RU22.09.05B Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
53
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Bij ruimtelijke procedures gelden eisen ten aanzien van de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting). Deze zijn opgenomen in de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en hebben tot doel de maximale cumulatieve geurbelasting ten gevolge van veehouderijen te beperken tot deze normen. Op basis van rechtstreeks werkende regels voor veehouderijen is een toename van de bestaande bebouwing voor de uitoefening van een veehouderij alleen toegestaan indien is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Bij toepassing van de Handreiking bij de Wgv, bijlage 6 en 7, Infomil 1 mei 2007, resulteert in de volgende streefwaarden: • Een maximale achtergrondgeurbelasting op de bebouwde kom van 12% komt overeen met een achtergrondbelasting van 10 OUE/m3. • Een maximale achtergrondgeurbelasting buiten de bebouwde kom van 20% komt overeen met een achtergrondbelasting van 20 OUE/m3. Indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages dienen maatregelen te worden getroffen door de veehouderij die wil ontwikkelen, die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert.
De wijze waarop deze 'proportionele afname' bepaald moet worden staat beschreven in de notitie “Afname overbelasting” van 24 april 2014 van de Provincie Noord-Brabant.
Ten zuiden van het plangebied van de beoogde ontwikkeling is een tweetal varkenshouderijen gelegen met vergunde geuremissies: Ommelsbroek 12 (revisievergunning van 2007 en meldingen Activiteitenbesluit van 2008, 2009 en 2010) en Ommelsbroek 8 (revisievergunning van 2011). In onderstaande kaart is de berekende achtergrondbelasting weergegeven.
54
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
Hieruit blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling lager is dan 10 Ou. Uitgaande van de indeling zoals die is gehanteerd is de geurgebiedsvisie uit 2016, v.w.b. de beoordeling van woonkernen, is de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder in het oostelijk deel van het plangebied aanvaardbaar (6-10 Ou) en in het westelijk deel van het plangebied optimaal (3-6 Ou). De achtergrondbelasting vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Er is en blijft sprake van een aanvaardbaar c.q. goed woon- en leefklimaat.
Toets op de omgekeerde werking Vaste jurisprudentie bij ruimtelijke besluiten is dat door de nieuwe bestemmingen er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de omliggende veehouderijen. In beginsel dient bij het bepalen van de rechten het agrarische bouwblok als uitgangspunt voor het meten van de geurbelasting contouren te worden genomen. Dit omdat veehouderijen rechten hebben om hun emissiepunten te verschuiven binnen het vastgestelde bouwblok (de zogenaamde 'vergunde rechten'). Het kan echter ook zo zijn dat het bedrijf zijn bouwblok niet in zijn geheel kan benutten voor de vestiging of verplaatsing van emissiepunten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van al bestaande geurgevoelige objecten. Uit de jurisprudentie blijkt dat men dan mag uitgaan van de grens van de bebouwing, een te benutten deel van het bouwblok of een bestaand emissiepunt.
Uitgaande van de vergunde rechten van een veehouderij, de geurnorm(en), het agrarisch bouwblok en de ligging van de stallen en al bestaande voor geurhinder gevoelige objecten, kan bepaald worden of de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object leidt tot een aantasting van de rechten: ligt de nieuwe bestemming binnen de geurcontour en zijn er geen andere bestaande geurgevoelige objecten die op kortere afstand liggen? In onderstaande kaart is de voorgrondbelasting van de veehouderij gelegen aan Ommelsbroek 12 weergegeven. Hieruit blijkt dat de geurbelasting ter plaatste van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
55
het norm 10 Ou-gebied lager is dan de geldende geurnorm. Het gedeelte van de voorgenomen ontwikkeling dat samenvalt met het norm 1 Ou-gebied heeft een hogere geurbelasting dan 1 Ou. Het plan ziet feitelijk toe op uitbreiding van de woonkern Ommel. De geurnormering in de geurverordening van de gemeente Asten is op dit moment leidend voor de omgekeerde werking, echter de gemeente moet na in werking treden van de Omgevingswet in het toekomstige Omgevingsplan bebouwingscontouren gaan aanwijze. Het is waarschijnlijk dat het plangebied ook als woonkern wordt aangewezen en dat in de nabije toekomst de geurnorm van 1 OU voor het hele plangebied zal gaan gelden. Omdat er op kortere afstand van de veehouderij aan het Ommelsbroek 12 al bestaande geurgevoelige objecten binnen de woonkern Ommel met geurnorm 1 OU zijn gelegen (dus op kortere afstand dan de voorgenomen ontwikkeling), leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een extra belemmering voor de veehouderij aan Ommelsbroek 12. De rechten van die veehouderij worden met de voorgenomen ontwikkeling dus niet aangetast. Ook met betrekking tot de veehouderij gelegen aan de Ommelsbroek 8 kan deze conclusie worden getrokken. Op korte afstand van deze veehouderij zijn geurhinder gevoelige objecten gelegen, waarvoor de geurnorm 1 OU geldt en waar de geurbelasting van deze veehouderij hoger is.
