RU23.06.07C Planregels Asten Verzamelplan 2022-2 met bijlagen.pdf
Tekst van het document
Er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats; f. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, exclusief inpandige statische opslag, mag maximaal 2.000 m2 bedragen;
29
g. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; h. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; i. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; j. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; k. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; l. ten behoeve van de nevenactiviteit is ondersteunende horeca toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d. met een maximum van 100 m2; m. detailhandel is uitsluitend toegestaan in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm; n. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; o. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden. 5.5.5 Minicamping Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 teneinde minicampings en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, toe te staan.
Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. er zijn slechts kampeermiddelen toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto’s, campers en toercaravans), alsmede maximaal 5 trekkershutten per agrarisch bedrijf; b. de bebouwde oppervlakte van de trekkershutten mag maximaal 20m2 bedragen, de goothoogte maximaal 2,20 m en de bouwhoogte maximaal 3,5 m; c. ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan, binnen de overige gronden maximaal 15 kampeerplaatsen per minicamping; d. gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen, zoals sanitaire voorzieningen, mogen een maximale gezamenlijke oppervlakte hebben van 50 m2 bij 25 kampeerplaatsen en 30 m2 bij 15 kampeerplaatsen, en een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 5,5 m; e. de sanitaire voorzieningen worden, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing, of anders aansluitend aan de bestaande bebouwing; f. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; g.
de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; h. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; i. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; j. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
30
k. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden. 5.5.6 Aan huis verbonden bedrijf Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4.1 onder b. ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 200 m2 in bestaande bebouwing; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf; e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de omgeving; f. de activiteit mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; g. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner; h. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling.
5.5.7 Mantelzorg Bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor het gebruik van een bestaand bouwwerk ten behoeve van mantelzorg, zolang dit ten dienste staat van de functie wonen, onder de voorwaarden dat: a. als het gebruik betrekking heeft op een vrijstaand bijgebouw 1. dit een maximale oppervlakte van 80 m2 heeft of het gebruik t.b.v. mantelzorg een oppervlakte beslaat van maximaal 80 m2 en 2. het qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning; b. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan; c. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; d. een verzoek om toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid wordt schriftelijk ingediend en uit de aanvraag blijkt de behoefte aan mantelzorg. Voorts dient de vergunninghouder of een andere betrokkene, de gemeente binnen een redelijke termijn te informeren als het gebruik waarvoor de omgevingsvergunning is verleend is beëindigd. Het betreffende (gedeelte van het) gebouw moet binnen een redelijke termijn weer geschikt worden gemaakt voor de oorspronkelijke functie. Als het gebruik waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, eindigt, trekt het bevoegd gezag deze omgevingsvergunning in.
5.5.8 Mestvergisting Bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar onder de voorwaarden dat: a. de locatie goed is ontsloten; b. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;
31
in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water. 5.6
Wijzigingsbevoegdheid
5.6.1 Woondoeleinden Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot; b. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast; c. woningsplitsing is niet toegestaan; d. de bestaande situering van de bebouwing mag niet worden gewijzigd; e. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; f. de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 125 m2 per woning; g. in afwijking van het bepaalde onder f. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, een gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen bij een woning worden toegestaan van meer dan 125 m2. Maximaal 25% van het gesloopte oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouw worden teruggebouwd, tot een totaal aan vrijstaande bijgebouwen van maximaal 200 m2; h.
de extra oppervlakte aan bijgebouwen zoals hiervoor genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt; i. sloop van cultuurhistorisch waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan; j. in afwijking van het bepaalde onder b. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, de inhoud van de woning tot maximaal 900 m3 worden vergroot. Per 50 m3 vergroting van de woning dient telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing te worden gesloopt; k. het surplus (alle aanwezige bebouwing boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m2) moet in één keer worden gesloopt en deze sloop moet als voorwaarde aan de wijziging en omgevingsvergunning voor het bouwen worden verbonden; l. er kan geen toepassing worden gegeven aan de sloopregeling als opgenomen onder g. tot en met k. indien: 1. op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden, 2. sloop kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling, 3. sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, 4. de sloop al op andere wijze is verzekerd; m. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen; n.
uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; o. de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven;
32
p. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; q. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; r. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden; s. het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Wonen’ en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een burgerwoning in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming ‘Agrarisch’ en/of ‘Agrarisch met waarden’. 5.6.2 Agrarisch verwant bedrijf / agrarisch technisch hulpbedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf - Agrarisch verwant’ teneinde een agrarisch verwant bedrijf dan wel een agrarisch technisch hulpbedrijf toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - groenblauwe mantel’ is de omzetting slechts toegestaan naar bedrijven in maximaal de categorieën 1 en 2; b. het hergebruik dient te passen in de omgeving; c. in opzet en ontwikkelingsperspectief dient het om een kleinschalige activiteit te gaan, met in beginsel slechts enkele werknemers; d.
