CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU24.01.04Q Ruimtelijke onderbouwing Kokmeeuwenweg 15

Raadscommissie Ruimte 9 januari 2024, gemeente AstenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2023-1' (opiniërend)15.854 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Kokmeeuwenweg 15 te Heusden

Kadastrale gegevens

: : :

Asten D 3418-3737-3738

Opgesteld door

:

Arvalis

Referentie

:

220127-001

: :

Klik of tik om tekst in te voeren. Klik of tik om tekst in te voeren.

Datum

Ontwerp: Vastgesteld:

Gemeente Sectie Nummer

Inhoudsopgave 1.

2.

Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 6 1.1.

Aanleiding en doel ..................................................................................... 6

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................ 6

1.3.

Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 7

1.4.

Leeswijzer ................................................................................................ 8

Planbeschrijving .............................................................................................. 9 2.1.

Huidige situatie ......................................................................................... 9

2.2.

Beoogde situatie ......................................................................................10

2.2.1. 2.3. 3.

Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling .........................12

Beleidskader ..................................................................................................13 3.1.

Inleiding..................................................................................................13

3.2.

Rijksbeleid ...............................................................................................13

3.2.1.

Nationale omgevingsvisie ....................................................................13

3.2.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .........................................13

3.2.1.

Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................14

3.2.2.

Besluit m.e.r. .....................................................................................15

3.3.

Provinciaal beleid .....................................................................................15

3.3.1.

Brabantse Omgevingsvisie ...................................................................15

3.3.2.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant .......................................16

3.3.2.1.

Inleiding ........................................................................................16

3.3.2.2.

Beleidskader ...................................................................................16

3.4.

4.

Planbeschrijving .................................................................................10

Gemeentelijk beleid ..................................................................................20

3.4.1.

Omgevingsvisie ..................................................................................20

3.4.2.

Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap ...........................20

Omgevingsaspecten ........................................................................................22 4.1.

Bodem ....................................................................................................22

4.2.

Bedrijven en milieuzonering .......................................................................22

4.3.

Geur .......................................................................................................23

4.4.

Luchtkwaliteit ..........................................................................................24

4.5.

Gezondheid .............................................................................................26

4.6.

Geluid .....................................................................................................27

4.7.

Externe veiligheid .....................................................................................28

4.8.

Cultuurhistorie en archeologie ....................................................................29

4.8.1.

Cultuurhistorie ...................................................................................29

4.8.2.

Archeologie .......................................................................................30

4.9.

Flora en Fauna .........................................................................................31

4.9.1.

Gebiedsbescherming ...........................................................................31

4.9.2.

Soortenbescherming ...........................................................................32

4.10.

Landschappelijke inpassing .....................................................................32

4.11.

Waterparagraaf .....................................................................................35

4.11.1.

Europees, landelijk en provinciaal beleid ............................................35

4.11.2.

Waterbeheerplan Aa en Maas ...........................................................36

4.11.3.

Keur 2015 en Legger .......................................................................36

4.11.4.

Gemeentelijk beleid .........................................................................37

4.12. 5.

Verkeer en parkeren ..............................................................................39

Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................40 5.1.

Economische haalbaarheid.........................................................................40

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................40

5.2.1.

6.

Omgevingsdialoog ..............................................................................40

5.3.

Procedure ................................................................................................40

5.4.

Vooroverleg en inzage ..............................................................................40

Juridische planopzet .......................................................................................42 6.1.

Inleiding..................................................................................................42

6.2.

Toelichting op de verbeelding ....................................................................42

6.3.

Toelichting op de regels ............................................................................42

Bijlagen ...............................................................................................................43

Bijlage(n) Bijlage I Quickscan Flora en Fauna Bijlage II Aerius verschilberekening Bijlage III V-stacks geurberekening

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.

