3.1-Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.7.1
Omgekeerde werking
Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand tussen de gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, gelegen binnen de bebouwde kom, tenminste 100 meter te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen (artikel 6 van de wet). De gemeente Baarle-Nassau heeft echter geen afwijkende afstanden vastgesteld. Als geurgevoelige objecten binnen het plangebied dienen zowel de twee bestaande bedrijfswoningen als de beoogde nieuwe zorgwoning, hier zullen cliënten immers structureel gedurende minimaal enkele nachten per week verblijven, te worden aangemerkt. Om toepassing te kunnen geven aan de gestelde vaste afstanden in artikel 3, tweede lid, dient sprake te zijn van een (zorg)woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: a. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij; en c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij.
Alle gevoelige objecten binnen het plangebied zijn gelegen op of worden opgericht op een kavel die tot nu toe in gebruik was als veehouderij. De varkens- en rundveehouderij aan zowel de Oordeelsestraat 15a als 17 worden met dit bestemmingsplan buiten werking gesteld. Alle gebouwen die in gebruik waren ten behoeve van de veehouderijen worden gesloopt dan wel herbestemd ten behoeve van het akkerbouwbedrijf en/of de zorgboerderij. Dit betekent dat er voor alle drie de objecten op basis van de Wgv een vaste afstand geldt van 50 meter, daar zij zijn gelegen in het buitengebied van Baarle-Nassau. De dichtstbijzijnde locatie, ten opzichte van het plangebied, waar op grond van het bestemmingsplan vee gehouden mag worden is gelegen aan Oordeel-Heikant 1-1a & Oordeelsestraat 76. Dit betreft een geitenhouderij. De afstand van het plangebied tot dit bedrijf is 125 meter. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde vaste afstand. Bovendien is voor dit bedrijf op 2 december 2019 een omgevingsvergunning verleend waaruit blijkt dat de geitenhouderij komend jaar flink wordt
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
38
afgebouwd en uiterlijk in 2026 volledig is gestopt. Er wordt derhalve met de beoogde ontwikkeling geen inbreuk gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde veehouderijen.
4.7.2
Woon- en leefklimaat
Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied te kunnen beoordelen wordt eerst getoetst aan de richtafstanden gesteld in de VNG-handreiking. Het aspect geur is voornamelijk maatgevend voor veehouderijen. Zo wordt voor varkens- en pluimveehouderijen een richtafstand van 200 meter voorgeschreven. Voor rundveehouderijen geldt een richtafstand van 100 meter en voor overige dieren een richtafstand van 50 meter. In de omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijen gelegen waar varkens, rundvee, geiten en paarden worden gehouden. Aan de Oordeel-Heikant 1 is een geitenhouderij gelegen, zoals reeds uiteen is gezet in voorgaande paragraaf is de afstand tot dit bedrijf circa 125 meter. Aan de OordeelHeikant 6 is een rundveehouderij gelegen. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van circa 260 meter. Aan de Oordeelsestraat 86 worden paarden gehouden. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van circa 288 meter. Aan de Oordeelsestraat 88 is een varkenshouderij gelegen. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van circa 380 meter. Hiermee wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand in de VNG-handreiking ten aanzien van het aspect geur.
Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de kaart ‘Geurhinder door agrarische bedrijven en mest uitrijden’ uit de Atlas leefomgeving, zie Afbeelding 16. Hieruit blijkt dat het percentage geurgehinderden ter plaatse 3- 4% is. Om te bepalen of dit acceptabel is wordt aangesloten bij de beoordelingssystematiek van het RIVM. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in Tabel 1. Hieruit is op te maken dat een percentage geurgehinderden van 3-4% zeer goed is.
Afbeelding 16: Uitsnede atlas van de leefomgeving kaart 'Geurhinder door agrarische bedrijven en mest uitrijden'
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
39
Tabel 1: Relatie percentage geurgehinderden en milieukwaliteit (bron: GGD-richtlijn geurhinder, 2002)
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.8 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de Oordeelsestraat. De bedrijfswoningen aan de Oordeelsestraat 15a en 17 betreffen in het kader van de Wgh reeds bestaande geluidsgevoelige objecten. Onderzoek naar het wegverkeerslawaai op deze objecten is derhalve niet noodzakelijk. Op termijn is het de bedoeling om binnen het plangebied een zorgwoning te realiseren waar zorgbehoevenden permanent afhankelijk kunnen komen wonen. Dit betreft dus een geluidgevoelig object.
