RU22.02.06D Regels.pdf
Tekst van het document
in opzet en ontwikkelingsperspectief moet het gaan om een kleinschalige activiteit, met in beginsel slechts enkele werknemers;
g. als belangrijke voorwaarde voor hergebruik geldt dat hergebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume tot een maximum van 1,5 ha. Uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan. Herbouw van bebouwing is wel mogelijk mits het bestaande bouwvolume niet toeneemt; h. in een bedrijfsplan dient te worden aangetoond welke bedrijfsgebouwen noodzakelijk zijn voor de hergebruikfunctie. Overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, die niet voor de nieuwe functie wordt gebruikt, dient te worden gesloopt, tenzij de gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben; i.
er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden;
j.
het bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot een passende omvang;
k. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; l.
de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
m. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; n. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; o. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
28
p. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden. 3.6.7
Oppervlakte teeltondersteunende kassen
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van gronden zodanig wijzigen, dat het oprichten van teeltondersteunende kassen (niet zijnde een glastuinbouwbedrijf) van meer dan 1.000 m2 kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de gronden zijn niet gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – groenblauwe mantel’ en/of ‘overige zone – NNB’; b. de teeltondersteunende kassen staan ten dienste aan een vollegrondstuinbouwbedrijf; c. de oppervlakte van teeltondersteunende kassen mag niet groter zijn dan 5.000 m2; d. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; e. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.
29
Artikel 4 Agrarisch met waarden 4.1
Bestemmingsomschrijving
4.1.1
Algemeen
De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden; c. behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden; d. behoud en bescherming van aardkundige waarden; e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; f.
extensief recreatief medegebruik;
met de daarbij behorende: g. doeleinden van openbaar nut; h. groenvoorzieningen; i.
verhardingen;
j.
waterhuishoudkundige voorzieningen;
k. voortuinen aansluitend aan en behorend bij (bedrijfs)woningen binnen de aangrenzende bestemmingen; met dien verstande dat: l.
het gehele bestemmingsvlak mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, waarbij ter ondersteuning van dit medegebruik beperkte recreatieve voorzieningen zijn toegestaan zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.
4.1.2
Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit 23.4. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Toegestane bebouwing
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming, met dien verstande dat: a. het oprichten van sleufsilo’s niet is toegestaan; b. het oprichten van teeltondersteunende voorzieningen is niet toegestaan; c. ten behoeve van het (extensief) recreatief medegebruik is uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van banken, picknicktafels e.d. is toegestaan; d. het oprichten van paardenbakken niet is toegestaan. 4.2.2
Maatvoering
Voor het oprichten van bouwwerken, geldt het volgende:
30
a. uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m; b. in afwijking van het bepaalde onder a. mag de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1,5 m bedragen; c. ten behoeve van het (extensief) recreatief medegebruik mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 2 m bedragen. 4.3
Afwijken van de bouwregels
4.3.1
Hoogte erfafscheiding
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.2 teneinde voor erf- en perceelsafscheidingen een grotere bouwhoogte toe te staan tot maximaal 3 m. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de grotere bouwhoogte is noodzakelijk om dieren binnen de wei te houden; b. de erf- en perceelsafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van afrasteringen; c. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; d. de met omgevingsvergunning verleende afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels. 4.3.2
Teeltondersteunende voorzieningen
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.2 teneinde bouwwerken in de vorm van (lage en hoge) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (TOV) op te kunnen richten, zoals wandelkappen, schaduwhallen en hagelschermen, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m en tot een maximum van 1 hectare. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduidingen ‘overige zone - kwetsbare soorten’, ‘overige zone - groenblauwe mantel’, ‘overige zone - ecologische hoofdstructuur’ en ‘overige zone - attentiegebied NNB’; b. de voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; c. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels. 4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1
Strijdig gebruik
In ieder geval geldt als strijdig met de bestemming gebruik en/of laten gebruiken van: a. gronden en/of opstallen voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest; b. gronden en/of opstallen voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf;
31
c. gronden en/of opstallen voor detailhandel; d. gronden voor buitenopslag; e. woondoeleinden. 4.5
Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1
Minicamping
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 teneinde minicampings en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. afwijking is uitsluitend toegestaan op gronden gelegen binnen 50 m van de bestemmingsgrens ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ of ‘Wonen’ en in combinatie met afwijking op grond artikel 3.5.5. b. er zijn slechts kampeermiddelen toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto’s, campers en toercaravans), alsmede maximaal 5 trekkershutten per agrarisch bedrijf of uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ maximaal 5 huuraccommodaties (chalets, blokhutten, stacaravans); c. de bebouwde oppervlakte van de trekkershutten mag maximaal 20 m2 bedragen, de goothoogte maximaal 2,20 m en de bouwhoogte maximaal 3,5 m; d. de bebouwde oppervlakte van de huuraccommodatie mag maximaal 50 m2 bedragen, de goothoogte maximaal 2,2 m en de bouwhoogte maximaal 3,5 m; e. ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan, binnen de overige gronden maximaal 15 kampeerplaatsen per minicamping; f.
gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen, zoals sanitaire voorzieningen, mogen een maximale gezamenlijke oppervlakte hebben van 50 m2 bij 25 kampeerplaatsen en 30 m2 bij 15 kampeerplaatsen, en een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 5,5 m;
g. de sanitaire voorzieningen worden, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing, of anders aansluitend aan de bestaande bebouwing; h. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; i.
de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
j.
er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
k. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; l.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
m. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels.
