RU23.06.07B Bijlage c - Ruimtelijke onderbouwing Vaalbaan 1.pdf
Tekst van het document
wijze
in
doelstellingen
het
plan
worden
afgewogen.
betreffen
zowel
de
Deze
waterkwantiteit
(veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.2
Onderzoek
4.3.2.1 Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in september 2022 de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de toets is gebleken dat de normale procedure van toepassing is. Het waterschap Aa en Maas is derhalve over de ontwikkeling geïnformeerd. Het toetsingsdocument is bijgevoegd als Bijlage 3 Digitale Watertoets. De middels de watertoets gegenereerde adviezen zijn onderstaand verwerkt in de waterparagraaf. Voor de watertoets gelden 8 uitgangspunten die hieronder worden beschreven: 1. Voorkomen van vervuiling Bouw en renovatie belasten het milieu. Het waterschap streeft ernaar om verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Het voorkomen van vervuiling is dan ook een randvoorwaarde voor de watertoets. Dat kan bijvoorbeeld door bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Afspoeling van verontreinigd (hemel)water naar het oppervlaktewater moet zo veel als 40
Vaalbaan 1, Heusden
mogelijk worden voorkomen. 2. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt gekozen voor een plek die hoog en droog genoeg is. In dit geval gaat het om uitbreiden/vernieuwen van een bestaande locatie. Er wordt voorzien in extra waterberging om te compenseren voor extra verharding. In bijlage 1 is aangegeven hoe de extra waterberging wordt gerealiseerd. Hiermee wordt het gebied voldoende tegen wateroverlast beschermd. 3. Hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO) Waterschap Aa en Maas hanteert het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Dit betekent dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag je de grondwaterstand niet verlagen. Bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied mag je de oorspronkelijke landelijke afvoer niet overschrijden. Het waterpeil moet aansluiten bij de optimale grondwaterstanden. Het plan leidt niet tot wijzigingen met betrekking tot de grondwaterstand. Hemelwater wordt lokaal geïnfiltreerd en de activiteiten die het plan mogelijk maakt leiden niet tot een toename van grondwateronttrekkingen. 4. Vuil water en hemelwater scheiden Vuil water hoort thuis in het riool. Schoon hemelwater voer je af naar de bodem of watergang. Schoon hemelwater wordt lokaal geïnfiltreerd of geloosd.
Er worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat hemelwater wordt verontreinigd met kuilvoer of mest. Sanitair afvalwater wordt geloosd via de riolering. Afvalwater met mest- of voerresten worden geloosd in de mestopslag. 5. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer Hergebruik van hemelwater is geen optie in verband met besmettingsgevaar. Infiltratie in de bodem is dan de beste oplossing. Dit gebeurt deels door infiltratie op de onverharde delen op en rond het erf. Er wordt voorzien in buffering van het hemelwaterwater in een waterberging, om overstroming tijdens zware regenval te vermijden. 6. Waterschapsbelangen Bij een bouwproject kunnen verschillende waterschapsbelangen spelen: Ruimteclaims voor waterberging Ruimteclaims voor de aanleg van natte ecologische verbindingszones en Toelichting
41
beekherstel Aanwezigheid en ligging watersysteem Aanwezigheid en ligging waterkeringen Aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims voor de afvalwaterketen die in ons beheer is. In het plangebied rond Vaalbaan 1 zijn enkele (gedeeltes van) waterlopen aanwezig. Deze zijn op de verbeelding aangeduid met de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterlopen'. In de regels worden de waterschapsbelangen geborgd (gelijk aan het geldende plan). Er gelden geen ruimteclaims of er zijn geen waterkeringen aanwezig. Het plangebied is wel gelegen in 'Attentiezone waterhuishouding' en de 'Groenblauwe mantel'. 7. Meervoudig ruimtegebruik Gebruiksfuncties kunnen worden gecombineerd. Landschappelijke inpassing kan bijvoorbeeld worden gecombineerd met infiltratievoorzieningen en/of waterberging. In dit geval is binnen het bouwperceel Agrarisch – Agrarisch bedrijf geen meervoudig ruimtegebruik mogelijk. Landschappelijke inpassing wordt direct grenzend aan het bouwperceel gerealiseerd. Voor extra waterberging wordt gebruik gemaakt van een bestaande kavelsloot waarin water kan worden opgevangen en vastgehouden. 8. Water als kans Water kan een meerwaarde geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van water, bijvoorbeeld door het realiseren van een mooie waterpartij met bijbehorend groen.
