RU24.01.04L Ruimtelijke onderbouwing Bleekerweg 2a
Tekst van het document
5.5.3 Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Met de beoogde herontwikkeling wordt bebouwing gesloopt. Deze bebouwing bestaat uit meerdere compartimenten. De plafonds zijn afgetimmerd met dakplaten en de ruimtes worden reeds gebruikt voor de bedrijfsvoering van de initiatiefnemer. De gevels bestaan uit halfsteens metselwerk.
Afgaande op de afwerking aan de binnenzijde en het gebruik wordt niet verwacht dat de bebouwing wordt gebruikt door beschermde diersoorten. Navolgende figuren geven een weergave van de op termijn te slopen loods.
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Figuur 14: Binnenzijde loods
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Figuur 15: Buitenzijde
Er wordt geen beplanting gerooid of water gedempt. Verwacht wordt dat enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijnen, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen de planlocatie. Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Werkzaamheden dienen dan ook plaats te vinden buiten het broedseizoen. Met de beoogde herontwikkeling dienen te allen tijde de voorzorgsmaatregelen in acht te worden genomen. Door het landschappelijk inpassen van de planlocatie worden de foerageer mogelijkheden versterkt.
5.6
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De planlocatie is gelegen binnen een 60 kilometerzone. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh).
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Gesteld kan dan ook worden dat het aspect wegverkeerslawaai geen bezwaar is voor de beoogde herontwikkeling.
5.7
Agrarische bedrijvigheid
5.7.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:
-
Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd. Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 Wgv bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in:
-
Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units; Buitengebied 10,0 odour units; Woonkern Heusden 0,5 odour units; Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units.
Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen. De planlocatie is op grond van de geurnormenkaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening gelegen in het buitengebied rondom de kern Heusden. Binnen het plangebied is reeds sprake van een voor geur gevoelig object, te weten de bedrijfswoning bij het champignonbedrijf.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
5.7.2 Veehouderijen in de omgeving In de directe omgeving van de planlocatie zijn twee veehouderijbedrijven gelegen. Het betreft de veehouderijen Heikamperweg Bleekerweg 2 en 4. In navolgende figuur zijn deze veehouderijen aangegeven.
Bleekerweg 4
Bleekerweg 2
Figuur 16: Veehouderijen in omgeving planlocatie (aangeduid met rode cirkel)
Op deze omliggende veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:
Figuur 17: Vergunde dieraantallen Bleekerweg 2 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Figuur 18: Vergunde dieraantallen Bleekerweg 4 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
5.7.3 Woon- en leefklimaat 5.7.3.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Middels deze ontwikkeling wordt geen nieuw voor geurgevoelig object mogelijk gemaakt. De bestaande woning was reeds als geurgevoelig te kenmerken. Derhalve is ter bepaling van het woon- en leefklimaat enkel de achtergrondbelasting bepaald. Deze wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.
3.7.3.3 Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat in een gebied. De achtergrondbelasting is doorgerekend met het programma V-Stacks Gebied. De coördinaten betreffen de hoekpunten van de bedrijfsbestemming. Hiertoe zijn alle bedrijven binnen de gemeente Asten ingevoerd. De invoergegevens van deze bedrijven zijn als bijlage toegevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Navolgend zijn de invoergegevens en de berekening weergegeven. Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 181 907 m Rasterpunt linksonder y: 376 602 m Gebied lengte (x): 1000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 1000 m , Aantal gridpunten: 50 Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor
[OU/m3]
1001
181852
376697
23.10
1002
181892
376720
16.20
1003
181945
376630
22.88
1004
181907
376602
33.17
1005
181886
376699
21.37
Tabel 1: Achtergrondbelasting ter hoogte van de planlocatie
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Ter plaats van de planlocatie is sprake van een berekende achtergrondbelasting tussen 16,2 en 33,1 oue/m³. Het woon- en leefklimaat kan worden geclassificeerd als ‘matig’ tot ‘slecht’. Ter plaatse van de bedrijfswoning geldt een achtergrondbelasting van 21,37 oue/m³.
5.7.3.4 Conclusie woon- en leefklimaat Ter plaatse van de bedrijfswoning is sprake van een achtergrondbelasting van 21,37 oue/m³. het woon- en leefklimaat is daarmee te classificeren als ‘matig tot ‘slecht’. Middels deze ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. De bestaande woning is reeds geurgevoelig. Daardoor vormt het woon- en leefklimaat geen belemmering voor dit planvoornemen.