32
4.5.2
Opslag van ruwvoer
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1, 4.2.1 en 4.4 ten behoeve van de realisatie van voerplaten, sleufsilo’s, kuilplaten en/of andere verhardingen ten behoeve van de opslag van ruwvoer die ten dienste staan van een veehouderij. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de voorzieningen dienen aansluitend aan het bestemmingsvlak ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ te worden gerealiseerd; b. de oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ mag samen met de voorzieningen voor ruwvoeropslag niet meer bedragen dan 2 ha; c. gebouwen en/of overkappingen ten behoeve van deze voorzieningen zijn niet toegestaan; d. een noodzakelijke verharding om de voorzieningen efficiënt te kunnen gebruiken is eveneens toegestaan; e. aangetoond wordt dat realisatie van de voorzieningen noodzakelijk is in het kader van de agrarische bedrijfsvoering. De noodzaak voor de behoefte aan ruimte voor opslag van ruwvoer is daarbij afhankelijk van de bedrijfsvoering en de bedrijfsgrootte. Dienaangaande wordt advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen ingewonnen; f.
de afstand tot de as van de weg bedraagt minimaal 15 m.;
g. de realisatie van de voerplaten dienen vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar te zijn; h. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; i.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
j.
de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels.
4.5.3
Recreatief medegebruik
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1.1 onder l teneinde meer intensieve vormen van recreatief medegebruik, zoals spel- en sportactiviteiten, en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de gronden zijn niet gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – natuur netwerk Brabant’; b. het recreatief medegebruik dient in relatie te staan met het bestaande recreatiebedrijf of recreatieve nevenactiviteit. Er dient geen sprake te zijn van een zelfstandige activiteit. Verblijfsrecreatie is niet toegestaan; c. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; d. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; e. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; f.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
33
g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels. 4.6
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.6.1
Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in het schema onder 4.6.4 opgenomen vergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren. 4.6.2
Uitzonderingen
Het onder 4.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren op grond van voorgaand bestemmingsplan; c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer. 4.6.3
Voorwaarden omgevingsvergunning
De in 4.6.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de doeleinden als opgenomen in 4.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 4.6.4 de toetsingscriteria weergegeven. 4.6.4
Vergunningsplichtige werken/werkzaamheden
criteria voor vergunningverlening het aanbrengen van (infrastructurele)
1. het aanbrengen van de leidingen
ondergrondse leidingen
mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de agrarische belangen; 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden; 3. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan aardkundige waarden in de gebied ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - aardkundig waardevol gebied’; 4. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan ecologische waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - kwetsbare
34
soorten’ dan wel ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone attentiegebied NNB’; 5. het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord; 6. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan ecologische waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - leefgebied struweelvogels’ het aanleggen van waterbassins /
1. de aanleg van het waterbassin /
waterbergingen
waterberging is noodzakelijk in het kader van agrarische bedrijfsvoering; 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden. Aantasting kan worden voorkomen door zorgvuldige inplanting; 3. er mag geen aantasting plaatsvinden van de verkeersveiligheid ter plaatse
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m
2
1. het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het (extensief) recreatief medegebruik; 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden; 3. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan aardkundige waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - aardkundig waardevol gebied’; 4. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan ecologische waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - kwetsbare soorten’ dan wel ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone attentiegebied NNB’; 5. het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord; 6. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de
35
ecologische waarden in de gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - leefgebied struweelvogels’ het vellen of rooien van houtgewas
er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden
het aanbrengen van lage en hoge (voor zover
1. de activiteiten zijn noodzakelijk voor
het geen bouwwerken betreft) tijdelijke
een doelmatige agrarische
teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend
bedrijfsvoering en/of de ontwikkeling
zolang de teelt het vereist met een maximum
van het agrarisch bedrijf;
van 6 maanden. Deze voorzieningen zijn niet
2. er mag geen blijvende schade
toegestaan ter plaatse van de aanduidingen
worden aangericht aan het
‘overige zone - kwetsbare soorten’, ‘overige
foerageergebied van de struweelvogels
zone - groenblauwe mantel’, ‘overige zone
ter plaatse van de aanduiding ‘overige
- ecologische hoofdstructuur’ dan wel
zone - leefgebied struweelvogels’;
‘overige zone - attentiegebied NNB’
3. rekening moet worden gehouden met de landschappelijke waarden als omschreven in 4.1; 4. het plaatsen van de voorzieningen mag geen afbreuk doen aan het functioneren van de (mogelijke) ecologische verbindingszone; 5. het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. de activiteiten zijn noodzakelijk voor
‘overige zone - kwetsbare soorten’ dan wel ter
een doelmatige agrarische
plaatse van de aanduiding ‘overige zone -
bedrijfsvoering of natuurontwikkeling;
attentiegebied NNB’
2. er mag geen blijvende schade
- het dempen van poelen, sloten en greppels;
plaatsvinden aan ecologische waarden;
- het diepwoelen en diepploegen van de grond;
3. het betrokken waterschapsbestuur
het afgraven, ophogen of egaliseren van de
wordt gehoord.