als belangrijke voorwaarde voor hergebruik geldt dat het hergebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - groenblauwe mantel’ maximaal 5000 m² aan bebouwing is toegestaan. Uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan; e. in een bedrijfsplan dient te worden aangetoond welke bedrijfsgebouwen noodzakelijk zijn voor de hergebruikfunctie. Overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, die niet voor de nieuwe functie wordt gebruikt, dient te worden gesloopt, tenzij de gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben; f. het bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot een passende omvang van maximaal 1,5 hectare en ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - groenblauwe mantel’ maximaal 0,5 hectare; g. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; h. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; i. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; j. een zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie is niet toegestaan; k. detailhandel is niet toegestaan; l.
er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; m. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; n. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden. 5.6.3 Inpandige statische opslag Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ met de aanduiding ‘opslag’, teneinde - naast het gebruik ten behoeve van de woonfunctie - hergebruik van de bedrijfsbebouwing toe te kunnen staan
33
voor inpandige statische opslag. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. voor de wijziging naar de woonfunctie gelden de voorwaarden als opgenomen in 5.6.1 a. tot en met e.; b. het hergebruik voor inpandige opslag dient te passen in de omgeving; c. als belangrijke voorwaarde voor hergebruik geldt dat hergebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume. Uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan. Herbouw van bebouwing is wel mogelijk mits het bestaande bouwvolume niet toeneemt; d. voor de inpandige statische opslag is een vloeroppervlakte van maximaal 1.000 m2,een goothoogte van maximaal 5,5 m en een bouwhoogte van maximaal 10 m toegestaan. Overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle panden betreffen; e. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen; f. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; g. het bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot een passende omvang; h. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; i. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; j. detailhandel is niet toegestaan; k.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; l. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden. 5.6.4 Recreatieve activiteiten Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming ‘Recreatie’ teneinde hergebruik of herbouw van de bebouwing toe te staan van dag- en verblijfsrecreatieve activiteiten. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. hergebruik voor dagrecreatie kan binnen de gehele bestemming worden toegestaan in of bij vrijkomende agrarische bebouwing, waarbij de navolgende doeleinden kunnen worden toegestaan: kinderboerderij, theeschenkerij en qua aard en omvang overeenkomstige bedrijven; b. hergebruik voor verblijfsrecreatie kan uitsluitend worden toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ met een maximum van 500 m2 per bestemmingsvlak. Verblijfsrecreatie in de vorm van kamperen in de vorm van een minicamping is ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ toegestaan met maximaal 25 standplaatsen; c.
hergebruik ten behoeve van een manege is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - bebouwingsconcentratie’ dan wel ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’; d. het hergebruik of de herbouw dient te passen in de omgeving; e. ten behoeve van de recreatieve activiteiten is ondersteunende horeca toegestaan met een maximum van 100 m2 per bedrijf; f. in opzet en ontwikkelingsperspectief moet het gaan om een kleinschalige activiteit, met in beginsel slechts enkele werknemers; g. als belangrijke voorwaarde voor hergebruik geldt dat hergebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume tot een maximum van 1,5 ha. Uitbreiding van bebouwing
34
is niet toegestaan. Herbouw van bebouwing is wel mogelijk mits het bestaande bouwvolume niet toeneemt; h. in een bedrijfsplan dient te worden aangetoond welke bedrijfsgebouwen noodzakelijk zijn voor de hergebruikfunctie. Overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, die niet voor de nieuwe functie wordt gebruikt, dient te worden gesloopt, tenzij de gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben; i. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; j. het bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot een passende omvang; k. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; l. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; m. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; n. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; o. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; p. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden.
