RU24.02.03C Toelichting bestemmingsplan Asten Floraplein en Julianastraat 2023
Tekst van het document
De gemeente Asten valt onder de subregio De Peel. De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de beoogde ontwikkeling blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld. Kwantitatieve behoefte Regionale woondeal Zuidoost-Brabant Er is sprake van een groot woningtekort. De regio zet zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van minimaal 45.135 woningen in de periode 2022 tot en met 2030. Elke gemeente neemt een fair share van de regionale opgave. Ze maken daarom afspraken over de minimale opgave per gemeente. Meer realiseren mag, dan wordt het woningtekort sneller ingelopen. De regionale woondeal is raadpleegbaar via deze link: https://noordbrabant.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/View/dd515c11-420d-4b1a-9b8e-7a9db1c0bf71. Tabel 3.1 Fair share woningbouwopgve Zuidoost-Brabant 2022 t/m 2030 (Bron: Provincie Noord-Brabant)
42/105
Tabel 3.2 Woningbouwopgave per gemeente per jaar 2022 t/m 2030 (Bron: Provincie Noord-Brabant)
43/105
In de regionale woondeal Zuidoost-Brabant staat voor gemeente Asten het te bouwen aantal van netto 640 woningen tot en met 2030. Van het woningbouwprogramma moet tweederde deel betaalbaar zijn, waarvan 30% sociale huur. Ook is aangegeven dat er slechts harde plancapaciteit is voor 170 woningen. De opgave ligt 30% hoger dan wat in de Woonvisie, welke ook in deze paragraaf aan bod komt, van de gemeente Asten staat. In de Omgevingsvisie Asten is in gegaan waar en wanneer er extra huizen worden gebouwd. Kwalitatieve behoefte Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 In 2016 is de Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten van het volkshuisvestingsbeleid voor de komende 10 jaren geformuleerd. Het betreft een gedeeltelijke actualisatie van de woonvisie 2010 t/m 2019. Eind 2023 wordt de nieuwe woonvisie vastgesteld. De belangrijkste aspecten voor het woonbeleid luiden als volgt: Regiogemeenten werken samen op het terrein van volkshuisvesting. Samenwerking betreft bijv. uitvoeren kwalitatief woningmarktonderzoek, kennisdeling. Asten richt zich op het realiseren van een woningvoorraad die past bij de woonbehoeften van de Astense bevolking, zowel kwantitatief (voldoende woningen) als kwalitatief (juiste woningen). Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor de gemeente Asten als geheel maar ook voor de drie afzonderlijke kernen.
De kwantitatieve taakstelling voor de gemeente bedraagt 650 woningen tot en met 2029 (= toevoeging aan bestaande woningvoorraad). Voor het nieuwbouwprogramma gelden de volgende kaders naar doelgroep, prijs en type woning: aandeel starters / gezinnen / senioren = 20% / 30% / 50%. De woonvisie is nader uitgewerkt in het woningbouwprogramma. Conclusie De beoogde woningontwikkeling is aan te merken als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De woningbouwplannen zijn kwantitatief afgestemd op de provinciale en regionale behoeften. Vanuit kwalitatief oogpunt blijft vraag- en behoeftegericht bouwen het basisprincipe. Hierbij dienen ontwikkelingsgerichte
44/105
bestemmingsplannen een ruime mate van flexibiliteit te kennen om relatief snel in te kunnen springen op behoefteveranderingen. Gestuurd wordt op een goede verhouding tussen sociale huur en koop in verschillende klassen. De prioriteit hierbij ligt op een kwalitatieve aanvulling van het woonaanbod en daarmee op de doelgroepen die momenteel onvoldoende mogelijkheden hebben op de huidige woningmarkt, voornamelijk starters en senioren. Het initiatief aan Julianastraat speelt nadrukkelijk in op deze ambities en het past hiermee binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het rijksbeleid.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.3.1.1 Normstelling en beleid In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. 3.3.1.2 Toetsing Stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Herbestemmen wordt gezien als het nieuwe bouwen: als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied.
Hier liggen namelijk de kansen om de forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen in de komende tien jaar te realiseren. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij.
45/105
3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.2.1 Normstelling en beleid Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood-Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
Het volgende artikel is relevant voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen 'stedelijk gebied' en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
46/105
3.3.2.2 Toetsing Het 'stedelijk gebied' zoals gehanteerd door de provincie bestaat uit het 'stedelijk concentratiegebied' en de 'landelijke kern'. Het plangebied ligt binnen een 'landelijke kern' zoals gehanteerd binnen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (figuur 3.1). Binnen deze gebieden kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen en beleefbaar te houden. Binnen het stedelijk gebied liggen verschillende mogelijkheden voor inbreiding, herstructurering en intensief, meervoudig ruimtegebruik. Voorliggend plan speelt in op deze mogelijkheden en speelt in op de beleidsambities ten aanzien van duurzame stedelijke ontwikkeling. Daarnaast is het plan regionaal afgestemd zoals nader beschreven in paragraaf 3.2.3 en bijbehorende bijlage 1 en speelt het plan, zoals onder andere beschreven in hoofdstuk 4 van voorliggend bestemmingsplan, in op de ambities uit lid 2 a t/m f.
Figuur 3.1 Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Bron: Provincie Noord-Brabant) 3.3.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.3.1 Normstelling en beleid De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels zijn samengevoegd. Provinciale Staten hebben vervolgens op 11 maart 2022 de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De verordening treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking. In de definitieve verordening zijn, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. De huidige regels in de Interim omgevingsverordening zijn gehanteerd als uitgangspunt. De belangrijkste wijzigingen zijn: Er is aansluiting gezocht bij de opbouw van de rijksregels. Diverse nadere regelingen zijn in de Omgevingsverordening verwerkt. Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming zijn nieuwe regels opgenomen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Het voorstel is om daarvoor ook voorbeschermingsregels vast te stellen. De aanwijzing van voor verzuring gevoelige kwetsbare gebieden (Wav-kaarten) is vervallen.
