CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU24.01.04K Ruimtelijke onderbouwing Beekstraat 20

Raadscommissie Ruimte 9 januari 2024, gemeente AstenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2023-1' (opiniërend)26.142 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Om te bepalen of er vanuit het aspect stikstofdepositie significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen kunnen optreden is in juli 2023 door NOx Advies een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor zowel de bouw- en gebruiksfase. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt in zowel de sloop- en bouwfase enerzijds als de gebruiksfase anderzijds leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan. De onderzoeksraportage (NOx Advies, d.d. 3 juli 2023) is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

4.5.3 Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten

Crijns Rentmeesters bv

28

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de sloop van het bedrijfsgebouw, de boogloods en het afdak zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Het bedrijfsgebouw is volledig afgesloten voor beschermde diersoorten en daarmee ongeschikt als verblijf- schuil en nestplaats.

De te slopen loods bestaat volledig uit wanden en dak van damwand en is volledig ongeschikt voor verblijf- schuilen nestplaatsen van beschermde diersoorten. Ook het afdak is ongeschikt voor beschermde diersoorten. Door de locatie na de bouw geheel landschappelijk in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. (Bron: Ecologische quickscan Brabant Eco).

4.6

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties: -

via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren;

-

de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw geluidgevoelig object gerealiseerd. Een akoestisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Niettemin dient te allen tijde sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, eveneens voor wat betreft geluid. Daarvoor is dan ook gekeken naar het gemiddelde geluidniveau. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de geluidkaart van Nederland ter plaatse van de planlocatie.

Crijns Rentmeesters bv

29

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

Figuur 14: Geluidkaart Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving)

Sprake is van een geluidniveau van 51-60 dB waarmee gesteld kan worden dat sprake is van een redelijk tot matig woon- en leefklimaat in het kader van wegverkeer. De bed & breakfast accommodatie wordt gebouwd conform de meest recente vereisten voor isolatie en geluidwering, waarbij het binnenniveau altijd als goed bestempeld zal kunnen worden. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht.

4.7

Agrarische bedrijvigheid

4.7.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning).

4.7.2 Gemeentelijke geurverordening Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Asten heeft op 9 maart 2021 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2021’ vastgesteld. Met deze verordening stelt de gemeente andere normen vast voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Asten. In het

Crijns Rentmeesters bv

30

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

buitengebied geldt volgens de geurgebiedsvisie een norm van 10 oue/m³ bij vergunningverlening van veehouderijen. Ook worden in de verordening andere waarden voor de aan te houden afstand tussen een (melk)rundveehouderij en pelsdierhouderijen en gevoelige objecten. Deze normen gelden voornamelijk bij vergunningverlening bij veehouderijbedrijven. Andersom kan dit eveneens van belang zijn bij het toekennen van nieuwe geurgevoelige objecten in de nabijheid van veehouderijen.

4.7.3 Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van de planlocatie is een aantal veehouderijbedrijven gelegen. Op navolgende figuur is de ligging van omliggende bedrijven weergegeven. De planlocatie is hierbij aangeduid met de zwarte cirkel.

Busselseweg 4

Busselseweg 7 Hindert 11 Busselseweg 3 Hindert 2

Reeweg 3

Laarbroek 14a

Lagendijk 3 Dijkstraat 51 Figuur 15: Veehouderijen in omgeving plangebied

Op deze veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:

Figuur 16: Vergunde dieraantallen Busselseweg 3 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Crijns Rentmeesters bv

31

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

Figuur 17: Vergunde dieraantallen Busselseweg 4 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 18: Vergunde dieraantallen Busselseweg 7 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 19: Vergunde dieraantallen Dijkstraat 51 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 20: Vergunde dieraantallen Hindert 2 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Crijns Rentmeesters bv

32

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

Figuur 21: Vergunde dieraantallen Hindert 11 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 22: Vergunde dieraantallen Laarbroek 14a (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 23: Vergunde dieraantallen Lagendijk 3 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

4.7.4 Vaste afstanden Op de veehouderijen aan Busselseweg 4, Busselseweg 7, Hindert 2, Laarbroek 14a en Lagendijk 3 worden enkel dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Daartoe dient ten minste 50 meter afstand te worden aangehouden tot de planlocatie. De meest dicht bij de planlocatie gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter. Alle veehouderijen zijn dan ook gelegen op voldoende afstand tot de planlocatie.