Een waterpartij op korte afstand van een pluimveehouderij is echter geen verstandige keuze in verband met besmettingsgevaar. Daarom is voor de waterberging gekozen voor aanpassing van een bestaande kavelsloot. Attentiegebied (Keur) Volgens de Keur ligt het plangebied in een attentiegebied waterhuishouding. De attentiegebieden zoals deze zijn vastgelegd in de Keur van het waterschap, komen overeen met de attentiegebieden uit de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Ze betreffen alleen de bufferzone van 500 meter die zich rondom de kern van NNB-gebieden (Natuur Netwerk Brabant). Ingrepen met een negatief effect op de waterhuishouding van het beschermd gebied zijn niet toegestaan.
42
Vaalbaan 1, Heusden
De ruimtelijke ingrepen waarin voorliggende ontwikkeling voorziet hebben geen negatief effect op de waterhuishouding van het beschermd gebied. Schoon hemelwater wordt lokaal geïnfiltreerd en er wordt voorzien in extra waterberging op eigen terrein. Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025 (GRP) Het GRP vereist watercompensatie bij nieuwbouw (uitbreiding, inbreiding en bijgebouwen groter dan 40 m2), herbouw, aanbouw groter dan 90 m2. Dat is hier aan de orde. Om die reden is in het plan een watercompensatie opgenomen van 700 m3 op eigen perceel. Dit vloeit voort uit de toename van nieuw bebouwing/verharding (10.067 + 1.485) x 0,06 = 700 m3. 4.3.3
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan. 4.4
Erfgoed
4.4.1
Archeologie
Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van Toelichting
43
ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Onderzoek Voor het onderhavige plangebied is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologisch waardevolle elementen. Daartoe is de kaart "Archeologiebeleid" van de gemeente Asten geraadpleegd. Onderstaande figuur 4.1. toont een uitsnede van de beleidskaart met legenda en bijbehorende onderzoeksplicht. Het plangebied is blauw omcirkelt.
Figuur 4.1: Uitsnede archeologische kaart met begrenzing plangebied Uit de kaartuitsnede volgt dat voor het plangebied categorie 6 geldt, dit is een gebied met een lage archeologische verwachting. Gelet op de beschreven onderzoeksplicht is onderhavige ontwikkeling niet onderzoeksplichtig. In het kader van de beoogde ontwikkeling is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Er is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Echter, ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 44
Vaalbaan 1, Heusden
4.4.2
Cultuurhistorie
Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.
werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Onderzoek Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Ook volgens de gemeentelijk waardenkaart bevat het plangebied waardevolle cultuurhistorie. Het initiatief doet geen afbreuk aan het Toelichting
45
aspect cultuurhistorie. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.5
Flora en fauna
4.5.1
Algemeen
Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming heeft als doel het
beschermen
van
Natura
2000-gebieden
(Vogelrichtlijn-
en/of
Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd 46
Vaalbaan 1, Heusden
waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art. 3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn belast met de taak een dergelijk netwerk tot stand te laten te komen en in stand te laten. De uitvoering hiervan is hoofdzakelijk gestuurd vanuit de ruimtelijke ordening (provinciale verordeningen). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “nee, tenzij”- benadering. Op grond van de IOV moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan ook gekeken worden naar de externe werking. Negatieve effecten voor het Natuurnerwerk Brabant moeten worden voorkomen of gecompenseerd. 4.5.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een natuuronderzoek uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als bijlage 4. Het onderzoeksgebied is op 10 augustus 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland en overige gebieden. Onderstaand worden de conclusies bondig samengevat. Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van Toelichting
47
instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De gebouwen dienen bij voorkeur te worden gesloopt buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Gebiedsbescherming - Natura 2000 Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. De afstand tot het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Grote Peel is dermate groot dat significante effecten door geluid- of lichthinder op voorhand kunnen worden uitgesloten. Ook kunnen significante gevolgen voor de waterkwaliteit of waterhuishouding in het gebied op voorhand worden uitgesloten.