47/105
De rechtstreeks werkende regels voor de ontwikkeling van veehouderij en mestbewerking vervallen. Het voorstel is om die te vervangen door voorbeschermingsregels. Er is een attentiezone geluid opgenomen langs provinciale wegen waarbinnen aandacht wordt gevraagd voor het oprichten van geluidgevoelige bebouwing. 3.3.3.2 Toetsing In de omgevingsverordenig Noord-Brabant zijn geen wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van de interim omgevingsverordening die relevant zijn voor onderhavig plangebied. 3.3.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Asten 3.4.1.1 Normstelling en beleid Recent heeft de gemeente Asten Omgevingsvisie Asten vastgesteld. In deze omgevingsvisie worden de ambities voor de fysieke leefomgeving vastgelegd, waarbij nadrukkelijk de verbinding wordt gelegd met het sociaal domein en het gemeentelijk gezondheidsbeleid. Daarbij wordt onder meer voortgebouwd op bestaand beleid dat door de gemeenteraad van Asten is vastgesteld. De omgevingsvisie onderscheidt binnen de gemeente Asten verschillende deelgebieden. Het plangebied maakt onderdeel uit van het deelgebied 'Dynamische Dorpen', dat bestaat uit de dorpen Asten, Heusden en Ommel. Mede dankzij het groen in en rond de kernen zijn dit fijne dorpen om in te wonen. Gelegen binnen de Metropoolregio Eindhoven hebben ze een dorpse sfeer in uitstraling en gevoel. In het deelgebied Asten, Heusden en Ommel staan de komende jaren een aantal opgaven centraal: de transformatie van het buitengebied met aandacht voor verbetering van de luchtkwaliteit, het vitaal houden van de kernen, de ontwikkeling van het centrum van Asten en het klimaatbestendig en energieneutraal worden in 2030. Daarnaast wordt er gewerkt aan de 'vitale democratie'. Dat is de manier waarop de samenleving en overheid samenwerken. De omgevingsvisie zal na inwerkingtreding van de Omgevingswet uiteindelijk als basis dienen voor het opstellen van een omgevingsplan.
In de omgevingsvisie wordt het belang van vitale kernen binnen de gemeente onderschreven. In de kernen is het prettig en groen wonen. Onderdeel van de hierboven beschreven opgaven is het realiseren van voldoende, betaalbare en passende woningen en woonomgevingen voor alle doelgroepen. Bij uitbreiding van de dorpen voor wonen of bedrijvigheid wordt rekening gehouden met de aanwezige landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten en sluiten we zoveel mogelijk aan op bestaande structuren.
48/105
3.4.1.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van de doelstellingen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van woningen en de verplaatsing van een supermarkt in bestaand stedelijk gebied van de kern Asten. Met de planontwikkeling wordt met name voorzien in de behoefte aan appartementen in een groene setting én het kwalitatief op peil houden van het voorzieningenniveau. De beperkte afstand tot de voorzieningen in de kern Asten en de directe nabijheid van landelijk gebied spreekt de bewoners van de andere deelgebieden aan. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstelling van de Omgevingsvisie en levert deze een belangrijke bijdrage aan het op peil houden van de leefbaarheid in het dorp. 3.4.2 Toekomstagenda Asten 2030 3.4.2.1 Normstelling en beleid In de Toekomstagenda 2030 stelt de gemeente te streven naar levendige dorpscentra met ruimte voor ontmoeting in een gemoedelijke sfeer. Dit is belangrijk voor de vitaliteit en aantrekkelijkheid van de kernen. Het centrum is de plek voor ontmoeten, eten en drinken en ook werken. Het behoud van deze vitaliteit is niet vanzelfsprekend. Het wegtrekken van jongeren, het kleiner worden van huishoudens, de vergrijzing en technologische ontwikkelingen vragen om een alerte reactie van gemeenschappen en gemeente.
Passende en betaalbare woonvormen, adequate voorzieningen, saamhorigheid en een evenwichtige bevolkingssamenstelling zorgen voor vitaliteit. Om een aantrekkelijke woongemeente te zijn, voert de gemeente een actief woonbeleid. Het beleid is flexibel en gericht op de lokale woonbehoeften. De gemeente richt zich daarbij ook op het versterken van de aantrekkingskracht voor mensen die graag rustig landelijk willen wonen, dichtbij stedelijke voorzieningen en werk. 3.4.2.2 Toetsing Voor de kern Asten geldt specifiek het resultaat dat een nieuwe supermarkt en woningbouw gerealiseerd wordt. Het is een totaalinitiatief om de leefbaarheid in Asten structureel en voortvarend aan te pakken door middel van substantiële nieuwbouw en aantrekken van nieuwe inwoners. Het voorgenomen plan draagt bij aan dit initiatief. De toevoeging van diverse appartementswoningen in een bebouwingsconcentratie in het stedelijk gebied draagt bij aan de doorstroom in de kern, waar meerdere nieuwbouwprojecten voor meer specifieke doelgroepen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt met de realisatie met een nieuwe supermarkt het voorzieningenniveau op peil gehouden. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstelling van de Toekomstagenda 2030 en levert deze een belangrijke bijdrage aan het op peil houden van de leefbaarheid in het dorp.
