CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU24.06.06C Toelichting - BP ‘Asten Floraplein en Julianastraat 2023’

Raadscommissie Ruimte 4 juni 2024, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Asten Floraplein en Julianastraat 2023’ (adviserend)29.816 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Na het doorvoeren van voornoemde maatregel worden navolgende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus berekend ter plaatse van de geluidgevoelige objecten (tabel 4.1).

66/106

Tabel 4.1 Berekend LAr, LT en LAmax ter plaatse van gevoelige objecten

Uit de rekenresultaten blijkt dat ter hoogte van de woningen/appartementen van derden ten hoogste 50 dB(A) voor het LAr,LT in de dagperiode wordt berekend en 65 dB(A) voor de LAmax wordt berekend gedurende de avondperiode. Hiermee wordt gedurende de dagperiode voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) voor het LAr,LT en 65 dB(A) voor de LAmax in de avondperiode uit het Activiteitenbesluit. In figuur 4.4 is een 3D weergave bijgevoegd van de inrichting met daarop (geaccentueerd met gele kleur) de te treffen maatregelen. De te treffen maatregelen zijn geïntegreerd in de bouwkundige tekeningen zoals zijn opgenomen bij de omgevingsvergunningsaanvraag. In artikel 3.4.2 van de regels van voorliggend bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting is opgenomen voor realisatie en instandhouding van de geluidsmaatregel. Het gaat hierbij om de realisatie van een geluidsscherm aan de noordoostgevel op het parkeerdek met een hoogte van 2,5 meter. Dit scherm zorgt ervoor dat ter plaatse van de woningen ten noordoosten van de nieuwe winkel aan de geluidsnormen wordt voldaan. Naast het afschermen van geluid zorgt dit scherm er ook voor dat inkijk in de naastgelegen tuinen niet mogelijk is. Dat laatste is gegarandeerd door de hoogte van 2,5 meter boven het niveau van het parkeerdek.

De noord-oostgevel (aan de zijde van de tuinen van de woningen aan de Klaproosstraat en Floralaan) wordt aan de buitenzijde afgewerkt met een aluminium profielplaat en aan de binnenzijde (parkeerdek) met houten delen in een dicht systeem. Eventueel kan aan deze gevel isolatiemateriaal ten behoeve van geluidsobsorptie toegevoegd worden. Daarnaast dient op de begane grond, ter hoogte van de winkelwagenstalling, ook een geluidscherm te worden gerealiseerd. Dit scherm krijgt een minimale hoogte van 2 meter en wordt uitgevoerd als transparant scherm met houten delen ervoor.

67/106

Figuur 4.4 3D-weergave te treffen geluidmaatregelen in de vorm van afschermende voorzieningen, geaccentueerd met gele kleur (Bron: Wematech) Het aspect industrielawaai vormt daardoor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.3.2 Locatie Julianastraat De locatie Julianastraat ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving en er ligt geen gezoneerd industrieterrein of windturbine in de buurt. De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit zullen niet worden overschreden. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.7.4 Railverkeerslawaai Beide locaties binnen het plangebied liggen niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de plannen. 4.7.5 Conclusie Het aspect geluid vormt, met in acht name van de in dit bestemmingsplan opgenomen regels, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1 Normstelling en beleid In de huidige wetgeving zijn de begrippen risicobron, (beperkt) kwetsbaar object, plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico van belang. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico GR is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

68/106

Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) is van toepassing op het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar, bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico, maar wel geldt hiervoor een verantwoordingsplicht in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Op het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet van toepassing; het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR geen onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor beide situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. 4.8.2 Toetsing Algemeen Conform de risicokaart (figuur 4.5) liggen beide locaties niet binnen een plaatsgebonden risico contour (10-6) van een inrichting, (spoor)weg of buisleiding. Daarmee kan gesteld worden dat in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, de weg of door buisleidingen met een externe werking plaatsvindt. Beide locaties zijn wel gelegen binnen het 4 kilometer brede invloedsgebied van de snelweg A67. Omdat beide locaties verder dan 200 meter verwijderd liggen van de snelweg is rekenkundig onderzoek van het groepsrisico niet noodzakelijk.

69/106

Figuur 4.5 Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (Bron: Atlas Leefomgeving) Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Locatie Floraplein Deze locatie wordt ontsloten via het Floraplein / Floralaan. Het wegnetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Locatie Julianastraat Deze locatie wordt ontsloten via Julianastraat / Emmastraat. Ook dit gedege wegnetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De mogelijk aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het

70/106

uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Besluit externe veiligheid Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient er advies te worden gevraagd bij de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De Veiligheidsregio Brabant Zuidoost (VRBZO) heeft voor ontwikkelingen op grote afstand van risicobronnen en kleine ontwikkelingen een standaardadvies opgesteld. VRBZO is in de gelegenheid gebracht voor vooroverleg. De reactie is beschreven in paragraaf 6.2.2, waarin aangegeven is dat verwezen kan worden naar het standaardadvies versie 2.0 d.d. 1-1-2019. Dit advies is bijgevoegd als bijlage 10 en wordt gedurende de planvorming en uitvoering in acht genomen.