Om te verzekeren dat het plan geen negatieve gevolgen heeft door stikstofdepositie is in de gebruiksregels bepaald dat een gebruik waarbij een toename van stikstofdepositie kan optreden verboden is. Hiervan kan niet worden afgeweken. Voor de beoordeling of een plan kan leiden tot een toename van stikstofdepositie geldt als referentie de feitelijk bestaande, planologische legale, situatie op moment van vaststellen van het bestemmingsplan. De referentie is daarom het huidige feitelijke gebruik van de bestaande stallen, zoals beschreven in hoofdstuk 2.1. Om te onderzoeken of de gewenste bedrijfsontwikkeling mogelijk is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met de meest recente versie van AERIUS. Middels deze berekening is aangetoond dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling de stikstofdepositie niet hoger uitvalt dan in de huidige feitelijk bestaande en planologisch legale situatie. De stikstofberekening is bijgevoegd in bijlage 5.
48
Vaalbaan 1, Heusden
De voor de bestaande situatie geldende natuurvergunning is bijgevoegd als bijlage 6. 4.5.3
Conclusie
Het aspect flora en fauna en gebiedsbescherming (stikstof) vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. Om te verzekeren dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie is in de planregels een gebruik waarbij een toename van stikstofdepositie kan optreden verboden. 4.6
Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai
4.6.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.
Het
akoestisch
onderzoek
moet
uitwijzen
of
de
wettelijke
voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken. In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; Toelichting
49
wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld.
In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.
50
Vaalbaan 1, Heusden
4.6.2
Onderzoek
Onderhavig plan voorziet niet in de realisatie van gevoelige objecten zoals bedoeld in de Wgh. Ook leidt de ontwikkeling niet tot een toename van geluidshinder op in de omgeving gesitueerde gevoelige objecten. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.7
Geur
4.7.1
Algemeen
Wet geurhinder en veehouderij In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, normen voor de maximale geurbelasting die veehouderijen mogen veroorzaken en minimale afstanden tussen stallen en geurgevoelige objecten. Deze normen moeten worden
toegepast
bij
het
beoordelen
van
een
aanvraag
om
een
omgevingsvergunning voor een veehouderij. Hoe de geurbelasting en afstanden moeten worden bepaald is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen voor de geurbelasting en de afstand gelden op of tot de rand van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld de gevels van woningen). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning.
Dit
verspreidingsmodel
geuremissiefactoren
zijn
opgenomen
geldt
alleen
in
de
voor
Rgv.
Voor
dieren dieren
waarvoor zonder
geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Geurverordening gemeente Asten Een gemeenteraad is bevoegd om bij gemeentelijke geurverordening te bepalen dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere norm voor de geurbelasting of een andere afstand van toepassing is. De gemeente Asten heeft een geurverordening vastgesteld. Op 9 maart 2021 heeft de gemeenteraad van Asten een gewijzigde geurverordening vastgesteld, de “Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2020”. De maximale geurbelasting volgt uit de bij de verordening Toelichting
51
behorende Geurnormenkaart. 4.7.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is de invloed van het initiatief voor het aspect geur onderzocht. De bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7 Geuren luchtkwaliteitonderzoek. In het onderzoek zijn de vergunde en beoogde situatie onderzocht. Omdat in de beoogde situatie sprake is van gewijzigde ventilatie en emissiepunthoogtes is er, ondanks de toename van de geuremissie, sprake van een afname van de geurbelasting op de meeste geurgevoelige objecten. De voorgrondbelasting van de veehouderij aan de Vaalbaan 1 is bepalend. De bestaande voorgrondgeurbelasting (maximaal 1,7 ouE/m3) is binnen het gehele plangebied ruim lager dan de maximale voorgrond geurbelasting die op grond van de “Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2020” zijn vastgesteld.