3.4.3 Centrumvisie Asten 3.4.3.1 Normstelling en beleid De Centrumvisie Asten uit 2007 geeft het frame waarbinnen toekomstige ontwikkelingen beoordeeld en uitgevoerd kunnen worden, zodat het gebied kan uitgroeien tot een aantrekkelijk en hoogwaardig centrum. In de visie wordt de historische ontwikkeling, bebouwingsstructuur, groenstructuur, functionele structuur en de verkeers- en parkeerstructuur beschreven. Aan de hand hiervan is het beleid geformuleerd voor de verkeerskundige, functionele en ruimtelijke deelaspecten. Aan de hand van deze deelaspecten zijn de
49/105
verschillende (her)ontwikkelingen beschreven. Één van de beschreven deelgebieden betreft de locatie Julianastraat en omgeving. 3.4.3.2 Toetsing Omdat de locaties Floraplein en Julianastraat op relatief grote afstand van het gedefinieerde kernwinkelgebied zijn gesitueerd, zijn hier geen winkelconcentraties meer gewenst. Een grootschalige winkel, zoals de bestaande meubelzaak of een supermarkt is mede door de goede parkeermogelijkheden wel mogelijk. De ruimtelijk-functionele relatie tussen ALDI en het centrum wordt met de herontwikkeling bovendien sterker aangezien de huidige ALDI-locatie langzaam is afgesneden van het centrum. De nieuwe locatie, gelegen aan de centrumring, is veel zichtbaarder. Via het Burgemeester Ploegmakerspark wordt de nieuwe locatie meer aan het centrum gekoppeld. Gezien de hoge leegstand en matige uitstraling is herstructurering van de locatie Julianastraat als gebied gewenst. Toevoegen van wonen wordt specifiek benoemd. Hier speelt het initiatief op zowel kwantitatieve als kwalitatieve wijze op in, zoals ook onderbouwd in paragraaf 3.2.3. 3.4.4 Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 3.4.4.1 Normstelling en beleid In 2016 is de Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten van het volkshuisvestingsbeleid voor de komende 10 jaren geformuleerd. Het betreft een gedeeltelijke actualisatie van de woonvisie 2010 t/m 2019.
De belangrijkste aspecten voor het woonbeleid luiden als volgt: 1. Regiogemeenten werken samen op het terrein van volkshuisvesting. Samenwerking betreft bijv. uitvoeren kwalitatief woningmarktonderzoek, kennisdeling. Asten richt zich op het realiseren van een woningvoorraad die past bij de woonbehoeften van de Astense bevolking, zowel kwantitatief (voldoende woningen) als kwalitatief (juiste woningen). Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor de gemeente Asten als geheel maar ook voor de drie afzonderlijke kernen. 2. De kwantitatieve taakstelling voor de gemeente bedraagt 650 woningen tot en met 2029 (= toevoeging aan bestaande woningvoorraad). 3. Voor het nieuwbouwprogramma gelden de volgende kaders naar doelgroep, prijs en type woning: aandeel starters / gezinnen / senioren = 20% / 30% / 50%. 3.4.4.2 Toetsing De nieuwbouw van appartementen binnen bestaand stedelijk gebied draagt, zoals beschreven in paragraaf 3.2.3 bij aan het behalen van de kwantitatieve doelstellingen van de Woonvisie en de doorstroom in de kern Asten. Hiermee wordt in de eerste plaats bijgedragen aan het tegengaan van de toenemende druk op de Astense woningmarkt en de daarmee gepaard gaande woningbouwopgave.
50/105
3.4.5 Versnellingsagenda woningbouw Asten 3.4.5.1 Normstelling en beleid Met de Versnellingsagenda woningbouw Asten beoogt de gemeente de toenemende druk op de woningmarkt tegen te gaan door het bouwtempo hoog te houden. De gemeente doet dit door nadrukkelijk de regie te pakken en versneld een tweetal woningbouwplannen in ontwikkeling te nemen. Binnen deze plannen zal extra aanbod gecreëerd worden voor de meest urgente doelgroepen, met een gezonde mix van huur en koop, in verschillende prijssegmenten en met aandacht voor betaalbaarheid en financierbaarheid. Ook binnen de bestaande (potentiële) planvoorraad en bij nieuwe woningbouwplannen zal extra gestuurd worden op het bouwen van woningen voor de meest urgente doelgroepen. Daarnaast dient minimaal tweederde van de nieuw te bouwen woningen te bestaan uit betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huurwoningen. De uitgangspunten en acties uit de versnellingsagenda woningbouw zijn verwerkt in de woningbouwmonitor 2022-2031. De woningbouwmonitor wordt gebruikt om te sturen op het planaanbod, de te bouwen woning typologieën en de realisatie van nieuwe woningen. 3.4.5.2 Toetsing In Asten is vanaf 2022 weinig harde plancapaciteit beschikbaar. Het is dus wenselijk om op korte termijn nieuwe woningbouwplannen in ontwikkeling te nemen. Voorgenomen ontwikkeling sluit hierbij aan. 3.4.6
Woningbouwmonitor gemeente Asten 2022 t/m 2031
3.4.6.1 Normstelling en beleid Het gemeentelijk woningbouwprogramma is vastgelegd in de 'Woningbouwmonitor gemeente Asten 2022 t/m 2031'. In de woningbouwmonitor is het totaal aantal te realiseren woningen in Asten over de periode 2022 t/m 2031 vastgelegd. Tabel 3.3 Harde plancapaciteit geplande woningbouw in de kernen van de gemeente Asten
In de woningbouwmonitor heeft de gemeente Asten bewust beperkte ruimte beschikbaar gehouden voor de toevoeging van nieuwe plannen. De harde en potentiële plancapaciteit van de gemeente Asten als geheel zijn samen circa 500 woningen, terwijl er de komende 10 jaar 545 woningen gebouwd kunnen worden. Er is dus nog ruimte voor circa 45 woningen. Meer vrije ruimte is niet nodig, omdat de tijdshorizon elk jaar vooruit schuift en de gerealiseerde woningen van de harde plancapaciteit af gaan. Hierdoor is de verwachting dat er ook in de
51/105
toekomst voldoende capaciteit over blijft om woningen te kunnen blijven bouwen. 3.4.6.2 Toetsing Met de voorziene bouw van diverse appartementen binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in de kwantitatieve behoefte aan woningbouw in de kern Asten. Het planvoornemen voorziet in de aantoonbare behoefte aan appartementen voor starters en senioren in een groene setting. De beperkte afstand tot de voorzieningen in de kern Asten en de directe nabijheid van landelijk gebied maakt het voor veel mensen erg aantrekkelijk om te wonen. De nieuwbouw voorziet daarmee in deze aantoonbare vraag en draagt bij aan de doorstroom binnen de gemeente Asten, waar ook meerdere nieuwbouwprojecten voor meer specifieke doelgroepen worden gerealiseerd. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de kwantitatieve woningbouwopgave van de gemeente Asten en draagt deze bij aan het bereiken van de kwalitatieve opgaven. 3.4.7 Conclusie Het planvoornemen waarbij enerzijds een nieuwe supermarkt en anderzijds 42 extra woningen mogelijk worden gemaakt past binnen het beleid van de gemeente Asten.