4.8.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen

71/106

aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.9.2 Toetsing 4.9.2.1 Locatie Floraplein 4.9.2.1.1 NIBM Zoals beschreven in paragraaf 4.3 en in het onderzoek verkeer en parkeren zoals bijgevoegd als bijlage 5 neemt met de voorgenomen herontwikkeling van de functies aan het Floraplein de verkeersgeneratie toe van circa 316 motorvoertuigen in de huidige situatie naar circa 1.200 motorvoertuigen per werkdag in de toekomstige situatie.

Hierbij is dus sprake van een toename van 881 motorvoertuigen. Per weekdag is sprake van een toename van 663 motorvoertuigen. Om aan te kunnen tonen dat het planvoornemen Niet In Betekenende Mate bijdraagt aan de verslechting van de luchtkwaliteit, is de NIBM-tool (versie 23-04-2022) ingevuld. De resultaten daarvan zijn opgenomen in figuur 4.6.

Figuur 4.6 Resultaten NIBM-tool (Bron: Rijksoverheid, versie 23-04-2022) Uit de NIBM-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht

72/106

van 1,04 µg/m³ en van fijn stof van 0,14 µg/m³. De fijnstoftoename blijft onder de 1,2 µg/m³, de grens van 1,2 voor N02 wordt ook niet overschreden. Op basis van de NIBM-tool is daarmee nader onderbouwd dat het valt onder de regeling 'Niet In Betekenende Mate'. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. 4.9.2.1.2 Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie Floraplein gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Floralaan is de maatgevende weg. Uit de tool (figuur 4.7) blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van de locatie als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 4.7 Toetspunt en concentraties NO2, PM10 en PM2,5 Floraplein (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) 4.9.2.2 Locatie Julianastraat 4.9.2.2.1 NIBM Zoals beschreven in paragraaf 4.3 en in het onderzoek verkeer en parkeren zoals bijgevoegd als bijlage 5 neemt de verkeersgeneratie af van circa 1.200 motorvoertuigen in de huidige situatie naar circa 240 motorvoertuigen per werkdag in de toekomstige situatie. Hierbij is dus sprake van een afname van 934 motorvoertuigen. Per weekdag is sprake van een afname van 674 motorvoertuigen. Deze afname heeft een positief effect op luchtkwaliteit, waardoor nader onderzoek naar dit aspect niet noodzakelijk is.

73/106

Goede ruimtelijke ordening 4.9.2.2.2 In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie Julianastraat gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Emmastraat is de maatgevende weg. Uit de tool (figuur 4.8) blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van het projectgebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 4.8 Toetspunt en concentraties NO2, PM10 en PM2,5 Julianastraat (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) 4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

74/106

4.10.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Bodem 4.11.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.11.2 Toetsing 4.11.2.1 Algemeen In het kader van de beoogde ontwikkelingen zijn voor beide locaties bodemonderzoeken uitgevoerd. Hierna wordt per locatie ingegaan op de belangrijkste resultaten en wordt een doorkijk ten aanzien van de planvorming gegeven.

4.11.2.2 Locatie Floraplein 4.11.2.2.1 Algemeen Voor deze locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, opgenomen als bijlge 11. Het doel van het onderzoek was het vaststellen of op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is. Het terrein is deels bebouwd. Het onbebouwde terrein is verhard met klinkers. Aan de hand van de beschikbare historische gegevens is het onderzoek uitgevoerd op basis van de Nederlandse Norm, NEN 5740/A1, met als uitgangspunt een verdachte locatie. De locatie is verdacht vanwege de aanwezigheid van een parkeerplaats. 4.11.2.2.2 Werkzaamheden Aan de hand van de beschikbare historische gegevens is het onderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie: VED-HE (verdachte (deel)locatie met bekende plaats van diffuse, heterogene bodembelasting).

