RU24.06.07Z Ruimtelijke onderbouwing + onderzoeken Tureluurweg 3
Tekst van het document
5.4
Archeologie
5.4.1 Beleidskader 5.4.1.1 Inleiding Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. 5.4.1.2 Archeologiebeleid Asten Het archeologisch beleid van de gemeente Asten is vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 24 juli 2013 en omvat het gehele grondgebied van de gemeente Asten. Tevens heeft de gemeente Asten een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Hierna is een uitsnede weergegeven van de archeologische beleidskaart waarop de ligging van de planlocatie is aangeduid.
Figuur 15: Uitsnede archeologische beleidskaart waarop de ligging van de planlocatie is aangeduid met rode cirkel
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
5.4.2 Toets 5.4.2.1 Drempelwaarden De planlocatie is gelegen binnen categorie 5: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Binnen deze categorie geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 centimeter en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m². De grond onder de stallen is al geroerd. Ter plaatse vindt geen verstoring van ongeroerde gronden plaats. De genoemde drempelwaarden van het verstoringsoppervlak worden door deze ontwikkeling niet overschreden, waarmee een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
5.5
Flora en fauna
5.5.1 Beleidskader 5.5.1.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming). 5.5.1.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, de Natura 2000-gebieden als bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Plannen en projecten moeten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De richtlijnen zijn opgesteld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. 5.5.1.3 Stikstofdepositie Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura 2000-gebied. Voor stikstofdepositie zijn de Wet stikstofreductie en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van toepassing. Deze wet en dit besluit zijn van kracht sinds 1 juli 2021.
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Met Aerius Calculator kan de stikstofdepositie bij een ontwikkeling worden bepaald. 5.5.1.4
Soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van twee beschermingsniveaus: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht, alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen.
5.5.2 Toets 5.5.2.1 Gebiedsbescherming De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft de ‘Groote Peel’, gelegen direct tegenover het plangebied. Het saneren van het agrarisch bedrijf heeft een positieve uitwerking op dit gebied. De stikstofdepositie neemt af en ook effecten van geluid en verlichting komen te vervallen. Per saldo wordt 465 kilogram ammoniak uit de markt genomen. Ten behoeve van de ontwikkeling is een Aeriusberekening uitgevoerd.
Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt leidt tot een depositietoename van 0,00 mol N/ha/jaar in de gecombineerde fases. Er wordt zelfs een afname tot -5,45 mol N/ha/jaar berekend. De berekening is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. 5.5.2.3
Soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Binnen het plangebied is een ecologische QuickScan uitgevoerd. Dit rapport is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Navolgend wordt de eindconclusie uit het onderzoek opgenomen.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
“Eindconclusie : Met de beoogde herbestemming van de locatie Tureluurweg 3 te Asten worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden; De bestemmingswijziging van agrarische bedrijfslocatie naar een woonbestemming met nevenfunctie statische opslag zal enkel van positieve invloed zijn op de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in het nabijgelegen Natura 2000-gebied; Mitigerende maatregelen, een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet aan de orde; De voorzorgsmaatregelen in paragraaf 8 dienen te worden opgevolgd.”
5.6
Geluid
5.6.1 Beleidskader 5.6.1.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 5.6.1.2 Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
5.6.2 Toets 5.6.2.1 Wegverkeerslawaai Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). In onderhavige situatie betekent dat dat ten aanzien van de reeds bestaande bedrijfswoning geen akoestisch onderzoek inzake de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer hoeft te worden uitgevoerd. 5.6.2.2 Industrielawaai Er is geen sprake van aanwezigheid of vestiging van een (grote) lawaaimaker in de omgeving van het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
5.7
Geur
5.7.1 Beleidskader 5.7.1.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vragen: -
is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
-
wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?
5.7.1.2 Activiteitenbesluit Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 5.7.1.3 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening voor geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woon- en leefklimaat op een locatie.
