RU21.06.06F Ruimtelijke onderbouwing Pastoor Vogelsstraat ong. vast te stellen.pdf
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Realisatie van twee geschakelde woningen aan de Pastoor Vogelsstraat ong. in Ommel
Geven Beheermaatschappij BV
Realisatie van twee geschakelde woningen aan de Pastoor Vogelsstraat ong. in Ommel Ruimtelijke onderbouwing
Datum
1 februari 2021
IMRO-nummer
NL.IMRO.0743.BP02020005-OW01
2
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Ligging 1.4 Vigerende regeling 1.5 Leeswijzer
1 1 1 1 2 2
Beleidskader 2.1 Algemeen 2.2 Rijksbeleid 2.3 Provinciaal beleid 2.4 Gemeentelijk beleid
3 3 3 6 8
Planbeschrijving 3.1 Bestaande situatie 3.2 Nieuwe situatie 3.3 Parkeren en verkeer
12 12 13 13
Planologische aspecten 4.1 Inleiding 4.2 Geluid (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai) 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bodem 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Externe veiligheid 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Ecologie 4.9 Waterhuishouding en riolering 4.10 Archeologie en cultuurhistorie 4.11 M.E.R. beoordeling 4.12 Conclusie
14 14 14 14 15 16 17 18 18 19 23 24 24
Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
25 25 25
3
Bijlage 1 : Bodemonderzoek volgens NEN 5740 Bijlage 2 : Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3 : Quick scan flora en fauna Bijlage 4 : Bepaling stikstofdepositie
4
Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen om op een perceel aan de Kluisstraat 34 in Ommel, op het achtergedeelte grenzend aan de Pastoor Vogelsstraat twee nieuwe (geschakelde) woningen te realiseren. Het plangebied is kadastraal bekend onder gemeente Asten, sectie M, nr. 955). De realisatie van twee nieuwe woningen op het perceel is op grond van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan, omdat op dit deel van het perceel geen bouwvlakken aanwezig zijn voor de bouw van een hoofdgebouw.
1.2 Doel Onderhavig document heeft tot doel om de geschakelde woningen op het perceel te realiseren. De ruimtelijke onderbouwing geeft een beschrijving van de ontwikkeling, de relevante beleidskaders en toont de haalbaarheid van de ontwikkeling aan.
1.3 Ligging Het plangebied ligt in het westen van de bebouwde kom van Ommel. Het plangebied is gesitueerd in een rustige woonstraat met overwegend vrijstaande en half vrijstaande woningen. De ontsluiting vindt plaats via de Kluisstraat, welke als afvoerweg voor het gebied geldt.
Figuur 1: topografische ligging plangebied
De gemeente Asten heeft aangegeven dat zij in principe medewerking kunnen verlenen aan de genoemde plannen. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing geeft inzicht in de ontwikkeling en toont de haalbaarheid van de ontwikkeling aan.
Figuur 2: globale ligging projectlocatie (Bron: PDOK)
1.4 Vigerende regeling
1.5 Leeswijzer
Het plangebied valt onder het bestemmingsplan ‘Ommel komgebied’. Dit plan is door de gemeenteraad van Asten onherroepelijk vastgesteld op 22 november 2011.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het beleidskader op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven. Hoofdstuk 3 bevat de beschrijving van de ontwikkeling. In hoofdstuk 4 komt de haalbaarheid van de ontwikkeling aan de orde en worden alle planologische aspecten beschreven. Tot slot gaat hoofdstuk 5 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Figuur 3: uitsnede Ommel komgebied
Voor het plangebied geldt de enkelbestemming ‘Wonen’. In deze bestemming is de functie wonen toegestaan met de daarbij horende voorzieningen. Woningen moeten in het bouwvlak worden gebouwd. Voor het plangebied is echter geen bouwvlak aangegeven, zodat de bouw van een woning niet is toegestaan. Om de woningen toch te kunnen realiseren, dient een ruimtelijke procedure te worden gevolgd. De ontwikkeling wordt meegenomen in het bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 20211'. Hiervoor is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.
2
Beleidskader 2.1 Algemeen Toetsing van de ontwikkeling aan de beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau is een vast onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing. In onderstaande paragrafen wordt het relevante beleid beschreven en wordt de toets van de ontwikkeling aan het beleid gedaan.
2.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Toetsingskader In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, zijn de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd. Hoofddoel van de SVIR is Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. De SVIR vervangt alle voorgaande rijksnota’s ten aanzien van ruimte en mobiliteit (waaronder de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit, behalve de Structuurvisie Nationaal Waterplan. Het rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • Het verbeteren, in standhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
staat centraal dat alleen nog een taak voor het Rijk is weggelegd wanneer sprake is van: • een onderwerp dat nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de bijv. mainports, brainport en greenports; • een onderwerp waarvoor internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed; • een onderwerp dat provincie- of landsgrensoverschrijdend is, of een hoog afwentelingsrisico kent of reeds in beheer is bij het Rijk. Bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners. Voor onderhavige ontwikkeling werken geen Rijksbelangen uit de SVIR door. De SVIR is derhalve niet relevant voor deze ontwikkeling. Nationale Omgevingsvisie Toetsingskader Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we ‘nationale belangen’. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk.
Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
De hoofdlijn van de SVIR is dat het Rijk op het gebied van de ruimtelijke ordening terugtreedt en dat gemeenten en provincies op dit taakveld een meer prominente rol krijgen. In de SVIR
3
Voorbeelden hiervan zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. • Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. • Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. • Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. • Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. • Verbeteren en beschermen van biodiversiteit. • Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal De hoofdonderwerpen die in het beleid van de NOVI zullen worden gestimuleerd, zijn de volgende: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Toetsingskader Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening op 22 augustus 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening vastgesteld. Op 1 oktober 2012 is een wijziging van het Barro vastgesteld.
In het Barro zijn regels opgenomen ter bescherming van de nationale belangen, zoals vastgelegd in de SVIR. Deze regels moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen.
Regels uit het Barro die relevant kunnen zijn voor de gemeente betreffen: • radarverstoringsgebied Vliegbasis Eindhoven; • buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Besluit ruimtelijke ordening Toetsingskader Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening een tweede besluit genomen waarmee dat mogelijk is: het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ‘ladder duurzame verstedelijking’ is in 2012 opgenomen in het Bro. Relatie met de ontwikkeling De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van twee nieuwe woningen. De ontwikkeling past qua aard en omvang goed in de omgeving, omdat het perceel in de huidige situatie een open ruimte tussen bestaande vrijstaande en half vrijstaande woningen is. Het afmaken van de bebouwingscontour is hier daarom gewenst, zodat hier een gesloten straatbeeld ontstaat. De inbreidingslocatie is bovendien gewenst omdat daarmee intensiever grondgebruik in het gebied wordt bewerkstelligd. Er is dus sprake van intensief ruimtegebruik binnen bestaand bebouwd gebied. De regels uit het Barro ten aanzien van het radarverstoringsgebied en de buisleidingen zijn niet relevant voor onderhavige ontwikkeling.
De duurzame ontwikkeling past in het rijksbeleid.
4
Ladder voor Duurzame Verstedelijking Sinds 1 oktober 2012 is het op grond van artikel 3.1.6, tweede lid Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verplicht om in de plantoelichting de zogenoemde Ladder voor Duurzame Verstedelijking op te nemen. Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. De drie treden worden in hoofdzaak losgelaten, maar belangrijkste wijziging hierin is dat het begrip ‘actuele regionale behoefte’ is vervangen door ‘behoefte’. Uit oog van een zorgvuldig ruimtegebruik, dient een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd. Afwijking hiervan dient nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting van het bestemmingsplan. Verder wordt de mogelijkheid geschapen om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. Onderzoek Onderhavige ontwikkeling is een invulling in bestaand stedelijk gebied. Daarnaast past het initiatief binnen het regionale woningbouw-programma. Het initiatief voldoet daarom aan de vereisten van de “Ladder voor duurzame verstedelijking”. Ook met de wijziging van de Ladder per 1-7-2017 kan dit uitgangspunt worden gehandhaafd. Conclusie De Ladder voor Duurzame Verstedelijking vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5
2.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie, vastgesteld in december 2018, is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. De opgaven voor de toekomst zijn als volgt: o De basisopgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit o Werken aan de Brabantse energietransitie o Werken aan een klimaatproof Brabant o Werken aan de slimme netwerkstad o Werken aan een concurrerende, duurzame economie Structuurvisie Ruimtelijke ordening De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is op 19 maart 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld.
De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft op het gebied van het provinciale ruimtelijke beleid tot 2025 en hoe ruimtelijke ontwikkelingen een plek kunnen krijgen die aansluit bij de kwaliteiten van Brabant. In de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn twee ruimtelijke trends te onderscheiden: de schaalvergroting en de behoefte aan identiteit. De provincie
streeft naar een concentratie van verstedelijking, robuuste en aaneengesloten natuurgebieden, concentratiegebieden voor glastuinbouw en intensieve veehouderijen en voldoende ruimte voor waterberging nu en in de toekomst. De provincie wil duurzaam en zuinig omgaan met de leefomgeving en de ruimte en een goede relatie creëren tussen wonen en werken in de stedelijke omgeving en een groene landelijke omgeving daarbuiten. De provincie kiest in haar ruimtelijke beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en een kennis innovatieve economie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant. Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in de SVRO de ‘rode’ draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt. De SVRO is samen met de Verordening ruimte een middel om de provinciale ruimtelijke visie op Brabant te realiseren. De SVRO is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: ‘samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: - de groenblauwe structuur - het landelijk gebied - de stedelijke structuur - de infrastructuur Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
6
De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen, werken en voorzieningen. Het is daarbij wel belangrijk om concurrentie tussen gemeenten en regio's, overproductie en leegstand te voorkomen. Het belang van regionale afspraken neemt daardoor toe. Bij het zoeken naar ruimte voor nieuwe verstedelijking is zorgvuldig ruimtegebruik voorwaarde. Conclusie Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Ommel en is daarmee geschikt voor de ontwikkeling van woningbouw. Door het realiseren van twee nieuwe woningen op een perceelsgedeelte dat in gebruik is als tuin, is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De woningen worden gerealiseerd in een open plaats tussen bestaande bebouwing, met overwegend vrijstaande en half vrijstaande woningen. De woningen worden ontsloten via de Pastoor Vogelsstraat en de Kluisstraat. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het beleid zoals opgenomen in de provinciale structuurvisie. Interim Omgevingsverordening
Figuur 4: uitsnede structuurvisie ruimtelijke ordening
Zoals uit de uitsnede van de structurenkaart behorende bij de structuurvisie ruimtelijke ordening blijkt, valt het plangebied in de ‘kernen in het landelijk gebied’. Kernen in het landelijk gebied In de kernen in het landelijk gebied met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen).
Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. Naast een omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids-) programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan het beschermen van belangrijke waarden als het drinkwater of de natuurgebieden. De Interim omgevingsverordening vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening
7
Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld, waarin de bestaande regels uit de verschillende verordeningen zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld. Van 24 mei tot en met 21 juni 2019 lag de Interim omgevingsverordening ter inzage en kon iedereen een zienswijze indienen. Er zijn 37 reacties ingediend. De ingekomen reacties zijn zorgvuldig bekeken en hebben geleid tot een aantal aanpassingen. Dit is opgenomen in de Nota van inspraak. In het overzicht insprekers is voor iedere inspreker aangegeven in welke paragraaf de ingediende zienswijze wordt behandeld. Er zijn ook nog andere wijzigingen verwerkt. De wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde ontwerp zijn opgenomen in de Nota van wijziging. Daarnaast hebben provinciale staten bij de vaststelling (25-10-2019) nog een wijziging vastgesteld. De verordening is vanaf 5-11-2019 in werking.
Conclusie provinciaal beleid De toets aan het relevante provinciale beleid levert op dat de ontwikkeling voldoet aan de geldende beleidskaders.
2.4 Gemeentelijk beleid Toekomstvisie ‘De Avance’ In ‘De Avance’ heeft gemeente Asten haar toekomstvisie op de gemeente gegeven. Deze toekomstvisie vormt het kader voor beslissingen van de gemeenteraad van Asten. Ook voor de dagelijkse beleidsvoering is deze visie het toetsingskader. Initiatieven en aanvragen worden getoetst aan de ontwikkelingsrichting die in de toekomstvisie is neergelegd. Het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld legt met de structuur- en strategiekaart de waarden vast die sturend zijn voor de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Asten. Het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld begrenst daarmee de mogelijkheden voor de toekomstige ruimtelijke ordening in de gemeente. De strategiekaart geeft de ontwikkelingsmogelijkheden op de lange termijn weer. Het geeft een dynamisch beeld van strategieën voor behoud, herstel en herontwikkeling van de aangegeven kwaliteiten en de toevoeging van nieuwe kwaliteiten. Samen vormen zij het wensbeeld voor de lange termijn (30 jaar). Navolgende figuur betreft een uitsnede van de Strategiekaart van de gemeente Asten waarop het plangebied in de kern van Ommel is aangeduid.
Conclusie De locatie is in het ‘Stedelijk gebied’ gelegen volgens de Interim Omgevingsverordening. Hier vormen de kernpunten de stedelijke ontwikkelijking en het behoud van het erfgoed. Onderhavige ontwikkeling van twee geschakelde woningen binnen de grenzen van Ommel is hiermee niet in strijd met de regels van de Omgevingsverordening. Ook de regels voor de bescherming van het cultureel en archeologisch erfgoed zullen worden gerespecteerd.
8
gemeentelijke- of rijksmonument aanwezig. Met de bouw van de woningen wordt de bebouwingscontour ter plaatse afgemaakt. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan het beleid van de gemeente Asten.
Figuur 5: Uitsnede ‘De Avance’ (plangebied geel omcirkeld) Het plangebied is op de strategiekaart aangeduid als ‘bebouwingskern’. Binnen de gekozen opzet van het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld hoeft bij toetsing slechts het betreffende gebiedstype en de bijbehorende koers geraadpleegd te worden. Het plangebied is gesitueerd in het centrum van de bebouwde kom. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied is passend binnen het beleid zoals weergegeven in de toekomstvisie van de gemeente Asten, ‘De Avance’, met betrekking tot ‘bebouwingskern’.
Woonvisie 2015 t/m 2024; de gemeente Asten als aantrekkelijke woongemeente voor alle doelgroepen. De gemeente Asten heeft het woonbeleid geactualiseerd. Dit heeft geleid tot een aangepaste gemeentelijke Woonvisie. In deze visie is het volkshuisvestingsbeleid van de gemeente Asten beschreven voor de periode tot en met 2024. De Woonvisie biedt belangrijke handvatten om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente. De gemeente heeft de ambitie de positie als aantrekkelijke woongemeente voor alle doelgroepen te behouden en waar mogelijk te versterken in de komende jaren. Met de Woonvisie heeft de gemeente een goede basis om concrete woonprojecten op te pakken. Het geeft een kwantitatieve en kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van de gemeente. In de Woonvisie wordt als middel om de positie als aantrekkelijke woongemeente te behouden en mogelijk te versterken, ruimte voor differentiatie en participatie genoemd. Het aanbieden van gevarieerde woonmilieus en woonvormen moet de inwoners meer mogelijkheden bieden om in de huidige wijk of kern naar eigen wens te wonen. Daarvoor wil de gemeente ruimte bieden voor wensen en initiatieven van inwoners. Onderhavig initiatief is een voorbeeld van een particulier gedifferentieerd initiatief.