75/106

Het onderzochte terrein heeft een oppervlakte van circa 3.750 m2. Verdeeld over het terrein zijn 15 boringen verricht, te weten: 10 boringen tot 0,5 m-mv; 1 boring tot 0,6 m-mv; 1 boring tot 0,9 m-mv; 2 boringen tot 2,0 m-mv; 1 boring met peilbuis tot 5,0 m-mv. Er zijn 2 grondmengmonsters van de bovengrond en 1 grondmengmonster van de ondergrond onderzocht op het NEN-grondpakket. Het grondwater is geanalyseerd op het NEN-grondwaterpakket. Aanvullend op bovengenoemde analyses is 1 grondmengmonster van de bovengrond geanalyseerd op PFAS componenten, excl. GenX. 4.11.2.2.3 Resultaten en conclusie Door middel van het uitgevoerde onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. De grond en het grondwater zijn niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Uit de resultaten blijjkt dat de onderzochte grond, bij toetsing aan het Handelingskader PFAS (versie 13 december 2021, bij toepassing boven grondwaterniveau), gekwalificeerd kan worden als klasse 'Wonen / Industrie'. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese "verdachte locatie" strikt genomen niet juist is gezien er geen verhoogde concentraties (boven de achtergrondwaarde/streefwaarde) van de onderzochte parameters uit het standaard grond en grondwaterpakket zijn aangetroffen.

Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan de voorgenomen nieuwbouw op locatie. Indien grond afgevoerd dient te worden dient rekening gehouden te worden gehouden met de kwaliteitsklasse voor PFAS in de grond (klasse 'Wonen / Industrie'). Hiermee vormt de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering voor het voorgenomen gebruik en de bestemmingsplanwijziging. 4.11.2.3 Locatie Julianastraat Met het oog op de beoogde woningbouwontwikkeling aan de Julianastraat is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 12. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. 4.11.2.3.1 Verkennend bodemonderzoek Algemeen beeld onderzoekslocatie Uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt dat ter plaatse van een drietal boringen, 101 (traject 0,10-0,50 m-mv), 108 (traject 0,45-0,95 m-mv) en boring 110 (traject: 0,65-1,00 m-mv) sterke verontreinigen met enkele zware metalen zijn aangetroffen. Verder worden op de locatie hooguit nog lichte verontreinigingen met zware metalen, PCB, minerale olie en PAK gemeten. Het grondwater bevat geen van de onderzochte parameters

76/106

in een gehalte boven de streefwaarde. OBAS Op basis van de analyseresultaten van onderhavig verkennend bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de olieafscheider niet heeft gezorgd voor een verontreiniging van de grond en het grondwater. Asbest Tijdens de veldwerkzaamheden is in de bodem een bijmenging met puin waargenomen. Er zijn derhalve twee indicatieve grondmengmonsters samengesteld en geanalyseerd op asbest. Uit de resultaten van de analyse blijkt dat er indicatief geen asbest is aangetoond boven de detectiegrens. Asfalt Uit de resultaten van het asfaltonderzoek blijkt dat het gehalte aan PAK in de geanalyseerde mengmonsters lager ligt dan 50 mg/kg d.s. Het asfalt kan derhalve op basis van de gehalten aan PAK worden gekwalificeerd als niet-teerhoudend. PFAS Uit de resultaten blijkt dat de onderzochte grond, bij toetsing aan het Handelingskader PFAS (versie 13 december 2021, bij toepassing boven grondwaterniveau), gekwalificeerd kan worden als klasse ‘Landbouw / Natuur’. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat er sprake is van een sterke bodemverontreiniging ter plaatse van boring 101, 108 en 110. Deze boringen bevinden zich ter plaatse van het parkeerterrein aan de achterzijde van de Aldi welke naar alle waarschijnlijkheid voor 1987 is ontwikkeld. Derhalve kunnen de aangetroffen verontreinigingen als historisch beschouwd worden.

4.11.2.3.2 Nader bodemonderzoek (1e en 2e fase) Boring 101 Op basis van de resultaten van het onderzoek is de sterke verontreiniging met zware metalen (koper, lood en zink) zowel horizontaal als verticaal in kaart gebracht. Hierbij wordt wel opgemerkt dat in de horizontaal afperkende boringen plaatselijk nog matig verhoogde concentraties aan zink zijn aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 101PB zijn geen verontreinigingen aangetroffen. De sterke verontreiniging is aangetroffen tot een diepte van maximaal 0,6 m-mv. De oppervlakte van de verontreinigingscontour boven de interventiewaarde wordt geraamd op circa 5 m2. De sterke verontreiniging bevindt zich tot een diepte van 0,50 m-mv. Op basis van de analyseresultaten wordt de omvang van de sterke verontreiniging met koper, lood en zink in de grond ingeschat op circa 3 m3. Boring 108 Op basis van bovenstaande gegevens wordt geconcludeerd dat de verontreiniging met zink verticaal is afgeperkt tot een diepte van maximaal 1,1 m-mv. Horizontaal is de verontreiniging in zuidelijke, zuidwestelijke (boring 108.3, 108.7 en 108.8) en oostelijke (boring 108.6 en 108.7) richting nog niet afgeperkt. Derhalve zijn 9 aanvullende boringen geplaatst (boring 108.9 t/m 108.18).