4.7.5 Woon- en leefklimaat 4.7.5.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve zowel de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie inzichtelijk gemaakt.

Crijns Rentmeesters bv

voorgrond-

als

de

33

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

4.7.5.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij het dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De drie veehouderijen in de omgeving met een geuremissiefactor zijn gelegen op een afstand van 270 tot 350 meter tot de planlocatie. Om te bezien welke veehouderij de dominante veehouderij betreft is voor deze drie veehouderijen de voorgrondbelasting berekend. Het XY-coördinaat van deze veehouderijen betreffen hiermee de meest dicht tot de planlocatie gelegen hoekpunt van het betreffende bouwvlak. De XY-coördinaten van de geurgevoelige functie betreffen de hoekpunten van de gehele planlocatie. Hiermee is de worst-case-scenario berekend. Navolgend zijn de berekeningen weergegeven.

Tabel 1: Voorgrondbelasting Busselseweg 3

De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij Busselseweg 3 bedraagt maximaal 10,3 oue/m³.

Tabel 2: Voorgrondbelasting Dijkstraat 51

De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij Dijkstraat 51 bedraagt maximaal 7,0 oue/m³.

Crijns Rentmeesters bv

34

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

Tabel 3: Voorgrondbelasting Hindert 11

De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij Hindert 11 bedraagt maximaal 2,2 oue/m³. Uit de berekeningen blijkt dat de veehouderij aan Busselseweg 3 de dominante veehouderij betreft voor wat betreft de planlocatie aan Beekstraat 20. De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 10,3 oue/m³. Deze voorgrondbelasting is ter plaatse van de meest noordwestelijke hoek van de planlocatie. Ter plaatse vinden geen activiteiten plaats welke voor geur gevoelig zijn. Verderop binnen de planlocatie (richting het zuidoosten) is de voorgrondbelasting beneden de 10 oue/m³. Hiermee is volgens de Wet geurhinder en veehouderij sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.7.5.3 Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant wordt jaarlijks een kaart uitgebracht van de achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Navolgend is de achtergrondbelasting ter plaats van de planlocatie weergegeven. De planlocatie is weergegeven in de zwarte cirkel. Als bronnenbestand is een export van het bestand veehouderijen Brabant genomen (februari 2021). De achtergrondbelasting is berekend als de sommatie van alle individuele bijdragen van de afzonderlijke veehouderijen op een punt.

Crijns Rentmeesters bv

35

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

Figuur 24: Achtergrondbelasting planlocatie en omgeving

Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een achtergrondbelasting van 7-13 oue/m³, waarmee sprake is van een redelijk goed woon- en leefklimaat.

4.7.5.4 Conclusie woon- en leefklimaat Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting ten minste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Met een voorgrondbelasting van maximaal 10,3 oue/m³ is dit de bepalende factor voor het woon- en leefklimaat. Met een dergelijke voorgrondbelasting is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit is overigens op de meest noordwestelijke hoek van de planlocatie. Verderop, daar waar de ontwikkelingen plaatsvinden, is de voorgrondbelasting nog lager, tot 6,7 oue/m³ in het zuidoosten. Daarmee is ter plaatse van de planlocatie sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.7.6 Belangenafweging Als gevolg van de beoogde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. In de huidige situatie is reeds sprake van een woonbestemming, waarmee omliggende veehouderijen rekening dienen te houden bij eventuele uitbreidingen. De woonbestemming wordt in het zuidoosten wat vergroot ten behoeve van het parkeren en manoeuvreren binnen het bestemmingsvlak. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat, waarmee omliggende veehouderijen zelfs nog uitbreidingsmogelijkheden kennen. Bovendien worden ter plaatse van deze uitbreiding geen geurgevoelige functies beoogd. Omliggende veehouderijen worden als gevolg van de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer belemmerd dan in de huidige situatie.

Crijns Rentmeesters bv

36

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

4.7.7 Conclusie Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de planlocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook worden als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen omliggende veehouderijen onevenredig in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect geur geen bezwaar.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. In paragraaf 4.1 van deze ruimtelijke onderbouwing zijn de agrarische bedrijven in de omgeving van de planlocatie beschreven. De meest dicht bij de planlocatie gelegen niet-agrarische bedrijven zijn gelegen op 280 meter ten noorden van de planlocatie, aan de andere zijde van de Rijksweg A67 en op circa 230 meter ten zuiden van de planlocatie. Het noordelijk bedrijf betreft een loonwerkbedrijf. Dit bedrijf valt binnen de milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter tot een gevoelig object. Met een afstand van circa 280 meter, aan de andere zijde van de snelweg, wordt ruim voldaan aan deze afstand.