Met gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid welke op het perceel gelegen is, worden naar wens van de initiatiefnemers twee geschakelde woningen gerealiseerd.
Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van twee geschakelde woningen op het perceel. Het betreft een particulier initiatief. In het plangebied zullen twee geschakelde woningen worden gerealiseerd. Op de locatie of directe omgeving zijn geen
9
Toekomstagenda Asten 2030 Op 27 juni 2017 heeft de gemeenteraad van Asten de Toekomstagenda Asten 2030 vastgesteld. De gemeenteraad heeft samen met inwoners, maatschappelijk middenveld en collegeleden een interactief proces doorlopen om te komen tot het visiedocument 'Toekomstagenda Asten2030'. De vier centrale onderwerpen zijn: 1. Transformatie buitengebied 2. Vitale kernen 3. Centrumontwikkeling 4. Klimaatbestendig en energieneutraal Asten.
In de subregio De Peel zijn nog geen nieuwe afspraken over het woningbouwprogramma gemaakt. In de nu nog geldende afspraken wordt uitgegaan van bouwen voor de eigen behoefte. Vanuit de (kwantitatieve) behoefte kan dit plan onderbouwd worden als het wordt opgenomen in het verzamelplan dat net in procedure is gegaan.
Deze vier centrale maatschappelijke opgaven en een beeld van hoe we die opgaven bestuurlijk en organisatorisch kunnen oppakken staan omschreven in het visiedocument.
Het college heeft bij de actualisatie van de woningbouwmonitor aangegeven in principe mee te willen werken aan inbreidingsplannen op basis van de kwalitatieve behoefte en onder de voorwaarde dat een plan naar verwachting op korte termijn gerealiseerd kan worden.
Onderhavige ontwikkeling heeft invloed op het aspect ‘vitale kernen’. Door de realisatie van betaalbare woningen in de kern Ommel, die o.a. voor jonge huishoudens bedoeld zijn, wordt bewerkstelligd dat er ook kansen blijven bestaan voor jongeren in de kern. Volkshuisvesting In verband met de beperkte omvang van het plan is een uitgebreide onderbouwing op basis van de ladder van duurzame verstedelijking niet aan de orde. Dit laat onverlet dat de behoefte aan de toe te voegen woningen onderbouwd dient te worden. Bij een ontwikkeling moet altijd sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daartoe behoort ook een onderbouwing van de behoefte. Op dit moment is er nog enige ruimte in het woningbouwprogramma van de gemeente Asten op basis van de harde plancapaciteit en de plannen die in procedure zijn. De potentiële plancapaciteit – dus de zachte plannen- is aanzienlijk groter dan de kwantitatieve opgave op basis van de provinciale prognose.
De provincie heeft overigens aangegeven dat zij “de teugels laat vieren” ten aanzien van inbreidingslocaties. Wat dit in de praktijk betekent in relatie tot bijvoorbeeld harde plancapaciteit is nog niet helder.
Momenteel is er vraag naar vrijwel alle type woningen en in alle prijsklassen. Dit houdt verband met het beperkte actuele woningaanbod. Of een plan voorziet in een kwalitatieve behoefte moet echter gezien worden in relatie tot de bestaande woningvoorraad, de toe te voegen nieuwbouw en de als resultante daarvan te verwachten doorstroming en het daaruit voortvloeiende tekort aan woningen. Doorstroming is sterk afhankelijk van de huishoudensontwikkeling. Vergrijzing speelt hierin een belangrijke rol. Asten beschikt over een aanzienlijke voorraad vrijstaande eengezinswoningen. Dit type woning behoort vrijwel altijd tot de prijsklasse duur. Naar verwachting zal door de vergrijzing het aanbod in de toekomst fors toenemen. Dit inbreidingsplan kan voorzien in de huidige kwalitatieve behoefte, te weten tweeonder-één-kap woningen in een rustige omgeving. De prijs van de woningen met relatief kleine percelen (ongeveer 300 m 2 per perceel) kan worden gedrukt, zodat de woningen ook voor jongeren bereikbaar zijn.
10
Conclusie gemeentelijk beleid De toets aan het relevante gemeentelijk beleid levert op dat de ontwikkeling invulling geeft aan de gemeentelijke beleidsdoelen.
11
Planbeschrijving 3.1 Bestaande situatie In de huidige situatie is het perceel, kadastraal bekend als gemeente Asten, sectie M, nummer 955, met een perceelsgrootte van totaal ongeveer 620 m2, in gebruik als tuin, behorende bij het woonperceel Kluisstraat 34. Het perceel is in de huidige situatie met gras begroeid.