Om te onderzoeken of de toekomstige zorgwoning ruimtelijk aanvaardbaar is, is derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in Bijlage 6. Uit dit onderzoek blijkt dat de toetsingswaarde als gevolg van wegverkeerslawaai van de Oordeelsestraat op de locatie waar de toekomstige zorgwoning wordt mogelijk gemaakt maximaal 37 dB bedraagt. Hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het vaststellen van hogere grenswaarden is hierdoor niet nodig. Er kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat als gevolg van wegverkeerslawaai van de Oordeelsestraat ter plaatse van de nieuw te bouwen zorgwoning als goed te beschouwen is. 4.9 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Daarnaast dient voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid.
4.9.1
Verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Oordeelsestraat. Een geasfalteerde weg die wordt gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. Aan de westzijde ontsluit de Oordeelsestraat in de bebouwde kom van Baarle-Nassau. De Oordeel-Heikant, die over gaat in het Voske, vormt een aftakking richting Poppel (België). In oostelijke richting gaat de Oordeelsestraat over in Driehuizen-Pineind, wat leidt tot de bebouwde kom van Alphen. Deze wegen beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Ten opzichte van de bestaande situatie is er een afname in het aantal verkeersbewegingen te verwachten. Er zijn binnen het bestaande bedrijf immers al een akkerbouwfunctie, zorgfunctie en minicamping aanwezig. De cliënten worden per taxibus in groepjes van en naar de zorgboerderij gebracht voor dagactiviteiten en de (toekomstige) bewoners zullen gedurende minimaal enkele
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
40
dagen/nachten op de zorgboerderij verblijven. Extra vervoersbewegingen zullen dus voornamelijk bestaan uit personeel en familieleden/vrienden van de bewoners die op bezoek komen. Van het streekwinkeltje en boerderijterras, wat de cliënten als dagactiviteit wordt aangeboden, zullen voornamelijk campinggasten, bezoekers van de zorgboerderij en passanten (per fiets) gebruik maken. Extra verkeersbewegingen betreffen dus voornamelijk bewegingen met lichte motorvoertuigen. Er is derhalve geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende werking, omdat het aantal verkeersbewegingen met zware motorvoertuigen van en naar de huidige varkens- en rundveehouderij vele malen hoger ligt dan dat in de beoogde situatie het geval zal zijn. Een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen met lichte motorvoertuigen weegt daar niet tegen op.
4.9.2
Parkeren
De gemeente Baarle-Nassau heeft een eigen parkeernota vastgesteld. Dit betreft de ‘Nota parkeren 2011’. Deze nota gebruikt de normen uit de CROW (ASVV 2004) als basis, maar houdt rekening met de specifieke situatie in Baarle-Nassau en de wensen die er zijn voor wat betreft parkeren op het eigen en openbaar terrein. Landbouwwerktuigen ten behoeve van het akkerbouwbedrijf aan de Oordeelsestraat 15a zullen inpandig worden gestald. Via ruime erfverharding zijn de loodsen ter plaatse goed bereikbaar. De bestaande parkeerplaatsen ten behoeve van de minicamping, ten noordoosten van de huidige rundveestal nr. 11 (Afbeelding 7), blijven als zodanig behouden. Voor deze functies wordt reeds dus voorzien in voldoende parkeer- en manoeuvreerruimte. Conform de parkeernota moet voor een woning met een omvang groter dan 100 m2 voorzien worden in twee parkeerplaatsen. Bij beide bedrijfswoningen binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om twee auto’s te kunnen parkeren. Een zorgboerderij is als zodanig niet opgenomen in de parkeernota. Meest overeenkomstig met de dagbesteding is een kinderdagverblijf. Hiervoor geldt een parkeernorm van 0,7 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. De zorgruimten t.b.v. dagactiviteiten hebben een gezamenlijke omvang van circa 1.260 m2. Hiervoor zijn dus 9 parkeerplaatsen benodigd. Hierbij worden een streekwinkel (max. 100 m2) en een boerderijterras (max.
