RU23.06.07B Bijlage h - Nota van zienswijzen.pdf
Tekst van het document
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan “Asten Verzamelplan 2022-2” (OW02) Zienswijzen
1. Provincie Noord-Brabant Zienswijze
Standpunt gemeente
Vaalbaan 1
Vaalbaan 1
► Op de locatie aan de Vaalbaan 1 te Heusden wordt de vigerende bestemming ‘Agrarisch-Agrarisch bedrijf’ met functie-aanduiding ‘pluimveehouderij overig’ gewijzigd naar ‘Agrarisch-Agrarisch bedrijf’ met functie-aanduidingen ‘pluimveehouderij overig’ en ‘ruwvoeropslag’. De vorm van het bouwperceel verandert en de omvang van ongeveer 1,6 ha wordt uitgebreid naar ongeveer 2 ha. De oppervlakte van de gronden met de functieaanduiding ‘ruwvoeropslag’ bedraagt in de beoogde situatie om en nabij 3800 m2.
► Initiatiefnemer heeft op het agrarisch bouwblok met een pluimvee- en melkveetak, samen één volwaardig agrarisch bedrijf. Voor initiatiefnemer en zijn gezin staat vast dat zij graag door willen boeren waarbij zowel de pluimveeals melkveetak wordt voortgezet. Er zijn twee serieuze jonge bedrijfsopvolgers binnen het gezin in beeld.
Met de wijziging van voornoemde planologisch-juridische kaders behelst de ontwikkeling voorts het volgende: - Het aantal legkippen breidt uit van 53.300 stuks naar 65.300 stuks. - Het stuks rundvee breidt uit van 131 (60 melk- en kalfkoeien, 71 vrouwelijk jongvee) naar 220 (130 melkkoeien, 90 stuks jongvee) - De bestaande bebouwing dierenverblijf neemt toe van 6.065m2 naar 10.160 m2. Hiervan neemt hokdierenverblijf toe van 4475 m2 naar 7005m2. Er wordt een loods van 500m2 beoogd. De ontwikkeling vindt plaats in Landelijk gebied - Gemengd landelijk gebied. De planlocatie is gelegen op 500 meter van Natura 2000-gebied (tevens onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant)
Initiatiefnemer staat voor deze provinciale verplichting terwijl er op landelijk, provinciaal en gebiedsniveau volop wordt onderhandeld over de toekomstige inrichting van het landelijk gebied. Het gaat om trage, moeizaam verlopende processen met nog heel veel onduidelijkheden. Dit maakt de toekomst voor de initiatiefnemer en dit familiebedrijf ongewis. Initiatiefnemer kan deze onderhandelingen en processen niet afwachten om daarna een weloverwogen keuze maken voor de toekomst van zijn gezin en het familiebedrijf. Hij moet zich nu voorbereiden op de door uw provincie verplichte stalaanpassing. Zijn eerste stap is daarom het aanvragen van een vormverandering van zijn bestaande agrarisch bestemmingsvlak van 1,62 ha
Pagina 1 van 14
De huisvesting van zowel de pluimveeals melkveetak is verouderd en moet worden aangepast. Uw provincie heeft gesteld dat het huisvestingssysteem vervroegd vanaf 1 juli 2024 moet zijn aangepast.
Zaaknummer: BP21-0249
en daar bovenop ruimte voor de ruwvoeropslag van 0,38 ha. Dat is wat thans voor ligt. Artikel 3.53 lid 3 van de IOV biedt ook de mogelijkheid voor een differentiatievlak tot max 0,5 ha voor ruwvoeropslag en er wordt voldaan aan de eisen die in dit artikel worden gesteld.