De
voorgrondbelasting heeft in de beoogde situatie de milieukwaliteit ‘goed’ en ‘zeer goed’. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Algemeen
In 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Met deze wet zijn luchtkwaliteitseisen verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Er is vastgelegd dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. De belangrijkste zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/m³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/m³. In de Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16 van de Wet milieubeheer) is aangegeven in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmeringen vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen: 52
Vaalbaan 1, Heusden
4. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 5. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 6. een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging. 4.8.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is de invloed van het initiatief op de luchtkwaliteit onderzocht. De berekening is bijgevoegd in Bijlage 7 Geur- en luchtkwaliteitonderzoek. De concentratie fijnstof (PM10) is berekend met het verspreidingsmodel ISL3a, versie 2022. De jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) binnen het plangebied ligt tussen 18,1 en 20,3 microgram per m3. Dit is (ruim) lager dan de grenswaarde van 40 microgram per m3. Het aantal dagen dat de 24-uurs-gemiddelde waarde van 50 microgram per m3 lucht wordt overschreden is 8. Dit is ruim lager dan de grenswaarde van 35 dagen. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit in het plangebied goed is. 4.8.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.9
Bedrijven en milieuzonering
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woonToelichting
53
en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht.
De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype
54
Vaalbaan 1, Heusden
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.9.1
Onderzoek
Het plangebied en de omgeving kunnen worden getypeerd als 'buitengebied', de richtafstanden worden niet met één stap verkleind. Een agrarisch bedrijf betreft een milieuhinderlijke functie, het vormt geen milieuhinder gevoelige functie. Beoordeeld moet worden of ter plaatse van woningen in de omgeving sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het agrarisch bedrijf
houdt zich bezig met zowel rundveehouderij als
pluimveehouderij. SBI-2008 categorieën 0141, 0142 (fokken en houden van rundvee) en 0147-1 (fokken en houden van pluimvee) zijn daarmee van toepassing. De pluimveehouderijtak van het bedrijf richt zich op legkippen. Voor het bedrijf geldt daarmee een milieucategorie van 4.1. en daarmee een grootste richtafstand van 200 meter. Uit een beoordeling van luchtfoto's en vigerende bestemmingsplannen volgt dat het meest nabijgelegen gevoelige object (een woning) op circa 260 meter van het plangebied is gelegen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtafstand van 200 Toelichting
55
meter. Hieruit volgt dat aan de richtafstanden van de VNG-publicatie wordt voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.9.2
Conclusie
Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations
en
opslagen
van
bestrijdingsmiddelen.
Daarnaast
zijn
(hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. 56
Vaalbaan 1, Heusden
De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.10.2 Onderzoek Onderhavig plan voorziet niet in de realisatie van een gevoelig object of een risicobron.
Het aspect externe veiligheid is derhalve niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. 4.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. 4.11
Verkeer en parkeren
Verkeer Het plangebied ligt in het buitengebied van Asten en wordt ontsloten door buitenstedelijke (60 km/u) wegen. In het kader van de bedrijfsvoering worden Toelichting
57
verkeersbewegingen gegenereerd door (middel)zwaar verkeer. Als gevolg van de bedrijfsuitbreiding zal deze verkeersgeneratie in geringe mate toenemen. Gelet op de
beperkte
uitbreiding
van
het
veebestand,
zal
de
toename
van
verkeersbewegingen van en naar het plangebied meevallen. De ontsluitingswegen zijn zodanig ingericht dat zij de toename van het verkeer aankunnen. Conform de NSL-Monitoringstool is geen sprake van congestie. Voorliggend plan resulteert niet in een negatieve afwenteling van verkeerseffecten. Gesteld wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Parkeren Ruimtelijke plannen dienen te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt de parkeerbehoefte ter plaatse van de Vaalbaan 1 mogelijk enigszins toe. Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor parkeren het parkeer van persoonsvoertuigen als transportvoertuigen. Gesteld wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.12
Kabels en leidingen
4.12.1 Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid
van
ondergrondse
planologisch
relevante
leidingen
(hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.12.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In
het
plangebied
of
in
de
nabijheid
hiervan
bevinden
zich
geen
in
de
nabijheid
hiervan
bevinden
zich
geen
aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In
het
plangebied
of
hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering.