5.6.5 Oppervlakte teeltondersteunende kassen Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van gronden zodanig wijzigen, dat het oprichten van teeltondersteunende kassen (niet zijnde een glastuinbouwbedrijf) van meer dan 1.000 m2 kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de gronden zijn niet gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – groenblauwe mantel’ en/of ‘overige zone – NNB’; b. de teeltondersteunende kassen staan ten dienste aan een vollegrondstuinbouwbedrijf; c. de oppervlakte van teeltondersteunende kassen mag niet groter zijn dan 5.000 m2; d. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; e. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden. 5.6.6
Vergunningplichtige werken/werkzaamheden
vergunningplichtige werken/werkzaamheden
criteria voor vergunningverlening
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen 1. de verhardingen zijn noodzakelijk voor en half-verhardingen het beheren dan wel verbeteren van bos en natuur dan wel voor het mogelijk maken van (extensief) recreatief (mede)gebruik; 2. de verhardingen mogen geen onevenredige aantasting betekenen
35
van de aanwezige natuurwaarden en/of landschappelijke waarden - het verzetten van grond van meer dan 100 1. de waterhuishoudkundige situatie mag m3 of op een diepte van meer dan 60 cm niet onevenredig worden aangetast; onder maaiveld, een en ander voor zover 2. het betrokken waterschapsbestuur geen vergunning vereist is in het kader van wordt gehoord. de Ontgrondingenwet; - de aanleg van drainage of het verlagen van de drainagebasis; - het verlagen van de waterstand door de aanleg van de beregeningsinstallaties; - het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 40 m2, anders dan een bouwwerk
36
Agrarisch met waarden 6.1
Bestemmingsomschrijving
6.1.1
Algemeen
De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden; c. behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden; d. behoud en bescherming van aardkundige waarden; e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; f.
extensief recreatief medegebruik;
met de daarbij behorende: g. doeleinden van openbaar nut; h. groenvoorzieningen; i.
verhardingen;
j.
waterhuishoudkundige voorzieningen;
k. voortuinen aansluitend aan en behorend bij (bedrijfs)woningen binnen de aangrenzende bestemmingen; met dien verstande dat: l.
het gehele bestemmingsvlak mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, waarbij ter ondersteuning van dit medegebruik beperkte recreatieve voorzieningen zijn toegestaan zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.
6.1.2
Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit 26.3. 6.2
Bouwregels
6.2.1
Toegestane bebouwing
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming, met dien verstande dat: a. het oprichten van sleufsilo’s niet is toegestaan; b. het oprichten van teeltondersteunende voorzieningen is niet toegestaan; c. ten behoeve van het (extensief) recreatief medegebruik is uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van banken, picknicktafels e.d. is toegestaan; d. het oprichten van paardenbakken niet is toegestaan.
37
6.2.2
Maatvoering
Voor het oprichten van bouwwerken, geldt het volgende: a. uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m; b. in afwijking van het bepaalde onder a. mag de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1,5 m bedragen; c. ten behoeve van het (extensief) recreatief medegebruik mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 2 m bedragen. 6.3
Afwijken van de bouwregels
6.3.1
Hoogte erfafscheiding
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 teneinde voor erf- en perceelsafscheidingen een grotere bouwhoogte toe te staan tot maximaal 3 m. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de grotere bouwhoogte is noodzakelijk om dieren binnen de wei te houden; b. de erf- en perceelsafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van afrasteringen; c. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; d. de met omgevingsvergunning verleende afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels. 6.3.2
Teeltondersteunende voorzieningen
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 teneinde bouwwerken in de vorm van (lage en hoge) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (TOV) op te kunnen richten, zoals wandelkappen, schaduwhallen en hagelschermen, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m en tot een maximum van 1 hectare. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduidingen ‘overige zone - kwetsbare soorten’, ‘overige zone - groenblauwe mantel’, ‘overige zone - ecologische hoofdstructuur’ en ‘overige zone - NNB’; b. de voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; c. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels. 6.4
Specifieke gebruiksregels
6.4.1
Strijdig gebruik
In ieder geval geldt als strijdig met de bestemming gebruik en/of laten gebruiken van: a. gronden en/of opstallen voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest; b. gronden en/of opstallen voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit
38
plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf; c. gronden en/of opstallen voor detailhandel; d. gronden voor buitenopslag; e. woondoeleinden. 6.5
Afwijken van de gebruiksregels
6.5.1
Minicamping
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1 teneinde minicampings en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. afwijking is uitsluitend toegestaan op gronden gelegen binnen 50 m van de bestemmingsgrens ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ of ‘Wonen’ en in combinatie met afwijking op grond artikel 5.5.5. b. er zijn slechts kampeermiddelen toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto’s, campers en toercaravans), alsmede maximaal 5 trekkershutten per agrarisch bedrijf of uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ maximaal 5 huuraccommodaties (chalets, blokhutten, stacaravans); c. de bebouwde oppervlakte van de trekkershutten mag maximaal 20 m2 bedragen, de goothoogte maximaal 2,20 m en de bouwhoogte maximaal 3,5 m; d. de bebouwde oppervlakte van de huuraccommodatie mag maximaal 50 m2 bedragen, de goothoogte maximaal 2,2 m en de bouwhoogte maximaal 3,5 m; e. ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan, binnen de overige gronden maximaal 15 kampeerplaatsen per minicamping; f.
gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen, zoals sanitaire voorzieningen, mogen een maximale gezamenlijke oppervlakte hebben van 50 m2 bij 25 kampeerplaatsen en 30 m2 bij 15 kampeerplaatsen, en een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 5,5 m;
g. de sanitaire voorzieningen worden, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing, of anders aansluitend aan de bestaande bebouwing; h. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; i.
de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
j.
er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
k. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; l.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
39
m. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels. 6.5.2
Opslag van ruwvoer
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1, 6.2.1 en 6.4 ten behoeve van de realisatie van voerplaten, sleufsilo’s, kuilplaten en/of andere verhardingen ten behoeve van de opslag van ruwvoer die ten dienste staan van een veehouderij. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de voorzieningen dienen aansluitend aan het bestemmingsvlak ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ te worden gerealiseerd; b. de oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ mag samen met de voorzieningen voor ruwvoeropslag niet meer bedragen dan 2 ha; c. gebouwen en/of overkappingen ten behoeve van deze voorzieningen zijn niet toegestaan; d. een noodzakelijke verharding om de voorzieningen efficiënt te kunnen gebruiken is eveneens toegestaan; e. aangetoond wordt dat realisatie van de voorzieningen noodzakelijk is in het kader van de agrarische bedrijfsvoering. De noodzaak voor de behoefte aan ruimte voor opslag van ruwvoer is daarbij afhankelijk van de bedrijfsvoering en de bedrijfsgrootte. Dienaangaande wordt advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen ingewonnen; f.
de afstand tot de as van de weg bedraagt minimaal 15 m.;
g. de realisatie van de voerplaten dienen vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar te zijn; h. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; i.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
j.
de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels.
6.5.3
Recreatief medegebruik
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1.1 onder l teneinde meer intensieve vormen van recreatief medegebruik, zoals spel- en sportactiviteiten, en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de gronden zijn niet gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – natuur netwerk Brabant’; b. het recreatief medegebruik dient in relatie te staan met het bestaande recreatiebedrijf of recreatieve nevenactiviteit. Er dient geen sprake te zijn van een zelfstandige activiteit. Verblijfsrecreatie is niet toegestaan; c. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; d. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; e. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast;
40
f.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels. 6.6
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.6.1
Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in het schema onder 6.6.4 opgenomen vergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren. 6.6.2
Uitzonderingen
Het onder 6.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren op grond van voorgaand bestemmingsplan; c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer. 6.6.3
Voorwaarden omgevingsvergunning
De in 6.6.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de doeleinden als opgenomen in 6.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 6.6.4 de toetsingscriteria weergegeven. 6.6.4
Vergunningsplichtige werken/werkzaamheden
criteria voor vergunningverlening het aanbrengen van (infrastructurele)
1. het aanbrengen van de leidingen
ondergrondse leidingen
mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de agrarische belangen; 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden; 3. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan aardkundige waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone aardkundig waardevol gebied’; 4. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan ecologische waarden
41
in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - kwetsbare soorten’ dan wel ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - NNB’; 5. het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord; 6. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan ecologische waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - leefgebied struweelvogels’ het aanleggen van waterbassins /
1. de aanleg van het waterbassin /
waterbergingen
waterberging is noodzakelijk in het kader van agrarische bedrijfsvoering; 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden. Aantasting kan worden voorkomen door zorgvuldige inplanting; 3. er mag geen aantasting plaatsvinden van de verkeersveiligheid ter plaatse
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen
1. het aanbrengen van verhardingen
groter dan 200 m
dient noodzakelijk te zijn in het kader
2
van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het (extensief) recreatief medegebruik; 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden; 3. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan aardkundige waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone aardkundig waardevol gebied’; 4. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan ecologische waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - kwetsbare soorten’ dan wel ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - NNB’; 5. het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord; 6. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de
42
ecologische waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - leefgebied struweelvogels’ het vellen of rooien van houtgewas
er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden
het aanbrengen van lage en hoge (voor zover
1. de activiteiten zijn noodzakelijk
het geen bouwwerken betreft) tijdelijke
voor een doelmatige agrarische
teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend
bedrijfsvoering en/of de ontwikkeling
zolang de teelt het vereist met een maximum
van het agrarisch bedrijf;
van 6 maanden. Deze voorzieningen zijn niet
2. er mag geen blijvende schade
toegestaan ter plaatse van de aanduidingen
worden aangericht aan het
‘overige zone - kwetsbare soorten’, ‘overige zone foerageergebied van de - groenblauwe mantel’, ‘overige zone
struweelvogels ter plaatse van de
- ecologische hoofdstructuur’ dan wel ‘overige
aanduiding ‘overige zone - leefgebied
zone - NNB’
struweelvogels’; 3. rekening moet worden gehouden met de landschappelijke waarden als omschreven in 6.1; 4. het plaatsen van de voorzieningen mag geen afbreuk doen aan het functioneren van de (mogelijke) ecologische verbindingszone; 5. het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. de activiteiten zijn noodzakelijk
‘overige zone - kwetsbare soorten’ dan wel ter
voor een doelmatige agrarische
plaatse van de aanduiding ‘overige zone - NNB’
bedrijfsvoering of natuurontwikkeling;
- het dempen van poelen, sloten en greppels;
2. er mag geen blijvende schade
- het diepwoelen en diepploegen van de grond;
plaatsvinden aan ecologische
het afgraven, ophogen of egaliseren van de
waarden;
grond
3. het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. de waterhuishoudkundige situatie
‘overige zone - NNB’:
mag niet onevenredig worden
- het verzetten van grond van meer dan 100
aangetast;
m3 of op een diepte van meer dan 60 cm onder
2. het betrokken waterschapsbestuur
maaiveld, een en ander voor zover geen
wordt gehoord.
vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet; - de aanleg van drainage of het verlagen van de drainagebasis; - het verlagen van de waterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties;
43
- het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 40 m2, anders dan een bouwwerk uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. de activiteiten zijn noodzakelijk
‘overige zone - leefgebied struweelvogels’:
voor een doelmatige agrarische
- het afgraven, ophogen of egaliseren van de
bedrijfsvoering of natuurontwikkeling;
grond
2. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan ecologische waarden
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. de werkzaamheden mogen niet
‘overige zone - aardkundig waardevol gebied’:
leiden tot een onomkeerbare
- het diepploegen en diepwoelen van de bodem; aantasting van de aardkundige - het afgraven, ophogen en egaliseren van de
waarden;
bodem;
2. de werkzaamheden mogen niet
- het aanbrengen van oppervlakteverhardingen
leiden tot een onevenredige
en half verhardingen;
aantasting van het reliëf
- het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. er mag geen aantasting
'overige zone - cultuurhistorisch waardevolle
plaatsvinden van het reliëfrijke
akkers en kampontginningen':
karakter van de bolle akkers;
- het beplanten van gronden met houtgewas in
2. de openheid van de open akkers
het kader van de agrarische wisselteelt (teelt
mag niet onevenredig worden
van maximaal 5 jaar);
aangetast
- het diepploegen en diepwoelen van de bodem; het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem
44
Bedrijf - 2 7.1
Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Algemeen De voor 'Bedrijf-2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. niet-agrarische bedrijven; b. uitsluitend de bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de tabel onder 7.1.2; c. buitenopslag ten dienste van loonwerkbedrijf annex grondverzetbedrijf op de locatie Kleine Heitrak 36a, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’; d. aan huis verbonden beroepen als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning, een en ander met bijbehorende voorzieningen; e. hobbymatig agrarisch gebruik als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning; met de daarbij behorende: e. groenvoorzieningen; f. tuinen, erven en verhardingen; g. parkeren; h. waterhuishoudkundige voorzieningen. 7.1.2
Tabel bedrijven
aanduiding
adres
‘specifieke vorm van bedrijf – garage’
Ommelse bos 15 autoreparatiebedrijf en garage
‘specifieke vorm Kleine Heitrak van bedrijf – 36/36a loonwerk en grondverzetbedrijf’
bedrijfsactiviteiten aantal bedrijfswoningen
loonwerkbedrijf annex grondverzetbedrijf
max. oppervlakte bedrijfsgebou wen in m²
1
750
1
450
7.1.3 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit 26.3. 7.2
Bouwregels
7.2.1 Toegestane bebouwing Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken ten behoeve van de in 7.1 toegestane bedrijvigheid. 7.2.2 Bouwvlak Indien en voor zover binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, mogen gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen het betreffende bouwvlak.
45
7.2.3 Maatvoering De bouwwerken dienen te voldoen aan de volgende maatvoeringseisen: bouwwerken algemeen afstand tot de as van de als 'specifieke vorm van verkeer - stroomweg' aangeduide weg
afstand tot de as van de als 'specifieke vorm van verkeer - gebiedsontsluitingsweg' aangeduide weg afstand tot de as van de als 'specifieke vorm van verkeer - lokale weg' aangeduide weg
minimaal 100 m tot rijksweg A67; 50 m tot overige stroomwegen 30 m
maximaal n.v.t.