52/105
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
4.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een plangebied met een oppervlakte van 100 hectare, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of de realisatie van 2000 of meer woningen in een aaneengesloten gebied (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling op de twee locaties blijft ruimschoots onder de drempelwaarden wat betreft oppervlakte plangebied (< 100 hectare), oppervlakte BVO (< 200.000 m2) en aantal woningen (< 2000 woningen). Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve
53/105
milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenoemde 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling', welke is opgenomen als bijlage 4 bij voorliggend bestemmingsplan. Het bevoegd gezag neemt op basis hiervan een m.e.r.-beoordelingsbeslissing.
4.3
Verkeer en parkeren
4.3.1 Normstelling en beleid Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die als gevolg daarvan ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de kencijfers uit de Nota Parkeernormen Asten 2016 en de publicatie 'Toekomstbestendig Parkeren', publicatie 381 (december 2018) van het CROW. De kencijfers van het CROW zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten en zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Op basis van de parkeercijfers uit een voorgaande CROW-publicatie (317) heeft de gemeente Asten in de Nota Parkeernormen Asten 2016 op de gemeentelijke situatie toegespitste normen aangereikt voor parkeergelegenheden bij verschillende functies. De parkeernormen geven per type gebied aan hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden bij nieuwbouw of uitbreiding van bestaande bouw. 4.3.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een onderzoek verkeer en parkeren uitgevoerd, opgenomen als bijlage 5. Hierna worden de resultaten van dat onderzoek samengevat. Om de conclusies in het juiste verband te kunnen lezen, wordt geadviseerd om de rapportage te raadplegen.
Voor beide deelplangebieden is het nodig om het huidig ruimtelijk programma te salderen. Dit betekent dat de parkeerbehoefte van te vervallen functies in mindering gebracht worden op de parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte van de functies die behouden blijven worden meegenomen in de parkeerbehoefte van het plan. 4.3.2.1 Parkeren 4.3.2.1.1 Resultaten onderzoek Floraplein De ontwikkeling van het Floraplein voorziet in de realisatie van de nieuwe ALDI (1.579,4 m2 BVO). De huidige woonwinkel (3.661 m2 BVO) komt te vervallen. Op basis van de Nota Parkeernormen 2016 is er in beginsel een tekort van 23 parkeerplaatsen. De Nota Parkeernormen 2016 schrijft voor dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen volledig moeten voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Ook het aantal openbare parkeerplaatsen moet gehandhaafd blijven. De toekomstige parkeerbehoefte betreft 127 parkeerplaatsen (59 parkeerplaatsen voor de ALDI en 68 parkeerplaatsen als huidige parkeercapaciteit van het Floraplein). Het plan voor het Floraplein voorziet in 104 parkeerplaatsen (42 parkeerplaatsen binnen het plangebied op het dek van ALDI, 62 parkeerplaatsen op het Floraplein wat onderdeel uitmaakt van het exploitatiegebied). Een tekort van 23 parkeerplaatsen. Bij het salderen van de huidige ruimtelijke functies is er een overschot van 5 parkeerplaatsen.
Hiermee voldoet het voorgenomen deelplangebied aan de gestelde eisen vanuit de Nota Parkeernormen 2016.
54/105
Door het huidig ruimtelijk programma (de woonwinkel) te salderen in de toekomstige parkeerbalans is er een overschot van 5 parkeerplaatsen binnen dit deelplangebied. Met de sloop van de woonwinkel komt ook de parkeerbehoefte (48 parkeerplaatsen) te vervallen. Dit betekent tevens dat er 20 parkeerplaatsen meegenomen moeten worden t.b.v. de saldering voor het opvangen van de parkeerbehoefte van de overige huidige functies (woningen / detailhandel). De saldering van de huidige functies resulteert in een overcapaciteit van 5 parkeerplaatsen binnen het deelplangebied. Gezien het karakter van het Floraplein is er geen dubbelgebruik aanwezig. De parkeerbehoefte wordt niet aangepast op basis van aanwezigheidspercentages. 4.3.2.1.2 Resultaten onderzoek Julianastraat In beginsel wordt niet voldaan aan de Nota Parkeernormen 2016. Binnen het plangebied is er een tekort van 28 parkeerplaatsen. De Nota Parkeernormen 2016 schrijft voor dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen volledig moeten voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Ook het aantal openbare parkeerplaatsen moet gehandhaafd blijven. De herontwikkeling aan de Julianastraat/Emmastraat (42 woningen) heeft een theoretische parkeerbehoefte van 87 parkeerplaatsen. Door het huidig ruimtelijk programma te salderen in de toekomstige parkeerbalans is er een sluitende parkeerbalans.
De parkeerbehoefte betreft 62 parkeerplaatsen en er wordt voorzien in minimaal 62 parkeerplaatsen binnen het plangebied van de Emmastraat/Julianastraat. Met de toekomstige ontwikkeling van 42 woningen vervallen de functies (a) 1.108 m2 BVO aan detailhandel (supermarkt), (b) 440 m2 horeca (café) en (c) 1 vrijstaande woning. Door de toekomstige functies (42 nieuwe appartementen, 9 bestaande sociale huur woningen, 10 bestaande zorgwoningen, 315 m2 BVO bestaande detailhandel, 210 m2 BVO bestaande dienstverlening) binnen het plangebied is dubbelgebruik aanwezig (door het openbare karakter van de parkeerplaatsen). Hiermee is het resultaat van de parkeerbalans – op basis van de aanwezigheidspercentages – een parkeerbehoefte van 62 parkeerplaatsen. De koopavond is maatgevend. 4.3.2.1.3 Advies voor toepassing afwijkingsbepaling ten behoeve van salderen De resultaten van de parkeeronderzoeken gaan uit van het salderen van het bestaande (huidige) programma. Dit is mogelijk binnen de Nota Parkeernormen 2016. Door gebruik te maken van de afwijkingsbepaling in de Nota Parkeernormen 2016 kan het college van Asten besluiten om saldering van het huidig programma toe te staan voor de ALDI aan het Floraplein en de herontwikkeling van de Julianastraat/Emmastraat. Geadviseerd wordt om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid uit de Nota Parkeernormen 2016.
