CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU22.11.04I Ruimtelijke onderbouwing - 5. Tureluurweg 7 incl. bijlage.pdf

Raadscommissie Ruimte 22 november 2022, gemeente AstenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2022-2' (opiniërend)15.694 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bestaand (ongewijzigd): Geen extra waterberging wordt vereist.

2.

Drukriool buitengebied: Hier geldt een algeheel verbod om hemelwater af te voeren op de drukriolering. Afgedwongen kan worden dat regenwater niet op de drukriolering mag worden geloosd.

3.

Nieuwbouw (uitbreiding, inbreiding en bijgebouwen > 40 m², herbouw, aanbouw van 90 m² of meer: Er dient te worden voorzien in een gescheiden afvoer / verwerking van schoon hemelwater

Crijns Rentmeesters bv

30

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

en afvalwater. Voor nieuwbouw vereist de gemeente een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak. Ook bij herbouw dient eveneens een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³. 4.

Verbouw, aanbouw (tot 90 m²), vrijstaande bijgebouwen (tot 40 m²) bij bestaande gebouwen en woonunits op bouwlocaties: Flexibiliteit wordt gegeven om ruimte voor wateropvang te creëren. De gemeente stimuleert initiatieven van particulieren, bedrijven en instellingen voor duurzame omgang met water.

5.

Aanleg van bescheiden riolering: Bio rioolverzwaring of rioolvervanging legt de gemeente een separaat hemelwaterriool aan of wordt het hemelwater ter plaatse geborgen en geïnfiltreerd of geloosd op oppervlaktewater.

De beoogde ontwikkelingen op de camping maken een vergroting van de oppervlakte ondersteunende bebouwing ten behoeve van recreatief verblijf. Er dient dan ook te worden voorzien in een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² nieuw verhard oppervlak op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³.

5.2.3

Hemelwaterafvoer na herontwikkeling

De beoogde ontwikkelingen op de landschapscamping hebben een toename van verhard oppervlak van 150 m² tot gevolg. Ten behoeve van het klimaatneutraal aanleggen van nieuwe bebouwing wordt 60 mm waterberging voor het nieuwe verharde oppervlak gevraagd. Dat betekent 60 liter waterberging per vierkante meter verhard oppervlak, ofwel 600 m³ per hectare. Op basis van de berekende 150 m² nieuw verhard oppervlak is dus 9 m³ waterberging nodig. In de nieuwe situatie zal het hemelwater dat valt op de daken van de nieuwe bebouwing worden afgekoppeld en worden geïnfiltreerd op eigen terrein. Dit wordt bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten, regenpijpen, infiltratieriool dan wel goot dan wel laagte in het terrein af te voeren naar een infiltratieveld dan wel een van de poelen binnen de projectlocatie. De locatie biedt hiervoor meer dan voldoende ruimte. De afvoer van het hemelwater dient boven de GHG te worden aangelegd.

5.2.4

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

Crijns Rentmeesters bv

31

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.2.5

Afvalwater na herontwikkeling

Als gevolg van de uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen neemt de hoeveelheid afvalwater toe. De bestaande pompput waarop de camping is aangesloten, heeft voldoende capaciteit om de toename van het afvalwater te verwerken. Bij het eventueel ledigen van het zwembad dient speciale aandacht geschonken te worden aan de rioleringscapaciteit.

Crijns Rentmeesters bv

32

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.3

Cultuurhistorie

Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een ruimtelijk plan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De projectlocatie ligt op basis van de cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Peelkern’. De regio Peelkern ontleent zijn cultuurhistorische betekenis in eerste instantie aan de veenwinning. De kanalen, wijken, ontginningsdorpen en wegen met beplanting geven een beeld van de grootschalige vervening die hier vanaf 1850 heeft plaatsgevonden. Op enkele plaatsen komen Peelbanen en veenputjes voor die wijzen op kleinschalige turfwinning. In de regio ligt een groot deel van de Peel-Raamstelling. Aan de projectlocatie is geen specifieke cultuurhistorische waarde toegekend. De beoogde herontwikkeling is in het kader van cultuurhistorie dan ook geen bezwaar.