5.7.4 Belangenafweging Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De bestaande woning is reeds aan te merken als een voor geurgevoelig object. Er wordt dan ook geen nieuw geurgevoelig object toegevoegd. De planlocatie is daarmee geen belemmerende factor voor veehouderijen. Als gevolg van de beoogde
herontwikkeling
worden
veehouderijen
dan
ook
niet
verder
in
de
ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.
5.7.5 Conclusie Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de planlocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:
-
Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
Er wordt middels dit plan geen nieuwe geurgevoelige functie toegevoegd. Ook worden als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen omliggende veehouderijen onevenredig in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect geur geen bezwaar.
5.8
Veehouderij en gezondheid
5.8.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Er wordt binnen de planlocatie geen nieuw gevoelig object toegevoegd. Dit punt hoeft niet nader te worden onderzocht.
5.8.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Binnen de planlocatie wordt geen nieuwe gevoelige functie toegevoegd. Dit aspect behoeft geen verdere toelichting.
5.9
Bedrijven en milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook kernrandzones in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.
De omgeving van de planlocatie vindt door de ligging aan een bebouwingslint in het buitengebied, met in de omgeving zowel (agrarische)bedrijfs- en woonfuncties, meer aansluiting bij een ‘gemengd gebied’ dan ‘rustig buitengebied’ of ‘rustige woonwijk’.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Middels deze ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. Anderzijds wordt de bedrijfsfunctie wel gewijzigd van een agrarische bedrijfsfunctie naar een agrarisch technisch hulpbedrijf. Een dergelijke bedrijfsfunctie valt te kenmerken als milieucategorie 3.1. In de praktijk betreft het een relatief kleinschalig bedrijf, een eenmanszaak. Bovendien stoot het bedrijf geen geur en stof uit en ook het aspect gevaar vormt geen belemmering. Het aspect geluid betreft
de
maatgevende
factor
voor
de
beoogde
bedrijfsactiviteiten.
Voor
dergelijke
bedrijfsactiviteiten (3.1) geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 30 meter tot omliggende gevoelige functies in het kader van de factor ‘geluid’. De meest dichtbij gesitueerde woning van derden betreft de naastgelegen woning Bleekerweg 4. Deze ligt op een afstand van 32 meter tot de bestemmingsgrens. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk gemaakt.
(32 meter)
(42 meter)
Figuur 19: Afstanden omliggende woningen
Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Bovendien zal in de toekomstige situatie de loods verder naar achteren worden gesitueerd dan in de bestaande situatie. Daarmee bevinden de feitelijke werkzaamheden zich dan ook op een afstand van ten minste 50 meter tot de woning Bleekerweg 2 en circa 74 meter tot Bleekerweg 2. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
5.10 Externe veiligheid 5.9.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
5.9.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.
De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.
5.9.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status.
Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer.
5.9.4 Beoordeling van de planlocatie 5.8.4.1 Bedrijven De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Op het perceel Bleekerweg 2 is sprake van een gastank. Het plangebied ligt net buiten het brand- en explosieaandachtsgebied.
Figuur 20: Uitsnede risicokaart
5.9.4.2 Transport Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N277 en de N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N277 en de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van 3,6 kilometer tussen planlocatie en A67, is de planlocatie gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Interactie zal normaliter niet plaatsvinden.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. De meest dicht bij de planlocatie gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van circa 2,2 kilometer ten westen van de planlocatie. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Op een afstand van eveneens circa 2000 meter ten zuidwesten van de planlocatie is een hoogspanningslijn gesitueerd. Op dusdanig grote afstand kan worden gesteld dat interactie evenmin kan plaatshebben.
5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Inleiding De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag in principe niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). Ter plaatse wordt een agrarisch bedrijf herbestemd naar een agrarische technisch hulpbedrijf. Het betreft een eenmanszaak en de verkeersbewegingen zijn beperkt. Het bestemmingsvlak wordt verkleind en het bebouwd oppervlak blijft gelijk. De beoogde herontwikkeling valt hiermee binnen het begrip NIBM.