Aanleiding en doel

Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld omdat de initiatiefnemer voornemens is om de locatie Kokmeeuwenweg 15 te Heusden (hierna genoemd: plangebied) de bestaande situatie te herbestemmen. Het bedrijf bestaat momenteel uit een intensieve veehouderij met vleeskuikens aan de ene kant van de weg en een melkveehouderij aan de andere kant van de weg. De initiatiefnemer is voornemens zijn bedrijf gedeeltelijk te beëindigen in verband met gedeeltelijke verkoop aan de provincie Noord-Brabant. De melkveehouderijtak verdwijnt hierdoor volledig en de landbouwgrond aan de oostzijde van de locatie wordt natuurgrond. Deze landbouwgrond is gelegen tegen het Natura2000 gebied Groote Peel. De vleeskuikentak blijft in stand, wel worden er in de nieuwe situatie minder vleeskuikens gehouden.

1.2.

Ligging en begrenzing

Het plangebied aan de Kokmeeuwenweg 15 te Heusden in het buitengebied van de gemeente Asten op een afstand van circa 3,4 kilometer van de komgrens van Someren-Eind. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Asten, sectie D, nummer 3418-3737 en 3738.

Afbeelding 1. Topografische kaart

6

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.6.

Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan oost.

Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan west.

7

1.4.

Leeswijzer

Het onderhavige wijzigingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • •

• • •

8

plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6; De bij het plan behorende bijlagen.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de boogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.

2.1.

Huidige situatie

Het bedrijf bestaat momenteel uit een intensieve veehouderij met vleeskuikens aan de ene kant van de weg en een melkveehouderij met bedrijfswoning aan de andere kant van de weg. De melkveehouderij beschikt over landbouwgrond dat voornamelijk als grasland in gebruik is. Deze landbouwgrond is gelegen tegen het Natura2000 gebied Groote Peel.

Afbeelding 4. Luchtfoto huidige situatie plangebied.

9

vergunning 27 september 2011 Stal

Huisvestings-systeem

Nr.

Houderij/hoktype

Diercategorie

Code (groenlabel)

1 A1.100

Aantal

dieren

melkkoeien

118

Aantal

Ammoniak

dier

kg NH3

totaal kg

ou

totaal

gram

totaal

plaatsen

per dier

NH3/jr.

per dier

aantal

per

gram per

ou

dier

118

PAS 2015.08-02 beweiden 2 A3.100

jongvee

3 E5.6 4 E5.6 5 A3.100 5 A7.100

Stank

Fijnstof

jaar

13,0

1.534,0 -

-

118,0

12,35

1.457,3 -

-

-

13.924,0 -

-

38,0

1.672,0

44

44

4,4

193,6 -

vleeskuikens

31.495

31.495

0,031

976,3

0,33

10.393,4

22,0

692.890,0

vleeskuikens

31.492

31.492

0,031

976,3

0,33

10.392,4

22,0

692.824,0

jongvee

55

55

4,4

242,0 -

-

38,0

2.090,0

overig rundvee ouder dan 2 jaar

34

34

6,2

210,8 -

-

170,0

5.780,0

TOTALEN BEDRIJF

4.056,3

20.785,7

1.409.180,0

Tabel 1. Situatie conform geldende vergunning.

2.2.

Beoogde situatie

2.2.1. Planbeschrijving De initiatiefnemer heeft het voornemen om te stoppen met de melkveehouderij en door te gaan met de vleeskuikentak. Aan de oostzijde van de weg zal de melkveehouderij komen te vervallen, de omliggende landbouwgrond wordt natuur. De De bedrijfswoning en een loods blijven gehandhaafd terwijl de stallen, sleufsilo’s en mestsilo worden gesloopt. Aan de westzijde van de weg blijft de vleeskuikentak aanwezig waarbij er minder dieren gehouden zullen worden.

10

Afbeelding 5. Beoogde situatie

Stal

Huisvestings-systeem

Nr.