58
Vaalbaan 1, Heusden
Watertransportleidingen In
het
plangebied
of
in
de
nabijheid
hiervan
bevinden
zich
geen
watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding
uitgevoerd.
Een
dergelijke
melding
zorgt
ervoor
dat
netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. 4.12.3 Conclusie In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij eventuele graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. In dat geval kan middels een KLIC-melding inzicht worden verkregen in de aanwezigheid van dergelijke kabels en leidingen. 4.13
MER-toets
4.13.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Toelichting
59
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst).
In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. 4.13.2 Onderzoek
4.13.2.1
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
In het voorliggende geval is mogelijk sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. In onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage onder C14 de activiteit 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens' en in onderdeel D14 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht, hier is sprake van indien de activiteiten de vastgestelde drempelwaarden overschrijden. Onderstaand is dit per activiteit getoetst: C14: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 60
Vaalbaan 1, Heusden
1. 85.000 stuks mesthoenders (Rav1 cat. E 3 t/m 5); 2. 60.000 stuks hennen (Rav cat. E 1 en E2); 3. 3.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D3); of 4. 900 stuks zeugen (Rav cat. D 1.2, D 1.3 en D 3 voor zover het opfokzeugen betreft). De ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het veebestand met 12.500 stuks legkippen (E 2.11.2.1). Bovengenoemde drempelwaarden worden derhalve niet overschreden. D14: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1. 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J); 2. 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3); 3. 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft); 4. 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1); 5. 5000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3); 6. 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2); 7. 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2); 8. 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3); 9. 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwlijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3); 10. 1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7); 11. 2000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3); 12. 100 stuks paarden of pony’s (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat.
K.2 en K.4); of 13. 1000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3). De ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het veebestand met 12.500 stuks legkippen (E 2.11.2.1) en 109 stuks rundvee (A 1.100 & 3.100). Bovengenoemde drempelwaarden worden derhalve niet overschreden. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er Toelichting
61
sprake is van 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens' of 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren' als bedoeld in onderdeel C 14 of D 14 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8843) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van D14. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Voorliggend plan betreft wijziging van een agrarische bedrijfsbestemming en de uitbreiding van de agrarische opstallen. Gelet op de gehouden diercategoreën (rundvee en pluimvee) is hierbij mogelijk sprake van een milieuhinderlijke functie. In het kader van de ontwikkeling zijn voor de ruimtelijke ordening relevante milieu-aspecten beoordeeld in Hoofdstuk 4. Hieruit blijkt dat de activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan 'Vaalbaan 1, Heusden', gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.
Gesteld wordt dat het doorlopen van een milieueffectrapportage niet nodig is. 4.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens' of 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren' als bedoeld in onderdeel C 14 of D 14 van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast is in Hoofdstuk 4 van voorliggend bestemmingsplan in voldoende mate is aangetoond dat het plan geen negatieve effecten heeft voor het milieu, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is.
62
Vaalbaan 1, Heusden
Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1
Juridische aspecten
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Toelichting
63
Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. 5.1.1
Inleidende regels
5.1.1.1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
5.1.1.2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten. 5.1.2
Bestemmingsregels
5.1.2.1 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' De agrarische bedrijfsbebouwing kan uitsluitend worden opgericht op gronden bestemd als Agrarisch - Agrarisch bedrijf met een bouwvlak. Middels gebruikmaking van een aanduiding is een onderscheid in het type agrarisch bedrijf gemaakt, waarbij is toegekend 'pluimveehouderij overig'. Hier zijn zowel melkrundveehouderij, intensieve veehouderij en pluimveehouderij toegestaan. 5.1.3
Algemene regels
5.1.3.1 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
64
Vaalbaan 1, Heusden
5.1.3.2 Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen van bebouwing op korte afstand van wegen beschreven.