Met het salderen van het bestaand programma voldoen de planuitwerkingen aan de parkeerbehoefte. Julianastraat/Emmastraat voorziet in minimaal 62 parkeerplaatsen op een parkeerbehoefte van 62 parkeerplaatsen. Uit de parkeerdrukmeting van oktober 2023 is er een maximale parkeerdruk van ca. 46% op het parkeerterrein. De ontwikkeling aan het Floraplein voorziet in 104 parkeerplaatsen (openbaar + eigen terrein) op een parkeerbehoefte van 99 parkeerplaatsen. Daarnaast blijkt dat de maximale parkeerdruk in oktober 2023 circa 41% is.
55/105
4.3.2.1.4 Afwijkingsbevoegdheid Nota Parkeernormen 2016 Uit het verkeer- en parkeeronderzoek dat is uitgevoerd blijkt dat de plannen in beginsel niet kunnen voldoen aan de bepalingen zoals opgenomen in de vigerende Nota Parkeernormen 2016 gemeente Asten. De Nota schrijft voor dat salderen niet is toegestaan bij nieuwbouw. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten volledig voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Ook schrijft de Nota voor dat het huidige aantal openbare parkeerplaatsen gehandhaafd moet blijven dan wel gecompenseerd mits een verlies aan openbare parkeerplaatsen als gevolg van de ontwikkeling aan de orde is. Voor de volledige berekening van de parkeeropgave voor zowel het Floraplein als de Julianastraat wordt volledigheidshalve verwezen naar het verkeer- en parkeeronderzoek (bijlage 5). Zoals aangegeven is salderen bij nieuwbouw in beginsel niet toegestaan. Om de ontwikkelingen op de locaties Floraplein en Julianastraat op het onderdeel parkeren mogelijk te maken dient uw college hiervoor een apart besluit te nemen op grond van de afwijkingsbevoegdheid, zoals opgenomen in paragraaf 3.4 van de Nota Parkeernormen 2016.
Volgens deze bepaling kan uw college voor ontwikkelingen die bijzonder waardevol zijn voor Asten en die niet passen binnen de parkeernormen en/of het maatwerk, besluiten gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Geadviseerd wordt om voor de locaties Floraplein en Julianastraat gebruik te maken van deze afwijkingsmogelijkheid. Daarbij is het navolgende overwogen: Er is sprake van een belangrijke ontwikkeling voor Asten. Het verplaatsen van de Aldi supermarkt vanuit het centrum naar de rand van het centrumgebied biedt voor zowel de locatie Floraplein als de locatie Julianastraat veel ruimtelijke en verkeerskundige voordelen (o.a. verhoogde ruimtelijke kwaliteit, lagere verkeersdruk in het centrum, minder zwaar vrachtverkeer in het centrum, verbetering verkeersveiligheid, verbeterde verbinding tussen het Floraplein en het centrum). Daarnaast draagt het plan bij aan het realiseren van de woningbouwambities. Doordat in het geval van nieuwbouw geen gebruik kan worden gemaakt van salderen, wordt de initiatiefnemer “geconfronteerd” met een onevenredig hoge parkeereis. De initiatiefnemer dient parkeerplaatsen te realiseren die in de huidige situatie feitelijk ook niet aanwezig zijn. Gemeente Asten heeft te maken met veranderde omstandigheden sinds de vaststelling van de Nota Parkeernormen 2016.
De gemeente ziet grote opgaves op hen afkomen, zoals klimaatverandering, hittestress, de opgaves en wensen voor behoud van groen, de opgaves op het gebied van hydrologisch neutraal ontwikkelen en de toename van leegstand binnen centrumgebieden, etc. Naast deze grote opgaven verwacht de gemeente de komende jaren enkele grote (her)ontwikkelingen in het centrum. Het is goed denkbaar dat de gemeente daarbij tegen dezelfde problematiek aanloopt. Willen de gemeente grootschalige opgaves en ontwikkelingen in ons centrum mogelijk blijven maken, dan kan de gemeente niet anders dan flexibeler omgaan met het beleid ten aanzien van salderen. In het centrum wordt de ruimte voor het realiseren van (nieuwe) parkeerplaatsen steeds schaarser. Dit heeft te maken met het toepassen van nieuwe beleidsregels en de (hoge) ambities uit de Toekomstagenda Asten 2030 en het coalitieakkoord. Dit vraagt om maatwerk. Er is in Nederland een trendbreuk een trendbreuk gaande ten aanzien van parkeren waarbij de auto steeds minder ruimte krijgt. De verwachting is dat de gemeente deze trendbreuk/ontwikkeling meeneemt bij het opstellen van de nieuwe parkeernota in 2024 (parkeernota wordt onderdeel van het nieuwe Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan).