grond uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. de waterhuishoudkundige situatie
‘overige zone - attentiegebied NNB’:
mag niet onevenredig worden
- het verzetten van grond van meer dan 100
aangetast;
m3 of op een diepte van meer dan 60 cm onder 2. het betrokken waterschapsbestuur maaiveld, een en ander voor zover geen
wordt gehoord.
vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet; - de aanleg van drainage of het verlagen van de drainagebasis; - het verlagen van de waterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties; - het aanbrengen van niet-omkeerbare
36
verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2, anders dan een bouwwerk uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. de activiteiten zijn noodzakelijk voor
‘overige zone - leefgebied struweelvogels’:
een doelmatige agrarische
- het afgraven, ophogen of egaliseren van de
bedrijfsvoering of natuurontwikkeling;
grond
2. er mag geen blijvende schade plaatsvinden aan ecologische waarden
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. de werkzaamheden mogen niet
‘overige zone - aardkundig waardevol gebied’:
leiden tot een onomkeerbare
- het diepploegen en diepwoelen van de bodem; aantasting van de aardkundige - het afgraven, ophogen en egaliseren van de
waarden;
bodem;
2. de werkzaamheden mogen niet
- het aanbrengen van oppervlakteverhardingen
leiden tot een onevenredige aantasting
en half verhardingen;
van het reliëf
- het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
1. er mag geen aantasting
'overige zone - cultuurhistorisch waardevolle
plaatsvinden van het reliëfrijke
akkers en kampontginningen':
karakter van de bolle akkers;
- het beplanten van gronden met houtgewas in
2. de openheid van de open akkers
het kader van de agrarische wisselteelt (teelt
mag niet onevenredig worden
van maximaal 5 jaar);
aangetast
- het diepploegen en diepwoelen van de bodem; het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem
37
Artikel 5 Bedrijf 5.1
Bestemmingsomschrijving
5.1.1
Algemeen
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. niet-agrarische bedrijven; b. uitsluitend de bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de tabel onder 5.1.2; c. aan huis verbonden beroepen als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning, een en ander met bijbehorende voorzieningen; d. hobbymatig agrarisch gebruik als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning; met de daarbij behorende: e. groenvoorzieningen; f. tuinen, erven en verhardingen; g. parkeren; h. waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.1.2
Tabel bedrijven
Adres
Bedrijfsactiviteiten
Aantal
Max. oppervlakte
bedrijfs-
bedrijfsgebouwen in m²
woningen Diesdonkerweg 49 Bedrijfsverzamelgebouw
1
550
voor bedrijven met milieucategorie 1 en 2 5.1.3
Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit 23.4. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Toegestane bebouwing
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken ten behoeve van de in 5.1 toegestane bedrijvigheid. 5.2.2
Maatvoering
De bouwwerken dienen te voldoen aan de volgende maatvoeringseisen: bouwwerken
Minimaal
Maximaal
Afstand tot de as van de weg
15 m
N.v.t.
bedrijfsgebouwen
min.
max.
afstand tot de perceelsgrens
3m
n.v.t.
38
goothoogte
n.v.t.
5,5 m
bouwhoogte
n.v.t.
10 m
afstand achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van
5m
n.v.t.
5m
n.v.t.
bedrijfswoning afstand tussen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning woningen
Minimaal
Maximaal
Goothoogte
n.v.t.
5,5 m
Nokhoogte
N.v.t.
Inhoud
10 m 3
maximaal 750 m (inclusief aangebouwde bijgebouwen), tenzij: - de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt; - het een bestaande (woon)boerderij betreft, waarbij de inhoud van het hele bestaande boerderijlichaam / bouwmassa daarvan als maximum geldt.
Afstand tot de perceelsgrens
3m
n.v.t.
Vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoning
Minimaal
Maximaal
afstand tot de perceelsgrens
3m
n.v.t.
Gezamenlijke oppervlakte per woning
n.v.t.
125 m²
Goothoogte
n.v.t.
3m
Nokhoogte
n.v.t.
5,5 m
Afstand achter de voorgevel (en het verlengde
5m
n.v.t.