► Met het oog op de provinciale belangen heeft uw Provincie de volgende opmerkingen, met name gericht op de evenwichtige toedeling van functies, de omvang van het bouwperceel en stalderen. Evenwichtige toedeling van functies Een evenwichtige toedeling van functies heeft als doel het vinden van een juiste balans tussen ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden en het beschermen van de aanwezige waarden in het gebied. Dit mede ter voorkoming van nadelige consequenties voor de fysieke leefomgeving. Een evenwichtige toedeling van functies is ook van provinciaal belang en daarom zijn deze in de IOV vastgelegd. In de artikelen 3.5 tot en met 3.8 van de IOV zijn basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies opgenomen. In verband met voorliggende ontwikkeling is, gelet op de evenwichtige toedeling van functies, het houden van vee en de toename van het aantal stuks vee nabij natuur (met de status Natura 2000) een voornaam aandachtspunt. De emissie van ammoniak, maar ook geur en fijnstof heeft veelal consequenties voor de (gezonde) leefomgeving. Daarnaast is stikstofreductie nabij Natura 2000gebieden nadrukkelijk een (provinciale) doelstelling, zeker gelet
Pagina 2 van 14
De locatie is niet, zoals door u gesteld op 500 meter, maar op 583 meter gelegen van Natura 2000-gebied de Groote Peel (rand bouwvlak, rand Natura 2000gebied). Initiatiefnemer is zich hier zeer van bewust. ► De artikelen 3.5 tot en met 3.8 van de IOV sluiten de vormverandering van het bestemmingsvlak en de toekenning van de differentiatievlakken voor de ruwvoeropslag, noodzakelijk om aan uw eisen met betrekking tot stalaanpassing te voldoen, niet uit. De initiatiefnemer is gedwongen een dergelijke voorbereiding te treffen door de eis ten aanzien van de stalaanpassing. De vormverandering met de differentiatievlakken is gebaseerd op een weloverwogen planvoornemen van initiatiefnemer hoe hij met zijn gezin de toekomst ziet. Er wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden in artikel 3.5 tot en met 3.8 van de IOV. De IOV bevat voorts in paragraaf 3.6.1 een regeling specifiek voor veehouderijen. Indien aan de bijzondere regels uit deze paragraaf wordt voldaan, wordt tevens aan de meer algemene basisprincipes voldaan. De gevolgen van emissie van ammoniak, geur en fijnstof zijn bij de voorbereiding van het plan nadrukkelijke aan de orde geweest. Uit de beoordeling van deze emissies volgt dat de bedrijfsverandering geen nadelige gevolgen heeft voor de leefomgeving.
In het plan is dit onder meer geborgd, door een verbod op de toename van emissie expliciet op te nemen in de planregels en door regels over geurhinder te stellen. Daarmee is de uitvoerbaarheid van het plan dan ook ondervangen.
Zaaknummer: BP21-0249
op de instandhoudingsdoelstellingen en de recente natuurdoelanalyses. Los van de concrete instructieregels in de IOV heeft u het plan daarom kritisch, maar ook in bredere context in ogenschouw genomen. Hierbij heeft u het volgende overwogen. De gebiedsgerichte aanpak Vitale Peel is gekoppeld aan het Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG). In het BPLG staat omschreven dat er een intensievere aanpak nodig is ten aanzien van de reductie van stikstof als een onderdeel om de natuurbeleidsdoelen te halen. U stelt dat de kern van de strategie wordt dat op korte termijn volop wordt ingezet op emissiereductie én natuurherstel in en om Natura 2000 (N2000)-gebieden. Natuurherstel is noodzakelijk om enerzijds te voldoen aan de internationale wettelijke verplichtingen op het gebied van natuur en water. In GGA Vitale Peel wordt door diverse partijen samengewerkt om deze doelstellingen op regionaal niveau te realiseren. De ontwikkeling op de Vaalbaan 1 te Heusden betekent een uitbreiding in pluimvee en melkvee, beiden qua aantal op zichzelf volwaardige veehouderijbedrijven en beiden niet grondgebonden. Wat betreft de emissie van stikstof wordt in het plan toegelicht dat de stikstofuitstoot vanuit het bedrijf niet hoger uitvalt door het vernieuwen van de stallen dan in de vergunde situatie. Wij overwegen ten aanzien hiervan het volgende.
De uitkomst dat de toename van het aantal te houden dieren niet leidt tot een toename van emissie van stikstof is mogelijk door het toepassen van emissiereducerende technieken. Door recente onderzoeken op basis van gerechtelijke uitspraak over stalsystemen bestaat er grote onzekerheid of de
Pagina 3 van 14
Het BPLG, waarover u spreekt en waarvan de 1e versie in concept in voorbereiding is, zal ruimte bieden voor maatwerk in de gebiedsgerichte aanpakken. De locatie van initiatiefnemer ligt inderdaad binnen een Gebiedsgerichte aanpak waarvoor maatwerk in voorbereiding is. Vanuit het Rijk is met name het principe ‘Water en bodem sturend’ leidend voor de ruimtelijke inrichting van het landelijk gebied. Dit worden ook uitgangspunten in het BPLG en de GGA’s. Zo ook in de GGA Vitale Peel, waarbinnen Vaalbaan 1 ligt. Voor GGA Vitale Peel is op 17 mei 2023 een koersdocument voor de toekomst bestuurlijk vastgesteld. In dit koersdocument is opgenomen dat een gezond water- en bodemsysteem de basis legt voor het bereiken van de gebiedsdoelen. Het is bepalend voor de ruimtelijke inrichting en het grondgebruik. Melkveehouderij - zoals het bedrijf aan de Vaalbaan 1 - met blijvend grasland en gewassen die verbouwd kunnen worden met hogere grondwaterstanden passen bijvoorbeeld goed in het toekomstige grondgebruik. Eventueel in combinatie met andere agrarische bedrijvigheid. Verder is in het koersdocument opgenomen dat we zien dat grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven stoppen vanwege gebrek aan opvolgers of gebrek aan toekomstperspectief.