5.1.3.3 Algemene gebruiksregels In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moeten zijn.
5.1.3.4 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
5.1.3.5 Algemene wijzigingsregels In dit artikel worden aan Burgemeester en Wethouders de mogelijkheid gegeven om het bestemmingsplan op ondergeschikte punten te wijzigen.
5.1.3.6 Overige regels In dit artikel is de mogelijkheid voor Burgemeester en Wethouders opgenomen om nadere eisen te stellen.
Toelichting
65
5.1.4
Overgangs- en slotregels
5.1.4.1 Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel
de
overgangsbepalingen
ten
aanzien
van
bouwwerken
als
de
overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.1.4.2 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan. 5.2
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit
van
het
gemeentelijk
grondgebied
tegen.
Een
actueel
bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid
kan
gemaakt
worden
tussen
preventieve
en
repressieve
handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere 66
Vaalbaan 1, Heusden
goede
regelgeving
subsidieverlening,
(onder afwijken
andere van
in
bestemmingsplan),
bouwregels
en
voorlichting,
gebruiksregels
en
de
omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
Toelichting
67
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een woning. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
68
Vaalbaan 1, Heusden
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.2.1
Wettelijk (voor)overleg
In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. 6.2.2
Omgevingsdialoog
Om tot een maatschappelijk gedragen plan te komen hebben initiatiefnemers een omgevingsdialoog
georganiseerd
voor
direct
omwonenden.
Tijdens
deze
bijeenkomst zijn de genodigden geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Daarbij was er ruimte voor vragen over de plannen. In bijlage 8 is een verslaglegging van de omgevingsdialoog opgenomen. Tijdens de bijeenkomst zijn geen bezwaren tegen de ontwikkeling kenbaar gemaakt. 6.2.3
Inspraak
In het kader van inspraak wordt het bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.
Toelichting
69
Hoofdstuk 7 Procedure en overleg In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Vaalbaan 1, Heusden'. 7.1
Procedurestappen
Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3
Beroep
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. 7.2
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Daarom is heb bestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd. Provincie Noord-Brabant 70
Vaalbaan 1, Heusden
Voorliggend plan is van lokale aard en geoordeeld wordt dat met het initiatief geen provinciale belangen worden geschaad. Er is daarom afgezien van vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant. Waterschap Aa en Maas Met de digitale watertoets is het plan kenbaar gemaakt bij het waterschap Aa en Maas. Uit de digitale watertoets volgde dat er sprake was van de normale procedure. Het
waterschap
is
daarom
over
de
ontwikkeling
benaderd
om
de
waterschapsbelangen goed in het plan te borgen. PM 7.3
Zienswijzen
Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Vaalbaan 1, Heusden' ligt vanaf datum gedurende zes weken ter inzage liggen. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Eventuele zienswijzen en de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug te vinden in de Zienswijzennota.