Crijns Rentmeesters bv

33

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.4 Archeologie 5.4.1

Inleiding

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet betreft één integrale wet die betrekking heeft op archeologie (op het land en onder water), museale objecten, musea en monumenten. Het uitgangspunt van de Erfgoedwet is een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie staat hierin het verdrag van Malta (Valetta) en de uitwerking hiervan in de voormalige Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) centraal. Met de invoering van de Wamz in 2007 hebben gemeenten veel meer bevoegdheden gekregen inzake beheer en behoud van archeologische (rijks)monumenten en overige archeologische (verwachtings)waarden, deze bevoegdheden zijn in de Erfgoedwet behouden. Om een goede uitvoering te geven aan deze bevoegdheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden hebben de meeste gemeenten archeologiebeleid ontwikkeld.

5.4.2

Archeologiebeleid Asten

Het archeologisch beleid van de gemeente Asten is vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 24 juni 2013 en omvat het gehele grondgebied van de gemeente Asten waarover het gemeentelijk archeologiebeleid geïmplementeerd moet worden. De regels van het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ zijn één op één in het bestemmingsplan ‘Asten Verzamelplan 2019-1 (herstelbesluit)’ overgenomen. In het bestemmingsplan ‘Asten Verzamelplan 2019-1 (herstelbesluit)’ kent de projectlocatie gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Ter plaatse van gronden met deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht naar archeologische monumenten op of in de grond bij een bodemingreep van meer dan 2.500 m² en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld. Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling zal geen bodemingreep van meer dan 2.500 m² en dieper dan 0,4 meter plaatsvinden. Archeologisch onderzoek ten behoeve van de voorgesteld herontwikkeling is dan ook niet noodzakelijk.

Crijns Rentmeesters bv

34

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.5

Flora en fauna

5.5.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

5.5.2

Gebiedsbescherming

5.5.2.1

Inleiding

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Groote Peel’. Dit gebied is op een afstand van circa 300 meter ten zuiden van de projectlocatie gelegen. De Groote Peel vormt tezamen met de nabijgelegen Deurnsche Peel en Mariapeel het restant van wat eens een uitgestrekt oerlandschap van levend hoogveen was. Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de zandondergrond.

De Groote Peel is samen met de Deurnsche Peel en Mariapeel de zuidelijkste representant van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. De Groote Peel wordt gekenmerkt door een complex van horsten en slenken. Het gebied kent daardoor een grote landschappelijke afwisseling van open vochtige en droge heideterreinen, pijpestrootjessavannen, struwelen en bosjes en moerassige laagten met veenputten en plaatselijk bossen en natte heide. Door eerdere vernattingsmaatregelen zijn verschillende grote plassen ontstaan. In enkele veenputten vindt veengroei plaats. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting.

Crijns Rentmeesters bv

35

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.5.2.2

Potentiële externe effecten, niet zijnde stikstof

Gezien de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied zal er geen sprake zijn van oppervlakteverlies, verontreiniging, optische verstoringen, geluids- en lichtverstoring of mechanische effecten op het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’.

De beoogde ontwikkelingen vindt plaats binnen de bestaande landschapscamping. Als gevolg van de interne uitbreiding van de landschapscamping zal er geen sprake zijn van oppervlakteverlies, verontreiniging, optische verstoringen, geluids- en lichtverstoring of mechanische effecten op het Natura 2000-gebied ‘Groote Peel’. 5.5.2.3

Stikstof

In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Met Aerius Calculator wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling berekend. Op 1 juli is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met Aerius Calculator een Aerius-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. PM STIKSTOFBEREKENING