De gebiedsgerichte aanpak is er op gericht voldoende bedrijven te behouden die passen bij het gewenste grondgebruik, die kunnen bijdragen aan het behalen van de wateren bodemdoelstellingen en die samengaan met de doelstellingen voor natuur. Voor wat betreft de melkveehouderij leeft vooral de zorg dat in het werkgebied van Vitale Peel te veel bedrijven stoppen of dat bedrijven met hun gebouwen beter naar een andere plek kunnen verplaatsen.
Zaaknummer: BP21-0249
huisvestingssystemen wel de reducties opleveren waar op dit moment mee gerekend wordt en op basis waarvan tot dusver vergunningen zijn verleend. In werkelijkheid liggen de emissies van een aantal systemen waarschijnlijk aanzienlijk hoger en zal zeker niet worden voldaan aan de doelen ten aanzien van stikstofreductie. Naar onze mening is niet uit te sluiten dat het bedrijf alsnog ongewenste effecten heeft op het N2000 gebied en een zogenaamde piekbelaster is of wordt. Met het oog hierop achten wij de uitbreiding van de pluimveetak ongewenst. Bovendien trekken wij de vergunbaarheid in het kader van stikstof in twijfel. Gelet hierop en met het oog op het voorzorgsbeginsel achten wij het doorzetten van de ontwikkeling in de huidige vorm onverantwoord. Met name de uitbreiding van pluimvee is ongewenst. Niet alleen met het oog op de beleidsdoelen, maar ook gelet op de diverse te maken investeringen. Ook als het gaat om inspanningen en investeringen vanuit betrokken ondernemer voor de bedrijfsontwikkeling. Vanwege de hydrologische belangen in het N2000 gebied is het volgens de Toelichting van het plan van belang dat de omliggende gebieden als grasland gebruikt blijven worden. De gemeente zet daarom wat betreft het agrarische gebied functioneel in op (het behoud en ontwikkeling van) grondgebonden (melk)rundveehouderijen.
Deze visie op het gebied is gedeeld in de samenwerking GGA de Vitale Peel en wordt bovendien onderschreven in de doelen van de BPLG. In het BPLG staat omschreven dat er overgangsgebieden rondom N2000gebieden aangewezen worden. Deze overgangsgebieden staan in dienst van natuurherstel van het N2000 gebied en zijn van cruciaal belang voor het behalen van de N2000doelstellingen. Om de doelen voor
Pagina 4 van 14
Er is een duidelijk perspectief nodig voor de landbouw met een ondernemersklimaat, waarin stappen gezet kunnen worden. Het koersdocument biedt de gezinnen op de agrarische bedrijven een richting om, binnen randvoorwaarden, een keuze te maken voor stoppen, omvormen of doorontwikkelen, die past bij hun individuele ambitie, levensfase en mogelijkheden. Ondernemers krijgen de ruimte om tot een optimale invulling te komen. Samen zoeken we hoe het grondgebruik past bij de te behalen natuurdoelen en de waterkwantiteit en kwaliteitsdoelen in het gebied. Bedrijven zullen hun bedrijfsvoering in meer of mindere mate moeten aanpassen om toekomstbestendig te worden. Ondernemerschap staat daarbij centraal. Begin 2023 zijn de randvoorwaarden en eisen hiervoor nog niet volledig bekend. De overheden zijn zich bewust van het feit dat er grote onzekerheden over enkele vigerende of toekomstige regels bestaan zoals de provinciale regels voor stalaanpassingen. De overheden kunnen nog niet aangeven wat precies van de ondernemers gevraagd gaat worden. Met het hoofdkoersdocument bieden de gebiedspartners in de GGA Vitale Peel wel de richting waarop de individuele gezinnen hun keuzes voor stoppen, omvormen of doorontwikkelen kunnen baseren.
Onder ondernemers bestaat de wens om de ruimte te krijgen om zelf invulling te geven aan doelstellingen en zelf tot oplossingen te komen, in plaats van regels of voorschriften opgelegd te krijgen. Mogelijk is het werken met gebiedsdoelstellingen een oplossing. Deze doelstellingen werken we tijdens de participatieperiode verder uit. Gedacht moet worden aan doelstellingen op het gebied van natuur, waterkwaliteit en waterkwantiteit, bijdragen aan de vermindering van stikstof- en methaanemissies en het vergroten van de biodiversiteit. Bron: Koersdocument Vitale Peel
Zaaknummer: BP21-0249
natuur en water in deze overgangsgebieden en bufferzones te realiseren is extensivering van bedrijvigheid en grondgebruik gewenst. De planlocatie is op ongeveer 500 meter afstand gelegen van het nu al zwaar overbelaste N2000 gebied de Groote Peel. Daarmee zou de locatie noodzakelijkerwijs moeten ontwikkelen naar een extensieve (melk)rundveehouderij. Het plan ziet op een uitbreiding van de dierenaantallen, zonder dat er meer grond voor de bedrijfsvoering wordt benut. Het bedrijf wordt dus aanzienlijk intensiever en kan reeds in de huidige vorm niet aangemerkt worden als grondgebonden. Bovendien gaat de ontwikkeling ook nog eens gepaard met de uitbreiding van de pluimveehouderijtak, dat zich sowieso niet verhoudt met de doelstellingen in dit overgangsgebied. Het gehele plan staat hiermee naar onze inzichten haaks op de natuurdoelen en de opgaven in het N2000-gebied de Groote Peel.