In de Wet Geurhinder en veehouderij is in artikel 3 lid 2 opgenomen dat indien er sprake is van herbestemming van een voormalige veehouderij, de bedrijfswoning in het kader van geur dient te worden beoordeeld als ware het nog een bedrijfswoning van deze veehouderij. 5.7.1.4 Gemeentelijk beleidskader De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd dan de normen in de wet. Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in:
-
Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units; Buitengebied 10,0 odour units; Woonkern Heusden 0,5 odour units; Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen. De planlocatie is gelegen in het buitengebied. 5.7.1.5 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De voorgrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat als deze voorgrondbelasting tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting bedraagt. 5.7.1.6 Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. 5.7.1.7 Belangen veehouderij en derden Als gevolg van een ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn, de realisatie van deze plannen.
5.7.2 Toets 5.7.2.1 Veehouderijbedrijven in de omgeving In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijbedrijven gelegen. Op navolgende figuur is de ligging van omliggende bedrijven weergegeven. De planlocatie is hierbij aangeduid met de zwarte stip.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
Sperwerstraat 10
Tureluurweg 5
Meijelseweg 73
Figuur 16: Veehouderijbedrijven in de omgeving
5.7.2.1 Voorgrondbelasting De meest dicht bij de planlocatie gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 55 meter ten noorden van de planlocatie. Er wordt voldaan aan de vaste afstand van 50 meter. Aan Sperwerstraat 10 worden dieren gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld (64.435 ouE/s). Dit bedrijf bevindt zich op een afstand van 640 meter. Gelet op de afstand tot het plangebied is het aannemelijk dat de voorgrondbelasting van deze veehouderij niet van bepalend is voor de kwaliteit van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De achtergrondbelasting zal bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. 5.7.2.2 Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. De achtergrondbelasting is berekend met het programma v-stacks gebied. De emissie van het eigen bedrijf is vooruitlopend op de sanering reeds op nul gezet. Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor
Geurbelasting [OU/m3]
1001 186782 374917
3,403
1002 186791 374916
3,410
1003 186788 374899
3,328
1004 186779 374901
3,330
Tabel 1: Achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
Binnen de her te bestemmen woning is sprake van een achtergrondbelasting van 3 oue/m³, waarmee sprake is van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Dit woon- en leefklimaat is acceptabel. 5.7.2.3 Belangenafweging Als gevolg van deze herontwikkeling mogen veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De meest dicht bij de planlocatie gelegen veehouderij (Tureluurweg 5) is gelegen op een afstand van circa 55 meter tot de planlocatie. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden veehouderijen dan ook niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.
5.8
Gezondheid
5.8.1 Beleidskader 5.8.1.2 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof in Nederland, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de handreiking zijn de zeven te doorlopen te toetsen stappen opgenomen. Burgemeester en wethouders van de gemeente Asten hebben op 12 september 2017 besloten om dit toetsingskader toe te passen bij de beoordeling van milieuvergunningen. Het uitgangspunt hierbij is het voorkomen van nieuwe overschrijdingen en voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden.
De gemeente Asten oordeelt dat van de endotoxinen-norm ook een omgekeerde werking uitgaat. 5.8.1.3 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
5.8.1.4 Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
5.8.2 Toets 5.8.2.1 Endotoxinen De Omgevingsdienst heeft een kaart voor de gemeente Asten opgesteld waarop de indicatieve endotoxine-contouren indicatief zijn opgenomen. De planlocatie is niet gelegen in de nabijheid van een endotoxinecontour van een veehouderij. Het aspect endotoxinen is dan ook voor deze herontwikkeling geen bezwaar. 5.8.2.2 Geitenhouderijen De planlocatie bevindt zich niet binnen een afstand van 2 kilometer tot veehouderijbedrijven waar bedrijfsmatig geiten worden gehouden. Er wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. 5.8.2.3 Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen De planlocatie is gelegen te midden van het agrarisch gebied. Er zijn in de omgeving van het plangebied echter geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. De gronden rondom het agrarische bouwvlak zijn eveneens niet in gebruik voor (boom)teelt. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Tevens volgt uit de rechtspraak dat met bijvoorbeeld een afschermende beplanting en afschermende bebouwing een kleinere afstand gemotiveerd kan worden. Naast omstandigheden zoals een afschermende beplanting en afschermende bebouwing, blijkt uit de jurisprudentie dat ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen bij het bepalen van de afstand voor de spuitzone.