5.5.3

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw

Crijns Rentmeesters bv

36

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. De beoogde ontwikkeling betreft een interne uitbreiding van de bestaande landschapscamping. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen opstallen gesloopt dan wel beplanting verwijderd. In 2015 is, in het kader van de destijds gevoerde ruimtelijke procedure, door Lomans Ecoworks een quickscan flora en fauna uitgevoerd binnen het plangebied. Daarbij werd de volgende aanbeveling gedaan: “Mogelijk kunnen diverse vogelsoorten tot broeden komen in het plangebied. Bij de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met broedende vogels. Broedgevallen in of nabij het plangebied mogen niet worden verstoord. Met broedvogels kan in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door de bouwactiviteiten niet uit te voeren in de broedtijd (halverwege maart tot halverwege augustus), of wanneer er concreet broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze wordt binnen het kader van de Flora- en faunawet gewerkt.” Er dient sowieso altijd rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Het gehele plangebied kent reeds de enkelbestemming ‘Recreatie’ en mag op basis van het vigerende bestemmingsplan reeds plaats bieden aan kampeermiddelen.

De gehele projectlocatie kent namelijk de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – landschapscamping’. Aangezien als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen opstallen worden gesloopt dan wel beplanting wordt verwijderd én de gronden reeds deel uitmaken van de landschapscamping, kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen conflicten ontstaan met beschermde dier- en plantensoorten.

Crijns Rentmeesters bv

37

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.6

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties: -

via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken;

-

via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren;

-

de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.

De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten:

-

woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven)

-

geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).

Recreatiewoning, verblijfsmiddelen en kampeerterreinen zijn niet geluidgevoelig. Er wordt dan ook geen nieuwe geluidsgevoelige bestemming dan wel functie binnen een geluidszone mogelijk gemaakt. Akoestisch onderzoek inzake de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer is niet aan de orde.

Crijns Rentmeesters bv

38

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.7

Agrarische bedrijvigheid

Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van nieuwe geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

Bovenstaande vragen zijn slechts relevant als er sprake is van de toevoeging van nieuwe geurgevoelige objecten. Uit artikel 1 Wgv geeft de definitie van geurgevoelig object. Daaruit blijkt dat het moet gaan om:

-

gebouw bestemd voor bewoning of verblijf geschikt voor bewoning of verblijf permanent - of daarmee vergelijkbaar – gebruik

De nieuwe kampeerplaatsen zijn niet als geurgevoelig aan te merken. Wat betreft de nieuwe vakantiehuisjes geldt dat een gebouw een geurgevoelig object is indien dit bedoeld is om te worden gebruikt voor menselijk verblijf, dat gebruik structureel is en gedurende een bepaalde periode plaatsvindt door dezelfde personen, zodat sprake is van langdurige blootstelling van die personen aan geurhinder in dat gebouw. Om te voorkomen dat sprake is van een permanent of daarmee vergelijk gebruik van de vakantiehuisje voor verblijf, zijn in de regels van het bestemmingsplan ‘Asten verzamelplan 2022-2’ beperkingen gesteld aan de duur van het verblijf in de vakantiehuisjes. Personen mogen maximaal 3 weken aaneengesloten verblijven in de vakantiehuisjes, waarbij de periode tussen twee verblijfsperiodes door diezelfde personen minimaal 2 weken dient te bedragen. Als gevolg van deze beperking in combinatie met de niet-jaarronde openstelling van de camping, kan gesteld worden dat er geen sprake zal zijn van permanent of daarmee vergelijkbaar gebruik en derhalve geen sprake is van geurgevoelige objecten binnen de projectlocatie. Als gevolg van de voorgestelde ontwikkeling worden dan ook geen veehouderijbedrijven in de omgeving onevenredig in hun belangen geschaad.

Crijns Rentmeesters bv

39

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.8

Bedrijven en milieuzonering

5.8.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.

5.8.2

Bedrijven en milieuzonering binnen projectlocatie

Als gevolg van de beoogde interne uitbreiding, blijft zowel de bestemming als de begrenzing van de bestemming ongewijzigd. De uitbreiding heeft dan ook geen gevolgen in het kader van bedrijven en milieuzonering. De activiteiten ter plaatse van de projectlocatie vallen op de basis van de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ onder de omschrijving ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ (SBI 561). Ten aanzien van deze activiteiten dient een afstand van 30 meter in het kader van geur, 50 meter in het kader van geluid en 30 meter in het kader van gevaar aangehouden te worden ten aanzien van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Binnen een straal van 50 meter rondom de projectlocatie zijn geen gevoelige objecten gelegen.