Op basis van de onderzoeksresultaten is de sterke verontreiniging met zink in zuidelijke, zuidwestelijke en zuidoostelijke richting horizontaal afgeperkt. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat in boring 108.18 (zuidwestelijk) nog een matige verontreiniging met zink

77/106

aanwezig is. Echter, blijkt dat ter plaatse van de horizontaal afperkende boringen 108.9, 108.10 en 108.11 (oostelijk) de verontreiniging met zink nog niet volledig nog niet volledig in kaart is gebracht. In oostelijke richting wordt de verontreiniging begrensd door de perceelgrens. Noordelijk van boring 108.9 en 108.10 is de verontreinigingscontour nog niet vastgesteld. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 108PB zijn lichte verontreinigingen met koper en molybdeen aangetroffen. Om de verdere omvang te bepalen, is een nader onderzoek 3e fase nodig, bestaande uit aanvullendeboringen en analyses. Op basis van de huidige analyseresultaten kan wel gesproken worden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Waarbij de minimale oppervlakte van de verontreinigingscontour geraamd wordt op 154 m2. De sterke verontreiniging bevindt zich in traject van 0,45 tot 0,95 m-mv. Op basis van de analyseresultaten wordt de (minimale) omvang van de sterke verontreiniging met zink in de grond ingeschat op 77 m3. Echter, dient de daadwerkelijke omvang van de verontreiniging nog volledig in kaart gebracht te worden. Boring 110 Op basis van de analyseresultaten blijkt dat de verontreiniging verticaal is afgeperkt, de sterke verontreiniging bevindt op een diepte van 0,50 tot 1,00 m-mv. Horizontaal is de verontreiniging nog niet volledig afgeperkt.

Echter, kan wel gesproken worden over een perceel gebonden afperking, waarbij de verontreinigingscontour zich in alle waarschijnlijk uitbreidt buiten de onderzoekslocatie. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 110PB is een matige verontreiniging met zink en lichte verontreinigingen met barium en koper aangetroffen. Na herbemonstering van peilbuis 110PB blijkt dat de matige verontreiniging met zink, hoogstens licht verontreinigd is aangetoond. Derhalve kan de matige verontreiniging beschouwd worden als een uitbijter. In dit geval wordt verwacht dat er sprake is van een (perceelsgrens overschrijdend) geval van ernstige bodemverontreiniging. De totale omvang (hoeveelheid sterk verontreinigde grond) is echter niet vastgesteld gezien het een perceelsgrensoverschrijdende verontreiniging betreft. De oppervlakte van de verontreiniging (binnen de onderzoekslocatie) boven de interventiewaarde wordt geraamd op circa 38 m2. De sterke verontreiniging bevindt zich in traject van 0,50 tot 1,0 m-mv. Op basis van de analyseresultaten wordt de omvang van de sterke verontreiniging met zink in de grond ingeschat op 19 m3. 4.11.2.3.3 Conclusie en aanbevelingen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er op de locatie sprake is van een (historisch) geval van ernstige bodemverontreiniging met zink, waarbij sprake is van 3 afzonderlijke kernen.

Uit de risicobepaling middels sanscrit is geconcludeerd dat er geen sprake is van een spoedeisende saneringsnoodzaak. De grootste verontreinigingskern, rondom boring 108, is nog niet volledig afgeperkt. Nader onderzoek (3e fase) dient te worden uitgevoerd om deze verder (horizontaal) af te perken. Buiten de genoemde verontreinigingskernen is de grond op de locatie niet tot maximaal matig verontreinigd met diverse parameters. Het grondwater is eveneens niet relevant verontreinigd (maximaal licht verontreinigd). Hier zijn geen specifieke maatregelen noodzakelijk in het kader van de voorgenomen graafwerkzaamheden. Op basis van de bovenstaande conclusies zijn de volgende aanbevelingen gedaan in het kader van de voorgenomen herontwikkeling:

78/106

Ten behoeve van de ontwikkelingen op de onderzoekslocatie gelden er belemmeringen als gevolg van de aanwezigheid van de sterke verontreinigingen met zink. Ten behoeve van (graaf)werkzaamheden in / met de sterk verontreinigde grond dient vooraf een melding 'Saneren van de bodem' (milieubelastende activiteit zoals opgenomen in paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL)) te doen via het Omgevingsloket / DSO. Hierin dient de omgang met de sterk verontreinigde grond te worden vastgelegd. De (graaf)werkzaamheden binnen de verontreinigingscontouren dienen te worden uitgevoerd door een BRL7000, protocol 7001, gecertificeerde aannemer. De werkzaamheden dienen, afhankelijk van de aard van de werkzaamheden, begeleid te worden conform BRL6000, protocol 6001. Aanbevolen wordt om, voorafgaand aan het opstellen van de BUS melding en het uitvoeren van de (graaf)werkzaamheden, de contour van de verontreinigingskern bij boring 108 nader vast te stellen middels een nader bodemonderzoek (3e fase). In het kader hiervan is in artikel 7.5.4 van de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. 4.11.3 Conclusie Met in acht name van bovenstaande maatregelen vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen op de locaties Floraplein en Julianastraat. De uitvoerbaarheid is in voldoende mate aangetoond.