Het plangebied wordt grotendeels omzoomd met landschappelijke inpassing. De woning is echter reeds aan te merken als gevoelig object. Er wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
5.9
Bedrijven en milieuzonering
5.9.1 Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De omgeving van de planlocatie valt aan te merken al ‘rustig buitengebied’.
5.9.2 Toets 5.9.2.1 Bedrijven in de omgeving van de planlocatie De bestaande bedrijfswoning reeds aan te merken als een gevoelig object ten opzichte van omliggende bedrijven. In de omgeving van de planlocatie liggen geen niet-agrarische bedrijven. Het woonhuis ligt op 105 meter tot het agrarisch bedrijf aan Tureluurweg 5. Voldaan wordt aan de richtafstand van 50 meter. 5.9.2.2 Bedrijven binnen de planlocatie Binnen het plangebied wordt de veehouderijtak wegbestemd. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal derhalve verbeteren. Bij de woonfunctie wordt een nevenfunctie statische opslag bestemd. deze functie zorgt niet voor overlast.
5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Beleidskader 5.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: −
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);
−
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;
−
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;
−
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);
−
Structuurvisie buisleidingen;
−
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;
−
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
5.10.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.
Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10 -6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;
2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een orienterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
5.10.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s binnen het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 5.10.1.4 Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) kan onder andere worden getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPGtankstations’.
5.10.2 Toets 5.10.2.1 Risicovolle inrichtingen De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij gelegen risico-object bevindt zich op een afstand van ruim 700 meter ten zuiden van de planlocatie. Op zodanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. 5.10.2.2 Transport Spoor Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is niet van toepassing. Weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N266, N277 en de N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N266, N277 en de N279.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van circa 3.500 meter tussen planlocatie en A67, is de planlocatie formeel gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Er is echter geen sprake van een toename van het groepsrisico. Er wordt geen nieuwe gevoelige functie toegevoegd. Er zal normaliter geen beïnvloeding plaatsvinden. Water Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. Buisleidingen In de omgeving van de planlocatie liggen geen buisleidingen. Hoogspanningslijnen In de omgeving van de planlocatie liggen geen hoogspanningslijnen.
5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Beleidskader 5.11.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. 5.11.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen dit programma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 5.11.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging.
De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
5.11.2 Toets 5.11.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Deze herontwikkeling valt binnen het begrip NIBM. Er wordt geen functie toegevoegd. De landbouwactiviteiten worden gestaakt. 5.11.2.2 Blootstelling aan verontreiniging Fijn stof Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 binnen de planlocatie en de directe omgeving weer.
Figuur 17: Fijn stof 2020 PM10 (Bron: RIVM)
Figuur 18: Fijn stof 2019 PM2,5 (Bron: RIVM)
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
Binnen de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 8-9 µg/m³. De luchtkwaliteit is hiermee acceptabel is. De beoogde herontwikkeling is in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar. Stikstof Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO 2 binnen de planlocatie en directe omgeving weer.
Figuur 19: Stikstofdioxide (NO2) 2020 (Bron: RIVM)
Binnen de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO 2 van 10-12 µg/m³. De beoogde ontwikkeling is in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar.
5.12 Besluit m.e.r. 5.12.1 Beleidskader 5.12.1.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit,
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
kan een project nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. 5.12.1.2 Drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². 5.12.1.3 Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling dient bij een ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling worden uitgevoerd indien de drempelwaarde zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.
5.12.2 Toets 5.12.2.1 Drempelwaarden De beoogde ontwikkeling overschrijdt de drempelwaarde zoals opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet. Op basis van deze bijlage is geen MER noodzakelijk.
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 3 Asten’
6. UITVOERBAARHEID 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
6.2
Omgevingsdialoog
Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd met de omgeving. Een verslag hiervan is bekend bij de gemeente.