5.8.3

Bedrijven en milieuzonering in omgeving projectlocatie

In de omgeving van de projectlocatie vindt geen niet-agrarische bedrijvigheid plaats. De beoogde ontwikkelingen zijn dan ook in het kader van bedrijven en milieuzonering geen bezwaar.

Crijns Rentmeesters bv

40

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.9

Externe veiligheid

5.9.1

Inleiding

Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.

5.9.2

Risico’s

Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

5.9.3

Beleidskader

5.9.3.1

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 5.9.3.2

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.

Crijns Rentmeesters bv

41

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.9.3.3

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

5.9.4

Beoordeling van de projectlocatie

5.9.4.1

Bedrijven

De projectlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Ter plaatse van de projectlocatie is echter wel sprake van een privézwembad, waarbij incidenteel gebruik wordt gemaakt van (opslag van) chloor. Ter plaatse wordt echter dermate weinig gebruik gemaakt van (opslag van) chloor, dat deze opslag kan worden verwaarloosd. Dit vormt in het kader van externe veiligheid geen risico waarbij kans op overlijden voor personen bestaat. De projectlocatie is dan ook niet als zodanig opgenomen op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. 5.9.4.2

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de autosnelweg A67 en de provinciale weg N279. De A67 is op een afstand van ruim 3 kilometer ten noorden van de projectlocatie gelegen. De N279 is op ruim 500 meter ten zuiden van de projectlocatie gelegen. Plaatsgebonden risico In het Bevt wordt voor het plaatsgebonden risico van een weg een veiligheidszone gehanteerd. Dit is een zone langs een weg waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 10-6/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient ter plaatse van het projectgebied een veiligheidsafstand van 29 meter te worden aangehouden. De projectlocatie ligt buiten deze veiligheidszone. Voor de provinciale weg N279 geldt geen veiligheidsafstand. Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen.

De projectlocatie ligt buiten 200 meter van de A67. Ook ligt het groepsrisico van de rijksweg A67 en de provinciale weg N279 ruim beneden de oriëntatiewaarde.

Crijns Rentmeesters bv

42

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

Invloedsgebied Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien het projectgebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van de A67. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor de A67 zijn dit vloeibare toxische stoffen (LT1, LT2 en LT3). De A67 kent dan ook een invloedsgebied van 4.000 meter. De projectlocatie is dan ook gelegen in het invloedsgebied van de A67. Specifiek voor vloeibare toxische stoffen kan in het kader van de (beperkte) verantwoording van het groepsrisico gebruik worden gemaakt van het standaard advies van de veiligheidsregio: -

Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.

-

Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt.

-

Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.

Vervoer over het water Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. Buisleidingen Aan de westzijde van de gemeente Asten, parallel aan de gemeentegrens met Someren, bevindt zich een gasleiding. De projectlocatie is op een afstand van circa 7 kilometer van deze buisleiding gelegen. Deze aardgasleiding Z-540-01 heeft een diameter van 368 mm en een gasdruk van maximaal 40,0 bar. De aardgasleiding Z-540-01 heeft een invloedsgebied (1% letaal) van 180 meter. De projectlocatie is buiten dit invloedsgebied gelegen.

5.9.4.3

Hoogspanningsleidingen

Aan de westzijde van de gemeente Asten, parallel aan de gemeentegrens met Someren, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 7 kilometer van de projectlocatie en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.

Crijns Rentmeesters bv

43

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).

5.10.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.

Aangezien de beoogde ontwikkeling geen toename van de verkeersbewegingen tot gevolg heeft die vergelijkbaar is met aantal verkeersbewegingen bij de nieuwbouw van 1.500 woningen, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.

5.10.3 Blootstelling aan verontreiniging 5.10.3.1 Fijnstof In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Ter plaatse van de projectlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving). De jaargemiddelde concentratie PM 2,5 bedraagt 11 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving).