Ook voor de veehouderij gelegen aan de Ommelsbroek 8 geldt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een aantasting van de rechten, omdat op kortere afstand gelegen voor geur gevoelige objecten al sterker bepalend zijn.
Dat beide veehouderijen beperkt worden door reeds bestaande , dichterbij gelegen geurgevoelige objecten met geurnorm 1 OU, neemt niet weg dat de beoogde woningbouw binnen de geurcontouren van deze veehouderijen plaatsvindt en dat de geurnorm voor de voorgrondbelasting binnen het plangebied wordt overschreden. Dit is mogelijk als op basis van de achtergrondbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Voorgaand is al toegelicht dat binnen het plangebied op basis van de achtergrondbelasting sprake is van een aanvaardbaar tot optimaal woon- en leefklimaat.
56
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
Betekenis voor de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een aantasting van de rechten van veehouderijen in de omgeving. Het plangebied ligt weliswaar binnen de individuele geurcontouren van de varkenshouderijen Ommelsbroek 12 en 8, maar op kortere afstand van beide veehouderijen zijn al bestaande geurgevoelige objecten met geurnorm 1 OU aanwezig, welke bepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen geurcontouren zijn mogelijk, mits sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Uit de achtergrondbelasting geur volgt dat uitgaande van de beoordeling voor een woonkern binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar tot optimaal woon- en leefklimaat. Ook in de toekomst is een aanvaarbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd, aangezien een toename van de geurbelasting niet mogelijk is vanwege de reeds overbelaste situatie in Ommel t.a.v. de voorgrondbelasting. De achtergrondbelasting ligt ter plaatse van het plangebied ruim onder de 10 OU, waardoor voldaan wordt aan de provinciale geurnormering voor de bebouwde kom (IOV). Omdat de gemeente Asten geen beleidsregel o.i.d.
heeft vastgesteld waarin is ingegaan op de wijze waarop de achtergrondbelasting (dus de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen) beoordeeld moet worden bij het nemen van ruimtelijke besluiten, dient de gemeenteraad de afweging te maken in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Hierbij geldt dat als de gemeenteraad de afweging maakt dat ten aanzien van geur binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dit ook betekent dat de toekomstige bewoners aanvaarden dat hun woningen binnen de individuele geurcontour van een varkenshouderij zijn gelegen en dat de huidige geursituatie door de gemeenteraad is beoordeeld als aanvaardbaar. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat betekent dan ook niet dat ter plaatse van het plangebied nooit enige geur vanuit de varkensstallen geroken zal worden. Als een bepaalde mate van geur aanvaardbaar wordt geacht, dan werkt deze afweging omgekeerd ook door in de toekomstige beoordeling van beide varkenshouderijen. 4.6.3 Gezondheid - geitenhouderijen Het gezondheidskundig advies is om uit voorzorg geen nieuwe woningen te bouwen binnen 2 km rond geitenhouderijen (risicoafstand varieert in de onderzoeken tussen de 1,5 en 2 km), om gezondheidsrisico's voor toekomstige bewoners te voorkomen. Het bestemmingsplan maakt woningbouw mogelijk op minimaal meer dan 2 kilometer afstand van een geitenhouderij.
Het aspect vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Algemeen In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
57
vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop.
Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). 4.7.2 Beoordeling Om te kunnen beoordelen of het plangebied in de buurt is gelegen van risicovolle inrichtingen danwel andere gevaarlijke activiteiten of transportroutes, is de risicokaart geraadpleegd.