Figuur 7: aanzicht rechterzijde van het perceel
Figuur 6: overzicht projectlocatie in de huidige situatie
In de omgeving van het perceel zijn overwegend vrijstaande woningen aanwezig. De Pastoor Vogelsstraat is een rustige woonstraat en er zijn weinig bomen. Figuur 8: aanzicht linkerzijde van het perceel
12
3.2 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie worden twee geschakelde woningen gerealiseerd op het perceel. Hiervoor zal een bouwvlak toegevoegd moeten worden aan het bestemmingsvlak. Voor het bestemmingsvlak geldt een maximale goothoogte van 6,5 meter en een maximale bouwhoogte van 11,5 m. In onderstaande figuur is (een voorbeeld van) de nieuwe situatie opgenomen.
3.3 Parkeren en verkeer Parkeernorm Het plangebied ligt in het bestemmingsplan Ommel komgebied en voorziet in twee extra woningen. De parkeernorm hierbij bedraagt 2 per woning. Parkeren op eigen terrein Uitgangspunt van de Nota Parkeernormen Asten 2016 is dat een ruimtelijke ontwikkeling in de bijbehorende parkeervraag voorziet op eigen terrein. Met andere woorden; de parkeervraag dient op eigen terrein opgelost te worden. Het bouwplan voorziet in de realisatie van 4 parkeerplaatsen op eigen terrein. Conclusie parkeren op eigen terrein Volgens de Nota Parkeernormen Asten 2016 zijn in totaal 4 parkeerplaatsen nodig voor de realisatie van de beide woningen. Deze worden op eigen terrein gerealiseerd. Ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Pastoor Vogelsstraat en Kluisstraat.
Figuur 9: voorbeeld van het nieuwe bouwvlak op het perceel
Op het perceel mogen verder bijgebouwen worden gerealiseerd binnen de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’.
13
Planologische aspecten 4.1 Inleiding Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen dient aangetoond te worden dat een initiatief haalbaar is. In dit hoofdstuk worden ingegaan op de relevante omgevingsaspecten.
4.2 Geluid (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai) Toetsingskader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: - woningen - onderwijsgebouwen - ziekenhuizen - verpleeghuizen - verzorgingstehuizen - psychiatrische inrichtingen - kinderdagverblijven. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van twee woningen. Het plan is niet gesitueerd in de wettelijke geluidzones van wegen. Ook is de locatie buiten de geluidzone van de rijksweg A67 gesitueerd. Voor de ruimtelijke overweging zijn de 30 km/h-wegen Kluisstraat en Pastoor Vogelsstraat van belang. Voor de locatie is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door M&A Omgeving BV (nr. 220-OPV-wl-v2, d.d. 1 februari 2021). Uit de resultaten van dit onderzoek (zie bijlage 3) blijkt dat de hoogste geluidsbelasting op de gevels van de
woningen 46 dB bedraagt. Dit betekent dat met de minimumeis van het Bouwbesluit voor de gevelwering (i.c. 20 dB) er met de standaard maatregelen reeds wordt voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. In de tuinen en terrassen van de woningen is een geluidsniveau van 39 dB te verwachten. Voor de woningen geldt daarom een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat uit akoestisch oogpunt er geen belemmeringen bestaan tegen de planontwikkeling op de locatie. Railverkeerslawaai en industrielawaai speelt op de locatie geen rol.
4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De lucht-kwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de plannen: - Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - Een project leidt - al dan niet per saldo - niet bij tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - Een project draagt "niet in betekenende mate" (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; - Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Projecten die 'niet in betekenende mate' leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de
14
grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van 'niet in betekenende mate' ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van 'niet in betekenende mate' sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Volgens het Besluit Gevoelige Bestemmingen geldt er een verantwoordingsplicht wanneer de bestemming binnen 300 meter van de snelweg ligt. Wet natuurbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) dient te worden onderzocht of er ten gevolge van stikstofproductie door de nieuwe activiteiten een stikstofdepositie geldt op een Natura 2000 gebied. Door de rijksoverheid is hiervoor het verplichte rekenprogramma Aerius Calculator ter beschikking gesteld. Onderzoek Het plan betreft het oprichten van 2 woningen. Deze ontwikkeling valt qua aantallen bewegingen daarom onder het begrip NIBM. Er is geen verder onderzoek noodzakelijk. Het plan is ruimschoots buiten de 300 meter zone vanaf de snelweg gesitueerd, waardoor er geen verantwoordingsplicht geldt.