350 m2, in- en buitenpandige ruimte) mogelijk gemaakt. Voor detailhandelslocaties buiten het centrum van Baarle-Nassau geldt een parkeernorm van 4 per 100 m 2. Voor kleinschalige horecalocaties buiten het centrum van Baarle-Nassau geldt een parkeernorm van 6,5 per 100 m2. Dit betekent dat er binnen het plangebied voorzien moet worden in 25 extra parkeerplaatsen. Hier is binnen het plangebied voldoende ruimte voor. Bovendien zullen zoals gezegd voornamelijk campinggasten, bezoekers van de zorgboerderij en passanten (per fiets) gebruik maken van de streekwinkel en het boerderijterras. In de praktijk zullen er dus minder parkplaatsen nodig zijn. Wanneer in de zorgwoning in de toekomst zal worden gerealiseerd zal ook voor deze functie moeten worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Meest overeenkomstige categorie met de beoogde zorgwoning in het parkeerbeleid is een verpleeg-/verzorgingstehuis. Hiervoor geldt een parkeernorm van 0,6 per wooneenheid. De beoogde zorgwoning is voorzien voor maximaal 20 bewoners. Dit betekent dat er ten behoeve van de zorgwoning voorzien moet worden in 12 parkeerplaatsen. Hier biedt de beoogde ruimte tussen de bedrijfsgebouwen voldoende ruimte voor. Ook voor wat betreft de zorgboerderij zal dus kunnen worden voorzien in voldoende parkeer- en manoeuvreerruimte voor de beoogde functies.
Dit zal concreet worden ingevuld zodra een omgevingsvergunning voor de activiteit bouw wordt ingediend. Hiertoe zijn bouwvoorwaarden in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd. 4.10 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
41
milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in het de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.10.1 Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met de beoogde ontwikkeling worden ter plaatse een akkerbouwbedrijf en een zorgboerderij met ondergeschikte activiteiten mogelijk gemaakt. Voor deze functies dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Aan de Oordeelsestraat 15a worden de agrarische activiteiten beperkt tot het akkerbouwbedrijf dat hier naast de varkenshouderij altijd aan de orde is geweest. De varkenshouderij zal worden gesaneerd.
Een gedeelte van de beoogde functies aan de Oordeelsestraat 17 wordt in de bestaande situatie al uitgevoerd, zoals de zorgboerderij en de minicamping. Daarbij wordt hier de rundveehouderij gesaneerd. Er is hier in totaliteit dus sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen van en naar beide inrichtingen. Deze ontwikkeling heeft dus een positief effect op de luchtkwaliteit in de omgeving. Vanuit een worst-case benadering wordt desalniettemin met de NIBM-tool bepaald of er met het toekomstige aantal verkeersbewegingen de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Om de verkeersaantrekkende werking van de zorgboerderij inclusief bijbehorende activiteiten te bepalen wordt aangesloten bij de verkeersgeneratie conform de CROW. Voor wat betreft de camping bedraagt de weekdaggemiddelde verkeersgeneratie 0,4 per standplaats. Dit betekent dat de camping gemiddeld een verkeersgeneratie heeft van maximaal 10 verkeersbewegingen per dag. De overige activiteiten zijn niet als zodanig benoemd in de CROW. Voor wat betreft de dagbesteding wordt derhalve aangesloten bij de verkeersgeneratie van een kinderdagverblijf en voor wat betreft de streekwinkel bij de verkeersgeneratie van een buurtsupermarkt. Het weekdaggemiddelde aantal verkeersbewegingen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte kinderdagverblijf in het buitengebied bedraagt 37,4. Zoals gezegd hebben de zorgruimten t.b.v.