Crijns Rentmeesters bv

44

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM 10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is. 5.10.3.2 Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 15 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving). Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.

Crijns Rentmeesters bv

45

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.11 Gezondheid 5.11.1 Endotoxine De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt

gebruik

van

de

daaruit

voortkomende

onderzoeksresultaten.

De

voorlopige

onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een gevoelig object en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen worden geen gevoelige objecten opgericht. De beoogde ontwikkelingen aan Tureluurweg 7 zijn in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.

5.11.2 Geitenhouderijen Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen worden geen gevoelige objecten opgericht. De beoogde ontwikkelingen aan Tureluurweg 7 zijn in het kader van geitenhouderijen dan ook geen bezwaar.

Crijns Rentmeesters bv

46

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.12 Besluit milieueffectrapportage 5.12.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een mer moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een mer te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarden dient een mer te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een mer nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarden uit lijst D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit mer dient een vormvrije mer-beoordeling plaats te vinden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit mer in werking getreden.

In dit besluit is de vormvrije merbeoordeling voor activiteiten uit lijst D, ook beneden de grenswaarden, vervangen door de merbeoordelingsplicht.

5.12.2 Toets beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling valt op basis van het Besluit mer onder de activiteit “de aanleg, wijziging of uitbreiding

van

skihellingen,

skiliften,

kabelspoorwegen,

jachthavens,

vakantiedorpen

en

hotelcomplexen buiten stedelijke zones, permanente kampeer- en caravanterreinen of themaparken”.

5.12.3 Vormvrije m.e.r. beoordeling 5.12.3.1 Inleiding Het doel van een aanmeldnotitie ten behoeve van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is om op objectieve wijze informatie over mogelijke relevante milieugevolgen van de voorgenomen activiteit te verzamelen. Met deze informatie kan het bevoegd gezag een oordeel geven over de noodzaak van het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Een m.e.r.-beoordeling betekent dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: ‘Nee, tenzij…’. De belangrijke nadelige gevolgen moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). Bijlage III noemt drie hoofdthema’s: 1. De kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen).

Crijns Rentmeesters bv

47

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

2. De plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu). 3. De kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van effect). Deze thema’s worden navolgend nader toegelicht

5.12.3.2 Kenmerken van het project Conform bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen:

-

De omvang van het project Cumulatie met andere projecten Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën

De omvang van het project: Het plan heeft betrekking op het toevoegen van 40 kampeerplaatsen in het hoogseizoen, 10 recreatiehuisjes, het vergroten van de toegestane oppervlakte aan bebouwing ten behoeve van recreatief verblijf met 150 m² en het toevoegen van routegebonden horeca met een oppervlakte van 100 m². Cumulatie met andere projecten In de omgeving van de projectlocatie zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Er zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. De productie van afvalstoffen Bij de beoogde ontwikkeling worden geen stoffen, methoden of technologieën gebruikt waardoor afvalstoffen of emissies vrijkomen. Verontreiniging en hinder Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van de realisatie zal zich moeten houden aan de algemene wet- en regelgeving en de geldende milieuwetgeving.

Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Kampeerplaatsen en recreatiehuisjes zijn geen risicobron. Er zijn geen belemmeringen vanuit het plaatsgebonden risico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen.

Crijns Rentmeesters bv

48

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

5.12.3.3 Plaats van de activiteit Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

-

Het bestaande grondgebruik

-

Het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de

De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied gevoelige gebieden, in dit geval Natuur Netwerk Nederland, Natura 2000 en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Het bestaande grondgebruik Ter plaatse is sprake van een landschapscamping. De ontwikkelingen vinden binnen de grenzen van de bestaande camping. Natuurlijke hulpbronnen Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel effect hebben op het project. Opname vermogen / gevoeligheid van het milieu Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert.