Pagina 5 van 14
In het deelgebied van de locatie van initiatiefnemer is bekend dat maar zo’n 4 melkveebedrijven toekomstperspectief zien en hun bedrijf willen voortzetten. De andere melkveehouders in dit deelgebied stoppen. Initiatiefnemer is één van deze vier bedrijven dat door wil gaan, maar heeft daarvoor wel bepaalde bedrijfsomvang naar de toekomst toe nodig. Ook de pluimveetak is daarin belangrijk voor initiatiefnemer. Door het grote aantal stoppers in dit deelgebied neemt de stikstofuitstoot al fors af en de verhoging van de grondwaterstand en het omliggende gebied zal verder bijdragen aan deze stikstofreductie. Het grote aantal stoppende bedrijven biedt ook kansen voor extensivering van de bedrijven die doorgaan, door meer grond van de stoppende bedrijven onder de bedrijven die doorgaan te krijgen. Dit is een belangrijke opgave/wens van de GGA Vitale Peel. Onderzocht wordt hoe de bedrijven die doorgaan daarin kunnen worden ondersteund/geholpen vanuit de GGA. Initiatiefnemer is zeker geen ondernemer die alleen aan groei denkt en is zeker omgevingsbewust, maar hij moet daarbij ook realistisch zijn en aan behoud van het toekomstperspectief van zijn bedrijf denken en alles wat daarbij nog op het bedrijf en gezin af komt. Hij kan zich daarbij niet permitteren om te investeren in een emissiearm stalsysteem en daarbij niet uit te gaan van behoud van zijn huidige rechten.
Initiatiefnemer heeft nu een grondgebonden melkveehouderij naast de pluimveetak en hij weet dat hij met het melkvee niet intensiever kan worden en dus naar de toekomst toe meer grond onder zijn bedrijf zal moeten krijgen. Hieraan werkt initiatiefnemer graag mee in het belang van de toekomst van zijn bedrijf. Zo werkt initiatiefnemer op dit moment ook mee aan een pilotonderzoek van de overheid voor een groot zonneveld in dit deelgebied van de GGA als verdienmodel voor een
Zaaknummer: BP21-0249
grondgebonden en meer extensieve melkveehouderij in dit gebied. Op dit moment is alles onzeker in het landelijk gebied en kan niets uitgesloten worden. Ondernemers zoals initiatiefnemer weten al geruime tijd niet waar ze aan toe zijn. Initiatiefnemer weet alleen zeker dat hij zijn stallen moet aanpassen en dat er voorbereidingen moeten worden getroffen om dit mogelijk te maken. De vormverandering van het bouwblok en de differentievlakken zijn daartoe de eerst vereiste stap. Uw Provincie stelt dat met name de uitbreiding van de pluimveetak ongewenst is omdat de locatie mogelijk in de toekomst piekbelaster is en trekt in twijfel of een vergunning in het kader van de stikstof wel mogelijk is. Er dient echter beslist te worden op onderhavig planvoornemen en dat vergroot op zichzelf de emissie niet. In de regels van het bestemmingsplan is de voorwaarde opgenomen dat de bedrijfsverandering niet mag leiden tot een toename van stikstofdepositie. Door het toepassen van extra emissiebeperkende maatregelen in de stal is een (beperkte) uitbreiding van het aantal kippen uitvoerbaar. Bij vergunningverlening zal dit moeten worden aangetoond. In 2004 is initiatiefnemer omgeschakeld van vleeskuikens naar leghennen. Er is bewust gekozen voor Vrije uitloop kippen, waarbij de dieren de mogelijkheid hebben om buiten te kunnen scharrelen.