dagactiviteiten gezamenlijk een omvang
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
42
van circa 1.260 m2. Dit zou dus resulteren in een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 471 verkeersbewegingen. Hierbij moet opgemerkt worden dat de cliënten in groepjes per taxibus worden gebracht naar en opgehaald van de zorgboerderij. Hierdoor zal de werkelijke verkeersgeneratie vele malen lager liggen dan dit bij een kinderdagverblijf het geval is, waar kinderen veelal individueel worden gebracht en opgehaald. Het weekdaggemiddelde aantal verkeersbewegingen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte buurtsupermarkt bedraagt 136,9. Zoals gezegd krijgt de streekwinkel een omvang van maximaal 100 m2. Dit zou dus resulteren in een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 136,9 verkeersbeweging. Het is niet de verwachting dat de streekwinkel dagelijks 68 personenvervoersmiddelen aantrekt. De streekwinkel zal voornamelijk gebruikt worden door campinggasten, bezoekers van de zorgboerderij en passanten (per fiets). Voor wat betreft een verpleeg-/verzorgingstehuis of boerderijterras is de verkeergeneratie niet bekend. Om voorgenoemde redenen zijn de verkeersbewegingen ten behoeve van deze functies echter ruimschoots verdisconteerd in de verkeersgeneratie van de camping, dagbesteding en streekwinkel te samen.
Uit de berekening met de NIBM-tool, zie Afbeelding 17, blijkt dat in een worstcase scenario met een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 618 verkeersbewegingen de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. De beoogde ontwikkeling heeft dus geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Afbeelding 17: Berekening NIBM-tool 4.10.2 Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,36 μg/m3, voor PM2,5 11,45 μg/m3 en voor NO2 13,64 μg/m3, zie Afbeelding 18.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
43
Afbeelding 18: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
4.11.1 Achtergrond
De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
44
risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10 -6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Het invloedsgebied betreft het gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.11.2 Toetsing
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waar (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Inrichtingen Uit de risicokaart, zie Afbeelding 19, blijkt dat er geen risicovolle inrichting zijn gelegen binnen 750 meter van het plangebied. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. Transport In de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog is van niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen geen sprake. Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over weg, spoor of over water. Op basis hiervan is een groepsrisicoverantwoording op grond van het Bevt is dus niet nodig.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
45
Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico is op grond van het Bevb is dus niet aan de orde.
Afbeelding 19: Uitsnede risicokaart Nederland Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. 4.12 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 19). Dit aspect vormt derhalve geen belemmering. Wanneer er in de toekomst nieuwbouw plaatsvindt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. 4.13 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc.
Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
46
4.13.1 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; - Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.
De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.
Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling.
Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
47
Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.
4.13.2 Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid
Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan vanuit een omgevingsbewuste benadering worden bepaald of ter plaatse van een nieuw gevoelig object voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3.
Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. In de praktijk blijkt dit dat dit aantal echter niet hanteerbaar is. In de notitie wordt derhalve een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De cumulatie van endotoxinen is echter (nog niet) kwantitatief te bepalen, daarom is in het kader van een omgevingsbewuste benadering een zogenaamde ‘Cumulatieve toets’ opgesteld. Dit betreft een stappenplan t.b.v. de uitbreiding van een veehouderij, maar kan in het kader van de omgekeerde werking ook voor het realiseren van nieuwe gevoelige objecten worden doorlopen. De eerste vraag van dit stappenplan is of er in de omgeving van het plangebied meerdere veehouderijen zijn gelegen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie. Voor het afbakenen van de ‘omgeving’ wordt aangesloten bij de clusters van 250 meter die voortvloeien uit de locatiegerichte specifieke benadering. Op grond van de regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl), aldus vastgesteld d.d.