Risicokaart en ligging plangebied In de directe nabijheid zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest dichtbijzijnde inrichtingen liggen op meer dan 1km van het plangebied. In de nabijheid van het plangebied zijn eveneens geen buisleidingen gelegen. Over de ten zuiden gelegen A67 is vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk. Het plangebied ligt echter
58
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
buiten de risicocontour van dergelijke transportroutes. Voor de ligging en de aard van het planvoornemen is het standaardadvies van de veiligheidsregio Brabant Zuidoost van toepassing. Dit advies luidt als volgt: Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt De punten uit het standaardadvies zullen in de verder planuitvoering worden meegnomen en uitgevoerd. Gesteld kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.8
Waterhuishouding
4.8.1 Algemeen Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021. In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, we moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.
Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleidsen beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd. De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen. Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. In Asten geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart. Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027. Het PMWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn.
De doelen van het PMWP zijn: Voldoende water voor mens, plant en dier Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht)
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
59
Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. In het Waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen. De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in vier programma’s: Veilig en bewoonbaar beheergebied: bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen; Voldoende water en robuust watersysteem: dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in het beheergebied van het waterschap voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doet het waterschap door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer).
Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact; Gezond en natuurlijk water: dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. Ingegaan wordt op hoe toegewerkt wordt naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van het beheergebied van kunnen genieten; Schoon water: dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. De Keur Waterschap Aa en Maas 2015 is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap, maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. gemeenten, agrariërs en tuinders). De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn.
Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. Net zoals het Rijk heeft ook het waterschap een legger vastgesteld. De legger geeft het waterschap én derden een overzicht van: Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.) Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk is voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. De legger wordt jaarlijks geüpdatet, omdat het watersysteem en de kunstwerken aan verandering onderhevig zijn. Bijvoorbeeld door het afgeven van vergunningen of veranderingen die voortkomen uit projecten. De watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen vallen, bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Het doel van een watertoets is de waterbelangen evenwichtig laten meewegen in het planvormingsproces.
60
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het waterschap hanteert een aantal uitgangspunten bij de watertoets. De desbetreffende uitgangspunten zijn hieronder weergegeven: Voorkomen van vervuiling Wateroverlastvrij bestemmen Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Vuil water en hemelwater scheiden Doorlopen van afwegingsstappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer Waterschapsbelangen Meervoudig ruimtegebruik Water als kans Het beleid van de gemeente Asten sluit aan op het landelijke-, provinciale- en waterschapsbeleid en is weergegeven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2025. Via dit GRP geeft de gemeente invulling aan de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Afvalwater: voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater. Bij vervanging en herontwikkeling wil de gemeente overgaan tot ontvlechting van hemelwater en afvalwater. Hemelwater voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Asten naar een duurzame toekomst en het anticiperen op klimaatverandering. Particulieren zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hemelwater vanaf hun eigen perceel. Bij nieuwbouw en bij herbouw dient een waterbergingsvoorziening gerealiseerd te worden met een inhoud van 60mm/m2 verhard oppervlak.
Bij grootschalige ontwikkelingen gaat de voorkeur uit naar de realisatie van collectieve voorzieningen. Dit maakt het makkelijker om robuuste voorzieningen aan te leggen en verhoogd de handhaafbaarheid. Grondwater: de gemeente Asten geeft gehoor aan de grondwaterzorgplicht door binnen de grenzen van doelmatigheid en financiële en technische haalbaarheid maatregelen te treffen om structurele grondwateroverlast te voorkomen of te beperken.
4.8.2 Beoordeling De toekomstige waterhuishoudkundige situatie en de consequenties daarvan voor de bergingsopgave is inzichtelijk gemaakt en bijgevoegd in Bijlage 4 Hierin wordt ten aanzien van het planvoornemen het volgt geconcludeerd: Hieruit kan geconcludeerd worden dat er genoeg berging wordt gecreëerd: 605 m³ ten opzichte van de benodigde 468 m³. In de nadere planuitwerking kunnen de afmetingen van de wadi’s geoptimaliseerd worden en kan het overschot wat nu gerealiseerd wordt verschillen ten opzichte van deze notitie. Het overschot bedraagt nu ca. 137 m³ aan berging. Daarnaast dient er voor een losstaande kavel op perceelniveau invulling gegeven te worden aan de watercompensatie. De invulling van deze watercompensatie is nog niet vormgegeven en wordt in een later stadium nader bepaald. De benodigde compensatie voor deze kavel is vastgesteld op ca. 20 m³. De waterhuishoudkundige voorzieningen zijn verankerd in de bestemmingsregels van het voorliggend bestemmingsplan. Daarmee is er geen belemmering te verwachten ten aanzien van het aspect water.