4.12 Geurhinder 4.12.1 Normstelling en beleid De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en/of het Activiteitenbesluit vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit de omliggende veehouderijen. Dat kader stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten (alleen intensieve veehouderijen) en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten (alle veehouderijen). Daarnaast moet worden beoordeeld of ter plaatse van het nieuwe geurgevoelig object sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat en mag het nieuw geurgevoelig object geen (aanvullende) beperking worden voor de omliggende veehouderijen. De geurbelasting is afkomstig van dieren, waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een emissiefactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (OUE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen wordt in de Wgv ook rekening gehouden met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden).

De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt.

79/106

4.12.2 Toetsing 4.12.2.1 Locatie Floraplein De beoogde ontwikkeling aan het Floraplein maakt geen geurgevoelig object mogelijk. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is hierop niet van toepassing en wordt derhalve voor deze ontwikkeling buiten beschouwinig gelaten. 4.12.2.2 Locatie Julianastraat In de beoogde situatie aan de Julianastraat is sprake van een nieuwe woningbouwontwikkeling. Er is hierbij geen sprake van bouwkavels die onderdeel hebben uitgemaakt van het bouwvlak van een veehouderij. Een toetsing aan vaste afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten is in dit geval niet aan de orde. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van circa 1,5 kilometer. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden ingegaan op de aanvaardbaarheid van het heersende geurniveau ter plaatse. Figuur 4.8 toont een uitsnede van de achtergrondbelasting geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. De leefkwaliteit in het gebied is berekend op basis van een concentratiegebied. Het plangebied is echter gelegen in een niet-concentratiegebied. Gezien het geringe aantal veehouderijen en de afstand van het plangebied tot deze veehouderijen, mag worden aangenomen dat ter plaatse van het plangebied een goede kwaliteit van de leefomgeving verwacht.

Figuur 4.8 Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur (Bron: ODZOB) 4.12.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

80/106

4.13 Water 4.13.1 Normstelling en beleid 4.13.1.1 Algemeen Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afvalwater dat afkomstig is van huizen en bedrijven. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de aansluiting op het riool. Vanaf dit aansluitpunt neemt de gemeente de verantwoordelijkheid over. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de zorg voor het overtollige regenwater en grondwater. 4.13.1.2 Europees en rijksbeleid Op Europeees Niveau is de Kaderrichtlijn Water van kracht. De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021.

In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, we moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd. De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen.

Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. In Asten geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart. 4.13.1.3 Regionaal beleid Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027. Het PMWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. De doelen van het PMWP zijn: Voldoende water voor mens, plant en dier

81/106

Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. In het Waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen. De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in vier programma's: Veilig en bewoonbaar beheergebied: bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen; Voldoende water en robuust watersysteem: dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in het beheergebied van het waterschap voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doet het waterschap door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer).

Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact; Gezond en natuurlijk water: dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. Ingegaan wordt op hoe toegewerkt wordt naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van het beheergebied van kunnen genieten; Schoon water: dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. De Keur Waterschap Aa en Maas 2015 is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap, maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. gemeenten, agrariërs en tuinders). De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn.

Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. Net zoals het Rijk heeft ook het waterschap een legger vastgesteld. De legger geeft het waterschap én derden een overzicht van: Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.) Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk is voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. De legger wordt jaarlijks geüpdatet, omdat het watersysteem en de kunstwerken aan verandering onderhevig

82/106

zijn. Bijvoorbeeld door het afgeven van vergunningen of veranderingen die voortkomen uit projecten. De watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen vallen, bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Het doel van een watertoets is de waterbelangen evenwichtig laten meewegen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het waterschap hanteert een aantal uitgangspunten bij de watertoets. De desbetreffende uitgangspunten zijn hieronder weergegeven: Voorkomen van vervuiling; Wateroverlastvrij bestemmen; Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO); Vuil water en hemelwater scheiden; Doorlopen van afwegingsstappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer; Waterschapsbelangen; Meervoudig ruimtegebruik; Water als kans. 4.13.1.4 Gemeentelijk beleid De gemeenteraad van de gemeente Asten heeft op 8 december 2020 het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan gemeente Asten 2021-2025’ (GRP) vastgesteld. Dit plan bevat zowel het riolerings- als het waterbeleid omdat dit niet los van elkaar kan worden gezien. De gemeente geeft in dit plan aandacht aan de volgende negen speerpunten: 1. Duurzame waterketen; 2. Klimaatbestendige waterketen; 3. Grondwaterhuishouding in balans; 4. Een klimaatbestendig watersysteem; 5. Schoon en gezond water; 6. Water als ordenend principe; 7. Beleefbaar water; 8.