15 m
n.v.t.
n.v.t.
bedrijfsgebouwen
min.
max.
afstand tot de perceelsgrens
3m
n.v.t.
goothoogte
n.v.t.
5,5 m
bouwhoogte
n.v.t.
10 m
afstand achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van bedrijfswoning
5m
n.v.t.
afstand tussen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning
5m
n.v.t.
bedrijfswoning goothoogte nokhoogte inhoud
afstand tot de perceelsgrens
min. max. n.v.t. 5,5 m n.v.t. 10 m maximaal 750 m3 (inclusief aangebouwde bijgebouwen), tenzij: - de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt; - het een bestaande (woon)boerderij betreft, waarbij de inhoud van het hele bestaande boerderijlichaam / bouwmassa daarvan als maximum geldt. 3m n.v.t.
vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoning afstand tot de perceelsgrens Gezamenlijke oppervlakte per woning Goothoogte Nokhoogte Afstand achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van de bedrijfswoning Afstand bijgebouwen tot bedrijfswoning
minimaal 3m n.v.t. n.v.t. n.v.t. 5m
maximaal n.v.t. 80 m² 3m 5,5 m n.v.t.
1,5 m
25 m
bouwwerken, geen gebouwen zijnde hoogte erfafscheidingen
max. 1 m voor de voorgevelrooilijn, elders 2 m 3m
hoogte van carports c.q. overkappingen
46
opppervlakte van carports c.q. overkappingen hoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde
20 m² 6m
waarbij de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven in de Tabel bedrijven onder 7.1.2; en waarbij geldt dat herbouw van bestaande bedrijfswoningen uitsluitend is toegestaan indien en voor zover: a. herbouw niet plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'; b. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten; c. de voorgevel van de te herbouwen bedrijfswoning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn; d. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in bovenstaande tabel in acht wordt genomen. 7.3
Afwijken van de bouwregels
7.3.1 Oppervlakte bebouwing niet-agrarische bedrijven Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van de in 7.2.3 opgenomen maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de in 7.2.3 opgenomen bebouwde oppervlakte mag met maximaal 15% worden vergroot op de locatie Ommelse Bos 15; b. de in 7.2.3 opgenomen bebouwde oppervlakte mag met maximaal 25% worden vergroot op de locatie Kleine Heitrak 36a; c. de belangen van de omliggende (niet) agrarische bedrijven en andere functies worden niet onevenredig aangetast; d. er vindt geen toename van de milieubelasting plaats; e. er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats; f. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels; h. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; i. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast.
7.3.2 Minimale afstand tot de weg/perceelsgrens Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg en/of de voorgeschreven minimum afstand tot een perceelsgrens te verkleinen. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering (voor zover het een recreatiebedrijf betreft) en/of een doelmatige perceelsinrichting en/of de uitbreiding van of aansluiting op aanwezige bebouwing met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering, moet aanwezig zijn; b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven;
47
d. e. f. g.
de wegbeheerder dient te worden gehoord; de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast; aangetoond dient te worden dat de externe veiligheid kan worden gewaarborgd; de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels; h. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder. 7.3.3 Goot-/bouwhoogte bedrijfsgebouwen Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3 teneinde voor de bedrijfsgebouwen een hogere goot- en bouwhoogte toe te kunnen staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. aangetoond kan worden dat een grotere hoogte noodzakelijk is ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering; b. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan: 1. respectievelijk 6,5 m en 12 m. bij een kap; 2. 10 m. bij een plat dak; c. de grotere hoogte van bedrijfsgebouwen architectonisch en stedenbouwkundig inpasbaar is in de omgeving; d. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast. 7.3.4 Herbouw bedrijfswoning Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3 teneinde herbouw van de bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a.
de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar; b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning; c. door de herbouw wordt het landelijk karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; d. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit milieu- en dierenwelzijnswetgeving; e. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in 7.2.3 wordt in acht genomen. 7.4
Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Strijdig gebruik Als met de bestemming strijdig gebruik geldt in ieder geval gebruik en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen: a. buitenopslag, behalve ter plaatse van de functieaanduiding ‘opslag’; b. c. d. e. f. g. h.
voor bedrijfsdoeleinden ter plaatse van de aanduiding 'groen'; mestbewerking; voor detailhandel; voor (ondersteunende) horeca; voor woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen; (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; voor een seksinrichting.