Voor de omgeving zijn volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM-) geen overschrijdingen van de normering van toepassing. Ook bij de gemeente Asten zijn in de bebouwde kom van Ommel op dit gebied geen knelpunten bekend, zodat gesteld mag worden dat de luchtkwaliteit op de locatie geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. Voor de toetsing van de stikstofbijdrage op Natura 2000 gebieden, is een berekening gemaakt met behulp van Aerius Calculator (rapport M&A Omgeving, rapportnr. 220-OPV-lk-v1,
d.d. 9 december 2020). Hierbij zijn voor de activiteiten tijdens de bouwfase en in de nieuwe gebruiksfase de stikstofemissie bepaald. Aan de hand van deze emissie is de depositie op de Natura 2000 gebieden bepaald. De emissiegegevens van de stationaire en mobiele bronnen zijn de standaardemissies van Aerius, wat een gevalideerde methode betreft. De aanlegfase en gebruiksfase zijn samen berekend, zodat wordt aangetoond dat de totale emissie voldoet aan de 0,00 mol/ha/jaar. Dit is een worst case scenario. In de gebruiksfase gelden per woning 7 x 2 rijbewegingen met personenauto’s, zodat er totaal 28 bewegingen zijn voor de beide woningen. Deze blijkt 0,00 mol/ha/jaar te bedragen, zodat geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.4 Bodem Toetsingskader Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)) Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit
15
staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Onderzoek Voor de locatie is een bodemonderzoek uitgevoerd door M&A Bodem & Asbest (nr. 220-OPV-vo-v1, d.d. 9-12-2020). Na uitvoering van het vooronderzoek kon de hypothese "onverdachte locatie" worden gesteld. Met de onderzoeksstrategie voor “onverdachte locaties” werden 6 boringen op de locatie geplaatst. Twee van de boringen zijn doorgezet tot 2 m-mv. Hiervan zijn monsters van de boven- en ondergrond genomen. Zintuiglijk werden in de grondmonsters geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Ook zijn geen afwijkingen in samenstelling, geur en / of kleur geconstateerd. Vervolgens zijn twee mengmonsters samengesteld, te weten één van de bovengrond en één van de ondergrond. Een week eerder is op de locatie een peilbuis geplaatst op de onderzoekslocatie, waaruit watermonsters werden genomen. De grondwaterspiegel werd op ca. 2,64 meter minus maaiveld aangetroffen. Na analyse van de grond- en grondwatermonsters bleek dat : • de bovengrond niet verhoogd is t.o.v. de achtergrondwaarden (AW) voor de onderzoeksparameters; • de ondergrond niet verhoogd is t.o.v. de AW van de onderzoeksparameters; • het grondwater licht verontreinigd is met barium, cadmium en zink.
De verontreinigingen met zware metalen in het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk.
Indicatief kan worden gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de grond van de onderzoekslocatie multifunctioneel toepasbaar is. Hergebruik dient echter te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het bodembeleid van de gemeente Asten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn tegen de nieuwbouw van de woningen uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid.
4.5 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woonen leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende bedrijfsfuncties en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2017) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig, zodat geen belemmeringen gelden voor de nieuwe woningen. Op afstanden van ruim 500 meter zijn een aantal veehouderijen gesitueerd. Deze afstanden tot de veehouderijen zijn voldoende groot om er voor te zorgen dat geuroverlast van de emissie van de veehouderijen tot een minimum beperkt zal blijven. Tussen de veehouderijen en de planlocatie zijn veel woningen gesitueerd die maatgevend zijn voor eventuele geuroverlast. De nieuwe woningen vormen daarom geen nieuwe belemmering.
16
Conclusie Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft geen directe belemmeringen voor het bouwplan.
4.6 Externe veiligheid Toetsingskader De regelgeving op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; buisleidingenbesluit) en de regelgeving voor het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels voor transport en voor buisleidingen kennen dezelfde pijlers en dezelfde systematiek als de regelgeving voor inrichtingen. Het externe veiligheidsbeleid kent twee pijlers: • Het plaatsgebonden risico • Het groepsrisico Het plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenleving recht op heeft aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt. Het groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recreëren in de nabije omgeving) en industriële risico’s bij elkaar in de buurt komen.
Verder dient het groepsrisico om een afweging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting, etc.) in relatie tot de risicobron. Dit
wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsgebied, en berekent de kans op 10 of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Onderzoek Het plan is op ongeveer 420 meter van de rijksweg A67 gesitueerd, welke als transportroute gevaarlijke stoffen geldt. Het invloedsgebied van de A67 bedraagt 4 km, zodat het plan formeel binnen het invloedsgebied is gesitueerd. Voor de verantwoording van het groepsrisico hiervoor, kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost (VRBZO)worden gehanteerd. Dit zegt hierover het volgende : ▪ Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverlenings-organisaties. ▪ Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt.
De beleidsregels staan op https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/ 2018/04/170307-beleidsregelsbereikbaarheid-enbluswatervoorziening-brabant-definitief-1-0vastgesteld.pdf ▪ Bij bestemmingplannen waarbij zich een toxisch scenario (giftige schadelijke stoffen) kan voordoen, wordt geadviseerd dat nieuw op te richten gebouwen moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2012. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving wordt geadviseerd om de
17
aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren. In de omgeving zijn geen buisleidingen of Bevi-inrichtingen gesitueerd, waarvan het plangebied binnen het invloedsgebied is gelegen. Bovenstaande betekent dat voor onderhavig plangebied geen nadere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Conclusie Ten gevolge van externe veiligheid gelden geen belemmeringen voor het bouwplan.
4.7 Kabels en leidingen In het plangebied bevinden zich geen planologisch te beschermen kabels en leidingen.
4.8 Ecologie Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten in Nederland. De Wnb bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplanting of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet bestaat uit een aantal verbodsbepalingen en een algemene zorgverplichtingsbepaling. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe en luiden als volgt: - Beschermde inheemse dieren mogen niet verstoord, gevangen, vervoerd, verwond of gedood worden; - Beschermde inheemse plantensoorten mogen niet geplukt, vernield, beschadigd, vervoerd of ontworteld worden;
-
Nesten, rustplaatsen en voortplantingsplaatsen van beschermde soorten mogen niet verstoord of vernield worden; Het zoeken, beschadigen of uit het nest halen van eieren van beschermde dieren.