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
61
4.9
Archeologie
4.9.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard. Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.9.2 Beoordeling De gronden zijn op basis van de dubbelbestemming Waarde Archeologie in zowel het bestemmingsplan Buitengebied Asten als in het bestemmingsplan Ommel komgebied mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm dient een archeologisch rapport overlegd te worden.
Op basis hiervan heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd (21080, augustus 2021). De rapportage is opgenomen in bijlage Bijlage 5. Het doel van het archeologische bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op de overgang van een zone met dekzandwelvingen naar een vlakte met ten dele verspoelde dekzanden en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aan het noordwestelijke deel van het plangebied is een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot in de Nieuwe tijd en aan het overgrote deel van het plangebied is een lage verwachting toegekend voor deze periode. Deze verwachting is getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat het plangebied onderdeel heeft uitgemaakt van een ten dele verspoelde dekzandvlakte en niet van een zone met dekzandwelvingen, waardoor het een ongunstige woonlocatie was.
Ook bleek dat er geen enkeerdgronden en podzolgronden aanwezig zijn geweest, maar dat er sprake moet zijn geweest van een veenpakket op dekzand. Het veen is afgegraven en later heeft men de grond opgehoogd om het als landbouwgrond geschikt te maken. Daarnaast zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen van de schuur in het noordwestelijke deel van het plangebied, wat mogelijk toe te schrijven is aan het feit dat de schuur grotendeels uit hout zal zijn gebouwd waar vrijwel niets van bewaard blijft. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven aanleiding om de hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd voor het noordwestelijke deel van het plangebied bij te stellen naar laag en de lage verwachting voor het overgrote deel van het plangebied te handhaven. Op grond hiervan adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Derhalve wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
62
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
Extra woning tussen Kluisstraat 43a en 45 Op de locatie tussen Kluisstraat 43a en 45 wordt separaat een extra vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Ter plaatse is in het vigerende bestemmingsplan Ommel Komgebied de dubbelbestemming WaardeArcheologie 3/4 opgenomen. Op basis van deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm. Gezien de grootte en breedte van het kavel kan worden verondersteld dat er ter plaatse niet meer dan 250 m2 aan bouwwerken gerealiseerd zal worde. Daarom kan archeologisch onderzoek ter plaatse achterwege blijven. In het bestemmingsplan zal echter wel de dubbelbestemming Waarde- Archeologie behouden blijven.
4.10
Cultuurhistorie
4.10.1 Algemeen Vanwege artikel 3.6.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het plangebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen. 4.10.2 Beoordeling In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel is de woonboerderij aan de Kluisstraat 43-43a van belang. Deze boerderij is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Bij de realisatie van de woningen aan de Kluisstraat wordt de uitstraling van deze boerderij gerespecteerd. Bij de realisatie van de woningen zal daarnaast aangesloten worden bij de bouwmassa van deze boerderij. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering van het planvoornemen.
4.11
Natuurbescherming
4.11.1 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming vormt in Nederland het wettelijke kadervoor zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming gaat het om aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten. De Wet natuurbescherming vormt in Nederland het wettelijke kader voor de bescherming van Natura2000-gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.