Andersom dient ter plaatse wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee de huidige luchtkwaliteit van belang is.
5.10.2 Blootstelling aan verontreiniging 5.10.2.1 Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging.
5.10.2.2 Fijn stof De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.
-
de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Figuur 21: Fijn stof PM10 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-20 µg/m³.
Figuur 22: Fijn stof PM2,5 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
5.10.2.3
Stikstof
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO 2 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Figuur 23: Stikstofdioxide 2020 (NO2) (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12-14 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.11 Besluit m.e.r. 5.11.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.
5.11.2 Toets initiatief De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Besluit m.e.r., is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleekerweg 2a’
6. UITVOERBAARHEID 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
6.2
Omgevingsdialoog
Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling wordt door de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. Een verslag van de dialoog wordt als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
Crijns Rentmeesters bv
45
Van de Mortel Techniek B.V. Bleekerweg 2A 5725 BE Heusden Kvk.nr: 86825577 B.T.W.nr:NL864100723B01 Tel: 06-43171907 Uitnodiging i.v.m. omgevingsdialoog
Asten, 30-08-2023 Beste buurtgenoten,
In verband met bedrijfsplannen van ons bedrijf willen wij een buurtbijeenkomst houden. Wij willen u dan ook bij deze van harte uitnodigen voor deze bijeenkomst, Deze houden we op Woensdag 13 September om 20:30. Plan is om de voormalige champignonkwekerij af te breken en nieuw bedrijfspand te realiseren met de zelfde oppervlakte. Verplaatsen van de bedrijfsruimte +/- 10 a 15 meter verder naar achteren ( vanuit de weg bekeken ). In de regels van de gemeente is het gewenst dat de bedrijfsplannen vooraf aan de buurt gepresenteerd worden en hier willen we dan ook graag gehoor aan geven. Graag even laten weten als u wel / niet aanwezig bent en met hoeveel personen dit kan per email; Heeft u vooraf al vragen, dan kunt u natuurlijk altijd even contact met mij opnemen.
Tot ziens op Woensdag 13 september om 20:30
MEMO Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening Bleekerweg 2a te Asten-Heusden Auteur: NOX Advies, Dhr. M.H. van der Wielen Datum: 30 november 2023 Bijlagen: Aerius-berekening
1
Inleiding
Op het perceel aan de Bleekerweg 2a te Asten-Heusden is een champignonkwekerij aanwezig geweest. Het voornemen bestaat om de bestaande loods te slopen en een nieuwe loods te bouwen die voldoet aan de huidige maatstaven. De nieuwe loods zal gebruikt worden voor een agrarisch technisch hulpbedrijf, te weten een eenmanszaak, waarbij voorzien wordt in reparaties en onderhoud voor materieel van o.a. de landbouwsector. Voor de ruimtelijke procedure dient onderzocht te worden of significante effecten op Natura 2000gebieden kunnen optreden. Het plangebied ligt op een afstand van circa 2,3 kilometer afstand van Natura 2000-gebied ‘Groote Peel’. Om te bepalen of er vanuit het aspect stikstofdepositie significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van het plan kunnen optreden, is een Aeriusberekening uitgevoerd (versie Aerius 2023.0.1) voor de sloop-, bouw- en gebruiksfase. De Aeriusberekening is bijgevoegd. In deze memo worden de uitgangspunten en conclusie beschreven.
1
Afbeelding 1: Ligging plangebied en ligging Natura 2000-gebieden (bron: Aerius Calculator)
2
Wettelijk kader
Stikstofoxiden (NOx) komen vooral vrij bij verbranding van fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld door het verkeer of stookinstallaties. Ammoniak (NH3) komt grotendeels vrij uit de landbouw en met name uit mest. Met de Wet natuurbescherming (Wnb) worden soorten en habitattypen van Natura 2000gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van NOx en NH3 een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en leefgebieden.
2
De Wet natuurbescherming is een wet die de bescherming van natuurgebieden, soorten en bos regelt. De wet is vanaf 1 januari 2017 van kracht. Met de invoering van deze wet zijn drie wetten vervallen, te weten de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. In de Wet natuurbescherming staat dat bij plannen en projecten bepaald moet worden of sprake is van significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Indien een plan geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Een passende beoordeling is dan niet noodzakelijk. Hierbij wordt de stikstofdepositie inzichtelijk gemaakt met het rekenprogramma AERIUS Calculator en betreft de toetsingswaarde dus 0,00 mol N/ha/jaar (toename) op de hexagonen van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000gebieden.