5.12.3.4 Kenmerken van de potentiële effecten Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar:

-

het bereik van het effect het grensoverschrijdende karakter van het effect de waarschijnlijkheid van het effect de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het project

Het bereik van het effect betreft de zeer nabije directe omgeving van de projectlocatie. Er is geen sprake van een grensoverschrijdende karakter van de ontwikkeling. Uit onderhavige ruimtelijke onderbouwing en de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de kans op negatief effect op de omgeving zeer klein is. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. (Milieu)effecten

Beschrijving van de mogelijke effecten

Doorlopen m.e.r.procedure noodzakelijk

Bodem

Verwezen wordt naar paragraaf 5.1 van deze ruimtelijke

Nee

onderbouwing. Archeologie en

Verwezen wordt naar paragraaf 5.3 en 5.4 van deze ruimtelijke

cultuurhistorie

onderbouwing.

Water

Verwezen wordt naar paragraaf 5.2 van deze ruimtelijke

Nee Nee

onderbouwing. Natuur/Ecologie

Crijns Rentmeesters bv

Verwezen wordt naar paragraaf 5.5 van deze ruimtelijke

Nee

49

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

onderbouwing. Geluid

Verwezen wordt naar paragraaf 5.6 van deze ruimtelijke

Nee

onderbouwing. Luchtkwaliteit

Verwezen

wordt

naar

paragraaf

5.10

van

de

ruimtelijke

Nee

onderbouwing.

5.12.4 Conclusie In voldoende mate is inzicht verkregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling aan Tureluurweg 7 te Asten. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’. De effecten blijven beperkt tot de projectlocatie en de directe omgeving daarvan. Er is daarom

geen

aanleiding

of

noodzaak

voor

het

doorlopen

van

een

formele

m.e.r.-

(beoordelings)procedure of m.e.r.-procedure.

Crijns Rentmeesters bv

50

Ruimtelijke onderbouwing – ‘Tureluurweg 7’ – gemeente Asten

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie, worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De beoogde ontwikkelingen zoals omschreven in onderhavige ruimtelijke onderbouwing biedt geen nieuwe bouwmogelijkheden. Een overeenkomst in het kader van het bepaalde in de Grexwet is dan ook niet aan de orde. Wel is tussen initiatiefnemer en de gemeente Asten een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten, welke regelt dat eventuele planschade als gevolg van de beoogde ontwikkeling verhaald wordt op initiatiefnemer. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

6.2

Omgevingsdialoog

PM

6.3

Vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan ‘Asten verzamelplan 2022-2’ aangeboden aan de vooroverlegpartners.

6.4

Zienswijzen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan ‘Asten verzamelplan 2022-2’ ter inzage gelegd. Er kunnen zienswijzen worden ingediend.

Crijns Rentmeesters bv

51

Ruimtelijke onderbouwing ‘Tureluurweg 7’ gemeente Asten

Crijns Rentmeesters bv

52

Camping Wetland Tureluurweg 7 5721 RZ Asten d.d. 18/12/2021

Landschappelijk inpassingsplan

Kwaliteitsverbetering van het Landschap Asten in de Jonge zand en veenontginning.

Landschappelijk karakter van de locatie De projectlocatie betreft de locatie Tureluurweg 7 te Asten, gemeente Asten. De locatie is in zuidoosten van de gemeente Asten gelegen, ten noordoosten van De Groote Peel. Navolgende figuur geeft de ligging van de projectlocatie weer, waarbij de projectlocatie met een rode lijn is aangeduid.