Verder professionaliseren waterketen; 9. Samen werken aan water. Om de strategie bij speerpunt 2 te concretiseren is een handreiking hemelwaterbeleid opgesteld. De handreiking geeft duidelijkheid over te hanteren normen ten aanzien van waterberging. In de handreiking zijn vijf categorieën opgenomen: 1. Bestaand (ongewijzigd): geen extra waterberging wordt vereist. 2. Drukriool buitengebied: hier geldt een algeheel verbod om hemelwater af te voeren op de drukriolering. 3. Nieuwbouw (uitbreiding, inbreiding en bijgebouwen >40 m², herbouw, aanbouw van 90 m² of meer): er dient te worden voorzien in een gescheiden afvoer/verwerking van schoon hemelwater en afvalwater. Voor nieuwbouw vereist de gemeente een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak. Ook bij herbouw dient eveneens een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³. 4. Verbouw, aanbouw (tot 90 m²), vrijstaande bijgebouwen (tot 40 m²) bij bestaande gebouwen en woonunits op bouwlocaties: flexibiliteit geven om ruimte voor wateropvang te creëren. De gemeente stimuleert initiatieven van particulieren, bedrijven en instellingen voor duurzame omgang met water.

83/106

5. Aanleg van bescheiden riolering: bij rioolverzwaring of rioolvervanging legt de gemeente een separaat hemelwaterriool aan of wordt het hemelwater ter plaatse geborgen en geïnfiltreerd of geloosd op oppervlaktewater. 4.13.2 Toetsing 4.13.2.1 Locatie Floraplein 4.13.2.1.1 Keur Waterschap Aa en Maas 2015 De locatie is niet gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. 4.13.2.1.2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen Met deze herontwikkeling vindt geen toename van verhard oppervlak plaats met een omvang van meer dan 500 m². De beleidsregel vanuit de Brabantse waterschappen is dus niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling op deze locatie. 4.13.2.1.3 Watertoets Er is gebruik gemaakt van de watertoets (versie 2022) via dewatertoets.nl. De resultaten daarvan zijn opgenomen als bijlage 13. Uit de digitale watertoets blijkt dat met voorgenomen ontwikkeling geen belangen van het Waterschap worden geschaad. Verzocht wordt om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met de digitale watertoets geregeld. Voor de verwerking van afvalwater is de gemeente het bevoegd gezag. Voor oppervlaktewaterlozing is vaak een watervergunning nodig.

4.13.2.1.4 GRP gemeente Asten 2021-2025 Deze herontwikkeling ziet toe op de herbouw van een bestaand pand ten behoeve van de realisatie van een nieuwe ALDI-supermarkt. Voorzien dient dan ook te worden in een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³. De volgende formule is op basis van het GRP van toepassing: Benodigde compensatie (in m3) = Aan te leggen verhard oppervlak (in m2) * 0,06 (in m). In de bestaande situatie kan worden uitgegaan van de oppervlaktes zoals weergegeven in figuur 4.9. De bebouwing bedraagt 1.832 m2 en het overig verhard oppervlak bedraagt 2.077 m2.

84/106

Figuur 4.9 Verhard oppervlak bestaande situatie (Bron: KAW) In de toekomstige situatie heeft de bebouwing een oppervlak van 2.108 m2, waarvan 324 m2 wordt uitgevoerd met een groen sedum dak. De overige verharding in de toekomstige situatie komt uit op 1.873 m2, waarvan 232 m2 wordt uitgevoerd middels halfverharding. Het verhard oppervlak van de toekomstige situatie is weergegeven in figuur 4.10.

85/106

Figuur 4.10 Verhard oppervlak toekomstige situatie (Bron: KAW) De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt bij deze locatie op 24,0 m+NAP. Het dakoppervlak komt in de toekomstige situatie uit op 2.108m2 – 324m2 (sedum dak) = 1.784 m2. De overige verharding binnen deze planlocatie komt uit op 1.873 m2 - 232 m2 * 42% (bv. NCB-klinker op funderingssubstraat) = 1.776 m2. Op basis hiervan komt de benodigde waterberging uit op (1.784 m2 + 1.776m2) * 0,06 = 213,6 m3 waterberging. In paragraaf 4.13.2.1.5 wordt hier nader op in gegaan. 4.13.2.1.5 Hemelwaterafvoer na herontwikkeling Opgave en eisen Er dient met dit plan voor deze locatie aan het Floraplein rekening te worden gehouden met een bergingscapaciteit van circa 213,6 m3. Niet kan worden voorzien in berging binnen de grenzen van het plangebied, maar echter wel ter plaatse van het parkeerterrein aan de voorzijde van de toekomstige supermarkt (exploitatiegebied zoals beschreven in paragraaf 1.2.2). In het kader hiervan is in artikel 11.4 de algemene bouwregel opgenomen dat bij nieuw-, her- of verbouw of wijziging van gebruik (zoals in onderhavige situatie het geval is) voldaan moet worden aan de eien uit het geldende Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Eisen aan een waterbergingsvoorziening zijn: Controleerbaar op werking (dus zichtbaar of toegankelijk). Mogelijkheid tot reinigen, inspectie en onderhoud.