Het zuidelijk bedrijf betreft een sierteeltbedrijf. Dit bedrijf kan worden geschaard onder milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter tot een gevoelig object. Met een afstand van circa 230 meter tot de planlocatie wordt hieraan ruim voldaan. Gesteld kan worden dat het aspect Bedrijven en Milieuzonering geen bezwaar is voor de beoogde herontwikkeling.

Crijns Rentmeesters bv

37

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

4.9

Externe veiligheid

4.9.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

4.9.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.

De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.

4.9.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status.

Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden

Crijns Rentmeesters bv

38

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer.

4.9.4 Beoordeling van de planlocatie 4.9.4.1 Inleiding Op navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart met daarop alle risicoobjecten en -trajecten weergegeven. De planlocatie is weergegeven in de zwarte cirkel.

Figuur 25: Uitsnede risicokaart

4.9.4.2 Bedrijven De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij de planlocatie gelegen risico-object bevindt zich op een afstand van ruim 1 kilometer ten noordoosten van de planlocatie. Dit betreft een bovengrondse propaantank, gelegen op het ter plaatse gevestigde vakantiepark. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 560 meter tot de risicocontour hiervan, welke praktisch het gehele vakantiepark omvat. Interactie kan normaliter niet plaatsvinden.

4.9.4.3 Transport Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N277 en de N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N277 en de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van circa 200 meter tussen de planlocatie en de A67, is de planlocatie wel gelegen binnen het invloedsgebied van deze

Crijns Rentmeesters bv

39

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

weg. Er dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hiervoor kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio gebruikt worden. Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. De meest dicht bij de planlocatie gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van circa 1,5 kilometer ten westen van de planlocatie. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Op een afstand van circa 1,2 kilometer ten westen van de planlocatie is een hoogspanningslijn gesitueerd. Op dusdanig grote afstand kan worden gesteld dat interactie evenmin kan plaatshebben.

4.9.4.4 Groepsrisico Gezien het feit dat de planlocatie binnen het invloedsgebied van de A67 is gelegen, dient er op grond van artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. De Veiligheidsregio heeft een standaardadvies ontwikkeld dat toegepast kan worden aan bepaalde afwegingscriteria, het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand en de aard van de ontwikkeling. In dit geval is het plan niet bestemd voor zeer kwetsbare personen. Derhalve kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio overgenomen worden. Het standaardadvies van de Veiligheidsrisico luidt als volgt: Communicatie Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Bereikbaarheid & bluswatervoorziening Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt.

Zelfredzaamheid Tevens kan worden gesteld dat de beoogde herontwikkeling de zelfredzaamheid van de aanwezige personen niet verkleint. De beoogde herontwikkeling beperkt geen ontvluchtingsmogelijkheden en de personen binnen de planlocatie kunnen als zelfredzaam worden beschouwd.

4.9.4.5 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) beperkt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2).

Crijns Rentmeesters bv

40

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze zone betreft een breedte van 300 meter breed bij Rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen, aan weerszijde van deze wegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Met de beoogde herontwikkeling wordt niet voorzien in een gevoelige bestemming. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Inleiding De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag in principe niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). De beoogde herontwikkeling ziet niet op de toevoeging van woningen en valt hiermee binnen het begrip NIBM. Andersom dient ter plaatse wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee de huidige luchtkwaliteit van belang is.

4.10.2 Blootstelling aan verontreiniging 4.10.2.1 Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging.

4.10.2.2 Fijn stof De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer. De planlocatie is weergegeven in de zwarte cirkel.

Crijns Rentmeesters bv

41

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

Figuur 26: Fijn stof PM10 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)

Figuur 27: Fijn stof PM2,5 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)

Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 15-17 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is.

4.10.2.3 Stikstof De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.

Crijns Rentmeesters bv

42

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

Figuur 28: Stikstofdioxide 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)

Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12-14 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.