48
7.4.2 Aan huis verbonden beroep De uitoefening van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in 7.1 is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 80 m2; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep; e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving; f. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner. 7.5
Wijzigingsbevoegdheid
7.5.1 Andere vorm van niet-agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een ander dan in 7.1 voor het perceel voorgeschreven niet-agrarische bedrijvigheid toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. aangetoond dient te worden dat er sprake is van een ruimtelijke en milieukundige verbetering. Een ruimtelijke en milieukundige verbetering betekent dat er een afname van bebouwing (niet zijnde een gemeentelijk monument of een rijksmonument dan wel woonboerderijpand) plaatsvindt alsmede een visueel ruimtelijke verbetering van de situatie en een vermindering van de milieubelasting; b. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; c. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; d. een tweede bedrijfswoning, voor zover niet reeds aanwezig, is niet toegestaan; e. voldaan moet worden aan de maatvoeringseisen uit 7.2.3; f. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; g. de wijziging mag niet leiden tot meerdere bedrijven of een bedrijf in milieucategorie 3 of hoger; h. detailhandel is niet toegestaan behoudens voor zover zulks in ondergeschikte vorm noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; i.
er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; j. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; k. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling. 7.5.2 Woondoeleinden Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming 'Wonen-1' waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen:
49
a. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandige deel) mag niet worden vergroot; b. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast; c. woningsplitsing is niet toegestaan; d. de bestaande situering van de bebouwing mag niet worden gewijzigd; e. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; f. de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 125 m2 per woning; g. in afwijking van het bepaalde onder f. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, een gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen bij een woning worden toegestaan van meer dan 125 m2. Maximaal 25% van het gesloopte oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouwen worden teruggebouwd, tot een totaal aan vrijstaande bijgebouwen van maximaal 200 m2; h. de extra oppervlakte aan bijgebouwen hiervoor genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt; i. sloop van cultuurhistorisch waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan; j. in afwijking van het bepaalde onder a.
kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, de inhoud van de woning tot maximaal 900 m3 worden vergroot. Per 50 m3 vergroting van de woning dient telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing te worden gesloopt; k. het surplus (alle aanwezige bebouwing boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m2) moet in één keer worden gesloopt en deze sloop moet als voorwaarde aan de wijziging en omgevingsvergunning voor het bouwen worden verbonden; l. er kan geen toepassing worden gegeven aan de sloopregeling als opgenomen onder g. tot en met k. indien: 1. op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden, 2. sloop kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling, 3. sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, 4. de sloop al op andere wijze is verzekerd; m. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen; n. de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven; o. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; p. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; q.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; r. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels; s. het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een burgerwoning in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden'.
50
7.5.3 Woningsplitsing Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij in twee woningen - door woningsplitsing - kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ voor zover naar het oordeel van burgemeester en wethouders de cultuurhistorische waarden nog steeds aanwezig zijn, of bij (voormalige) (woon)boerderijen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone bebouwingsconcentratie’; b. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot; c. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast; d. bij woningsplitsing mag in maximaal 2 woningen worden gesplitst. De woningen dienen een inhoud te hebben van minimaal 350 m³ per woning; e. de splitsing dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; f. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; g.
de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 125 m² per woning. Indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, kan een bebouwde oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen worden toegestaan van 125 m² vermeerderd met maximaal 25% van het meerdere van de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen, tot een totaal maximum van 200 m² per woning. Hierbij dient in ieder geval het meerdere dan wat ingevolge deze regeling is toegestaan, te worden gesloopt; h. de in 7.2.3 onder g. tot en met m. opgenomen sloopregeling is overeenkomstig van toepassing, zij het dat de maximale oppervlakte bijgebouwen dat wordt teruggebouwd, niet meer dan 200 m² per woning mag bedragen; i. de extra oppervlakte aan bijgebouwen zoals hiervoor genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt; j. sloop van cultuurhistorische waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan; k. er dien sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven; l. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; m. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; n.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; o. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels; p. het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Wonen’ en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een burgerwoning in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming ‘Agrarisch’ en/of ‘Agrarisch met waarden’.