Hiermee wordt ingespeeld op de maatschappelijke wens om dieren hun natuurlijke gedrag te tonen. Daarmee is ook de keuze gemaakt om niet te sturen op maximum aantal dieren, maar om te kiezen voor het aantal dieren op de omringende uitloop gehouden kan worden. De dierbezettingsnorm van de keurmerken zijn daarin leidend. Door de regelmatig
Pagina 6 van 14
Zaaknummer: BP21-0249
terugkerende ophokplicht van de kippen is de verwachting dat de overdekte uitloop van de kippen niet meer meegenomen mag worden als leefoppervlakte voor de dieren in de stal. Voor initiatiefnemer betekent het dat binnen een aantal jaren extra leefoppervlak moet worden gecreëerd. Om hetzelfde aantal kippen te kunnen houden, zal de stal verlengd moeten worden. In het voorliggende plan is hier rekening mee gehouden. Dit vertaalt zich echter niet in een hogere eierprijs. Daarom wil initiatiefnemer in de nieuw te bouwen stal 12.000 kippen meer gaan houden, om een gedeelte van die extra (welzijns-)kosten terug te verdienen. In de ruimtelijke onderbouwing is de noodzaak van de bedrijfsverandering nader gemotiveerd. ► In artikel 3.49, lid 1, sub b IOV is bepaald dat het bouwperceel voor een veehouderij ten hoogste 1,5 ha mag bedragen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan een uitzondering worden gemaakt op deze maximale omvang. In het plan wordt in verband met de omvang van het bouwperceel verwezen naar artikel 3.53 IOV waarin mogelijkheden tot een afwijkende omvang voor een veehouderij boven de 1,5 ha zijn benoemd.
Artikel 3.53, lid 3 IOV maakt uitbreiding van een bouwperceel met ten hoogste een 0,5 ha tot 2 ha mogelijk, indien: - De veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; - De ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is - Het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 ha uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen- geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer. Naar uw mening wordt echter niet voldaan aan de voorwaarden. Er wordt ten eerste niet gemotiveerd in hoeverre de bedrijfsvoering afhankelijk is van
Pagina 7 van 14
► Initiatiefnemer exploiteert een gemengd bedrijf met legkippen en melkrundvee. Het melkrundvee krijgt voornamelijk ruwvoer in de vorm van snijmaïs en kuilgras. De kippen krijgen hoofdzakelijk mengvoer dat is opgeslagen in (staande) silo’s. Bij een omvang van 130 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee is de voerbehoefte circa 1.600 m3 maïs en circa 2.500 m3 gras, wat neerkomt op een benodigde oppervlakte aan ruwvoeropslag van circa 2.400 m2. Om ook ruimte te houden voor ander voer, zoals pulp of bierbostel, wordt rekening gehouden met een benodigde oppervlakte van circa 3.000 m2. In de ruimtelijke onderbouwing is dit nader gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bedrijf in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer. Het bouwblok is in het vigerende plan reeds groter dan 1,5 ha. Een bouwperceel van 1,5 ha biedt onvoldoende ruimte om én de vereiste stalaanpassingen én de noodzakelijke opslag van ruwvoer binnen het bouwperceel te realiseren. Daarom is
Zaaknummer: BP21-0249
ruwvoer, laat staan dat dit in overwegende mate is. U bent hiervan dus niet overtuigd. Voorts heeft de ruwvoeropslag in de huidige bedrijfsvoering reeds een plek in het vigerende bouwperceel van 1,6 ha. Planologisch juridisch gezien worden met voorliggend plan -ogenschijnlijklukraak midden in het bouwperceel twee differentiatievlakken met de aanduiding ‘ruwvoeropslag’ toegekend. ‘Ogenschijnlijk lukraak’, aangezien deze locaties niet overeenkomen met waar de ruwvoeropslag plaatsvindt volgens de beoogde feitelijke inrichting, getuige een vergelijking van de Verbeelding en inrichtingsschets van de beoogde situatie, zoals opgenomen op pagina 14 van de bij de Toelichting van het plan gevoegde ruimtelijke onderbouwing ‘Vaalbaan 1, Heusden’. Het zuidelijk gelegen differentiatievlak moet gelet op de inrichting sowieso als reguliere bouwvlakruimte aangemerkt worden, aangezien deze als reguliere verharding en manoeuvreerruimte in het bouwperceel in gebruik wordt genomen. Bovendien houdt het plan feitelijk gezien in dat het oppervlakte van gebouwen toeneemt. De uitbreiding van 0,4 ha is dus feitelijk niet ten behoeve van de ruwvoeropslag maar voor de uitbreiding van stallen ten behoeve van het houden van vee. Het vorenstaande knelt te meer daar de uitbreiding van het bouwperceel ook voorziet in een uitbreiding van de pluimveehouderij.