3
Referentiesituatie
In een Aerius-berekening mag de referentiesituatie afgezet worden tegen het toekomstige gebruik. In dit onderzoek is worst-case geen referentiesituatie ingevoerd.
4
Sloop- en bouwfase
In de (tijdelijke) sloop- en bouwfase wordt NOx- en NH3-emissie gegenereerd door mobiele werktuigen en door het bouwverkeer. De sloop- en bouwfase wordt ingeschat op ten minste 6 maanden. Mobiele werktuigen De ureninzet van mobiele werktuigen is ingeschat op basis van vergelijkbare projecten en plannen. Rekening is gehouden met 50 uur aan inzet van een mobiele kraan voor sloopwerkzaamheden. Een heistelling is niet noodzakelijk. De volgende emissiebronnen en urenaantallen worden van toepassing geacht op de bouwfase in dit plan. Er is ten slotte rekening gehouden met 50 uur aan onvoorziene werktuigen:
3
Tabel 1: Geschatte ureninzet aan mobiele werktuigen voor de realisatie van het plan
Voor de inzet van de mobiele werktuigen wordt uitgegaan van stageklasse IIIB. Het wordt aannemelijk geacht dat deze machines ten tijde van de bouw in 2024 van het bouwjaar 2011 of later zijn. Worstcase is geen rekening gehouden met Ad Blue verbruik. Het toevoegen van Ad Blue verbruik zou leiden tot substantieel lagere NOx-emissies. In de bouwfase wordt uitgegaan van maximaal 100 vrachtwagenbewegingen (zwaar) per jaar voor aanvoer en afvoer van materiaal en materieel. Tevens is rekening gehouden met 1.000 lichte verkeersbewegingen per jaar voor bouwpersoneel en leveringen met bestelbusjes. Ten aanzien van de rijroute is het uitgangspunt dat het bouwverkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld op de Meijelseweg. Dit is een voldoende drukke ontsluitingsweg met een etmaalintensiteit van circa 2.900 motorvoertuigbewegingen per etmaal, waar het bouwverkeer niet meer herleidbaar zal zijn tussen het overige verkeer. Op het bouwterrein wordt uitgegaan van een filepercentage van 100% voor eventuele congestie en manoeuvreren op de bouwplaats. Het gehanteerde rekenjaar betreft 2024, omdat in dit jaar de bouwfase op z’n vroegst wordt gestart. 4
5
Gebruiksfase
In de loods worden landbouwwerktuigen gecontroleerd, onderhouden en gerepareerd, maar daarnaast vinden werkzaamheden plaats op locatie bij derden. Voor deze bedrijfsvoering wordt op locatie een heftruck gebruikt. Hiermee worden laad- en los activiteiten verricht, voor circa 30 uur per jaar. Het gaat om een heftruck (Doosan D30) op diesel met Stageklasse V (bouwjaar 2021). Het brandstofverbruik wordt geschat op maximaal 300 liter. Omdat het een eenmansbedrijf betreft, is de verkeersaantrekkende werking minimaal. Naar verwachting van de initiatiefnemer bedraagt de verkeersaantrekkende werking circa 4 bewegingen per week. Uitgegaan is van 10 verkeersbewegingen per etmaal (6 licht en 4 zwaar). Dit betreft dus een ruime worst-case inschatting, mede omdat Aerius met deze invoer ook weekenddagen meerekent. Het werkplaatsgedeelte van de loods zal verwarmd worden. Uitgangspunt is dat de verwarming door middel van een stookinstallatie op aardgas wordt gerealiseerd omdat er in de huidige loods ook een gasaansluiting aanwezig is, maar dit zou ook op een andere minder NOx-genererende emissie kunnen plaatsvinden. Worst-case is rekening gehouden met een emissie van 2,5 kg NOx/jaar. Dit staat onder normale omstandigheden gelijk aan een aardgasverbruik van 4.000 m3/jaar. In de werkplaats wordt incidenteel ook gelast. Het gaat om maximaal 3 uur per week.