Afstand bijgebouwen tot bedrijfswoning
1,5 m
25 m
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Maximaal
Hoogte erfafscheidingen
Voor de voorgevelrooilijn: 1 m
daarvan) van de bedrijfswoning
Overige: 2 m Hoogte van carports c.q. overkappingen
3m
Oppervlakte van carports c.q. overkappingen
20 m²
Hoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde
6m
waarbij de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven in de Tabel bedrijven onder 5.1.2; en waarbij geldt dat herbouw van bestaande bedrijfswoningen uitsluitend is toegestaan indien en voor zover: a. herbouw niet plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'; b. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten; c. de voorgevel van de te herbouwen bedrijfswoning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn;
39
d. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in bovenstaande tabel in acht wordt genomen. 5.3
Afwijken van de bouwregels
5.3.1
Oppervlakte bebouwing niet-agrarische bedrijven
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van de in 5.2.2 opgenomen maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de in 5.2.2 opgenomen bebouwde oppervlakte mag met maximaal 15% worden vergroot; b. de belangen van de omliggende (niet) agrarische bedrijven en andere functies worden niet onevenredig aangetast; c. er vindt geen toename van de milieubelasting plaats; d. er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats; e. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; f.
door middel van een onderzoek naar de waterstaatkundige consequenties dient te worden aangetoond dat sprake is van hydrologisch neutraal bouwen;
g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels; h. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; i.
het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast.
5.3.2
Minimale afstand tot de weg/perceelsgrens
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg en/of de voorgeschreven minimum afstand tot een perceelsgrens te verkleinen. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering (voor zover het een recreatiebedrijf betreft) en/of een doelmatige perceelsinrichting en/of de uitbreiding van of aansluiting op aanwezige bebouwing met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering, moet aanwezig zijn; b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven; d. de wegbeheerder dient te worden gehoord; e. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast; f.
aangetoond dient te worden dat de externe veiligheid kan worden gewaarborgd;
g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de aanduidingsregels; h. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder.
40
5.3.3
Herbouw bedrijfswoning
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2 teneinde herbouw van de bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar; b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning; c. door de herbouw wordt het landelijk karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; d. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit milieu- en dierenwelzijnswetgeving; e. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in 5.5.2 wordt in acht genomen. 5.4
Specifieke gebruiksregels
5.4.1
Strijdig gebruik
Als met de bestemming strijdig gebruik geldt in ieder geval gebruik en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen: a. voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten tenzij dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; b. mestbewerking; c. voor detailhandel; d. voor (ondersteunende) horeca; e. voor woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen; f.
(vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
g. voor een seksinrichting. 5.4.2
Aan huis verbonden beroep
De uitoefening van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in 5.1 is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 80 m2; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep; e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving; f.
de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
41
5.4.3
Voorwaardelijke verplichting sloop
Gebruik van het perceel conform de bestemmingsomschrijving is pas toegestaan nadat de stallen (676 m2 in totaal), die conform bijlage 2 van deze planregels moeten worden gesloopt (rode arcering), ook daadwerkelijk zijn gesloopt. 5.5
Wijzigingsbevoegdheid
5.5.1
Andere vorm van niet-agrarisch bedrijf
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een ander dan in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. voor het perceel voorgeschreven nietagrarische bedrijvigheid toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. aangetoond dient te worden dat er sprake is van een ruimtelijke en milieukundige verbetering. Een ruimtelijke en milieukundige verbetering betekent dat er een afname van bebouwing (niet zijnde een gemeentelijk monument of een rijksmonument dan wel woonboerderijpand) plaatsvindt alsmede een visueel ruimtelijke verbetering van de situatie en een vermindering van de milieubelasting; b. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; c. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; d. een tweede bedrijfswoning, voor zover niet reeds aanwezig, is niet toegestaan; e. voldaan moet worden aan de maatvoeringseisen uit 5.2.2; f.
de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
g. de wijziging mag niet leiden tot meerdere bedrijven of een bedrijf in milieucategorie 3 of hoger; h. detailhandel is niet toegestaan behoudens voor zover zulks in ondergeschikte vorm noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; i.
er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
j.
uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
k. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling. 5.5.2
Woondoeleinden
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming 'Wonen-1' waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandige deel) mag niet worden vergroot; b. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast;
42
c. woningsplitsing is niet toegestaan; d. de bestaande situering van de bebouwing mag niet worden gewijzigd; e. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; f.
de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 125 m2 per woning;
g. in afwijking van het bepaalde onder f. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, een gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen bij een woning worden toegestaan van meer dan 125 m2. Maximaal 25% van het gesloopte oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouwen worden teruggebouwd, tot een totaal aan vrijstaande bijgebouwen van maximaal 200 m2; h. de extra oppervlakte aan bijgebouwen hiervoor genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt; i.
sloop van cultuurhistorisch waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan;
j.
in afwijking van het bepaalde onder a. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, de inhoud van de woning tot maximaal 900 m3 worden vergroot. Per 50 m3 vergroting van de woning dient telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing te worden gesloopt;
k. het surplus (alle aanwezige bebouwing boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m2) moet in één keer worden gesloopt en deze sloop moet als voorwaarde aan de wijziging en omgevingsvergunning voor het bouwen worden verbonden; l.
er kan geen toepassing worden gegeven aan de sloopregeling als opgenomen onder g. tot en met k. indien: 1.
op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden,
2.
sloop kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling,
3.
sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken,
4.
de sloop al op andere wijze is verzekerd;
m. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen; n. de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven; o. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; p. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; q. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; r.
de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels;
s. het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een burgerwoning in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden'.