Bovendien wordt er in verband hiermee op gewezen dat ingevolge artikel 5.1.1 in de Regels van het plan, ter hoogte van de aanduiding ‘pluimveehouderij’, alle soorten vee zijn toegestaan (d.w.z. melkrundveehouderij, intensieve veehouderij en pluimveehouderij). Dit betekent dat in dit kwetsbare gebied een nog verdere intensivering van het
Pagina 8 van 14
een uitbreiding van het bouwperceel noodzakelijk. Voor de situering van de differentiatievlakken voor ruwvoeropslag midden op het bouwvlak is door initiatiefnemer een bewuste keuze gemaakt. Ten eerste moeten de kippen beschikken over een Vrije uitloop. Ook is in verband met de brandveiligheid een ruime afstand tussen de stallen vereist. Door de differentiatievlakken tussen de stallen te plaatsen wordt de ruimte binnen het bouwperceel optimaal benut. Er is dan ook geen sprake van het lukraak plaatsen van de differentiatievlakken. Tevens is in de bouwregels opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – ruwvoeropslag’ uitsluitend het bouwen van bouwwerken - geen gebouwen zijnde - voor de opslag van ruwvoer zijn toegestaan. Hiermee is ondervangen dat deze differentiatievlakken niet worden gebruikt voor staluitbreiding. In maart heeft een gesprek op locatie plaatsgevonden waarbij twee ambtenaren van de provincie aanwezig waren. Daarbij is door initiatiefnemer uitvoerig uitgelegd waarom het nieuwe bouwvlak met differentiatievlakken op deze wijze wordt ingevuld. De conclusie van de ambtenaren van de provincie was dat het nieuwe bouwvlak met de differentiatievlakken niet onlogisch was. Hier wordt in de zienswijze volledig aan voorbij gegaan en er wordt niets over dit locatiebezoek gezegd.
De gemeente vraagt zich dan ook af of dit bezoek wel betrokken is in de zienswijze. In de ruimtelijke onderbouwing is de noodzaak en positionering van de differentiatievlakken nader gemotiveerd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn binnen de aanduiding ‘pluimveehouderij overig’ al alle soorten vee toegestaan (melkrundveehouderij, intensieve
Zaaknummer: BP21-0249
bedrijf met voorliggend plan wordt mogelijk gemaakt. ► Met het oog op de omvang is het een aandachtspunt dat voorzieningen die bij het bouwperceel horen, buiten het beoogde bouwperceel komen te liggen. ► Op grond van artikel 3.52 IOV dient met onderhavige ontwikkeling te worden voldaan aan de stalderingsvereisten, aangezien het plan een toename van het oppervlakte hokdierenverblijf mogelijk maakt. Hoewel aan het vereiste van stalderen uiteindelijk pas bij de vergunningverlening hoeft te worden voldaan en een definitief stalderingsbewijs pas bij de vergunningaanvraag dient te worden overlegd, dient met voorliggend plan wel aannemelijk te worden gemaakt dat aan het vereiste voldaan kan worden door het overleggen van een voorlopig stalderingsbewijs bij het ontwerpplan. Een voorlopig stalderingsbewijs ontbreekt. U trekt de vergunbaarheid alsmede de uitvoerbaarheid van het plan hiermee in twijfel. U verzoekt de ontwikkeling aan de Vaalbaan 1 te Heusden in deze vorm niet verder in procedure te brengen.
► Graag bespreekt u nader of en zo ja op welke wijze de ontwikkeling van het bedrijf gestalte kan krijgen in een juiste verhouding met de doelstellingen en opgaven in het gebied. Wellicht kan de GGA samenwerking hiervoor worden benut.
Pagina 9 van 14
veehouderij en pluimveehouderij). Onderhavig plan breidt deze mogelijkheden dan ook niet verder uit. ► Ook in andere voorkomende gevallen wordt een voortuin buiten het bestemmingsvlak gehouden. ► Het vereiste van stalderen is overgenomen in de regels van het plan. Daarmee is dit vereiste geborgd. De IOV schrijft niet voor dat bij vaststelling van het plan een voorlopig stalderingsbewijs aanwezig is. Feit is dat er in de omgeving veel bedrijven stoppen en dat er voldoende stalderingsruimte beschikbaar is. Er is daarom geen twijfel dat bij een vergunningaanvraag een stalderingsbewijs kan worden overgelegd. Een vergunningaanvraag kan pas in gang worden gezet na vaststelling van de vormverandering van het huidige bouwperceel en de uitbreiding met de differentiatievlakken. Als de procedure voor de vormverandering en de differentievlakken voor ruwvoeropslag nu niet wordt doorgezet, kan initiatiefnemer niet tijdig voldoen aan de verplichte stalaanpassingen. Ook moet rekening worden gehouden met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor na 1 januari 2024 geen plannen in ontwerp ter inzage gelegd kunnen worden. Het niet verder in procedure brengen van deze ontwikkeling is daarom geen optie. ► Initiatiefnemer wordt door de provincie gedwongen om op korte termijn aanpassingen te doen aan de stallen qua ammoniakemissie.