Houderij/hoktype

Diercategorie

Code (groenlabel)

dieren

Aantal

Ammoniak

dier

kg NH3

totaal kg

Stank ou

totaal

Fijnstof gram

totaal

plaatsen

per dier

NH3/jr.

per dier

aantal

per

gram per

ou

dier

jaar

3 E5.11

vleeskuikens

17.500

17.500

0,021

367,5

0,33

5.775,0

22,0

385.000,0

4 E5.11

vleeskuikens

17.500

17.500

0,021

367,5

0,33

5.775,0

22,0

385.000,0

TOTALEN BEDRIJF

Tabel 2. Beoogde situatie.

11

Aantal

735,0

11.550,0

770.000,0

2.3. Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling Ter plekke van de bestemming ‘Agrarisch-Agrarisch bedrijf’ met functie aanduiding ‘Melkrundveehouderij’ zijn de gronden bestemd voor de ontwikkeling van een in hoofdzaak gemengde plattelandseconomie. Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee burgemeester en wethouders de functieaanduiding ‘Melkrundveehouderij’ kunnen laten vervallen. Om het plan mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Onderhavige toelichting vormt de onderbouwing.

12

3. Beleidskader 3.1.

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2.

Rijksbeleid

3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het 13

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Noord-Brabant is de EHS vastgelegd in het Natuur Netwerk Brabant. In paragraaf 3.2.3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt de begrenzing van de Natuur Netwerk Brabant bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro. 3.2.1. Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.

Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

14

Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Voor onderhavige situatie is bovenstaande niet van toepassing. 3.2.2. Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is.

Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is de ontwikkeling van een vleeskuikenhouderij aangemerkt als D14. Een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: •

De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met de grenswaarde van 40.000 stuks pluimvee;

Het beoogde initiatief voor het plangebied is 35.000 vleeskuikens. Hiermee worden de grenswaarden niet overschreden. Er heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieutechnische aspecten zijn getoetst en er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.

3.3.

Provinciaal beleid

3.3.1. Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 15

2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan. 5. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vindt een vertaalslag van de hoofdopgaven in concreet bindende regels plaats. De ontwikkeling wordt in navolgende paragraaf getoetst aan deze verordening. 3.3.2. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.2.1. Inleiding Op 15 april 2022 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) vastgesteld. Op termijn treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving.

De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de voormalige Verordening ruimte. 3.3.2.2. Beleidskader De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Interim omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen.

16

Afbeelding 6. Uitsnede plangebied IOV

Het plangebied ligt binnen het ‘Landelijk gebied’, zie afbeelding 6. De ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de mogelijkheden die worden geboden binnen deze aanduidingen. Op grond van de begripsomschrijving in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is de beoogde ontwikkeling mogelijk op basis van artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied van de IOV. Toets Artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied Artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als: a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; Door het verwijderen van de functieaanduiding ‘Melkrundveehouderij’ en het slopen van diverse gebouwen is er een kwaliteitsverbetering voor de omgeving, waarmee een zorgvuldige veehouderij wordt geborgd. b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; Het bouwperceel bedraagt circa 0,9 hectare. c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; De beoordeling van een goede omgevingskwaliteit vindt plaats aan de hand van de milieuaspecten in paragraaf 4.1 d. Mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; Op het plangebied wordt geen mestbewerking beoogd e.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; De beoordeling van de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten wordt in paragraaf 4.3 beschreven. f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; In paragraaf 4.10 is de landschappelijke inpassing beschreven.

17

g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. De initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd met de omgeving. Lid 2 Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11. Door het verwijderen van de functieaanduiding ‘Melkrundveehouderij’ en het slopen van diverse gebouwen is er een kwaliteitsverbetering voor de omgeving, waarmee een zorgvuldige veehouderij wordt geborgd.