6.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan “Asten verzamelplan 2023-1” heeft vanaf 22 december 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend met betrekking tot deze ontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
45
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 te Asten
1
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 te Asten
Status: Concept In opdracht van: P.J. Adriaans Veehandel Tureluurweg 3 5721 RZ Asten Contactpersoon: Guido Bosmans Crijns rentmeesters BV Uitgevoerd door: Lomans Ecoworks Boerenkamplaan 75 5712 AB Someren Veldwerk en rapportage: M. Lomans Projectnr: 2314 Datum: 29-03-2023
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de huidige natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Lomans Ecoworks accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Lomans Ecoworks uitgevoerde onderzoek neemt.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
2
Inhoud 1. INLEIDING ...............................................................................................................................3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................3 1.2 Kader van het onderzoek. .....................................................................................................3 1.3 Doelstelling van het onderzoek..............................................................................................3 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED....................................................................................................4 2.1 Ligging en beschrijving plangebied.........................................................................................4 2.2 Huidig gebruik en beoogde ontwikkeling ...............................................................................5 2.3 Foto- impressie plangebied....................................................................................................6 3. WERKWIJZE ............................................................................................................................8 4.
NATUURBESCHERMING IN NEDERLAND .................................................................................9 4.1 Soortenbescherming .............................................................................................................9 4.2 Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 12 4.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 13 5. RESULTATEN ONDERZOEK SOORTENBESCHERMING............................................................. 14 5.1 Flora .................................................................................................................................... 14 5.2 Vogels ................................................................................................................................. 14 5.3 Landzoogdieren grondgebonden ......................................................................................... 16 5.4 Vleermuizen ........................................................................................................................ 17 5.5 Ongewervelden ...................................................................................................................
19 5.6 Vissen, reptielen en amfibieën............................................................................................. 19 6. RESULTATEN ONDERZOEK GEBIEDSBESCHERMING .............................................................. 21 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................................ 21 6.2 Natuurnetwerk Brabant/ Ecologische hoofdstructuur .......................................................... 25 6.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 25 7. SAMENVATTING EN CONCLUSIE ........................................................................................... 26 8. VOORZORGSMAATREGELEN ................................................................................................. 28 9. AANBEVELINGEN .................................................................................................................. 28 10. GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................ 29 Bijlage 1. Beschermde soorten Vogelrichtlijn Bijlage 2. Beschermde soorten Habitatrichtlijn Bijlage 3. Beschermde soorten Provincie Noord- Brabant, ‘Andere soorten’ Bijlage 4. Vrijgestelde soorten
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
3
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Initiatiefnemers zijn voornemens om de locatie Tureluurweg 3 in Asten te herontwikkelen. Hiervoor dient het vigerende bestemmingsplan te worden herzien. Crijns rentmeesters begeleidt de initiatiefnemer tijdens de te doorlopen ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing van het nieuwe bestemmingsplan is een verkennend natuurwaardenonderzoek (een quickscan Flora en fauna) benodigd. Aan Lomans Ecoworks is door de initiatiefnemers opdracht verleend tot het uitvoeren van deze quickscan.
1.2
Kader van het onderzoek
Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming: o Soortenbescherming o Gebiedsbescherming o Houtopstanden
1.3
• o
Provinciale verordening: Natuurnetwerk Nederland (NNN)
• o
Gemeentelijke regelgeving: APV bomenkap
Doelstelling van het onderzoek
Middels dit verkennende onderzoek wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. En op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Indien de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten, leidt de quickscan tot aanbeveling voor vervolgstappen om te voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
4
2.
BESCHRIJVING PLANGEBIED
2.1
Ligging en beschrijving plangebied
Het plangebied Tureluurweg 3 ligt in het buitengebied ten zuidoosten van Asten. Het bestaat uit de percelen kadastraal bekend als Gemeente Asten, sectie R, perceelnummer 453 (bedrijfswoning) en sectie R, perceelnummer 454 (bedrijf en cultuurgronden). De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door open agrarisch cultuurlandschap en Natura 2000-gebied Groote Peel.
Figuur 1. Globale begrenzing plangebied (oranje) en ligging in de omgeving.
Bron: Kadastrale kaart.com.