Beoordeling effecten Uit de kaart Natuurbeheerplan op de website van de provincie Noord- Brabant blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNB rijksdeel en het NNB provinciaal deel. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNB rijksdeel ligt op circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
63
deel uitmaakt van het NNB provinciaal deel ligt op circa 55 meter ten westen van het plangebied. Gezien de afstand tussen het plangebied en het NNB is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een (significant) negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op circa 7 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Het betreft het Natura 2000 gebied Stabrechtse Heide & Beuven. Gezien de afstand tussen het plangebied en omliggende Natura 2000 gebieden in relatie met de aard en omvang van het planvoornemen heeft het planvoornemen gelet op de instandhoudingsdoelstellingen geen direct effect op Natura 2000 gebieden. Er is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Gezien de invulling van het plangebied op basis van het planvoornemen, de afstand van het plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden en de uitspraak van de Raad van State, met betrekking tot het voormalige PAS-beoordelingskader, dient er een stikstofberekening uitgevoerd te worden. In dit kader is door Pouderoyen Tonnaer een stikstofnotitie met berekeningen opgesteld welke is opgenomen als Bijlage 6. In de stikstofnotitie is onderzocht of er ten gevolge van het aspect stikstof sprake is van significant nadelige effecten voor Natura 2000-gebieden.
Op voorhand kunnen negatieve effecten ten gevolge van stikstof voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Een passende beoordeling is niet vereist. Ten aanzien van stikstof is er geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen aan te vragen. 4.11.2 Soortenbescherming De bescherming van plant- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Om kwetsbare soorten te beschermen, bevat de Wnb enkele verbodsbepalingen, zoals het verbod op het doden of verontrusten van dieren, en het beschadigen van voorplantings- of rustplaatsen. Dit houdt concreet in, dat voor bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen zoals het verwijderen van bebouwing en beplanting en het bouwen dient te worden vastgesteld of daarin, of in de directe nabijheid beschermde soorten aanwezig zijn. Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Staro een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapport P20210206, juli 2021). Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 7. De conclusies van de rapportage zijn in onderstaande tabel opgenomen.
Soort (groep)
Bescherming
Vogels
paragraaf 3.1 Wnb (nest niet jaarrond beschermd)
Vogels
paragraaf 3.1. Wnb (nest niet jaarrond beschermd) paragraaf 3.1. Wnb (nest jaarrond beschermd)
Vogels
64
Functie plangebied nestgelegenheid
Mogelijk effect
Ontheffing nodig Maatregelen
ja
nee, mits maatregelen worden uitgevoerd
foerageergebied
nee
-
snoeien en kappen wanneer geen broedvogel aanwezig is en buiten broedseizoen -
foerageergebied
nee
-
-
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
Rugstreeppad
paragraaf 3.2. Wnb
land- en overwinteringshabitat
ja
nee, mits maatregelen worden uitgevoerd
Vleermuizen
paragraaf 3.2. Wnb
verblijfplaatsen en vliegroute
ja
mogelijk
Vleermuizen
paragraaf 3.2. Wnb
foerageergebied en vliegroute
ja
nee, mits maatregelen worden uitgevoerd
Bruine kikker en gewone pad
paragraaf 3.3. Wnb
land- en overwinteringshabitat
ja
nee, algehele vrijstelling
Algemene sprits-, paragraaf 3.3. woel- en ware Wnb muizen en egels
verblijfplaatsen
ja
nee, algehele vrijstelling
Das, haas, konijn paragraaf 3.3. en vos Wnb Steenmarter, paragraaf 3.3. bunzing en wezel Wnb
(onderdeel van) nee leefgebied (onderdeel van) j a leefgebied, migratieroute en foerageergebied (onderdeel van) ja leefgebied
Eekhoorn
paragraaf 3.3.Wnb
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
-
ontstaan van geschikt habitat bij werkzaamheden voorkomen nader onderzoek uitvoeren naar aanwezigheid van verblijfplaatsen in bomen en het gebouw. Bij kap van bomenrijen onderzoek naar het gebruik als vliegroute extra verlichting 's nachts uitzetten of lichtstralen afschermen en naar beneden richten tijdens werkzaamheden bij verwijderen van struweel en materialen in een richting werken en werken buiten overwinteringsperiode bij verwijderen van vegetatie en materialen in een richting werken en werken buiten overwinteringsperiode van egel -
mogelijk
bij kap houtwal nader onderzoek uit laten voeren
mogelijk
werken volgens gedragscode en met ecoloog
65
De bestaande bomen en houtwallen in het plangebied zullen grotendeels behouden blijven. Slechts enkele bomen dienen te worden gekapt en op een enkele plaats zal de houtwal verwijderd worden voor de uitvoering van de plannen. Omdat de locatie van de te verwijderen bomen en houtwal momenteel nog niet volledig vastligt, zal nader onderzoek uitgevoerd worden naar vleermuizen en kleine marterachtigen. Het onderzoek naar vleermuizen dient te worden uitgevoerd tussen 15 mei en 30 september. Het onderzoek naar kleine marterachtigen dient te worden uitgevoerd tussen maart en augustus. Indien blijkt dat verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn, of kleine marterachtigen binnen het plangebied aanwezig zijn, dient vooraf aan de werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de provincie Noord- Brabant. Vervolgonderzoek heeft uitgewezen dat er marterachtigen in het plangebied aanwezig zijn. Hiervoor is een ontheffingsprocedure gestart. Vleermuizen PM.