Bij het lassen kunnen rookgassen vrijkomen. Hierbij kan NOx vrijkomen naar de lucht, maar het zal gaan om kleine hoeveelheden op jaarbasis. In een document van Provincie Utrecht (Vragen en antwoorden incl. handreiking Aerius) is aangegeven dat de emissies aan NOx die vrijkomen bij lassen over het algemeen verwaarloosbaar zijn. Worst-case is gerekend met een jaarvracht van 5 kg NOx/jaar, hetgeen redelijkerwijs een overschatting is van de werkelijke emissie. Tevens is een bedrijfswoning aanwezig op het perceel. Voor deze bestaande woning is uitgegaan van gasverbruik. Hierbij is aangesloten bij de kentallen/emissiefactoren van de Factsheet ruimtelijke plannen1. Het kental is voor een verouderde vrijstaande woning 3,59 kg NOx/jaar. De verkeersaantrekkende werking is ingeschat op maximaal 9 verkeersbewegingen per etmaal, hetgeen hoger is dan de kengetallen voor een woning uit de CROW Publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren”.
1
https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannen-emissiefactoren/05-07-2018
5
Ten aanzien van de ligging en lengte van de rijroute zijn dezelfde uitgangspunten gedaan als in de bouwfase, hetgeen ook als worst-case uitgangspunt geldt. Het gehanteerde rekenjaar betreft 2024.
6
Resultaten
In een Aerius-berekening dienen de 12 aaneengesloten maanden met de hoogste emissie het uitgangspunt te vormen. Omdat de bouw- en sloopfase ingeschat wordt op circa 6 maanden, is worstcase de gehele gebruiksfase toegevoegd aan de bouwfase. Hiermee wordt een overschatting van de emissie gemodelleerd. De berekende emissie NOx en NH3 bedraagt in de gecombineerde sloop-, bouw- en gebruiksfase met de genoemde uitgangspunten respectievelijk circa 65 en 0,2 kg/jaar.
Afbeelding 2: Resultaten berekening bouw- en gebruiksfase (bron: Aerius)
6
Omdat ook relevant is om te bepalen of op Belgische Natura 2000-gebieden depositie wordt berekend, zijn tevens eigen rekenpunten in het rekenmodel Aerius gelegd op deze gebieden. De rekenpunten zijn automatisch bepaald door Aerius. Afbeelding 3 laat de resultaten hiervan zien. Hieruit blijkt dat ook op deze eigen rekenpunten geen toename aan depositie wordt berekend.
Afbeelding 3: Resultaten berekening op eigen rekenpunten (bron: Aerius)
Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar in zowel de gebruiks- als bouwfase. In bijlage 1 is de Aeriusberekening bijgevoegd.
7
7
Conclusie
In dit onderzoek zijn de stikstofeffecten in beeld gebracht van de realisatie en het gebruik van het plan aan de Bleekerweg 2a te Asten-Heusden. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt in zowel de sloop-, bouw- als gebruiksfase (in combinatie) leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Dit geldt ook voor Belgische Natura 2000-gebieden. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor het plan.