Binnen het plangebied bevindt zich een bedrijfswoning met een fietsenschuur/carport, een grote werktuigenloods, drie veestallen en enkele verharde voerplaten/sleufsilo’s. Er is opgaand groen aanwezig aan de zijde van de Tureluurweg in de vorm van een hoge beukenhaag. In de tuin rondom de bedrijfswoning liggen plantenborders, er staan sierheesters en een enkele solitaire boom.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
5 2.2
Huidig gebruik en beoogde ontwikkeling
De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van de agrarische bedrijfslocatie naar een woonbestemming met nevenfunctie statische opslag (250 m²). De bedrijfswoning en de grote werktuigenloods ten noorden van de bedrijfswoning blijven gehandhaafd. Twee van de drie veestallen, de fietsenschuur/carport en de sleufsilo’s worden gesaneerd. De veestal ten zuiden van de bedrijfswoning zal worden verbouwd tot een bijgebouw met een oppervlakte van 125 m². Na de herontwikkeling wordt de locatie landschappelijk ingepast met streekeigen groen. Een gedeelte van de gronden krijgt conform de aangrenzende gronden de bestemming ‘agrarische met waarden’.
Figuur 2. Overzicht te behouden bebouwing (geel), te verbouwen veestal (oranje), te saneren stallen en sleufsilo’s (rood).
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
6 2.3
Foto- impressie plangebied
De directe omgeving van het plangebied, de Tureluurweg, op de linkerfoto links het plangebied en op de rechterfoto het aangrenzende Natura 2000-gebied ‘Groote Peel’.
Zicht op te slopen sleufsilo kijkrichting Tureluurweg en een indruk van de te behouden bedrijfswoning.
Te slopen stallen, de stal rechts wordt verbouwd en een kijkje binnen één van de stallen.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
7
Binnenzijde te slopen stal en zicht op de te slopen sleufsilo ten noordwesten van de stallen.
Te slopen stal en kijkje binnen de stal met rundvee.
Te slopen fietsenschuurtje/carport en zicht op de binnenzijde.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
8
Te behouden werktuigenloods met steenuilenkast op de kopgevel en een kijkje binnen de loods.
3.
WERKWIJZE
De quickscan bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en een biotoopgeschiktheidsbeoordeling. Bronnenonderzoek In het kader van de quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving en Voor het soortenonderzoek is o.a. gebruik gemaakt van actuele verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), diverse verspreidingsatlassen, soortspecifieke literatuur en kennisdocumenten. De bron van de NDFF gegevens die in deze rapportage worden vermeld betreft “NDFF - quickscanhulp.nl 17 maart 2023”. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (EHS). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Veldbezoek Er heeft een veldbezoek plaatsgevonden op 21 maart in de voormiddag. Het weer was zwaar bewolkt met een matige zuidwesten wind bij een temperatuur van 12°C. Daarbij zijn de aanwezige biotopen in het plangebied en directe omgeving opgenomen.
Bij de biotoopgeschiktheidsbeoordeling worden de aangetroffen biotopen tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF vergeleken met de habitatvereisten van beschermde soorten, waarop ingeschat kan worden welke soorten er potentieel voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. Opmerking: De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de plangebied en directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
9
4.
NATUURBESCHERMING IN NEDERLAND
Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming staat in het teken van verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in Soortenbescherming en Gebiedsbescherming.
4.1
SOORTENBESCHERMING
Beschermingsniveaus De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Europa in het wild levende vogels worden beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Soorten worden Europees beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Het derde beschermingsregime betreft: ‘Andere soorten,’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het zwaarste beschermingsregime geldt voor de Europees beschermde soorten welke vallen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en welke hier als strikt beschermd aangeduid. Voor nationaal beschermde soorten ‘Andere soorten’ geldt een zwakker beschermingsregime en kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Van de soorten die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. (met uitzondering van exoten die hier ook kunnen broeden).