Sinds 2005 zijn beschermde planten en dieren onderverdeeld in vier categorieën; algemeen beschermde soorten, overig beschermde soorten, streng beschermde soorten en vogels. In de Wnb zijn deze soorten (behalve vogels) in drie tabellen opgenomen. Bij vogels is in 2009 nog een tweede indeling bekend gemaakt, die onderscheid maakt tussen vogels met en zonder nestplaats die jaar rond beschermd wordt. Indien sprake is van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en sprake is van overtreding van verbodsbepalingen, is bij soorten die beschermd zijn in de categorie overige beschermde soorten en de categorie streng beschermde soorten (Tabel 2 en Tabel 3 van de Wnb) ontheffing aan de orde. Onderzoek Voor de locatie is een quick scan flora en fauna uitgevoerd door M&A Omgeving BV (nr. 220-OPV-nw-v1, d.d. 9-12-2020). De uitvoering van de quick scan is een eerste stap om te vermijden dat soorten verstoord of vernietigd kunnen worden bij de uitvoering van nieuwe ontwikkelingen. Met een bureauonderzoek en veldwerkonderzoeken wordt vastgesteld of er bij de plannen sprake kan zijn op overtreding van de Wet natuurbescherming, of dat deze met eenvoudige maatregelen zijn te voorkomen.
Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in november 2020 echter geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde
18
soorten. Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dagperiode op 16 november 2020, is buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. Hierbij zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. De afstanden tot de ecologische verbindingszones en waardevolle natuurgebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied geen invloed zullen hebben op deze gebieden. Door de realisatie van de woningen op het perceel, wordt het karakter van het gebied niet significant beïnvloed. Het open karakter in de omgeving blijft behouden en er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen.
Door extra zorg hieraan te besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.
Conclusie De Wet natuurbescherming levert geen belemmeringen op voor de nieuwe situatie. Bij het bouwwerkzaamheden dient de algemene zorgplicht ten aanzien beschermde soorten in acht te worden genomen.
4.9 Waterhuishouding en riolering Toetsingskader Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd.
De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen. Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers
19
van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. In Asten geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart. Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021. Het PMWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. De doelen van het PMWP zijn: • Voldoende water voor mens, plant en dier • Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) • Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s • Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening In het waterbeheerplan 2016 - 2021 ‘Werken met water voor nu en later’ staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen. De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in vier programma’s:
ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. • Gezond en natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. Ingegaan wordt op hoe toegewerkt wordt naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van het beheergebied van kunnen genieten. • Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen.
• Veilig en bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen.
De Keur 2015 is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap, maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. gemeenten, agrariërs en tuinders). De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug.
• Voldoende water en robuust watersysteem Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in het beheergebied van het waterschap voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doet het waterschap door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de
Net zoals het Rijk heeft ook het waterschap een legger vastgesteld. De legger geeft het waterschap én derden een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.)
20
▪
▪
Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
De legger wordt jaarlijks geüpdatet, omdat het watersysteem en de kunstwerken aan verandering onderhevig zijn. Bijvoorbeeld door het afgeven van vergunningen of veranderingen die voortkomen uit projecten. De watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen vallen, bewaakt de waterkwaliteit en -kwantiteit. Het doel van een watertoets is de waterbelangen evenwichtig laten meewegen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het waterschap hanteert een aantal uitgangspunten bij de watertoets. De desbetreffende uitgangspunten zijn hieronder weergegeven: - Voorkomen van vervuiling - Wateroverlastvrij bestemmen - Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) - Vuil water en hemelwater scheiden - Doorlopen van afwegingsstappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer - Waterschapsbelangen - Meervoudig ruimtegebruik - Water als kans Het beleid van de gemeente Asten sluit aan op het landelijke-, provinciale- en waterschapsbeleid en is weergegeven in het
Gemeentelijk RioleringsPlan 2018-2020, De gemeentelijke watertaken uitgewerkt. Via dit GRP geeft de gemeente invulling aan de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. • Afvalwater Voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater. Bij vervanging en herontwikkeling wil de gemeente overgaan tot ontvlechting van hemelwater en afvalwater. • Hemelwater Voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Asten naar een duurzame en doelmatige inzamelingen afvoer van hemelwater na voor zover burgers en bedrijven zich daar redelijkerwijs niet van kunnen ontdoen. Particulieren zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hemelwater vanaf hun eigen perceel. Het hemelwater dient in het plangebied geïnfiltreerd te worden, waarbij centrale hemelwatervoorzieningen de voorkeur hebben vanwege de beheer(s)baarheid op de langere termijn (voor nieuwbouw en herbouw een berging van 60 mm/m2 verhard oppervlak). Daarnaast is een centrale hemelwatervoorziening meestal ook doelmatiger, doordat de totale investerings- en onderhoudskosten lager zijn. Decentrale oplossingen als gevolg van maatwerk zijn mogelijk.