43
5.5.3
Woningsplitsing
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij in twee woningen - door woningsplitsing - kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ voor zover naar het oordeel van burgemeester en wethouders de cultuurhistorische waarden nog steeds aanwezig zijn, of bij (voormalige) (woon)boerderijen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone bebouwingsconcentratie’; b. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot; c. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast; d. bij woningsplitsing mag in maximaal 2 woningen worden gesplitst. De woningen dienen een inhoud te hebben van minimaal 350 m³ per woning; e. de splitsing dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; f.
de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
g. de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 125 m² per woning. Indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, kan een bebouwde oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen worden toegestaan van 125 m² vermeerderd met maximaal 25% van het meerdere van de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen, tot een totaal maximum van 200 m² per woning. Hierbij dient in ieder geval het meerdere dan wat ingevolge deze regeling is toegestaan, te worden gesloopt; h. de in 5.2.2 onder g. tot en met m. opgenomen sloopregeling is overeenkomstig van toepassing, zij het dat de maximale oppervlakte bijgebouwen dat wordt teruggebouwd, niet meer dan 200 m² per woning mag bedragen; i.
de extra oppervlakte aan bijgebouwen zoals hiervoor genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt;
j.
sloop van cultuurhistorische waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan;
k. er dien sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven; l.
uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
m. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; n. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; o. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels; p. het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Wonen’ en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een burgerwoning in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming ‘Agrarisch’ of ‘Agrarisch met waarden’.
44
Artikel 6 Bos 6.1
Bestemmingsomschrijving
6.1.1
Algemeen
De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bosbouw en houtproductie; b. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurlijke waarden; c. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen; d. het als zodanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten; e. behoud en bescherming van aardkundige waarden; f.
behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden;
g. extensief recreatief medegebruik; h. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer; met de daarbij behorende: i.
doeleinden van openbaar nut;
j.
verhardingen, waaronder fietspaden met een breedte van niet meer dan 3,5 meter;
k. waterhuishoudkundige voorzieningen; met dien verstande dat: l.
het beleid binnen deze bestemming is gericht op het beschermen van de landschappelijke en ecologische waarden, waarbij houtproductie is toegestaan, mits dit ondergeschikt is aan het bosbehoud en het behoud van de landschappelijke en natuurwaarden;
m. wordt gestreefd naar behoud en bescherming van aardkundige waarden, waarbij de ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - aardkundig waardevol gebied' toegekende waarden in de vorm van bijzondere aardkundige verschijnselen zoals dalglooiingen, steilranden en bodemovergangen, dienen te worden beschermd; n. wordt gestreefd naar behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' het beleid is gericht op behoud van de historische verkavelingsstructuur en kleinschaligheid van het landschap. 6.1.2
Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit Artikel 20 Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. 6.2
Bouwregels
Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels: a. erfafscheiding mag uitsluitend in de vorm van een open constructie worden opgericht; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter; c. bouwwerken zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 meter en een oppervlakte van 10 m²;
45
d. ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen toegestaan zoals banken, picknicktafels en dergelijke met een maximale hoogte van 2 meter, met dien verstande dat bouwwerken ten behoeve van informatievoorzieningen en entreevoorzieningen zijn toegestaan tot een hoogte van 3 m; 6.3
Specifieke gebruiksregels
6.3.1
Strijdig gebruik
In ieder geval geldt als strijdig met de bestemming gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen: a. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. voor lawaaisporten; c. voor verblijfsrecreatie; d. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen; e. voor het afgraven, verlagen, egaliseren of ophogen van de bodem ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - aardkundig waardevol gebied'. 6.4
Afwijken van de gebruiksregels
6.4.1
Recreatief medegebruik
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1.1 onder g. teneinde meer intensieve vormen van recreatief medegebruik, zoals spel- en sportactiviteiten, en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de gronden zijn niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant'; b. het recreatief medegebruik dient in relatie te staan met het bestaande recreatiebedrijf of recreatieve nevenactiviteit. Er dient geen sprake te zijn van een zelfstandige activiteit. Verblijfsrecreatie is niet toegestaan. c. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; d. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; e. aangetoond dient te worden dat de externe veiligheid kan worden gewaarborgd; f.
het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast;
g. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; h. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 20 omschreven aanduidingsregels.