Ook eisen met betrekking tot dierwelzijn en duurzaamheid vragen om een bedrijfsaanpassing. Initiatiefnemer heeft daarvoor een bedrijfsplan gemaakt om dit te realiseren. De vormverandering van het bouwperceel is hiertoe een eerste noodzakelijke stap. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan
Zaaknummer: BP21-0249
is het plan getoetst aan de nu geldende regels, waaronder de huidige IOV. In maart is het plan op locatie uitgebreid besproken. Uit de zienswijze blijkt niet dat deze bespreking op enige wijze is betrokken in de zienswijze. Wij vragen ons daarom af wat de meerwaarde van een volgend overleg zou zijn. Bovendien kost dit tijd die initiatiefnemer niet heeft omdat hij voor de uitvoering van het plan de nodige vergunningen moet aanvragen. Daarbij wordt gekeken naar de stand van de wetgeving en beleid op dat moment. Indien de opgaven van het gebied op dat moment voldoende duidelijk zijn zal initiatiefnemer hier rekening mee (moeten) houden. In het kader van de rechtszekerheid dient er dan ook getoetst te worden aan de IOV zoals die nu voorligt, en niet aan mogelijke toekomstige regels, zoals aangegeven in de zienswijze. Gevolgen voor het bestemmingsplan Toelichting: ► In de ruimtelijke onderbouwing is de noodzaak en positionering van de differentiatievlakken nader gemotiveerd. ► In de ruimtelijke onderbouwing is de noodzaak van de bedrijfsverandering nader gemotiveerd.
Pagina 10 van 14
Zaaknummer: BP21-0249
2. Zienswijze inzake reparatie Kloosterstraat 35 Ommel Zienswijze Standpunt gemeente ► In artikel 7.2.3 van het ontwerp is opgenomen dat de afstand voor bebouwing tot de as van de als 'specifieke vorm van verkeer - gebiedsontsluitingsweg' aangeduide weg ten minste 30 meter dient te bedragen. Hierdoor is de woning niet langer toegestaan. ► Opslag is enkel toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding ‘opslag'. Dit was eerst toegestaan op het hele perceel. Hiermee wordt de bedrijfsvoering beperkt.
► Deze reparatie wordt uit het Verzamelplan 2022-2 gehaald voor de vaststelling, gezien de eigenaar voornemens is om wijzigingen door te voeren op het perceel. Deze wijzigingen worden uitgewerkt in een plan voor dit perceel, alle wijzigingen en reparaties kunnen dan in één plan worden meegenomen.
► Wonen in de woning was eerst toegestaan voor 1 huishouden en maximaal 10 personen die geen huishouding vormen. Door het nieuwe plan is enkel 1 huishouden toegestaan. ► Artikel 7.4.1 onder g. is strijdig met artikel 2 Bijlage II Bor. Het gebruik van een gebouw ten behoeve van mantelzorg is vergunningsvrij, volgens het plan is mantelzorg echter niet toegestaan. ► De algemene afwijking maatvoering en situering is beperkter in het ontwerpplan. ► De eigenaar heeft een aantal wijzigingen voor ogen op het perceel. Verzocht wordt in overleg te treden hierover. Gevolgen voor het bestemmingsplan Verbeelding: Alle verwijzingen naar de Kloosterstraat 35 worden uit het plan gehaald. Planregels: Artikel 7 van de planregels wordt zo aangepast dat alle verwijzingen naar de Kloosterstraat 35 uit het artikel worden gehaald. Toelichting: Alle verwijzingen naar de Kloosterstraat 35 worden uit de toelichting gehaald.
Pagina 1 van 14
Zaaknummer: BP21-1069
3. Zienswijze inzake planontwikkeling Kleine Heitrak 36a Asten Zienswijze Standpunt gemeente ► Het is voorstelbaar de bestemming om te zetten, echter is het van belang dat dezelfde activiteiten uitgevoerd mogen worden en de bestaande rechten behouden blijven. Er wordt verzocht om: - de functieaanduiding opslag op te nemen op de verbeelding op het gehele bestemmingsvlak, met uitzondering van de functie aanduiding groen; - in art. 7.1.1 het volgende toe te voegen: buitenopslag en bijbehorende activiteíten ten dienste van het bedrijf op de locatie Kleine Heitrak 36 A, zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding opslag toegestaan; - De bebouwingmogelijkheden te respecteren overeenkomstig de vorige bestemming, door art. 7.3.1. onder a het bebouwingsoppervlak te vergroten naar 25%.
► In het bestemmingsplan ‘Asten Veegplan 2017-2’ is geen specifieke aanduiding ‘opslag’ opgenomen. Blijkens de toelichting en de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de Kleine Heitrak 36a vond er wel opslag plaats op dit perceel en is dit ook noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Opslag is echter per abuis niet actief bestemd in het vigerende bestemmingsplan. Om die reden kan worden ingestemd met het opnemen van de aanduiding ‘opslag’ en het opnemen van de planregels dat buitenopslag ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ is toegestaan.