Lid 3 Een bestemmingsplan kan in afwijking van het eerste lid voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar als: a. de locatie goed is ontsloten; b. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt; c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water. De beoogde situatie voorziet niet in een mestvergisting voor samenwerkende melkveehouderijen. Hierdoor is Lid 3 niet van toepassing. De IOV wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de IOV aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse Omgevingsvisie en worden mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de IOV in plaats van middelvoorschriften, doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een ‘ja, mits – benadering’. Daarnaast dient het beoogde voornemen te voldoen aan paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierbij dient rekening gehouden te worden met: - Artikel 3.5: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; - Artikel 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik; - Artikel 3.7: Toepassing van de lagenbenadering; - Artikel 3.8: Meerwaardecreatie; - Artikel 3.9: Kwaliteitsverbetering landschap.

Hieronder wordt nader ingegaan op enkele verschillende aspecten. In paragraaf 3.3.2 wordt het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap en Nota Kostenverhaal 2018 nader toegelicht. Een toelichting op het toepassen van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie blijkt uit voorliggend bestemmingsplan . Dit leidt tot het waarborgen van de verschillende aspecten zoals hierboven genoemd. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de IOV de ‘zorgplicht’ opgenomen. Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is een compacte opzet met een concentratie van bebouwing en gebruik van bestaande bebouwing. Dit betekent dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen. Uitbreiding is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het huidige toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op 18

de omgeving. Toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op drie verschillende lagen: 1. De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Daarnaast speelt de factor tijd een belangrijke rol. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on-)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaardecreatie omvat daarnaast een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat. Tevens kan de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Kwaliteitsverbetering van het landschap Naast de zorgplicht is in de IOV tevens het beleidsvoornemen opgenomen met betrekking tot ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’. De vereiste kwaliteitsverbetering koppelt ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied aan een concrete tegenprestatie gericht op een verbetering van de kwaliteit van het landschap. In het bestemmingsplan kan ontwikkelingsruimte worden geboden aan functies, mits dit gepaard gaat met maatregelen die het landschap versterken. Dit kan onder andere door landschapselementen aan te leggen maar ook door behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en/of sloop van overtollige bebouwing. De regio Zuidoost-Brabant heeft geen nadere regionale afspraken gemaakt. Voor de doorwerking van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Deurne derhalve een eigen gemeentelijk beleidskader ontwikkeld, waarin is beschreven, nader uitgewerkt en vastgelegd op welke wijze de gemeente de kwaliteitsverbetering van het buitengebied wenst vorm te geven als tegenprestatie voor het kunnen bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor functies in het buitengebied in het bestemmingsplan. Onderhavig initiatief heeft betrekking op het beëindigen van de melkveehouderij en de daarbij behorende sloop van stallen, sleufsilo’s en mestsilo’s.

Daarnaast worden in hoofdstuk 4 de verschillende ruimtelijke en milieuaspecten toegelicht welke bij de verschillende lagen van de lagenbenadering horen. Middels de toets aan het relevante beleidskader wordt inzicht gegeven in de meerwaardecreatie van onderhavige initiatief. Dit sluit aan bij de randvoorwaarden zoals opgenomen in het provinciaal (en gemeentelijk) beleid. Het planvoornemen past binnen de kaders van de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant.

19

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1. Omgevingsvisie De omgevingswet vraagt iedere gemeente om uiterlijk in 2024 een omgevingsvisie voor haar grondgebied vast te stellen. De gemeente Asten heeft in 2021 haar omgevingsvisie vastgesteld, die voldoet aan de Omgevingswet en die een heldere vertaling geeft van het gewenste gebieds- en opgavegericht werken. De Toekomstagenda Asten 2030 is een belangrijke basis voor deze visie. Het plangebied ten oosten van de Kokmeeuwenweg is gelegen in het gebied Peel & beekdalen. Het plangebied ten westen van de Kokmeeuwenweg is gelegen in het gebied Peel Pionieren.