4.11 Gezondheid 4.11.1 Endotoxine De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een gevoelig object en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Met de rekentool uitgebracht door de Omgevingsdienst is een berekening

Crijns Rentmeesters bv

43

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

gemaakt van de afstand waarop de adviesnormen van 30 EU/m³ wordt overschreden voor omliggende veehouderijbedrijven. In de omgeving van de planlocatie is een aantal veehouderijen gelegen zonder fijnstofemissie en daarmee zonder endotoxinecontour. Voor de overige bedrijven is navolgend de endotoxinecontour bepaald: - De veehouderij aan Busselseweg 3 betreft een vleesvarkensbedrijf met een fijnstofemissie van 512 kg/jr. Hiervoor geldt een aan te houden vaste afstand van 143 meter tot een gevoelig object. Met een werkelijke afstand van bijna 300 meter wordt aan deze afstand ruim voldaan. - De veehouderij aan Dijkstraat 51 betreft een vleesvarkensbedrijf met een fijnstofemissie van 93 kg/jr. Hiervoor geldt een aan te houden vaste afstand van 42 meter. Met een werkelijke afstand van circa 270 meter wordt aan deze afstand ruim voldaan. - De veehouderij aan Hindert 11 betreft een zeugenbedrijf met een fijnstofemissie van 268 kg/jr. Hiervoor geldt een aan te houden vaste afstand van 104 meter. Met een werkelijke afstand van circa 380 meter wordt hieraan ruim voldaan. - Vanuit het melkveebedrijf aan Laarbroek 14a is sprake van een fijnstofemissie van 14 kg/jr. Deze emissie is in het kader van endotoxine verwaarloosbaar. De planlocatie is niet gelegen binnen een endotoxinecontour van een veehouderij.

Gesteld kan worden dat het aspect endotoxine geen bezwaar vormt voor de beoogde herontwikkeling ter plaatse van de planlocatie.

4.11.2 Geitenhouderijen Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Binnen een straal van 2 kilometer rondom de planlocatie is geen geitenhouderij gevestigd. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van geitenhouderijen geen bezwaar.

4.12 Besluit m.e.r. 4.12.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet

Crijns Rentmeesters bv

44

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), m.e.r.- beoordelingsplicht of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing.

Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

4.12.2 Toets aan drempelwaarde De beoogde herontwikkeling komt niet voor op de C-lijst. De beoogde activiteit is wel aan te merken als activiteit D 10 onder c en onder d uit de bijlage van het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij om vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, en permanente kampeer- en caravanterreinen. Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij gevallen waarbij sprake is van 250.000 bezoekers of meer per jaar, bij een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of bij een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. De beoogde herontwikkeling binnen de planlocatie overschrijdt deze drempelwaarde niet. Een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

4.12.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Omdat de activiteit is aan te merken als activiteit D 10 maar omdat de activiteit onder de drempelwaarde blijft, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Uit onderhavige ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu. De planlocatie is wel gelegen in de nabijheid van het NNB, maar de effecten zullen verwaarloosbaar zijn. De beoogde herontwikkeling past binnen het beleidskader en ook de milieuaspecten vormen geen belemmering. De effecten blijven beperkt tot de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of een m.e.r.-procedure.

Crijns Rentmeesters bv

45

Ruimtelijke onderbouwing ‘Beekstraat 20 Asten’

5. UITVOERBAARHEID 5.1

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft begin 2022 de dialoog gevoerd met de omgeving. Hieruit zijn geen opmerkingen naar voren gekomen welke hebben geleid tot aanpassingen in het planvoornemen.

5.2.2 Overleg In 2022 en in 2023 is overleg gevoerd met de provincie en het waterschap. De provincie heeft in eerste instantie verzocht onderhavig plan nader te motiveren voor wat betreft het aspect Zorgvuldig ruimtegebruik. Deze ruimtelijke onderbouwing is dan ook aangevuld op dat punt. Een nadere motivering is gegeven, waarmee is aangegeven dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In tweede instantie heeft de provincie aangegeven akkoord te zijn met de beoogde herontwikkeling, mits één en ander goed wordt verankerd in de regels van het gemeentelijk bestemmingsplan. Het waterschap is akkoord met de beoogde herontwikkeling, maar vond nog niet geheel duidelijk of de watervoorziening binnen de planlocatie binnen het keurbeschermingsgebied zou worden gesitueerd. Dit is in deze ruimtelijke onderbouwing naar aanleiding van het overleg specifieker benoemd. De voorziening wordt niet gerealiseerd binnen het keurbeschermingsgebied.

5.2.3 Zienswijzen In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan ‘Asten verzamelplan 2023-1’ ter inzage gelegd. Er kunnen zienswijzen worden ingediend.