56/105
4.3.2.1.5 Conclusie en uitwerking parkeren Op basis van de Nota Parkeernormen 2016 voldoen de parkeerbalansen van beide ontwikkelingen in beginsel niet. Voor beide ontwikkelingen is het nodig – en realistisch – om de te saneren huidige functies (die onderdeel zijn van het bestemmingsplan) te salderen. De Nota Parkeernormen 2016 geeft hier de ruimte voor middels de afwijkingsbepaling. Door de huidige functies te salderen voor de herontwikkeling Julianastraat, is er een sluitende parkeerbalans. De herontwikkeling heeft een parkeerbehoefte van 62 parkeerplaatsen en het plan voorziet in minimaal 62 openbare parkeerplaatsen. Voor het Floraplein is het nodig om de huidige woonwinkel (48 parkeerplaatsen) te salderen evenals de aanwezige detailhandel en woningen (20 parkeerplaatsen). Hiermee ontstaat een overschot van 5 parkeerplaatsen op het Floraplein (104 – 127 + 48 – 20 = 5 parkeerplaatsen). De 42 parkeerplaatsen op het parkeerdek komen in eigendom en beheer van ALDI. Momenteel wordt onderzocht of het wenselijk is om deze parkeerplaatsen na sluitingstijd af te sluiten. De 62 parkeerplaatsen op maaiveld voor de supermarkt blijven in eigendom en beheer van de gemeente Asten. 4.3.2.2 Verkeer De voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen aan het Floraplein en de Julianastraat/Emmastraat hebben een neutraal op de verkeerssituatie in Asten.
Per saldo is er een lichte toename van verkeer (circa 210 mvt/werkdag). Op wegvakniveau zijn er in de autonome situatie en plansituatie geen doorstromingsproblemen. Ten aanzien van kruispunten is er één knelpunt: rotonde Floralaan – Lienderweg. Dit knelpunt voltrekt zich al in de autonome situatie (dus zonder ontwikkelingen aan het Floraplein en Julianastraat/Emmastraat). De voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen zorgen voor een verwaarloosbare toename van de omvang van het knelpunt op deze rotonde. In absolute zin, overschrijdt de wachtrij(lengte) de gestelde drempelwaarde op deze rotonde in de autonome situatie. 4.3.3 Conclusie Op basis van voorgaande conclusies worden de volgende aanbevelingen gedaan: Om beide ontwikkelingen mogelijk te maken is het noodzakelijk dat het college van B&W afwijkt van de Nota Parkeernormen 2016 door gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht. Geadviseerd wordt om bij het actualiseren van het Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan gemeente Asten te onderzoeken welke maatregelen mogelijk zijn ter verbetering van de doorstroming op en nabij de rotonde Floralaan - Lienderweg. Met inachtneming van bovenstaande aanbevelingen vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de ruimtelijke procedure.
57/105
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. 4.4.2 Toetsing 4.4.2.1 Locatie Floraplein In de beoogde situatie wordt een nieuwe supermarkt gerealiseerd. In (de directe omgeving van) de locatie Floraplein zijn verschillende bedrijfsfuncties, horeca, detailhandel, maatschappelijke en overige centrumfuncties gevestigd. Hierdoor kan het gebied getypeerd worden als 'gemengd gebied'. In de bestaande planologische situatie is reeds sprake van de bestemming 'Centrum -2', waarbinnen door middel van de aanduiding 'detailhandel volumineus' reeds (volumineuze) detailhandel toegestaan is. Bovendien geldt conform de VNG-publicatie voor supermarkten in een gemengd gebied een aan te houden richtafstand van 0 meter tot gevoelige bestemmingen zoals woningen. Daarmee wordt dus voldaan aan deze richtlijn. In het kader van het maatgevend aspect geluid is in paragraaf 4.7 een nadere onderbouwing toegevoegd. Omgekeerd beredeneerd valt een supermarkt onder milieucategorie 1 en wordt deze niet getypeerd als eenmilieugevoelige functie. Een dergelijke functie wordt daarom niet belemmerd door bestaande milieubelastende activiteiten.
58/105
4.4.2.2 Locatie Julianastraat Conform beschreven in paragraaf 1.3.2.2 zijn in het geldend bestemmingsplan diverse gemengde functies toegestaan; horeca (tot een vloeroppervlak van max 440 m2), wonen, zorgwonen, kantoor zonder baliefunctie, maatschappelijk en detailhandel (tot een BVO van maximaal 1.452 m2. Ook zijn in de directe omgeving van het plangebied, conform de geldende bestemmingsplannen en conform de feitelijke situatie, verschillende centrumfuncties gecombineerd met een bestaande woonfunctie, planologisch toegestaan en aanwezig. Hierdoor kan het plangebied en de directe omgeving getypeerd worden als 'gemengd gebied'. In de beoogde situatie worden nieuwe woningen gerealiseerd in het gebied waar momenteel het parkeerterrein en de ALDI-supermarkt zijn gesitueerd. Voor de nieuwbouw wordt de bestemming 'Wonen' aan het gebied toegekend. Voor de bestaande en de te handhaven bebouwing aan de Julianastraat en Emmastraat wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij de bestaande gebruiks- en bouwregels uit het geldend bestemmingsplan, waarbij de bestemming 'Gemengd' wordt toegekend. Voor deze functies geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied waar vanzelfsprekend aan wordt voldaan. Ten aanzien van de functie horeca is bepaald dat deze via dit bestemmingsplan komt te vervallen. Toetsing in het kader van milieuzonering voor die functie is daarom niet noodzakelijk.
Daarnaast wordt ten aanzien van de functie detailhandel het maximale oppervlak verkleind. Voor deze functies geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied waar in alle gevallen (vanzelfsprekend) aan wordt voldaan. Ook de omliggende centrumfuncties buiten het plangebied kennen een aan te houden afstand van 0 meter in gemengd gebied. Daarmee wordt dus voldaan aan de richtafstanden en is nader onderzoek niet nodig. Hiermee kan gesteld worden dat er geen bedrijven in de omgeving aanwezig en/of planologisch toegestaan zijn die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van de te handhaven en de nieuwe woningen binnen het plangebied. Omgekeerd geldt tevens dat de functies die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt geen belemmeringen opleveren voor bedrijfsfuncties in de omgeving van het plangebied. 4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Archeologie
4.5.1 Normstelling en beleid Erfgoedwet In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41
59/105
Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Archeologiebeleid gemeente Asten Vanuit de Erfgoedwet heeft de gemeente Asten ervoor gekozen tevens een eigen archeologisch beleid te formuleren. Ter onderbouwing is onderzoek gedaan naar de archeologische waarden binnen de gemeente. Dit heeft geresulteerd in het rapport ‘Gemeentelijke archeologiekaart van Asten 2010’ (Vestigia-rapport V692) en de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Asten’ (ArchAeO rapport-1005). De Nota en de beleidskaart van Asten (vastgesteld door de raad op 6 juni 2011) vormen tezamen de basis van het archeologiebeleid en fungeren als onderlegger en/of beleidsmatige onderbouwing van het bestemmingsplan 'Asten Archeologie 2012'. 4.5.2 Toetsing 4.5.2.1 Locatie Floraplein Toets archeologiebeleid Locatie Floraplein ligt conform de archeologische beleidskaart (figuur 4.1) in categorie 5.