8
Bijlage
Bijlage 1: Bouw- en gebruiksfase
8
Bijlage 1
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
NOX Advies Bleekerweg 2a te Asten-Heusden, 5725BE Asten-Heusden Bleekerweg 2a te Asten-Heusden Bouw- en gebruiksfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RxtQyU2M8qaq 30 november 2023, 19:05 Wnb-rekengrid incl. eigen rekenpunten
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Bouw- en gebruiksfase gecombineerd - Beoogd Bouw- en gebruiksfase gecombineerd - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RxtQyU2M8qaq (30 november 2023)
2024 -
0,2 kg/j
64,6 kg/j
2/9
Projectberekening
Bouw- en gebruiksfase gecombineerd (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Bouwplaats 6 Anders... | Anders... | Stookinstallatie 7 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Heftruck gebruiksfase 8 Anders... | Anders... | Laswerkzaamheden 9 Wonen en Werken | Woningen | Woning met CV Verkeersnetwerk
RxtQyU2M8qaq (30 november 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
20,0 g/j 72,0 g/j 0,1 kg/j
39,9 kg/j 2,5 kg/j 10,1 kg/j 5,0 kg/j 3,6 kg/j 3,5 kg/j
3/9
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RxtQyU2M8qaq (30 november 2023)
4/9
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Bouw- en gebruiksfase gecombineerd" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RxtQyU2M8qaq (30 november 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/9
Projectberekening
Per eigen rekenpunt
3 4 1 2
RxtQyU2M8qaq (30 november 2023)
Naam
Abeek met aangrenzende moerasgebieden (22 km)
Coördinaat
X:179057 Y:354629 Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek X:185571 (24 km) Y:353238 Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, X:166711 Stamprooierbroek en Mariahof (19 km) Y:364188 Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse Heide, X:164833 Warmbeek en Wateringen (20 km) Y:365848
Projectbijdrage (mol N/ha/jr)
-
6/9
Projectberekening
Bouw- en gebruiksfase gecombineerd, Rekenjaar 2024 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Bouwplaats X:181895,49 Y:376660,21 0,60 ha
NOₓ NH₃
Stageklasse
Brandstofverbruik
Stage IIIB werktuigen Stage-IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, 2540 l/j > 75 kW diesel, SCR: nee Trilplaat 2
Wegverkeer | Weg
Bouwverkeer X:181698,16 Y:376613,86 360,12 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Wegverkeer | Weg
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
RxtQyU2M8qaq (30 november 2023)
270 u/j
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Max. snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Draaiuren AdBlue verbruik
alle werktuigen op benzine, 2takt 120 l/j
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
3
39,9 kg/j 20,0 g/j
Bouwverkeer op terrein X:181881,89 Y:376683,98 92,34 m Binnen bebouwde kom (stagnerend) Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Stof Emissie
NOₓ
39,5 kg/j NH₃ 19,1 g/j NOₓ 0,5 kg/j NH₃ 0,0 kg/j
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
1.000,0 /jaar 0,0 /jaar 100,0 /jaar 0,0 /jaar
0,2 kg/j 49,6 g/j 9,8 g/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Links Rechts NOₓ 0,1 kg/j Type scherm - - NO₂ 21,9 g/j Hoogte - - NH₃ 2,0 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
1.000,0 /jaar 0,0 /jaar 100,0 /jaar 0,0 /jaar
In file
100,0 % 0,0 % 100,0 % 0,0 %
7/9
Projectberekening
4
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Verkeer gebruiksfase op terrein X:181881,89 Y:376683,98 92,34 m Binnen bebouwde kom (stagnerend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 6
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Anders... | Anders...
Naam Stookinstallatie Uittreedhoogte Locatie X:181895,48 Warmteinhoud Y:376660,21 Spreiding Oppervlakte 0,60 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie 7
4,0 m 0,000 MW 2m
Heftruck gebruiksfase X:181901,12 Y:376650,63 0,36 ha
Stageklasse
Anders... | Anders...
Naam LaswerkzaamhedenUittreedhoogte Locatie X:181895,48 Warmteinhoud Y:376660,21 Spreiding Oppervlakte 0,60 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie RxtQyU2M8qaq (30 november 2023)
-
Aantal voertuigbewegingen
15,0 /etmaal 0,0 /etmaal 4,0 /etmaal 0,0 /etmaal
2,0 kg/j 0,6 kg/j 84,3 g/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Links Rechts NOₓ 1,2 kg/j Type scherm - - NO₂ 0,3 kg/j Hoogte - - NH₃ 17,3 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
In file
15,0 /etmaal 0,0 /etmaal 4,0 /etmaal 0,0 /etmaal
100,0 % 0,0 % 100,0 % 0,0 %
NOₓ
2,5 kg/j
NOₓ NH₃
10,1 kg/j 72,0 g/j
Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue verbruik Stof Emissie
Heftruck Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja 300 l/j 8
-