Crijns Rentmeesters bv

46

Vaklijst Beplantingsplan Code Bomen A B C D E F G H I J K Hagen H1 H2.1 H2.2 H3 H4 H5 H6 H7 H8 H9 H10.1 H10.2 H11 H12.1 H12.2 H13 H14 H15 H16 Bosplantsoen BO1 BO2 BO3 BO4 BO5 Mix 1

Aantal

Wetenschappelijke naam

Maat

63 3 3 1 2 9 6 1 5 2 2

Tillia cordata 'Greenspire' Quercus castaneifolia Acer campestre Aesculus indica Juglans regia Koelreuteria paniculata (meerstammig) Prunus avium (meerstammig) Cornus kousa 'Milky Way' (meerstammig) Pinus pinea Gleditsia triacanthos Quercus robur

25-30 30-35 20-25 25-30 30-35 300-350 250-300 200-250 20-25 20-25 35-40

77 25 73 24 52 26 70 46 34 73 151 28 24 9 29 8 62 184 58

Fagus sylvatica (dubbele rij aanplanten) Fagus sylvatica (dubbele rij aanplanten) Fagus sylvatica Fagus sylvatica Fagus sylvatica Fagus sylvatica (dubbele rij aanplanten) Fagus sylvatica (dubbele rij aanplanten) Fagus sylvatica Fagus sylvatica Fagus sylvatica Fagus sylvatica Fagus sylvatica (dubbele rij aanplanten) Fagus sylvatica (dubbele rij aanplanten) Fagus sylvatica (dubbele rij aanplanten) Fagus sylvatica Fagus sylvatica Fagus sylvatica Fagus sylvatica Fagus sylvatica

100/125 cm 100/125 cm 100/125 cm 100/125 cm 100/125 cm 100/125 cm 100/125 cm 100/125 cm 100/125 cm 100/125 cm 125/150 cm 125/150 cm 125/150 cm 125/150 cm 125/150 cm 125/150 cm 150/175 cm 150/175 cm 100/125 cm

1288 m2 Mix 1 in wildverband 351 m2 Mix 1 in wildverband 337 m2 Mix 1 in wildverband 30,5 m2 Mix 1 in wildverband 76 m2 Mix 1 in wildverband 5% 5% 5% 5% 5%

Salix caprea 2/3-tak Viburnum opulus Crateagus monogyna 2-tak Fagus sylvatica Fraxinus excelsior

0+1 80-100 1+1 60-100 1+1 60-100 1+2 100-125 1+1 100-125

5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 5% Vaste planten N.t.b.

Sambucus nigra Prunus padus Salix cinerea Ulmus minor Corylus avellana 2/3-tak Rosa canina Cornus sanguinea 2-tak Prunus spinosa 2-tak Frangula alnus Acer campestre Euonymus europaeus Ligustrum vulgare Sorbus aucuparia 2-tak Prunus avium Alnus glutinosa

0+1 80-100 1+1 60-100 1+1 60-100 1+1 100-130 1+1 60-100 1+1 60-100 0+1 40-60 1+1 60-100 1+2 80-100 1+1 60-100 1+1 60-100 1+2 80-100 0+1 60-80 1+1 60-100 1+1 80-120

5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 4 4 4 4 4 4 4 4 5

Lengtes hagen 15,36 5 14,54 4,8 10,35 5,23 13,95 9,19 6,7 14,6 37,73 7,1 6 2,24 7,14 1,92 15,56 46 11,64

1+1 1+2 2+2

100/125 125/150 150/175 175/200

60-100 80-100 100-125

1+1 60-100 1+2 80-100 2+2 100-125

5 4 4 3

ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

Locatie: Beekstraat 20 Asten Rapportnummer: 2023-BE-0645 In opdracht van:

Asten

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645

Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2023-BE-0645 Opdrachtgever

Locatie Beekstraat 20, Asten

Auteur Freek Rovers

Opleverdatum 6 juli 2023

De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

1

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.

INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 4

2.

BELEIDSKADER .............................................................................................................. 5 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 5 2.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 7 2.4 Zorgplicht .............................................................................................................................. 7

3.

PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 8 3.1 Huidige situatie ..................................................................................................................... 8 3.2 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 9

4.

PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN .......................................................................... 11 4.1 Bureauonderzoek ............................................................................................................... 11 4.2 Veldonderzoek .................................................................................................................... 12 4.3 Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 13

5.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 15 5.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 15 5.2 Soortenbescherming .......................................................................................................... 17

6.

RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 24 6.1 Resultaten ........................................................................................................................... 24 6.2 Advies en aanbevelingen .................................................................................................... 24

7.