46
6.5
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.5.1
Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in het schema onder 6.5.4 opgenomen vergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren. 6.5.2
Uitzonderingen
Het onder 6.5.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren op grond van voorgaand bestemmingsplan; c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer. 6.5.3
Voorwaarden omgevingsvergunning
De in 6.5.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de doeleinden als opgenomen in 6.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 6.5.4 de toetsingscriteria weergegeven. 6.5.4
Vergunningplichtige werken/werkzaamheden
vergunningplichtige
criteria voor vergunningverlening
werken/werkzaamheden het verwijderen van houtopstanden
deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het bos- en natuurbeheer.
het diepploegen en diepwoelen van de bodem
1. deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het bos- en natuurbeheer; 2. de werkzaamheden mogen niet leiden tot een onomkeerbare aantasting van de aardkundige waarden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone aardkundig waardevol gebied'.
het graven, ophogen en egaliseren van de
1. deze werkzaamheden vinden plaats in
bodem ter plaatse van de aanduiding
het kader van het bos- en
'overige zone - aardkundig waardevol
natuurbeheer;
gebied'
2. de werkzaamheden mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van het reliëf.
het aanbrengen van
1. de verhardingen zijn noodzakelijk voor
oppervlakteverhardingen en half-
het beheren dan wel verbeteren van
verhardingen
bos en natuur, de aanleg van
47
fietspaden, dan wel voor het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik; 2. de verhardingen mogen geen onevenredige aantasting betekenen van de aanwezige natuurwaarden; 3. de werkzaamheden mogen niet leiden tot een onomkeerbare aantasting van de aardkundige waarden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone aardkundig waardevol gebied'. het aanbrengen van ondergrondse leidingen
1. er mag geen blijvende aantasting plaatsvinden van de aanwezige natuurwaarden; 2. de werkzaamheden mogen niet leiden tot een onomkeerbare aantasting van de aardkundige waarden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone aardkundig waardevol gebied'.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': 1. het wijzigen van de perceelsindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven; 2. het graven en dempen van waterpartijen en watergangen;
1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden; 2. de werkzaamheden dragen bij aan het herstel van verstoorde waarden (bijvoorbeeld het terugbrengen van bolle akkers).
3. het graven, ophogen en egaliseren van de bodem
48
Artikel 7 Centrum-1 7.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Centrum - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. detailhandel; c. dienstverlening, waaronder kantoren; d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; e. parkeren; f.
een aan huis gebonden beroep, een aan huis gebonden bedrijf of ambachtelijk bedrijf;
g. en de daarbij behorende voorzieningen, met dien verstande dat: 1. uitwisseling van functies is toegestaan, voor zover hierdoor geen nieuwe locaties voor horeca of maatschappelijk ontstaan en onder de voorwaarden dat de uitwisseling niet mag leiden tot een verslechtering van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse en belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; 2. wonen overal binnen de bestemming is toegestaan; 3. de overige functies uitsluitend zijn toegestaan op de begane grondlaag, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - eerste verdieping', waar detailhandel ook op de eerste verdieping is toegestaan. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 23.4. 7.2
Bouwregels
7.2.1
Algemeen
Op de voor 'Centrum - 1' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen ten behoeve van de in artikel 7.1 toegestane functies waarbij ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' meergezinswoningen zijn toegestaan; b. bijgebouwen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.2.2
Regels ter plaatse van het bouwvlak
a. Hoofd- en bijgebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd. b. Het bouwvlak mag per bouwperceel voor ten hoogste het aangeduide bebouwingspercentage worden bebouwd, mits daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. c. Het aantal woningen/wooneenheden per bouwperceel mag niet meer bedragen dan het aantal woningen/wooneenheden binnen dat bouwperceel op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Alleen daar waar nog geen woning aanwezig is en de huidige functie is komen te vervallen, mag per bouwperceel één
49
nieuwe woning gerealiseerd worden, mits geen sprake is van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen. Woningsplitsing is niet toegestaan. d. De voorgevel van hoofdgebouwen dient voor ten minste 70% in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens, tot maximaal 3,00 m daaruit, te worden gebouwd. e. De voorgevelbreedte van hoofdgebouwen dient ten minste 5,40 meter te bedragen. f.
De diepte van hoofdgebouwen op boven de begane grond gelegen bouwlagen mag ten hoogste 16,5 meter bedragen.
g. Het aantal bouwlagen van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 2 bouwlagen tenzij anders aangeduid. h. De goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 7,00 meter tenzij anders aangeduid, met dien verstande dat de goothoogte van hoofdgebouwen maximaal 2,00 meter meer mag bedragen over maximaal 40% van de voorgevelbreedte van het hoofdgebouw mits de breedte van het deel of de delen van het hoofdgebouw met een grotere goothoogte niet meer bedraagt dan 5,00 meter, met, in het geval van meerdere delen, een tussenruimte van minimaal 3,00 meter. i.
De bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 12,00 meter tenzij anders aangeduid.
j.
De goothoogte van hoofdgebouwen op belendende percelen met een zelfde aantal bouwlagen dient ten minste 0,20 m van elkaar te verschillen tenzij op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds sprake is van een kleiner of ontbrekend verschil in goothoogte.
k. De goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 4,00 meter. l.
De bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 6,00 meter.