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Max. snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 5
Verkeer gebruiksfase X:181698,16 Y:376613,86 360,12 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
1,5 m 0,000 MW 1m
30 u/j
NOₓ
0 l/j
NOₓ 10,1 kg/j NH₃ 72,0 g/j 5,0 kg/j
8/9
Projectberekening
9
Wonen en Werken | Woningen
Naam Woning met CV Uittreedhoogte Locatie X:181885,84 Warmteinhoud Y:376697,96 Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie
6,0 m 0,000 MW
NOₓ
3,6 kg/j
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.0.1_20231106_3125d8b3c1 Database versie 2023.0.1_3125d8b3c1_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RxtQyU2M8qaq (30 november 2023)
9/9
NOX Advies B.V. Valkenierslaan 6 5062 CN, Oisterwijk www.noxadvies.nl info@noxadvies.nl
KvK-nummer: 91479282
Transect-rapport 4956 Heusden, Bleekerweg 2a Gemeente Asten (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur Versie Projectcode Datum Opdrachtgever Uitvoerder
J. van der Kroon Versie 1.1 23070064 05-10-2023 Van de Mortel Techniek B.V. Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein T. Nales (Senior KNA Prospector) J. van der Kroon 5467900100 Gemeente Asten ArchAeO Nog te beoordelen Transect, Nieuwegein Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (09-10-2023)
Veldonderzoek Onderzoeksmelding Bevoegde overheid Adviseur bevoegde overheid Status Beheer documentatie Voorblad
Autorisatie Naam Drs. T. Nales (Senior KNA Prospector)
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Datum
Paraaf
24-10-2023
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting In opdracht van Van de Mortel Techniek b.v. heeft Transect b.v. in oktober 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Bleekerweg 2a in Heusden (gemeente Asten). Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een dekzandwelving ligt. Op basis van de ouderdom van de afzettingen kunnen vindplaatsen voorkomen uit de periode vanaf het Laat-Paleolithicum. Vindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum zijn vooral te vinden in gradiëntzones en dichtbij open water. De dichtstbijzijnde beekdalen liggen op circa 1000 m van het plangebied, maar dichterbij het plangebied liggen wel vennen op historische kaarten. In de omgeving van het plangebied zijn ook vuursteenafslagen aangetroffen wat erop wijst dat in de omgeving van het plangebied mogelijk wel bewoning heeft plaatsgevonden in deze periode. De verwachting op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum is hoog.
Vanaf het Neolithicum vestigen mensen zich vooral op hoge, droge gronden. Het plangebied ligt in vergelijking met de omgeving relatief hoog op een dekzandwelving. De verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Late-Middeleeuwen is zodoende hoog. Het plangebied ligt historisch gezien in een heidegebied. De verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd is daarom laag. Het dekzand vormt het archeologische niveau en wordt verwacht tussen 20-40 cm -Mv. Binnen het plangebied ligt een oprit met garage die zijn ingegraven tot circa 150 cm -Mv. Daar worden geen archeologische resten meer verwacht. De bestaande loods is gefundeerd tot 80 cm -Mv waardoor mogelijk de ondergrond tot 80-90 cm -Mv is verstoord. Op basis van het veldonderzoek ligt in het plangebied dekzand. Dit zand is aangetroffen vanaf 30-40 cm -Mv (circa 27,3 m +NAP). In boring 2 is boven het dekzand een laag stuifzand aangetroffen en in boring 1 is een ophoging aangetroffen boven het dekzand. In het dekzand zijn sporen van bodemvorming aangetroffen, in de vorm van E-, B- en BC-horizonten. Het dekzand is op basis van deze resultaten in het zuiden en westen van het plangebied als intact te beschouwen.
Hier is de middelhoge verwachting op archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum en de hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Late-Middeleeuwen bevestigd. Ter plaatse van boring 3 is de ondergrond tot 90 cm -Mv verstoord. Boring 3 is naast de bestaande opstallen uitgevoerd. Dit bevestigd het vermoeden dat de bouw van de bestaande loods de ondergrond tot minstens 80-90 cm heeft verstoord. Ter plaatse van de bestaande loods worden daarom geen intacte archeologische resten meer verwacht. Ter plaatse van boring 4 bleek de top van het dekzand niet meer volledig intact. Hier zal de hoge archeologische verwachting op resten uit het Mesolithicum moeten worden bijgesteld naar laag. Aangezien diepe grondsporen nog intact kunnen zijn, blijft de hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – LateMiddeleeuwen gehandhaafd. Resten uit het Laat-Paleolithicum liggen dieper in het dekzand en daarom zal de hoge verwachting voor deze periode ook gehandhaafd blijven. De archeologische verwachting is weergegeven in bijlage 8.