Figuur 1: Ligging projectlocatie Historisch gezien is de projectlocatie gelegen in het vroegere ‘Peel het eeuwige leven’ ofwel het verste uiteinde van de ‘Groote Heide van Asten’. Dit was in de 19e eeuw een goed begaanbare, deels grazige en druk begraasde heide met veel plassen, laagtes en ‘wisselnatte’ situaties. Op een halve kilometer van het de projectlocatie begon een niet of nauwelijks begaanbaar of begraasbaar veenmoeras, de huidige ‘Groote Peel’. Als gevolg van de grootschalige ontginningen in de vorige eeuw kenmerkt de omgeving van de projectlocatie zich door openheid. Het landschap in de omgeving van de projectlocatie kan worden gekenmerkt als een jonge Peelontginning met regelmatige rechte verkavelingspatronen. Lanen met berken omzoomd zijn kenmerkend voor dit gebied. In dit landschap is nog de oriëntatie van de ontginningswegen herkenbaar. Het open landschap met weidegronden functioneert als weidevogelgebied en foerageergebied voor ganzen die in De Groote Peel verblijven. Plaatselijk echter is in de ontginningsperiode een coulisselandschap ontstaan met houtwallen. De zuidelijke en oostelijke delen van de projectlocatie zijn daar een aardig voorbeeld van. Daarnaast zijn verspreid in het open gebied enkele bescheiden ruilverkavelingbossen aangelegd. Functioneel gezien is de projectlocatie in een agrarische omgeving met natuurwaarden gelegen.

In de omgeving van de projectlocatie zijn voornamelijk agrarische bouwvlakken gelegen, alsook een aantal woonbestemmingen. Ter plaatse van de projectlocatie is thans een landschapscamping met 60 kampeerplaatsen, trekkershutten, een bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen aanwezig. Navolgende foto’s geven een impressie van de projectlocatie.

Figuur 2: Impressie projectlocatie met standplaats-wielspoorverharding. Kampeerterrein Het kampeerterrein op deze locatie is gelegen achter het bouwvlak en wordt daarmee, vanuit de Tureluurweg gezien, aan het oog onttrokken. Hiermee is de locatie vanaf de Tureluurweg niet als kampeerterrein te herkennen waarmee deze voorziening geen afbreuk doet aan de landschappelijke beleving. Beoogd wordt om een deel van de weide een tijdelijke functie te geven als overloopterrein van het kampeerterrein. Mede door de coronajaren is er een sterke toename van het aantal camperaars en herwaardering van de vakantie in eigen land te bespeuren. Deze trendbreuk zal voor een deel blijvend zijn. Voor het kampeerterrein is het op de piekmomenten niet langer mogelijk om aan de vraag te voldoen. Voor deze piekmomenten van mei tot en met augustus kan het weiland worden gebruikt als overloopterrein. Pas wanneer het kampeerterrein (bijna) vol is zal worden uitgeweken naar deze locatie. Hier zullen geen permanente verblijfsvoorzieningen als vakantiehuisjes, trekkershutten of chalets verschijnen. Slechts toeristische kampeermiddelen zoals campers, tenten en caravans kunnen hier een plek vinden. Het terrein zal worden ingericht in de stijl van het bestaande kampeerterrein.

Er zal slechts sprake zijn van verharding van de rijsporen in de vorm van grasbetontegels of puinverharding waardoor het terrein groen blijft en regenwater volledig kan blijven infiltreren. De standplaatsen zullen om de vogelpoel heen worden gesitueerd.

Landschappelijke inrichting Het landschappelijk inpassingsplan is gebaseerd op het terreindeel dat momenteel niet in gebruik is voor de recreatieve functie. Het deel is in gebruik als weide met vogelpoel en aan de oostzijde voorzien van bosschages op de perceelsgrens. Het perceel is aan de zuid- en westzijde omzoomd met bomen en houtwallen die passen in het coulisselandschap. Met de voorgestelde landschappelijke inrichting wordt beoogd voort te borduren op het bestaande karakter van het landschap. Vanaf de Tureluurweg zullen de kampeermiddelen aan het zicht worden onttrokken door het inrichten van een groenhaag. Deze groenhaag zal bestaan uit bosschages die door een haag aan elkaar verbonden worden. Deze nieuwe coulisse past in de coulisse-omzoming die het perceel reeds kent. Door het perceel als het ware in tweeën te splitsen ontstaat een schaalverkleining die past bij de menselijke maat van een recreatieterrein. In het voorste deel zullen pony’s en andere kleine dieren grazen terwijl in het achterste deel de kampeermiddelen kunnen worden geplaatst. In deze coulisse worden poortjes geplaatst waardoor de recreanten door de dierenweide kunnen wandelen. Het bosplantsoen is inheems en dus passend in het landschap.