• Grondwater De gemeente Asten geeft gehoor aan de grondwaterzorgplicht door binnen de grenzen van doelmatigheid en financiële en technische haalbaarheid maatregelen te treffen om structurele grondwateroverlast te voorkomen of te beperken. Onderzoek Per beleidspunt wordt onderhavig ontwikkeling getoetst aan het beleid van waterschap Aa en Maas, alsmede het beleid van de gemeente Asten. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het
21
waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. De nieuwe woningen bezitten geen materialen die tot een verontreiniging van de bodem zullen leiden en daarmee de kwaliteit van het grondwater verslechteren. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek ‘die hoog en droog genoeg’ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd in een gebied, waar geen sprake is van wateroverlast. De percelen kunnen het water op een juiste manier verwerken. Hydrologisch neutraal bouwen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. In de nieuwe situatie wordt extra verhard oppervlak gerealiseerd. Het hemelwater zal daarom worden opgevangen en geïnfiltreerd. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van ongeveer 120 m2 bebouwing en verharding per woonperceel.
Uitgaande van een bui van 60 mm, zal een infiltratie-voorziening gerealiseerd dienen te worden met een inhoud van 7,2 m3. Deze kan worden gerealiseerd onder de inrit of in de tuin. De waterbergingsvoorziening zal aan de volgende eisen voldoen: 1. Controleerbaar op werking (dus zichtbaar of toegankelijk); 2. Mogelijkheid tot reinigen, inspectie en onderhoud; 3. De afvoer uit de voorziening zal maximaal 2 l/s/ha bedragen;
4. De voorziening zal binnen 5 dagen leeggelopen zijn (bij maximaal 2 mm neerslag per etmaal); 5. De onderzijde van de voorziening wordt gerealiseerd boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand); 6. De verwerking van het hemelwater vindt zodanig plaats dat het vertraagd wordt afgevoerd, zodat de piekafvoer wordt verminderd. Hierdoor wordt wateroverlast voorkomen; 7. Er zal een bovengrondse overloopvoorziening worden gerealiseerd voor de afvoer van water bij hevige buien. De voorziening zal bij de aanvraag omgevingsvergunning op de tekening worden aangegeven. Aan hydrologisch neutraal bouwen wordt hiermee voldaan. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater en indien nodig het schone hemelwater vertraagd af te voeren via het oppervlaktewater. Binnen het plangebied zal het vuile en het schone water worden gescheiden. Het vuile water wordt aan de perceelsgrens aangeboden. Het schone hemelwater wordt binnen het plangebied verwerkt. Afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’ In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater.
Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruikinfiltratie-buffering-afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthoudenbergen-afvoeren’) doorlopen. Hergebruik van het water is in dit relatief kleinschalig initiatief niet mogelijk. Dit is ook in overeenstemming met het uitgangspunt van het waterschap Aa en Maas, dat hergebruik met name overweegt bij grootschalige voorzieningen. Het schone hemelwater zal in onderhavige situatie in een infiltratievoorziening worden opgevangen.
22
Waterschapsbelangen Voor onderhavig plangebied gelden geen waterschapsbelangen, anders dan het voorkomen van wateroverlast. Meervoudig ruimtegebruik Door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het ‘verlies’ van m² als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Het hemelwater van de verharde oppervlakken in het plangebied zal worden opgevangen en geïnfiltreerd naar de bodem. Water als kans Dit wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem. Water kan echter ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. In dit kleinschalige initiatief wordt geen gebruik gemaakt van dit aspect. Conclusie Uit oogpunt van water levert de ontwikkeling van het plangebied geen belemmeringen op. Er zal worden voldaan aan het beleid van het waterschap en de gemeente met betrekking tot het waterbeheer. De infiltratievoorziening zal bij de aanvraag omgevingsvergunning op de tekening worden aangegeven.
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader De monumentenwet uit 1988 schrijft voor dat in het ruimtelijke beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, moet voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. De provincie en gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verantwoord beheren van het archeologisch erfgoed.
Verder is op 9 december 2015 de Erfgoedwet gepubliceerd, welke op 1 juli 2016 in werking is getreden. De monumentenwet is hierin opgenomen. Deze wet geeft regels ter bescherming van het culturele erfgoed van nationaal belang. Onderzoek Cultuurhistorie Het plangebied ligt niet in een beschermd dorpsgezicht. Ook bevinden zich in de directe omgeving geen monumentale gebouwen of waardevolle ensembles. Archeologie Op basis van het bestemmingsplan ‘Ommel komgebied’ heeft de projectlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en een specifieke aanduiding Waarde-Archeologie-categorie 3/4. Voor bouwwerkzaamheden die een verstoringsoppervlakte hebben kleiner dan 250 m2 of ondieper dan 40 cm, geldt geen verbod om op deze gronden te bouwen. De nieuwbouwoppervlakte bedraagt ongeveer 200 m2, voor beide woningen samen. Op basis hiervan is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Voor het plangebied is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk op basis van de archeologische beleidskaart. Vanuit oogpunt van cultuurhistorie gelden eveneens geen belemmeringen.
23
realiseren van twee woningen, wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een (vormvrije) aanmeldnotitie niet noodzakelijk.
4.12 Conclusie Gezien de voorgaande paragrafen kan de conclusie worden getrokken er geen planologische aspecten zijn die de realisatie van de nieuwe woning belemmeren.