Afbeelding 7. Uitsnede plangebied Omgevingsvisie Asten

In het gebied Peel en beekdalen is het doel de natuurwaarden te versterken door onder andere de bebouwing te verminderen. Onderhavig plan voorziet daarin. In het gebied Peel pionieren wordt ruimte geboden aan duurzame en verantwoorde agrarische sector. De vleeskuikenhouderij past binnen deze doelen. 3.4.2. Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap Er kunnen zich allerlei ontwikkelingen in het buitengebied voordoen. Een ontwikkeling dient te passen binnen het gemeentelijk vastgelegd en toekomstig beleid. Dit kunnen onder andere uitbreidingen van (agrarische) bedrijven, omschakelingen van bedrijven en recreatieve ontwikkelingen betreffen. De provincie heeft in haar Verordening Ruimte 2014 de volgende definitie voor ruimtelijke ontwikkeling opgenomen: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is. Bij een dergelijke ontwikkeling dient een verantwoording opgenomen te zijn van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van het landschap. De gemeente kan er voor kiezen om per ontwikkeling te onderbouwen hoe met de kwaliteitsverbetering wordt omgegaan en per ontwikkeling overleg te hebben met de provincie of met deze onderbouwing kan worden ingestemd.

Er kan ook voor worden gekozen om vooraf vast te leggen hoe in het algemeen met de kwaliteitsverbetering wordt omgegaan, deze algemene omgang af te stemmen met de provincie en vervolgens bestemmingsplannen in overeenstemming met deze algemene werkwijze op te stellen. Dit laatste heeft de voorkeur omdat het voordeel is dat vooraf voor de initiatiefnemers duidelijk is welke bijdrage vanuit de ontwikkeling moet worden gedaan en dat hierover overeenstemming bestaat met de provincie. Daarmee worden onnodige 20

planontwikkelingskosten voorkomen, omdat niet eerst sprake moet zijn van een volledige uitgewerkt plan voordat op dit onderdeel duidelijkheid ontstaat ten aanzien van de haalbaarheid. Belangrijke uitgangspunten voor een algemene regeling voor de bijdrage aan kwaliteitsverbetering van het landschap bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied zijn: · bij elke ontwikkeling een goede landschappelijke inpassing (waar landschappelijk passend); · bij onevenredige kwaliteitsbijdragen moet maatwerk mogelijk blijven; · de bijdrage aan kwaliteitsverbetering moet gerelateerd zijn aan de grootte/omvang aantasting/verlies aan buitengebied/impact; · als naast een landschappelijk inpassing een kwaliteitsbijdrage aan verbetering van het landschap is gewenst, moet deze aansluiten bij de eerder vastgestelde regeling (2007) rood met groen voor stedelijke ontwikkelingen van €2,- per m² en mag geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van stedelijke ontwikkelingen (realistische tegenprestatie); · inzet van de kwaliteitsbijdrage aan verbetering van het landschap nabij het initiatief heeft de voorkeur; · de financiële bijdrage van verschillende initiatieven moeten vergelijkbaar met elkaar zijn: bijvoorbeeld het verlies aan/aantasting van het buitengebied door een stedelijke ontwikkeling ten opzichte van het verlies aan/aantasting van het buitengebied door de bouw van een agrarisch

bedrijfsgebouw; · bedrijfsmatige ontwikkelingen (niet aan het buitengebied gebonden) dienen een extra bijdrage in kwaliteitsverbetering te doen, omdat dit soort bedrijven niet gebiedseigen voor het buitengebied is en daardoor altijd een grote impact heeft; · de financiële bijdrage kan worden verlaagd als al op een andere manier positief wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied; dit kunnen o.a. de volgende aspecten betreffen: -aanleg robuuste natuur- en landschapselementen -voorzieningen extensief recreatief medegebruik -cultuurhistorie, archeologie, architectonische meerwaarde -medewerking aanleg EVZ/EHS -sloop van gebouwen/stallen/kassen. In onderhavige situatie is sprake van het beëindigen van de melkveehouderij, het slopen van overtollige bebouwing zoals stallen, sleufsilo’s en mestsilo. Tevens wordt het bouwblok verkleind. De omliggende gronden die voorheen als weiland in gebruik waren worden omgezet naar natuur. Door uitvoering van dit plan is er direct sprake van een kwaliteitsverbetering van het landschap. Extra landschappelijke inpassing is hierdoor niet van toepassing.