4.12
Duurzaamheid
Duurzame ontwikkeling is te zien als een ontwikkelingsproces, waarbij gestreefd wordt naar het tot stand brengen van een duurzame samenleving. Dit gebeurt door in alle stadia van een planproces kansen en mogelijkheden te benutten voor het realiseren van een hoge ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een zo laag mogelijke milieubelasting, en deze in de tijd weten te handhaven, zodat ook toekomstige generaties daarin delen. Ook de gemeente Asten heeft in haar beleidsdoelstellingen duurzaamheid opgenomen en wenst deze structureel in ontwikkelingsplannen op te nemen. Met het planvoornemen wordt aangesloten bij voorgaande uitgangspunt. Bij de verdere uitwerking van de plannen voor de woningbouw en de inrichting van de openbare ruimte zal duurzaamheid een belangrijk item zijn. Bij de bouw van de nieuwe woningen en de inrichting van de openbare ruimte van het woongebied zalzoveel mogelijk gebruikt worden gemaakt van duurzame materialen en technieken. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat de fysieke aspecten de uitvoer van het planvoornemen niet in de weg staan.
4.13
Mer(beoordelings)plicht
4.13.1 Algemeen In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). De beoogde ontwikkeling komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd.
De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij': een m.e.r.-procedure is alleen nodig als er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. Op grond van de Wm houdt het bevoegd gezag bij haar besluit rekening met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten:
66
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
Kenmerken van het project; Locatie van het project; Kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria). 4.13.2 Beoordeling Ten behoeve van het planvoornemen is een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd. Daartoe is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. Deze is seperaat toegevoeg aan de toelichting als Bijlage 8 Op PM heeft de gemeente Asten bestloten dat er geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk is voor het planvoornemen.
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
67
68
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
Hoofdstuk 5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid
5.1.1 Kostenverhaal In het geval van een aangewezen bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro, waarvan met de ontwikkeling van en woningbouwlocatie en de daarmee gepaard gaande oprichting van gebouwen sprake is, dient een exploitatieplan opgesteld te worden. Hiervan kan worden afgezien indien kostenverhaal anderszins verzekerd is. Voor de realisatie van het plan is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente Asten en de ontwikkelende partij. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het plan geborgd.
5.1.2 Planschade Op grond van artikel 6.1 Wro kennen Burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van onder meer een wijziging van het bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming in die schade toe. Daarbij geldt dat het moet gaan om schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en die niet reeds voldoende anderszins is verzekerd. Tussen de gemeente Asten en de ontwikkelende partij is in het kader van de anterieure overeenkomst een planschadeverhaalovereenkomst gesloten.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Naast de financiële uitvoerbaarheid van het planvoornemen is het ook belangrijk dat het plan maatschappelijke uitvoerbaar is. Reeds in een vroeg stadium zijn daarbij belanghebbenden gekend. Op 16 maart 2021 is er in dat kader een informatieavond georganiseerd. De notulen van deze avond zijn toegevoegd in Bijlage 9. Daarnaast hebben separaat in juni 2021 gesprekken plaatsgevonden met enkele direct belanghebbenden. In deze gesprekken zijn de plannen nader toegelicht en is ingezoomd op de effecten van de plannen op de percelen/bedijfsvoering van de direct belanghebbenden. Vanuit deze gesprekken zijn geen bezwaren tegen het plan naar voren gekomen. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project voor nu en in de toekomst voldoende is aangetoond.
bestemmingsplan Ommel Kluizendries-Kluisstraat 2022
69