51
Bedrijf - Agrarisch verwant 8.1
Bestemmingsomschrijving
8.1.1 Algemeen De voor 'Bedrijf - Agrarisch verwant' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch verwante bedrijven alsmede agrarisch technische hulpbedrijven, met dien verstande dat op de door een figuur 'relatie' gekoppelde bestemmingsvlakken ten hoogste één agrarisch verwant bedrijf is toegestaan met de daarbij behorende bouwregels voor één bestemmingsvlak; b. uitsluitend de bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de tabel onder 8.1.2; c. aan huis verbonden beroepen als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning, een en ander met bijbehorende voorzieningen; d. hobbymatig agrarisch gebruik als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning; met de daarbij behorende: e. f. g. h.
groenvoorzieningen; tuinen, erven en verhardingen; parkeervoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.1.2 Tabel bedrijven - agrarisch verwant ter plaatse van adres bedrijfsactivitei aantal max. de aanduiding ten bedrijfswoning oppervlakte en bedrijfsgebouw en in m² ‘specifieke vorm Kleine Heitrak 17 hoveniersbedrijf 1 350 van bedrijf – hoveniersbedrijf’ 8.1.3 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 26.3. 8.2
Bouwregels
8.2.1 Toegestane bebouwing Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken ten behoeve van de in 8.1 toegestane bedrijvigheid. 8.2.2 Bouwvlak Indien en voor zover binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, mogen gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen het betreffende bouwvlak. 8.2.3 Maatvoering De bouwwerken dienen te voldoen aan de volgende maatvoeringseisen:
52
bouwwerken afstand tot de as van de weg
min. 15 m
max. n.v.t.
bedrijfsgebouwen algemeen afstand tot de perceelsgrens goothoogte bouwhoogte afstand achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van bedrijfswoning afstand tussen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning
min.
max.
3m
n.v.t.
n.v.t. n.v.t. 5m
5,5 m 10 m n.v.t.
5m
n.v.t.
min. 3m
max. n.v.t.
bedrijfswoning afstand tot de perceelsgrens goothoogte bouwhoogte inhoud
vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoning afstand tot de perceelsgrens gezamenlijke oppervlakte per woning goothoogte bouwhoogte afstand achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van bedrijfswoning afstand bijgebouwen tot bedrijfswoning
n.v.t. 5,5 m n.v.t. 10 m maximaal 750 m3 (inclusief aangebouwde bijgebouwen), tenzij: de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt; het een bestaande (woon)boerderij betreft, waarbij de inhoud van het hele bestaande boerderijlichaam / bouwmassa daarvan als maximum geldt. min.
max.
3m
n.v.t.
n.v.t.
80 m2
n.v.t. n.v.t. 5m
3m 5,5 m n.v.t.
1,5 m
25 m
bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwhoogte erfafscheidingen
max. 1 m voor de voorgevel, elders 2 m
53
bouwhoogte van bij de bedrijfswoning behorende carports c.q. overkappingen oppervlakte van een bij de bedrijfswoning behorende carport c.q. overkapping bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3m 20 m2 6m
waarbij de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven in de Tabel bedrijven - agrarisch verwant onder 8.1.2; en waarbij ter plaatse van de aanduiding 'sierteelt' in afwijking van het bepaalde ten aanzien van de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 m. en waarbij geldt dat herbouw van bestaande bedrijfswoningen uitsluitend is toegestaan indien en voor zover: a. herbouw niet plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'; b. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten; c. de voorgevel van de te herbouwen bedrijfswoning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn; d. de bouwwijze (dat wil zeggen vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen bedrijfswoning(en) niet afwijkt van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en); e. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in bovenstaande tabel in acht wordt genomen. 8.3
Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Oppervlakte bebouwing agrarisch verwante bedrijven Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van de in 8.2.3 opgenomen maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de in 8.2.3 opgenomen bebouwde oppervlakte mag met maximaal 25% worden vergroot; b. de belangen van de omliggende (niet) agrarische bedrijven en andere functies worden niet onevenredig aangetast; c. er vindt geen toename van de milieubelasting plaats; d. er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats; e. de noodzaak voor de uitbreiding wordt aangetoond door middel van een bedrijfsplan; f. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels; h. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; i. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast.
54
8.3.2 Minimale afstand tot de weg/perceelsgrens/bedrijfswoning Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.3 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg en/of de voorgeschreven minimum afstand tot een perceelsgrens en/of de minimum afstand van bedrijfsgebouwen achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van de bedrijfswoning te verkleinen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering (voor zover het een recreatiebedrijf betreft) en/of een doelmatige perceelsinrichting en/of de uitbreiding van of aansluiting op aanwezige bebouwing met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering, moet aanwezig zijn; b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven; d. de wegbeheerder dient te worden gehoord; e. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast; f. aangetoond dient te worden dat de externe veiligheid kan worden gewaarborgd; g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 23 omschreven aanduidingsregels; h. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder.
8.3.3 Herbouw bedrijfswoning Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.3 teneinde herbouw van de bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar; b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning; c. door de herbouw wordt het landelijk karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; d. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit milieu- en dierenwelzijnswetgeving; e. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in 8.2.3 wordt in acht genomen. 8.4