12-12-2018, is sprake van een hoge fijnstofemissie, indien de fijnstofemissie van een bedrijf meer dan 500 kg PM10 per jaar bedraagt. Deze norm wordt derhalve aangehouden voor het begrip ‘hoge fijnstof-endotoxine emissie’. Binnen 250 meter van het plangebied is één veehouderij gelegen, aan de Oordeel-Heikant 1. Dit betreft zoals reeds uiteen is gezet een geitenhouderij, die op een afstand van 125 meter is gelegen. Voor dit bedrijf is op 2 december 2019 een omgevingsvergunning verleend waaruit blijkt dat de geitenhouderij komend jaar flink wordt afgebouwd en uiterlijk in 2026 volledig is gestopt. Bovendien is bij dit bedrijf tevens een zorgboerderij gevestigd: ‘De Mekkerbek’. Er wordt derhalve aangenomen dat de gemeente Baarle-Nassau het acceptabel vindt dat er in de omgeving van dit bedrijf zorgactiviteiten plaatsvinden. Overige veehouderijen zijn op een grotere afstand gelegen dan 250 meter. De eerstvolgende veehouderijen betreffen bovendien een melkrundveehouderij, aan de Oordeel-Heikant 6 op een afstand van 260 meter, en een paardenhouderij, aan de Oordeelsestraat 86 op een afstand van 288 meter. Voor rundvee- en paardenhouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissie van met name fijnstof. Derhalve hoeven dergelijke bedrijven in de door de gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde niet meegewogen te worden.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
48
Het stappenplan hoeft hierdoor niet verder doorlopen te worden. Vanuit de omgevingsbewuste benadering kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied voldaan zal kunnen worden aan de adviesgrenswaarde van de Gezondheidsraad. Het aspect volksgezondheid vormt dus geen belemmering voor het initiatief.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
49
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals voorliggend plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’; - Enkelbestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’; - Enkelbestemming ‘Maatschappelijk’; - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’; - Bouwvlak; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – minicamping’; - Functieaanduiding ‘zorgboerderij’; - Functieaanduiding ‘zorgwoning’. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de herzieningen van bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’, de bestemmingsplannen ‘Buitengebied 2008, herziening 1A, 1B en 2’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan om een de zorgboerderij met als nevenactiviteit een minicamping mogelijk te maken. Ten behoeve van de toekomstige zorgwoning wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
50
Om de sloop van de overtollige bebouwing en de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing te borgen wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het geldende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
51
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Oordeelsestraat 15a en 17 te Baarle-Nassau betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Er is er een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Baarle-Nassau. Om de plankosten te bepalen is een begroting opgesteld om te gemaakte gemeentelijke uren te verhalen. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden in de vorm van vooroverleg met de daartoe aangewezen instanties en een omgevingsdialoog.
6.2.1
Vooroverleg en omgevingsdialoog
Initiatiefnemers hebben de bewoners in de omgeving van het plangebied in 2019 op de hoogte gebracht van het initiatief middels o.a. een open dag, rondleidingen en enkele persoonlijke gesprekken. Van dit traject is een verslag gemaakt op basis van de beleidsnota ‘Omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen’, die de ABG-gemeenten in september 2019 hebben vastgesteld. Het verslag van deze omgevingsdialoog is overlegd aan de gemeente. In verband met de privacywet wordt het verslag niet opgenomen in het bestemmingsplan. In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant. Vanuit Waterschap Brabantse Delta is een positief advies afgegeven voor de ontwikkelingen van het plan. De provincie Noord-Brabant heeft eveneens een advies gegeven waarna het plan is aangevuld waarmee deze opmerkingen zijn verwerkt. Beide reactie zijn opgenomen als Bijlage 8 en Bijlage 9 bij deze toelichting, een overzicht van de aanpassingen zijn opgenomen in Bijlage 10.
6.2.2
Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder de mogelijkheid geboden zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. De gemeente heeft na de inzagetermijn van het ontwerpbestemmingsplan 12 weken de tijd om te beslissen over vaststelling van het bestemmingsplan. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan wederom zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan middels het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
52
7. Bijlagen Bijlage 1: Ruwe schets beoogde situatie Oordeelsestraat 15a Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3: Berekening kwaliteitsverbetering Bijlage 4: Ecologische quickscan Bijlage 5: Bodemonderzoek Bijlage 6: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 8: Vooroverlegreactie Provincie Noord-Brabant Bijlage 9: Vooroverlegreactie Waterschap Brabantse Delta Bijlage 10: Nota vooroverleg
Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau
53