Advies Voor het plangebied bestaat het voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van de sloop van de bestaande opstallen (circa 780 m2) en de bouw van een nieuwe loods (tot 886 m2) in het gebied. Voor het gehele plangebied, afgezien ter plaatse van de bestaande opstallen, geldt een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Late-Middeleeuwen. In het zuiden en westen van het plangebied geldt ook een middelhoge verwachting op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. Wij adviseren deze waardes op te nemen in het bestemmingsplan (bijlage 8). Het archeologische niveau is in het zuiden en westen van het plangebied aangetroffen vanaf 30-40 cm -Mv. In het noorden is het archeologische niveau aangetroffen vanaf 70 cm -Mv. Bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 250 m2 én dieper reiken dan 10 m -Mv (buffer van 20 cm boven het archeologische niveau) is daarom archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk. Voor het noorden van het plangebied geldt de vrijstellingsgrens van 50 cm -Mv, aangezien hier het archeologische niveau dieper is aangetroffen (ter hoogte van boring 1; bijlage 8). Als deze vrijstellingsgrenzen worden overschreden ten behoeve van de bouw van de toekomstige loods, adviseren wij een vervolgonderzoek uit te voeren (karterende en waarderende fase).
Gezien de verwachting op grondsporen en vondsten kan dit het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Hierbij zal rekening moeten worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum. Voor een dergelijk onderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PvE) nodig, waarin de randvoorwaarden en wijze van documentatie van het onderzoek is vastgelegd. Ter plaatse van de bestaande opstallen en de oprit en garage zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Wij adviseren om dit gedeelte van het plangebied, wat betreft archeologie vrij te geven (bijlage 8). Het is dan dus mogelijk om te bouwen binnen het verstoorde vlak van de bestaande loods, zonder een vervolgonderzoek uit te voeren. Wanneer het bouwvlak deels overlapt, geldt een onderzoekplicht over het gedeelte van het bouwvlak dat buiten de verstoorde zone van de bestaande loods valt (bijlage 8). Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Asten). Bovenstaande vormt een advies.
Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Asten) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1. Aanleiding
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
3
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
5
5. Beleidskader
6
6. Landschap, geomorfologie en bodem
7
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken
9
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
12
9. Gespecificeerde archeologische verwachting
19
10. Resultaten veldonderzoek
21
11. Beantwoording onderzoeksvragen
23
12. Conclusie en Advies
24
13. Geraadpleegde bronnen
26
Bijlage 1: Plantekening
28
Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de gemeente Asten
29
Bijlage 3: Geomorfologie
31
Bijlage 4: Hoogtekaart
32
Bijlage 5: Bodemkaart
34
Bijlage 6: Archeologische informatie
35
Bijlage 7: Boorpuntenkaart
36
Bijlage 8: Foto’s van boringen
39
Bijlage 9: Boorbeschrijvingen
40
1. Aanleiding In opdracht van Van de Mortel Techniek b.v. heeft Transect b.v.1 in oktober 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Bleekerweg 2a in Heusden (gemeente Asten). De aanleiding voor het onderzoek vormt een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de sloop van de bestaande loods en de realisatie van een nieuwe loods in het gebied Volgens het archeologie-beleid van de gemeente Asten geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting (categorie 4). Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m2 of dieper dan 40 cm -Mv. Gezien de omvang van het te wijzigen gebied (circa 5670 m2) is een archeologische onderbouwing van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Van der Kroon, 2023).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Ook is er navraag gedaan bij de Heemkundekring De Vonder voor aanvullende informatie (via algemene e-mailadres; d.d. 04-10-2023). Door de Heemkundekring is geen aanvullende informatie aangeleverd.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen?
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Asten-Heusden
Plaats
Heusden
Toponiem
Bleekerweg 2a
Kaartblad
52B
Centrumcoördinaat
181.896 / 376.660
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Bleekerweg 2a in Heusden (gemeente Asten-Heusden). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien ligt het plangebied binnen het perceel ATN01 Sectie A nummer 320. De Bleekerweg vormt de noordwestelijke begrenzing. De rest van de begrenzing wordt gevormd door het vlak waarbinnen de toekomstige plannen zullen worden gerealiseerd. Het plangebied is circa 5670 m2 groot.