21

4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu)effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.

4.1.

Bodem

De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In onderhavige situatie is geen sprake van een gevoeligere functie. Bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk

4.2.

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinderveroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. De locatie aan de Kokmeeuwenweg 15 wordt ingedeeld in de categorie “Fokken en houden van pluimvee (overig pluimvee)”. Per categorie worden de bijbehorende richtafstanden en indices weergegeven. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot 22

het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen.

Bedrijven en milieuzonering

Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 50 Gevaar: 0

Feitelijke afstand tot planlgebied(m)

3.2

Afstanden Categorie 3(m)

Fokken en houden van pluimvee (overig pluimvee)

Milieucategorie

Functie

Locatie Kokmeeuwenweg 15

240

Tabel 3. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering beoogde bedrijf

Zoals wordt aangetoond in tabel 3 wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verschillende (agrarische) bedrijven gevestigd, zie tabel 4.

Bedrijven en milieuzonering Locatie

Functie

Milieucategorie

Afstanden (m)

Kruisbaan 10

Melkveehouderij

3.2

Kokmeeuwenweg 7

Melkveehouderij

3.2

Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar:0 Geur: 100 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar:0

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 260

440

Tabel 4. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied

Zoals blijkt uit de tabel is het plangebied buiten de richtafstanden gelegen voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.

Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

23

Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Asten van toepassing is. Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente Asten. Wettelijke normen en afstanden Maximale achtergrond belasting in oue/m3

Minimum afstand emissiepunt in meters

Minimum afstand Gevel-totgevel in meters

Gebied Buitengebied

Maximale voorgrond belasting in oue/m3

Locatie Kokmeeuwenweg 15

10

20

50

25

Tabel 5. Uitwerking wettelijke normen en afstanden voor de plangebied

De afstand tussen de omliggende woningen en de dierverblijven bedragen overal meer dan 25 meter en tussen de omliggende woningen en het emissiepunt is de afstand meer dan 50 meter. De geurhinder van de veehouderij op de woningen is berekend met behulp van het programma V-Stacks-vergunning. De volledige berekening is toegevoegd in bijlage 3. Uit de voorgrondgeurberekening blijkt de beoogde situatie een geurbelasting veroorzaakt op de omliggende geurgevoelige objecten. De geurbelasting voldoet aan de gemeentelijke geurverordening. Vanuit het aspect geurhinder zij er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.4.

Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

24

Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm). Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op het plangebied zal het aantal voertuigbewegingen afnemen. Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de concentratie PM10 ter plaatse tussen 16 en 18 μg/m³ en de PM2,5 tussen 8 en 10 μg/m³, zie afbeelding 8 en 9. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse tussen 10 en 15 μg/m³, zie afbeelding 10. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³.

Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.

Afbeelding 8. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)

25

Afbeelding 9. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5)

Afbeelding 10. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NO2)

4.5.