7.2.3
Overige regels met betrekking tot bebouwing
a. Het bouwvlak c.q. de voorgevel mag niet door bebouwing worden overschreden, met uitzondering van overschrijding ten behoeve van: 1. de bouw van erkers en balkons, mits: de breedte maximaal 40% van de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak bedraagt; de diepte van de erker niet meer dan 1,00 meter bedraagt; de hoogte van de erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag bedraagt; de afstand tot de bestemming Verkeer of Groen niet minder dan 3,00 meter bedraagt. 2. luifels boven de voordeur mits: de breedte maximaal 150% van de breedte van de voordeur bedraagt; de diepte niet meer bedraagt dan 1,00 m; de afstand tot de bestemming Verkeer niet minder dan 3.00 meter bedraagt. 3. de bouw van één carport, met dien verstande dat: de carport minimaal 1,00 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen; de oppervlakte max. 25 m² buiten het bouwvlak bedraagt; indien de carport is gelegen op de hoek van een hoekperceel de afstand tot de bestemming Verkeer minimaal 2,00 meter bedraagt.
50
b. Binnen het bestemmingsvlak mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3,25 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de hoogte niet meer dan 1,00 meter mag bedragen of niet meer dan 2,00 meter indien: 1. gelegen minimaal 1,00 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw, uitgezonderd bij de hoek van hoekpercelen, waarvoor geldt minimaal 3,00 meter achter de voorgevel en 45 graden uit de hoek van de achterliggende woning en; 2. gelegen minimaal 1,00 meter uit de bestemming Verkeer of Groen. c. Aan de van de weg afgekeerde zijde (achterzijde) van het bouwvlak mag een dakterras opgericht worden, mits: 1. het dakterras gerealiseerd wordt op een bijgebouw; 2. de breedte niet meer bedraagt dan de breedte van het hoofdgebouw; 3. de hoogte van de afscheiding maximaal 1,20 meter boven de goothoogte van de bijgebouw bedraagt; 4. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 7.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, nadere eisen stellen conform het bepaalde in artikel 18.3. 7.4
Afwijking van de bouwregels
7.4.1
Afwijking voor het overschrijden van het maximale aantal bouwlagen en de maximale goot- en bouwhoogte
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het realiseren van een groter aantal bouwlagen en een grotere goot- en bouwhoogte, onder de voorwaarden dat: a. geen sprake is van monumentale of beeldbepalende bebouwing; b. het verschil in aantal bouwlagen met een belendend perceel, in geval op dat belendend perceel monumentale of beeldbepalende bebouwing aanwezig is, niet meer dan 1 mag bedragen; c. de noodzaak vanuit een goede of doelmatige functionele, stedenbouwkundige, bouwkundige of architectonische inpassing wordt aangetoond; d. de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving, waaronder het straatbeeld, en het stedenbouwkundig beeld daardoor niet onevenredig worden aangetast; e. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; f.
belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
g. het aantal bouwlagen ten hoogste 3 mag bedragen en de goot- en bouwhoogte maximaal 10 respectievelijk 15 m mogen bedragen.
51
7.4.2
Afwijking voor het overschrijden van de maximale hoogte van erfafscheidingen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het realiseren van erfafscheidingen met een hoogte van maximaal 2,00 meter op een afstand van minder dan 1,00 meter uit de bestemming Verkeer of Groen onder de voorwaarden dat: a. de erfafscheiding minimaal 1,00 meter achter de lijn in het verlengde van de feitelijke voorgevel van de woning (gelet op de oriëntatie van de woning en situering van de woning op het bouwperceel) ligt; b. gelet op de situering en/of wijze van uitvoering van de erfafscheiding, geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid ontstaan; c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; d. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 7.4.3
Afwijking voor een grotere hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, tot een grotere hoogte dan is toegestaan onder de voorwaarden dat: a. de hoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van het aangrenzende bestaande hoofdgebouw; b. het geen erfafscheidingen betreft; c. deze bouwwerken, geen gebouw zijnde, vanuit het oogpunt van bedrijfsvoering noodzakelijk zijn; d. het stedenbouwkundige beeld ter plaatse niet wordt verstoord; e. deze bouwwerken, geen gebouw zijnde, zich niet verzetten tegen de omgevingscriteria van de Welstandsnota; f.
geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
g. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 7.4.4
Afwijking voor het toestaan van een carport op minder dan 2 meter uit de bestemming Verkeer
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het realiseren van een carport bij hoekpercelen op minder dan 2,00 meter uit de bestemming Verkeer onder de voorwaarden dat: a. gelet op de situering en/of wijze van uitvoering van de carport, geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid ontstaan; b. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; c. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
52
7.4.5
Afwijken voor het toestaan van een grotere diepte op boven de begane
grond gelegen bouwlagen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het realiseren van een grotere diepte van de boven de begane grond gelegen bouwlagen van hoofdgebouwen onder de voorwaarden dat: a. de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving, waaronder het straatbeeld, en het stedenbouwkundig beeld daardoor niet onevenredig worden aangetast; b. geen onevenredig nadelige gevolgen voor de bezonning van aangrenzende percelen ontstaan; c. geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon-, bedrijfsen leefklimaat van aangrenzende percelen ontstaat; d. geen onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse ontstaat; e. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; f.
