaande fundering wordt gebruikt; b. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; 4. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 8.5
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
8.5.1
Algemene beoordelingsregels
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
8.5.2
Beoordelingsregels bouwen ten dienste van andere functies
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor het bouwen ten dienste van andere functies wordt verleend als: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 17
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; c. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 4.
Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 5. Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in 8.5.2, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 8.6
Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 8.4 en 8.5.
8.7
Vergunningplichtige werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden
8.7.1
Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden te verrichten of te laten verrichten: 1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; 2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energergie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanledden of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; 6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; 7. het ophogen van gronden. 8.7.2
Uitzonderingen op vergunningplichtige werken en werkzaamheden
Het in artikel 8.7.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: 1. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; 2. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of; 18 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a 3. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; 4. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 5. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of; 6. het werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 8.7.1 onder 7 betreft, waarbij: a. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²; b. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 8.7.3
Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.5.1 wordt verleend als: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; c.
een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 8.7.4
Archeologisch rapport
Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
8.7.5
Advies
Bij de beoordeling van een archeologissch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 19
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
8.8
Vergunningplichtige sloopactiviteiten
8.8.1
verbod
Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag.
20 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Artikel 9 9.1
Gebruik
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruiksactiviteiten die betrekking hebben op het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn verboden.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 21
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Artikel 10 10.1
Bouwen
Algemene bepalingen
10.1.1 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
10.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan 1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden. 2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden. 3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. 4. Het bepaalde 8.1.2. onder 1 en 2 is niet van toepassing op oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de functie 'Wonen', waarop meer dan 200 m² bijbehorende bouwwerken aanwezig is, voor zover in overeenstemming met verleende vergunning(en) tot stand gekomen. 10.2
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
10.2.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten 1. In afwijking van de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daar voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. de woonsituatie; b. het straat- en bebouwingsbeeld; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; en, f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 2. In afwijking van artikel 7.5.3 wordt de omgevingsvergunning voor het afwijken van de maximale oppervlakte bijbehorende bouwwerken verleend voor het mogelijk maken van een totale oppervlakte bijbehorende bouwwerken van 400 m2 indien wordt voldaan aan de sloopbonusregeling Baarle-Nassau 2021, danwel op een andere manier wordt voorzien in kwaliteitsverbetering van het landschap. 3. Onverminderd de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van ondergrondse bouwwerken verleend als: a. onder bovengrondse bebouwing, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en direct aansluitende inritconstructies; b. met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 3,5 meter onder peil. 4.
Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel.
22 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
10.2.2 Inwinning advies welstand Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 23
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Hoofdstuk 4 Artikel 11 11.1
Procesregels
Algemene bepalingen
Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning
1. De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en, b. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.
24 2c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a
Hoofdstuk 5 Artikel 12 12.1
Overgangsrecht en slotbepalingen
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. 12.2
Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2 ten 3, mag worden voortgezet. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAMomgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. 12.3
Eerbiedigende werking overige activiteiten
1. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit. 2. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit. 3. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2 die op het moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Chaamseweg-Hazenberg 3 en 13a" (concept) 25