86/106

De afvoer uit een voorziening naar oppervlaktewater of riolering mag maximaal 2 liter per seconde per hectare zijn (conform beleid van het waterschap). De voorziening moet binnen 5 dagen leeggelopen zijn (bij maximaal 2 mm neerslag per etmaal) door afvoer en/of infiltratie in de bodem. De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De verwerking van het hemelwater moet altijd zodanig ontworpen worden dat het bijdraagt aan het verminderen van piekafvoeren en niet leidt tot wateroverlast. De waterbergingsvoorziening moet 60 mm per m2 verhard oppervlak (verharding en dak) kunnen bergen, oftewel 60 liter per m2 verhard oppervlak. Hierbij worden groene daken niet gezien als verhard oppervlak en half verharding wordt wel gezien als verhard oppervlak, tenzij aangetoond wordt (incl. aanleg- en onderhoudsvereisten) dat de half verharding ook op de lange termijn gedeeltelijk als onverhard functioneert. Het aan te leggen systeem dient te worden getoetst op geen water op straat bij bui08 (Stichting RIONED) in bestaande situaties; en 20cm waking bij bui09 en geen waterschade bij de standaard neerslaggebeurtenissen voor de stresstest (T=100, 70mm in 1 uur, T=250, 90mm in 1 uur en T=1000, 160mm in 2 uur) in nieuwe situaties.

De aanwezigheid van een overloopvoorziening (indien mogelijk bovengronds) voor de afvoer van water bij hevige buien als de voorziening vol is, is zo ontworpen dat deze wateroverlast voorkomt. Bij grootschalige ontwikkelingen dient een collectieve voorziening in de openbare ruimte gerealiseerd te worden. Uitwerking Ter plaatse van het (binnen de geldende bestemming) her in te richten parkeerterrein zal een ondergrondse infiltratievoorziening worden gerealiseerd. Deze voorziening zal bestaan uit een betonnen infiltratieriool in combinatie met een pakket van lava. Het technische uitwerkingsprincipe is opgenomen in de memo waterberging zoals is opgenomen als bijlage 14 bij voorliggend bestemmingsplan. De infiltratievoorziening heeft een minimale capaciteit van 216 m³. Daarmee wordt dus voldaan aan de waterbergingsopgave en is aangetoond dat de algemene bouwregel uit artikel 11.4 uitvoerbaar is. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen zal hier aan worden getoetst. 4.13.2.1.6 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Slechts schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera).

Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 4.13.2.1.7 Afvalwater De toekomstige supermarkt met een herbruikbare bestaande aansluiting gekoppeld aan de bestaande infrastructuur in de omgeving. Afspraken over de riolering worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Asten.

87/106

Locatie Julianastraat 4.13.2.2 4.13.2.2.1 Keur Waterschap Aa en Maas 2015 De locatie is niet gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. 4.13.2.2.2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen Met deze herontwikkeling vindt geen toename van verhard oppervlak plaats met een omvang van meer dan 500 m². De beleidsregel vanuit de Brabantse waterschappen is dus niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling op deze locatie. 4.13.2.2.3 Watertoets Er is gebruik gemaakt van de watertoets (versie 2022) via dewatertoets.nl. De resultaten daarvan zijn opgenomen als bijlage 15. Uit de digitale watertoets blijkt dat met voorgenomen ontwikkeling geen belangen van het Waterschap worden geschaad. Verzocht wordt om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met de digitale watertoets geregeld. Voor de verwerking van afvalwater is de gemeente het bevoegd gezag. Voor oppervlaktewaterlozing is vaak een watervergunning nodig. 4.13.2.2.4 GRP gemeente Asten 2021-2025 Deze herontwikkeling ziet toe op de her- en nieuwbouw van woningen in het bestaand stedelijk gebied van Asten.