geen sprake is van planologische en/of milieuhygienische belemmeringen, of door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek is aangetoond dat het plan alsnog uitvoerbaar is;
g. het verhaal van kosten van de grondexploitatie, als bedoeld in de Wro, verzekerd is. 7.5
Specifieke gebruiksregels
7.5.1
Specifieke gebruiksregels van de gronden
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden anders dan voor: a. parkeren ter plaatse van een oprit; b. groen en/of tuin; c. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; d. oppervlakteverhardingen; e. opslag, overeenkomstig het normale toegelaten gebruik. 7.5.2
Specifieke gebruiksregels van de opstallen
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de opstallen: a. voor bewoning, indien het een vrijstaand bijgebouw betreft, tenzij een vergunning is verleend voor mantelzorg; b. voor bedrijfs-, detailhandels- en dienstverlenende functies op verdiepingen; c. voor horeca uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'horeca' en de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - restaurant', mits op de begane grond; d. als verkooppunt voor motorbrandstoffen of andere explosiegevaarlijke stoffen; e. voor opslag, anders dan in verband met het toegestane gebruik, die valt onder de Wet milieubeheer.
53
7.6
Afwijking van de gebruiksregels
7.6.1
Afwijking voor bedrijfs-, detailhandels-, dienstverlenende en horecafuncties op verdiepingen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het toestaan van bedrijfs-, detailhandels-, dienstverlenende en horecafuncties op verdiepingen, mits voldaan wordt aan de voorwaarden dat: a. het gebruik van verdiepingen voor genoemde functies niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende percelen; b. het gebruik van verdiepingen voor genoemde functies niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; c. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 7.6.2
Afwijking voor het toestaan van een bed & breakfast
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken om als nevenactiviteit een bed & breakfast voorziening en dergelijke toe te staan, onder de voorwaarden dat: a. bed & breakfast vindt plaats in de woning en de daarbij behorende bijgebouwen; b. de gebruiksruimte voor bed & breakfast bedraagt niet meer dan 50 m2, met een maximum van 6 (éénpersoons)bedden; c. binnen een straal van 150 meter maximaal één locatie voor bed & breakfast is toegestaan; d. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan; e. op eigen terrein in de parkeerbehoefte in voldoende mate wordt voorzien, conform de parkeernormen uit de Nota parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag (omgevingsvergunning); f.
belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
7.6.3
Afwijking voor het toestaan van mantelzorg
Bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor het gebruik van een bestaand bouwwerk ten behoeve van mantelzorg, zolang dit ten dienste staat van de functie wonen, onder de voorwaarden dat: a. als het gebruik betrekking heeft op een vrijstaand bijgebouw 1. dit een maximale oppervlakte van 80 m2 heeft of het gebruik t.b.v. mantelzorg een oppervlakte beslaat van maximaal 80 m2; en 2. het qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning; b. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan c. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; d. een verzoek om toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid wordt schriftelijk ingediend en uit de aanvraag blijkt de behoefte aan mantelzorg. Voorts dient de vergunninghouder of een andere betrokkene, de gemeente binnen een redelijke termijn te informeren als het gebruik waarvoor de omgevingsvergunning is verleend is beëindigd. Het betreffende (gedeelte van het) gebouw moet binnen een redelijke termijn weer geschikt worden gemaakt voor de oorspronkelijke functie.
54
Als het gebruik waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, eindigt, trekt het bevoegde gezag deze omgevingsvergunning in. 7.7
Wijzigingsbevoegdheid
7.7.1
Wijziging voor de vestiging van horeca
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Centrum - 1' wijzigen, uitsluitend ter plaatse van de 'wro-zone - wijzigingsgebied 1', en de vestiging van horeca mogelijk maken, onder de voorwaarden dat: a. het betreft horeca in de vorm van restaurant- en/of hotelaccommodatie, cafés of cafetaria's, dan wel daarmee naar het oordeel van burgemeester en wethouders vergelijkbare horecavoorzieningen; b. de horecavoorziening qua maat en schaal past binnen het centrum van de kern Asten; c. aanwezige cultuurhistorische en/of architectonische waarden niet onevenredig worden aangetast; d. geen sprake is van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen, of door middel van noodzakelijk (milieu)onderzoek is aangetoond dat het plan alsnog uitvoerbaar is; e. in de parkeerbehoefte in voldoende mate wordt voorzien, conform de parkeernormen uit de Nota parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag (omgevingsvergunning); f.
geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan;
g. het verhaal van kosten van de grondexploitatie, als bedoeld in de Wro, verzekerd is.
55
Artikel 8 Groen 8.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groen, waaronder trapvelden, speelplaatsen, plantsoenen, waterpartijen met de daarbij behorende voet- en fietspaden en andere voorzieningen; b. duurzaam bodem- en waterbeheer, waaronder begrepen watergangen, zaksloten en infiltratie- en buffervoorzieningen; c. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 23.4. 8.2
Bouwregels
8.2.1
Algemeen
Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van deze bestemming; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals straatmeubilair, zitbanken, afvalbakken, honden- en speelvoorzieningen, ten behoeve van deze bestemming. 8.2.2
Overige regels met betrekking tot bebouwing