In art. 7.3.1. onder a staat inderdaad dat het bebouwingsoppervlak met afwijking van het bestemmingsplan nu vergroot kan worden naar 15%, hetgeen een beperking is ten opzichte van de 25% in het vigerende bestemmingsplan. Omdat het niet wenselijk is om voor alle bedrijven die binnen deze bestemming vallen een afwijkingsmogelijkheid van 25% voor het bebouwingsoppervlak op te nemen, wordt de planregel zo aangepast dat alleen voor onderhavig perceel een afwijkingsmogelijkheid van 25% voor het bebouwingsoppervlak wordt opgenomen. Gevolgen voor het bestemmingsplan
Verbeelding: - de functieaanduiding opslag wordt opgenomen op het gehele bestemmingsvlak voor de Kleine Heitrak 36a, met uitzondering van de functie aanduiding groen. Planregels: - Art. 7.1.1 onder c wordt als volgt aangepast: ‘buitenopslag ten dienste van het loonwerkbedrijf annex grondverzetbedrijf op de locatie Kleine Heitrak 36a, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’.’ - Art. 7.3.1. onder a wordt als volgt aangepast: ‘de in 7.2.3 opgenomen bebouwde oppervlakte mag met maximaal 15% worden vergroot op de locatie Ommelse Bos 15 en mag met maximaal 25% worden vergroot op de locatie Kleine Heitrak 36a.’
Pagina 2 van 14
Zaaknummer: BP19-0921
4. Zienswijze inzake planontwikkeling Kennisstraat 2 Ommel Zienswijze Standpunt gemeente ► De locatie van de nieuwe woning kan niet voldoen aan de eis dat de te realiseren woning niet binnen een hindercontour van een bedrijf in de omgeving is gelegen. Op basis van artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij dient er minimaal 50 meter afstand te worden gehouden tussen de emissiepunten van een stal en de woning voor derden. Hieraan wordt niet voldaan, waardoor er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse en niet wordt voldaan aan de bepaling zoals opgenomen in de het vigerende bestemmingsplan.
► De huidige kortste afstand is tot de Jan van Havenstraat 29, deze afstand is 48,9 meter. Voor de beoogde woning moet de afstand dan ook minimaal 48,9 meter bedragen. Het bouwvlak is aangepast, waardoor de nieuw te bouwen woning nu op voldoende meter afstand van de paardenstal aan de Jan van Havenstraat 33 ligt.
► Er wordt aangegeven dat de afstanden vanuit de paardenstal aan de Jan van Havenstraat 33 reeds niet voldoen aan de afstandseis van 50 meter. Deze conclusie is onjuist, daar alle woningen op 50 meter zijn gelegen van de paardenstal aan de Jan van Havenstraat 33. Hierbij is opgenomen dat de bestaande afstand vanuit de paardenstal tot aan de Kennisstraat 4 op dit moment 41 meter zou bedragen. Echter betreft de afstand zoals in de ruimtelijke onderbouwing aangehouden gemeten vanuit de garage van de Kennisstraat 4 hetgeen geen geurgevoelig object is, terwijl de woning is gelegen op 50 meter afstand.
► Verwezen wordt naar het voorgaande antwoord.
Gevolgen voor het bestemmingsplan Verbeelding: Het bouwvlak is aangepast zodat de nieuwe woning buiten de geurhindercontour van het bedrijf aan de Jan van Havenstraat 33 valt.
Pagina 3 van 14
Zaaknummer: BP19-0921
Ambtshalve wijzigingen Verbeelding:
Op de verbeelding van de Deurneseweg 24 wordt een bouwvlak toegevoegd ter plaatse van de bedrijfswoning.
Op de verbeelding van de Gezandebaan 46a wordt de begrenzing van de aanduiding ‘overige zone – reservering waterberging’ aangepast.
Op de verbeelding van de Kleine Heitrak 17 wordt de ‘Figuur-relatie’ toegevoegd conform het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Asten 2016.
Planregels:
De begripsbepalingen voor recreatiewoning, routegebonden horeca en trekkershut zijn toegevoegd.
Art. 15.1.1 onder a wordt als volgt gewijzigd: ‘woondoeleinden, waarbij per bestemmingsvlak maximaal één woning is toegestaan, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' waar het aangeduide aantal woningen is toegestaan’.
Art. 15.3.1 wordt samengevoegd met art. 15.3.3.
In art. 22.4 wordt ‘Overige zone - Milieuzone – boringsvrije zone’ tekstueel aangepast naar ‘Milieuzone – boringsvrije zone’ zodat dit overeen komt met de verbeelding.
De dubbelbestemming Waterstaat – Waterlopen wordt toegevoegd conform bestemmingsplan NL.IMRO.0743.BP02022006-OW01.
Enkele verschrijvingen zijn tekstueel gecorrigeerd.
Toelichting:
Enkele verschrijvingen zijn tekstueel gecorrigeerd.
Pagina 4 van 14
Zaaknummer: BP19-0921