BRONNEN ................................................................................................................... 26

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

2

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645

SAMENVATTING

Opdrachtgever is voornemens om de planlocatie Beekstraat 20 te Asten te herontwikkelen naar wonen als hoofdfunctie met recreatieve nevenactiviteit in de vorm van bed and breakfast. Tevens wordt een nieuwe mantelzorgwoning gerealiseerd. De bestaande bijgebouwen worden verbouwd dan wel vervangen, waarmee de oppervlakte bebouwing nauwelijks zal toenemen. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied.

In de te slopen bebouwing zijn geen potentiële openingen waar beschermde diersoorten nest, schuil- of verblijfplaatsen zouden kunnen vinden. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Freek Rovers Brabant Eco Juli 2023

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

3

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645

1. INLEIDING EN ONDERZOEK

1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever is men voornemens om de planlocatie aan de Beekstraat 20 te Asten te herontwikkelen naar wonen als hoofdfunctie met recreatieve nevenactiviteit in de vorm van bed and breakfast. Tevens wordt een nieuw mantelzorgwoning gerealiseerd. De bestaande bijgebouwen worden verbouwd dan wel vervangen, waarmee de oppervlakte bebouwing nauwelijks zal toenemen. Ten behoeve van de recreatieve neventak zal de functieaanduiding “recreatie” toegevoegd worden, voornamelijk ten behoeve van de paardensport. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.

1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?

1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

4

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645

2. BELEIDSKADER

De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn en de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden.

2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.

2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.

2.2.1 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

5

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645

o

o

Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.

2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2).

Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing.

2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EUHabitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.

2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

6

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645 beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming

2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.

2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

7

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645

3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING

3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Beekstraat 20, ten noordwesten van de kern van Asten, in de gelijknamige gemeente. Asten is een gemeente gelegen in de provincie Noord Brabant en bestaat uit de dorpen Heusden, Ommel en Asten. De gemeente Asten maakt deel uit van de Metropoolregio Eindhoven. De gemeente telde op 31 januari 2023 17.267 inwoners (bron CBS) en heeft een oppervlakte van 71,34 km2. Op het grondgebied van de gemeente Asten ligt een groot deel van het Nationaal Park De Groote Peek, een hoogveengebied. De plaats Asten is de hoofdplaats van de gemeente en wordt oostelijk begrensd door de N279, noordelijk door de A67 en westelijk door de N266. De planlocatie bevindt zich in het buitengebied van Asten, ten zuiden van de A67. De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit een gemengd agrarisch landschap met agrarische bedrijven, agrarisch gerelateerde bedrijven, bos-en tuinbouw en weilanden. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.

Asten

Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.

Het plangebied bestaat uit bebouwing, grasvelden en verharding. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

8

Ecologische quickscan Beekstraat 20 Asten, BE-0645

Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Earth.

3.2 Voorgenomen ontwikkeling De voormalige pluimveehouderij is in gebruik als nevenvestiging van een elders gevestigd zand- en grindhandelsbedrijf. Het initiatief bestaat uit een herontwikkeling, met de bestemming wonen als hoofdfunctie met recreatieve nevenactiviteit in de vorm van bed and breakfast met tien slaapplaatsen, acht camperplaatsen en acht paardenboxen voor de gasten met paard. De nevenactiviteit is dan ook enkel gericht op liefhebbers van de paardensport. Daarnaast wordt een nieuwe mantelzorgwoning gerealiseerd binnen de woonbestemming. Ten behoeve van de recreatieve neventak zal de functieaanduiding “recreatie” toegevoegd worden, voornamelijk ten behoeve van de paardensport. De oppervlakte bijgebouwen wordt maximaal 590m2. Deze bijgebouwen zullen dienstdoen voor bed and breakfast (300 m²), paardenboxen met wasplaats (180 m²) en mantelzorgwoning (110 m²). Grotendeels gebruik wordt gemaakt van de bestaande bebouwing. Een deel wordt vervangen, maar veelal met gebruikmaking van de bestaande materialen. De oppervlakte bijgebouwen, inclusief mantelzorgwoning en paardenboxen, zal daarmee toenemen met circa 100 m² ten opzichte van de huidige situatie. De woonbestemming zal ietwat vergroot worden om ook alle parkeer-en manoeuvreerruimte binnen het bestemmingsvlak te houden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=76964cb4-0386-4214-b044-bd8f0c742b2b