Voorzien dient dan ook te worden in een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³. De volgende formule is op basis van het GRP van toepassing: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * 0,06 (in m). Het nieuw gebouwd en herbouwd oppervlak conform het bouwvlak op de de verbeelding van dit bestemmingsplan komt in de toekomstige situatie uit op circa 2.095 m2. Daarnaast wordt de terreinverharding ingeschat op circa 750 m2. De benodigde watercompensatie komt daarmee uit op ( 2.095 + 750 * 0,06) 170,7 m3. 4.13.2.2.5 Hemelwaterafvoer na herontwikkeling Er dient met dit plan voor deze locatie aan de Julianastraat rekening te worden gehouden met een bergingsopgave van circa 170,7 m³. Bij de bouwaanvraag wordt nader ingegaan op de exacte oppervlakte nieuwe verharding en daarmee de benodigde waterbergingsvoorziening. Binnen het plangebied aan de Julianastraat zijn voldoende mogelijkheden om een waterbergingsvoorziening met een (minimale) capaciteit van 171 m³ te realiseren. De maaiveldhoogte op deze locatie bedraagt conform het uitgevoerde bodemonderzoek (bijlage 12) 25,5 m+NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse is voldoende diep (24,0 m+NAP). Zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen, of een combinatie daarvan, zijn hierbij voorstelbaar.

In het kader hiervan is in artikel 11.4 de algemene bouwregel opgenomen dat bij nieuw-, her- of verbouw of wijziging van

88/106

gebruik (zoals in onderhavige situatie het geval is) voldaan moet worden aan de eisen uit het geldende Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Daarmee is aangetoond dat dit bestemmingsplan uitvoerbaar is. 4.13.2.2.6 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Slechts schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 4.13.2.2.7 Afvalwater De toekomstige woningen met een herbruikbare bestaande aansluiting worden gekoppeld aan de bestaande infrastructuur in de omgeving. Afspraken over de riolering worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Asten. 4.13.3 Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor dit planvoornemen.

Ten aanzien van de waterhuishouding zijn algemene bouwregels opgenomen op basis waarvan ten alle tijden moet worden voldaan aan de het Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP), zie ook artikel 11.4.

4.14 Ecologie 4.14.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN).

89/106

Natura-2000 gebieden Natura 2000 is de verzamelnaam voor het ecologisch netwerk van Europese natuurgebieden. De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In deze Natura 2000-gebieden wordt een groot aantal dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd zodat de biodiversiteit (soortenrijkdom) behouden wordt voor de toekomst. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Als menselijke ontwikkelingen zoals de aanleg van een nieuwe woonwijk (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet bij Gedeputeerde Staten van de provincie een ontheffing worden aangevraagd. Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden Buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, kunnen ook gebieden als Bijzonder nationaal natuurgebied aangewezen worden wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Bomenbeleidsplan In 1996 is door de gemeente Asten een lijst met markante bomen opgesteld, vastgelegd in de notitie “Beeldbepalende en monumentale bomen” met als doel het voortbestaan van deze bomen juridisch en planologisch veilig te stellen. De lijst bevat zowel bomen in gemeentelijk als particulier eigendom. Op deze lijst staan ook bomen die op de nationale monumentenlijst zijn opgenomen door de Bomenstichting. Deze nota

90/106

“Beeldbepalende en Monumentale Bomen” is door de gemeenteraad op 24 september 1996 vastgesteld. De afgelopen jaren is aandacht besteed aan de bescherming van de bomen. Tot op heden is de bescherming juridisch geregeld via de kapverordening en wordt verwezen naar de lijst in artikel 4.5.2 van de APV. De beeldbepalende bomen zijn echter niet planologisch beschermd. Tevens blijken de gehanteerde criteria niet duidelijk en makkelijk hanteerbaar waardoor bepaalde bomen niet op de lijst zijn opgenomen, terwijl deze bomen wel noemenswaardig zijn. Het huidige beleid wordt geactualiseerd met als doel: beschermwaardige bomen in gemeentelijk eigendom planologisch te beschermen; duidelijke criteria waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën beeldbepalende bomen.

Op basis van de nieuwe duidelijke criteria worden binnen de gemeente Asten de volgende categorieën bomen onderscheiden: Monumentale boom: voldoet aan alle basiscriteria en aan specifiek criterium II met betrekking tot monumentale waarden in het bijzonder; Waardevolle boom: voldoet aan alle basiscriteria en aan een van de specifieke criteria waarbij de boom van grote ruimtelijke betekenis is, of hoge ecologische waarden vertegenwoordigt of dendrologisch gezien interessant is; Toekomstboom: de boom heeft qua standplaats en soort de potenties om tenminste uit te groeien tot een waardevolle boom, voldoet aan basiscriterium, één van de specifieke criteria en behoort tot de duurzame boomsoorten. Bovengenoemde bomen zijn op kaart aangegeven en verwerkt in de lijst beschermwaardige bomen inclusief foto en een kaart van de standplaats. De beschermwaardige bomen worden op de volgende 3 manieren beschermd, namelijk: Feitelijke bescherming: bijzondere status; Juridische bescherming: opname in het bestemmingsplan (indien het een gemeenteboom betreft) en de APV; Fysieke bescherming: voorschriften voor bescherming tegen fysieke beschadiging. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en de bescherming van overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn,

91/106

bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=80f2347b-9a90-4339-b013-26b933a2ffec