Op alle vogels is het beschermingsregime van § 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De Europees beschermde soorten bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De ‘andere’ nationale soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10 en 3.11. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten (zie bijlage 3), is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
10 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Niet van toepassing
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun Natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Tabel 1. Overzicht beschermingsregime met verbodsbepalingen Wet natuurbescherming.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
11 Jaarrond beschermde verblijfplaatsen Naast soorten beschermt de Wet Natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. (zie bijlage 1 en 2) Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Ook hier zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek. In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover voor deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Ontheffingsplicht en vrijstelling Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen.
Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode, door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Toetsing Elke categorie beschermde soorten kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Voor de drie categorieën beschermde soorten moeten de effecten op populatieniveau worden getoetst. Daarbij dient de staat van instandhouding van de gehele populatie in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna. Zorgplicht De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. Dit is de waarde die de plant of dier in zichzelf heeft. De waarde die wordt gehecht aan kwaliteiten van een soort, ongeacht de waarde die soort heeft voor mensen.
Artikel 1.11 van de Wnb stelt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om zodoende die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
12 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort nodig onder de Wet natuurbescherming. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.
4.2
GEBIEDSBESCHERMING
De gebiedenbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden • •
Gebieden die op Europees niveau beschermd zijn en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands) en vallen onder de noemer Natura 2000- gebieden. Planologisch beschermde natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (EHS). In de provincie NoordBrabant geheten; Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Natura 2000 Natura 2000- gebieden betreffen gebieden van grote ecologische waarde. In Nederland zijn 164 Natura 2000- gebieden aangewezen. Per Natura 2000- gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Iedereen die vermoedt, of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000- gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000- doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend indien er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Natuurnetwerk Nederland De natuurgebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland vormen door hun onderlinge verbindingen een samenhangend ecologisch netwerk. Het Natuurnetwerk Nederland is de opvolging van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) waarvan de naam de EHS nog in de wetgeving verankerd is.
De beleidsmatige bescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Omgevingsvisie febr. 2020 vooruitlopend op de Omgevingswet). In de provincie Noord- Brabant (Natuurnetwerk Brabant) bestaat het Natuurnetwerk Nederland uit de Rijks EHS en de provinciale EHS. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen de Rijks- en de provinciale EHS. Provincies kunnen zelf bepalen welke gebieden beschermd worden via het provinciaal beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle mogelijke effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De bescherming van NNNgebieden verloopt via het ruimtelijk ordeningsrecht Barro (bestemmingsplannen) en niet via natuurwetgeving.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Tureluurweg 3 Asten
13
4.3
BESCHERMING VAN HOUTOPSTANDEN
In de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen om bossen en andere houtopstanden te beschermen. Bos valt onder de Wet natuurbescherming als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft, uit meer dan 20 bomen bestaat. Alleen als bos buiten de bebouwde kom ligt, valt het onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet. Bomen op erven en tuinen en een rij wilgen of populieren op of langs landbouwgronden zijn uitgezonderd van de meldingsplicht. Verder is in de Wet natuurbescherming ruimte gecreëerd voor vellen voor de productie van hout als biomassa. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd van de meld- en herplantplicht indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd. De uitzondering van de oude Boswet voor Italiaanse populieren, linden, paardenkastanjes en treurwilgen gaat onder de Wet natuurbescherming niet meer op. De belangrijkste elementen m.b.t.
de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Meldingsplicht Wanneer een boseigenaar voornemens is om een houtopstand die onder de Wet Natuurbescherming valt, te gaan vellen dan moet hij dit voornemen minstens een maand van te voren melden bij Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie. (art. 4.2 Wnb). Herplantplicht De eigenaar van grond waarop een houtopstand is geveld, of op andere wijze teniet is gegaan, is verplicht binnen drie jaar te herplanten. (art. 4.2 Wnb). Het is niet van belang hoe het bos is ontstaan of in welke staat het verkeerde. Wanneer de herplant niet aanslaat, moet binnen drie jaar daarna de herplant worden vervangen. Er geldt een algehele vrijstelling voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Kapverbod In uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten een kapverbod opleggen wanneer het natuurof landschapsschoon ernstig in gevaar is. In de praktijk gebeurt dat slecht af en toe, zoals in gevallen waarbij het om zeer oude bomen of buitengewoon waardevolle boomgemeenschappen gaat.