Toelichting
71
Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle Postbus 432 8000 AK Zwolle
t 08 8236 8236 e info@rombou.nl i www.rombou.nl
LEGENDA BESTAANDE HOOGSTAMFRUITBOMEN
2
STRUWEELBEPLANTING (INHEEMS) BESTAAND BEHOUDEN 525 m2
3
NIEUWE WALNOTENGAARD 32 ST
4
WATERBERGING 700 m3
5
EXTRA: BLOEMRIJKE AKKERRAND 6 m1 BREED 1500 m2
6
EXTRA: HOUTSINGEL 250 m2
7
EXTRA:WALNOTEN 8 ST
7,83
1
5
0 20,0
3 0 20,0
6
0 m3 G 70 N I ERG ERB WAT
7
0 20,0
2
1 0m 50,0 3 r ove
4
0 20,0
1
3 0 20,0
1
LA N DSC H APPELIJKE IN PASSIN G
tekeningno
formaat
datum
door
VAALBAA N 1 HEUSDEN
1
A3
14-3-23
w.f. hilbers
versie
schaal
bestand
7
1:1500
advies en inrichting landschap en openbare ruimte meppel - info@burostadenland.nl - www.burostadenland.nl - tel 06 41 66 55 76
D:\Dropbox\DATA\573-valbaan 1 heusden\tek\573-01_v2023.vwx
De initiatiefnemers (Familie Bennenbroek) hebben een veehouderij aan de Vaalbaan 1 te Heusden. Zij zijn voornemens stallen te vernieuwen/uit te breiden. Het bouwblok 7,83
20,0
1 0m 350,0 over 0 m3 G 70 GIN RBER TE A W
0
moet daarom worden gewijzigd. In dat kader is voor de procedure een
20,0 0
landschappelijk inpssingsplan benodigd. Het plan volgt het vigerende beleid
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING PRINCIPE KENMERKEN LANDSCHAP
20,0
(provincie, gemeente) en zet in op een natuur-inclusieve bedrijfsvoering. De
0 20,0 0
20,0
0
pluimveenhouderij richt ih op vrije uitloop. Structuurvisie Kwaliteitsverbetering van het landschap. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Gebiedspaspoort Peelkernontginning. De Peelkern is het centrale gedeelte van het dekzandplateau van de Peelhorst. De Peelkern is een grootschalig en primair landbouwgebied. Er is een afwisseling van uitgestrekte akkers met bebouwing (ontginningsdorpen) en grootschalige bebossingen die belangrijk zijn voor natuur en recreatie. Aan oost- en zuidzijde van het projectgebied ligt Natura2000-gebied de
LOP: Landschap Natte grootschalige ontginng
Gebiedspaspoort: Peelkernontginning
Groote Peel. De intensieve veehouderij en glastuinbouw hebben zich in dit gebied krachtig ontwikkeld. Door ruilverkaveling heeft schaalvergroting plaatsgevonden en zijn ontsluiting en ontwateringspatronen aangepast. De grote open akkers zijn van belang als foerageergebieden. De bomenrij- en lanenstructuur is van belang voor struweelvogels. Door de groei van de agrarische bedrijfsbebouwing is de verstening van het landschap van de Peelkern sterk toegenomen. Landschapsontwikkelingsplan De Peel (LOP) Binnen het LOP is het gebied aangemerkt als Natte grootschalige ontginning. De grootschalige heideontginningen zijn in De Peel goed herkenbaar, met lange rechte lijnen en grote percelen. Hier en daar grootschalige functies zoals kassen. Bebouwing is vaak, niet altijd, voorzien van erfbeplanting. Wegen met laanbeplanting vormen het grofmazige raamwerkvan het landschap. Ontwikkelingsrichting
Visie gemeente Asten Het landschap hier kenmerkt zich door grote open tuinkamers, waarbinnen verspreid diverse boerderijcomplexen liggen, welke veelal compact zijn vormgegeven.De tuinkamers worden aan de randen veelal omzoomd door houtwallen en of boomrijen. Door deze structuur ervaar je (als je hier bijvoorbeeld fietst) grote openheid, maar wordt deze wel omkaderd door (in de verte) het zicht op bomenrijen. De gemeente heeft in haar principebesluit bruikbare suggesties gedaan. Het idee om de vrije uitloop van de pluimveehouderij te combineren met het principe 'Kip en walnotengaard' is door de initiatiefnemers omarmd en verwerkt in het plan. Notenbomen leveren gedurende hun omlooptijd naast beschutting ook een verkoopbaar product: noten. Daarnaast kan met gericht beheer ook waardevol hout worden geteeld, dat aan het eind van de omlooptijd als product verkocht kan worden. Met de inrichting wordt de structuur van het landschap gevolgd. Een geometrisch patroon van bomen, hart op hart 20 m. biedt scharrelruimte voor kippen en beperkt het beheer van de ondergrond niet. Tevens wordt het 'open karakter' van het ontginningenlandschap niet aangetast. Landschappelijke inspanning