Dit zijn gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde (WR-Amh), waarbij een onderzoeksplicht geldt bij een bodemverstoring van meer dan 40 centimeter en/of een verstoringsoppervlak van meer dan 2.500 m2.
Figuur 4.1 Archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied locatie Floraplein (Bron: ArchAeO) Archeologisch bureauonderzoek
60/105
In het kader van de ontwikkelingen op de locatie Floraplein is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, opgenomen als bijlage 6. Op basis van de landschappelijke, archeologische en historische gegevens geldt er een middelhoge tot lage verwachting voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge verwachting voor het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Voor de Nieuwe tijd geldt op basis van de historische kaarten een lage verwachting. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het zuiden van het plangebied is momenteel in gebruik als parkeerplaats. Op basis van de AHN lijkt dit deel van het plangebied te zijn geëgaliseerd. Het zuidelijke deel van het Floraplein, het parkeerterrein, maakt vooralsnog geen onderdeel uit van het plangebied van dit bestemmingsplan en zal ook in de toekomst als parkeerplaats in gebruik blijven. Het is echter mogelijk (grote kans) dat hier waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden, waarvoor alsnog bodemingrepen zullen plaatsvinden. Hierbij wordt geadviseerd om ter plaatse van de parkeerplaats een verkennend booronderzoek uit te voeren. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel, en om na te gaan of het terrein daadwerkelijk is geëgaliseerd.
Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatieen/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. In het noorden van het plangebied bevindt zich het huidige winkelpand. De funderingen en poeren van dit pand zijn aangelegd tot 80 centimeter onder het maaiveld, maar er zijn geen grote en diepgaande kelders onder de bebouwing aanwezig. Tussen de funderingen en poeren kunnen mogelijk nog archeologische waarden in situ aanwezig zijn. De geplande nieuwbouw zal grotendeels worden aangelegd op de huidige funderingen. Er zullen volgens de huidige plannen geen nieuwe funderingen worden aangelegd. Er zullen aan de zijkanten echter nog aanvullende stroken worden bebouwd. De oppervlakte van deze stroken bedraagt in totaal circa 175 m2. In het noorden van het plangebied, onder de bebouwing, wordt geadviseerd gebruik te maken van een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Indien de plannen zullen worden aangepast, en er voor de nieuwbouw toch bodemroerende graafwerkzaamheden (dieper dan 40 centimeter) zullen plaatsvinden, is vervolgonderzoek noodzakelijk.
Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, om een inzicht te krijgen in mogelijke verstoringen van het bodemprofiel (veroorzaakt door de bebouwing en/of egalisatie) en om vast te stellen op welke diepte eventueel aanwezige archeologische resten te verwachten zijn. In de regels van dit bestemmingsplan is voor deze gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' opgenomen om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen.
61/105
4.5.2.2 Locatie Julianastraat Toets archeologiebeleid Locatie Julianastraat kent twee categorieën conform de archeologische beleidskaart (figuur 4.2), namelijk categorie 3 (noordelijk gedeelte) en categorie 5 (zuidelijk gedeelte). Voor gebieden in categorie 3, welke ook voor een groot gedeelte voor het centrum van toepassing is, geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen van meer dan 40 centimeter en/of een verstoringsoppervlak van meer dan 250 m2. Voor gebieden in categorie 5 geldt, welke ook van toepassing is bij locatie Floraplein, een onderzoeksplicht bij een bodemverstoring van meer dan 40 centimeter en/of een verstoringsoppervlak van meer dan 2.500 m2.
Figuur 4.2: Archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied locatie Julianastraat (Bron: ArchAeO) Archeologisch bureauonderzoek In het kader van de ontwikkelingen op de locatie Julianastraat is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, opgenomen als bijlage 7. Op basis van de landschappelijke, archeologische en historische gegevens geldt er een lage verwachting voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge verwachting voor het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Vanwege de ligging in de historische kern met bebouwing geldt met name een hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek na de bovengrondse sloop van de huidige bebouwing. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Booronderzoeken
62/105
zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Asten), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Asten wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Even-tuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Asten op de hoogte te stellen.
In dit bestemmingsplan is voor deze gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' opgenomen om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen. 4.5.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Voor beide locaties is in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen vervolgonderzoek noodzakelijk. Om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen zijn in dit bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2' (locatie Julianastraat) en 'Waarde - Archeologie - 3' (locatie Floraplein) opgenomen.
4.6
Cultuurhistorie
4.6.1 Normstelling en beleid Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) De 'Cultuurhistorische waardenkaart' (vastgesteld 26 september 2006) van de provincie Noord-Brabant vormt het kader voor het inhoudelijke cultuurhistorische beleid met behulp waarvan dat beleid getoetst en ontwikkeld kan worden. Deze kaart is een doorvertaling van de Interim omgevingsverordening (zie paragraaf 3.3.2). Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn meerdere aanduidingen opgenomen (historische bouwkunst, historische stedenbouw, historische geografie (lijnen en vlakken), historische groenstructuren, historische zichtrelaties, archeologische monumenten en indicatieve archeologische waarden).
63/105
4.6.2 Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Conform de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord Brabant (figuur 4.3) bevat de locatie Julianastraat de aanduiding 'archeologische monumenten', welke voor het gehele centrumgebied van Asten van toepassing is. Het thema archeologie is verankerd in het archeologisch beleid van de gemeente Asten. Dit thema komt verder aan bod in paragraaf 4.5 van voorliggend bestemmingsplan.