Aan de oostzijde zullen de bosschages verder worden aangevuld waardoor ook hier een gesloten rij opgaand groen wordt gevormd waarmee het zicht op de varkensstallen aan de Sperwerstraat wordt weggenomen. Op de dierenweide zal ook een groep van drie stuks bomen worden geplaatst. Door deze bomen bijeen te plaatsen zal een grote gezamenlijke kruin ontstaan. Tevens dienen deze bomen als schaduwplek voor het aanwezig vee. De bomen worden uitgerasterd ter bescherming van veevraat. Parralel aan de Tureluurweg is een bloemrijke akkerrand gepland. Voor de recreatieve beleving vanaf de Tureluurweg is dit een aanwinst. Daarnaast trekken de bloemen bijen aan hetgeen bijdraagt aan een gezonde bijenstand. Op de hoek van het perceel zal in een picknickplaats worden voorzien. Passerende recreanten worden uitgenodigd om hier uit te rusten. De plek zal in robuust en rustiek meubilair worden voorzien en toegankelijk zijn via een boomstam, bruggetje of vlonder over de sloot . Daarnaast zal er een informatiebord worden geplaatst. Hierop kan ondermeer informatie over de ontginning en de kazematten worden verstrekt.

Indeling camperplaatsen.

Bestaande poel

N6

N6

N5

N7

N4

B9

B8 N3

N5

N1 N2

N1= Picknickplaats 200 m2; N2= Boomstambrug; N3= Solitaire bomen 3 st. ; N4= Struweelhaag en plantvakken met overstaanders 90 m1 360 st; N5= Wandelpoortje 2 st. + 1 st. Landhek; N6= Hakhoutsingel 67*4 1.50*1.50 m1 120 st.; N7= Bloemrijke akkerrand 125*3; B8= Bestaand weiland handhaven; B9= Amfibieen/vogelpoel handhaven.

``

Bestaande situatie

Aan te leggen landschapselementen:

N1 en N2= Picknickplaats 200 m2 met infobord;

Deze picknickplaats is bestemd voor fietsers/wandelaars welke veelvoudig over de Tureluurweg komen en wordt voorzien van een infobord over de peel. De picknickplaats is bereikbaar via een boomstambruggetje.

N3= Solitaire bomen; In het weiland word een 3-tal bomen aangeplant welke dienen als schaduwplek voor het aanwezig vee. De bomen worden uitgerasterd ter bescherming van veevraat.

N4 en N5 = Struweelhaag/plamtvakken 90 m1 360 st. met overstaanders met wandelpoortjes en landhek;

N6= Hakhoutsingel 67 m1 268 st. Daar waar begroeiing ontbreekt wordt deze aangevuld. Dit om het zicht op de varkensstallen aan de Sperwerstraat weg te nemen.

Om het zicht op de mestkelder weg te nemen, zal ook hier een haag/singel aangeplant worden.

N7= Bloemenrand evenwijdig aan de Tuureluurweg 125*3m1 Deze bloemenrand zal aan de binnenzijde gerasterd worden.

B8= Bestaand weiland; Dit kruidenrijk weiland zal gehandhaafd blijven. Het perceel wordt vrijwel niet bemest(eventueel met alleen ruige mest) en er zullen geen chemische bestrijdingmiddelen worden aangewend.

B9= De bestaande poel; Deze zal gehandhaafd blijven. De begroeing zal op de zuidzijde worden verwijderd en regelmatig opgeschoond worden.

Plantsoenlijst:

Conclusie: Door de aanleg van bovenstaande landschapselementen blijft het perceel de landschappelijke uitstraling behouden en wordt zelfs versterkt. Voor de fietser/wandelaars wordt een picknickplaats ingericht welke ook door ons onderhouden zal blijven worden. Ons bestaande kruidenrijk weiland zal gehandhaafd blijven. Door de keuze van alleen maar de inheemse soorten, zal het geheel passen en opgaan in het omringende landschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=9364b66e-8eea-4eab-a5c0-b270d256c449