Gezondheid

Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM 26

(VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen gemeente Asten worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit. Dit betekent concreet dat voor de ontwikkeling aan Kokmeeuwenweg 15 bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m.

hun endotoxines-uitstoot Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen. In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied is een geitenhouderij gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van circa 1800 meter. Onderhavig initiatief betreft echter geen toevoeging van woningen zodat op basis hiervan is aan te nemen dat de aanwezigheid van de geitenhouderij geen belemmeringen vormt voor het initiatief. In de omgeving zijn enkele varkenshouderijen en pluimveehouderijen gelegen welke endotoxine uitstoten. Dit betreft de varkenshouderij aan de Goudplevierweg 5 en de pluimveehouderij aan de Vaalbaan 1. Zoals hieronder wordt aangegeven wordt voldaan aan de minimale afstanden. Hierdoor vormt de beoogde ontwikkeling zowel voor het plangebied als voor de omliggende veehouderijen geen belemmering. Locatie

Goudplevierweg 5 Vaalbaan 1

Veehouderijen met endotoxine-uitstoot Functie PM10 kg/jaar Minimale afstanden tot plangebied (m) varkenshouderij 535 146 pluimveehouderij 3474 184

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 1000 960

Tabel 6. Uitwerking bedrijven met endotoxine-uitstoot

Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6.

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen 27

voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buiten stedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Het planvoornemen heeft geen betrekking op het realiseren van een geluidsgevoelige functie. Het verrichten van een akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting is niet aan de orde. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.7.

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.

28

Afbeelding 11. Uitsnede risicokaart

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) In de nabijheid van het plangebied zijn geen objecten aanwezig. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) In de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes voor het transport van gevaarlijke stoffen aanwezig. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die opgenomen zijn in Bevb. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.8.

Cultuurhistorie en archeologie

4.8.1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd.

29

Afbeelding 12 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant

Het plangebied ten oosten van de Kokmeeuwenweg is gelegen binnen de zone cultuurhistorisch landschap. De ontwikkeling die men hier voorstaat betreft het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van vervening, zoals kanalen en boerenkuilen;Het behoud en beter beleefbaar maken van monumentaal ontginningslandschap met grote lijnen, zoals kanalen en lanen. De natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van het gebied;Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door vergroting van de beleving. Onderhavig planvoornemen draagt hieraan bij door sloop van gebouwen en teruggeven van landbouwgrond aan de natuur. Deze landbouwgronden zullen uiteindelijk de functie van natuur krijgen. De voormalige melkrundveehouderij en loods krijgt de functie Agrarisch – Agrarisch bedrijf. Het bouwblok blijft gekoppeld met het bouwblok aan de overzijde van de openbare weg. 4.8.2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden.

Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: •

De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.

•

Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.

De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. 30

De gemeente Asten heeft ervoor gekozen om in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz, 2007) en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2008) een eigen gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren. Dit beleid is samengevat in de nota Archeologiebeleid gemeente Asten. Onderdeel van de nota betreft de beleidskaart. Op de beleidskaart van Asten is een indeling gemaakt in archeologische waarden en verwachtingen. De beleidskaart biedt een actueel overzicht van de archeologische verwachtingen en bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen.

Afbeelding 13 Uitsnede uit beleidskaart Archeologie gemeente Asten

Uit deze kaart is op te maken dat onderhavige locatie is gelegen in een gebied aangemerkt als categorie 6: Gebieden met verwachtingswaarde laag. Dit betekent dat er geen onderzoeksplicht is bij bestemmingsplanwijziging, aanleg-, sloop- en bouwvergunning. In onderhavige situatie is sprake van een bestemmingsplanwijziging en sloop van stallen/sleufsilo’s. Voor dit plan betekent dit dat er geen onderzoeksplicht is. Het plan voldoet hiermee aan het archeologiebeleid.

4.9.

Flora en Fauna

4.9.1. Gebiedsbescherming De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten oosten van de initiatieflocatie is het Natura2000 gebied Groote Peel gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 220 meter. Beoordeeld moet worden of de wijziging van het bestemmingsplan significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. In dit kader zijn stikstofberekeningen gemaakt met het

31

rekenprogramma Aerius. Uit de verschilberekening blijkt dat er geen significante gevolgen zijn voor de Natura 2000 gebieden. De berekening is toegevoegd in bijlage 3. 4.9.2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • •

•

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=1215311f-37a6-4bcb-8875-8045b3a72070