Figuur 4.3 Cultuurhistorisch Waardenkaart met aanduiding plangebied (Bron: Provincie Noord-Brabant) De straten Margrietstraat / Logtenstraat (nabij locatie Floraplein) en de Julianastraat / Emmastraat (nabij locatie Julianastraat) kennen conform de waardenkaart een redelijk hoge waarde wat betreft het thema historische geografie. Het gaat om oude lintstructuur die nog aanwezig en bepalend is voor de structuur van het dorp. Bij het ontwerp en de realisatie van de nieuwe ontwikkeling zullen historische (lijn)elementen behouden blijven en (zichtlijnen naar) de omliggende bebouwing niet worden aangetast. Beide bouwplannen zijn opgezet vanuit de reeds bestaande rooilijnen en bebouwingscontouren en met respect voor de cultuurhistorische structuur. Gemeentelijke monumenten In de directe omgeving van de Julianastraat zijn een aantal panden aangeduid als gemeentelijk monument. Het gaat om de locaties Emmastraat 35, 37/39 en Hemel 2. Zoals beschreven in paragraaf 2.2.3 en het als bijlage 1 bij de regels opgenomen beeldkwaliteitsplan wordt de beoogde ontwikkeling vanuit eenzelfde sfeer (aard/omvang, bouwhoogte, afstand en behoud van zichtlijnen) als de bebouwing in de directe omgeving opgezet. Bestaande historische elementen zullen hiermee niet worden aangetast, hetgeen ook nader beschreven is in bijlage 1 van de regels van dit bestemmingsplan.
Er zal daarmee op een acceptabele manier rekening gehouden worden met omliggende cultuurhistorische waarden.
64/105
4.6.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Geluid
4.7.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.7.2 Wegverkeerslawaai 4.7.2.1 Locatie Floraplein De ontwikkeling maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan daardoor achterwege worden gelaten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel het uitstralingseffect van de verkeerstoename beoordeeld. Op basis van de berekende verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling en de verdeling daarvan over het wegennet en gegevens uit het verkeersmodel (gegevens 2030) is bepaald dat voor de relevante wegen geen sprake zal zijn van een verkeertoename van meer dan 25% ten opzichte van de autonome situatie. Bij een toename van >25% is er namelijk pas een significant effect op de geluidsbelasting. Zodoende zal als gevolg van de ontwikkeling ook geen sprake zijn van een significante geluidtoename langs deze wegen. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.7.2.2 Locatie Julianastraat Ten aanzien van de woningbouwontwikkeling aan de Julianastraat is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 8 van voorliggend bestemmingsplan. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Wet geluidhinder Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer vanwege de Emmastraat ten hoogste 60 dB wordt berekend ter plaatse van woonblok B. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee ruimschoots overschreden. Het aanvragen van hogere grenswaarden is derhalve noodzakelijk. Het treffen van geluidreducerende maatregelen is vanuit financieel-, stedenbouwkundig- en verkeerskundig oogpunt niet als reële maatregel te stellen. De gemeente Asten dient hiervoor hogere grenswaarden aan te vragen voor woonblok B. De hoogste waarde betreft 60 dB. In artikel 6.5.2 van de regels van voorliggend bestemmingsplan is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Bouwbesluit 2012 Voor de geveldelen van woonblok B waar sprake is van een geluidbelasting van > 53 dB (excl. aftrek art. 110g
65/105
Wgh) als gevolg van de Emmastraat dient een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden. Middels dit onderzoek dient per gevel bepaald te worden of mogelijk aanvullende isolerende maatregelen toegepast dienen te worden om aan het Bouwbesluit 2012 te kunnen voldoen. Ruimtelijke ordening Woonblok A Als gevolg van alle omliggende wegen bedraagt de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van woonblok A tussen de 33 - 39 dB (excl. aftrek). Op grond van tabel 3.1 is dit te kwalificeren als een zeer goed woon- en leefklimaat. Hiermee is een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd. Woonblok B Als gevolg van alle omliggende wegen bedraagt de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van woonblok B tussen de 60 - 65 dB (excl. aftrek) ter plaatse van de aan de Emmastraat gelegen gevel. Op grond van tabel 3.1 is dit te kwalificeren als een slecht woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de achtergevel bedraagt de cumulatieve geluidbelasting 36 – 41 dB (excl. aftrek). Op grond van tabel 3.1 is dit te kwalificeren als een zeer goed woon- en leefklimaat. Middels het aanvullende akoestisch onderzoek voor de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies dient te worden aangetoond dat een acceptabel binnenniveau gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt opgemerkt dat aan de zuid(west)gevel een geluidluwe gevel aanwezig is.
Woonblok C Als gevolg van alle omliggende wegen bedraagt de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van woonblok C tussen de 36 - 44 dB (excl. aftrek). Op grond van tabel 3.1 uit het onderzoeksrapport is dit te kwalificeren als een zeer goed woon- en leefklimaat. Hiermee is een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd. 4.7.3 Industrielawaai 4.7.3.1 Locatie Floraplein In het kader van de ontwikkeling op de locatie Floraplein is een akoestisch onderzoek verricht om de geluidbelasting te bepalen die optreedt op de omgeving ten gevolge van de bedrijfsvoering. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 9. Uit de rekenresultaten blijkt dat het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus op enkele woningen/ appartementen niet voldoen aan de voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De overschrijding wordt veroorzaakt door het pakken/wegzetten van metalen winkelwagens. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau/ maximale geluidniveaus Uit de rekenresultaten blijkt dat ter hoogte van de woningen/appartementen van derden ten hoogste 51 dB(A) voor het LAr,LT in de dagperiode en 69 dB(A) voor de LAmax wordt berekend gedurende de avondperiode. Hiermee wordt gedurende de dagperiode niet voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) voor het LAr,LT en de 65 dB(A) voor de LAmax gedurende de avondperiode uit het Activiteitenbesluit.