GR24.06.04ZZ Ruimtelijke onderbouwing + onderzoeken Voorste Heusden 21, 23 en ongenummerd
Tekst van het document
In het hele plangebied is sprake van een lage archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum vanwege de aangetroffen aftopping van het dekzand, waardoor een eventuele vondstspreiding verloren is gegaan. Advies Voor het plangebied bestaat het voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van de bouw van woningen in het gebied. In het zuidwesten van het plangebied geldt een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Nieuwe Tijd. Het archeologisch relevante niveau is aangetroffen vanaf 40 cm -Mv. Wij adviseren daarom om een dieptegrens van 20 cm -Mv (met een buffer van 20 cm tot het archeologisch relevante niveau) op te nemen in het bestemmingsplan. Voor de rest van het plangebied geldt een lage verwachting op archeologische
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
resten uit de periode Neolithicum-Nieuwe Tijd. Voor het gehele plangebied geldt op basis van het onderzoek een lage verwachting op archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum (bijlage 8). Wij adviseren deze waardes uit te werken in het bestemmingsplan. Indien ter plaatse van de zone met een hoge verwachting bodemingrepen plaatsvinden die de waardes in het nieuwe bestemmingsplan overschrijden, adviseren wij om een vervolgonderzoek uit te voeren in de karterende en waarderende fase. Gezien de verwachting op hoofdzakelijk grondsporen kan dit het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor een dergelijk onderzoek is een Programma van Eisen nodig, die op voorhand door de bevoegde overheid (de gemeente Asten). Ter plaatse van de lage archeologische verwachting adviseren wij geen vervolgonderzoek noodzakelijk te stellen. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen in dit gebied, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Asten). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Asten) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
5.4.3.3 Selectieadvies Door de regioarcheologie is volgende selectieadvies gegeven: Geen nader onderzoek noodzakelijk, instemmen met de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Flora en fauna
5.5.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
5.5.2 Gebiedsbescherming De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
Het dichtst bij de planlocatie gelegen Natura 2000-gebied betreft de ‘Groote Peel’, gelegen op een afstand van circa 3,7 kilometer ten zuidoosten van de planlocatie. Door de ligging op dermate grote afstand, kan de beoogde herontwikkeling ter plaatse van de planlocatie geen invloed hebben op de aanwezige Natura 2000-gebieden in de omgeving. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van NNB. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten.
Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Vanuit de berekeningen middels Aerius blijkt dat er geen stikstofdepositie is op omliggende Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol. De onderzoeken maken als bijlage deel uit van deze ruimtelijke onderbouwing.
5.5.3 Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Deze ontwikkeling ziet toe op de bouw van een extra woning ten zuiden van Voorste Heusden 21, de sloop van voormalige stallen en de herindeling van de woonpercelen Voorste Heusden 21 en 23. Er wordt geen beplanting gerooid of water gedempt.
Ter plaatse is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd door Maassen ecologisch advies en onderzoek. Navolgend wordt de conclusie weergegeven.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
“Samenvatting Overtredingen van de wet- en regelgeving van de Wet natuurbescherming en Interim omgevingsverordening NB met betrekking tot de gebiedsbescherming zijn niet aan de orde. Binnen het gehele plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplekken van vogels en grondgebonden zoogdieren momenteel uitgesloten worden. De stallen worden momenteel als geheel ongeschikt voor verblijf van vleermuizen beoordeeld. Op basis van een éénmalige quickscan kunnen alleen verblijfplekken onder dakpannen van woning nooit geheel uitgesloten worden. De kans wordt daarop bijzonder klein geacht; om elke risico uit te sluiten dient daarom de aanbeveling om voor vleermuizen verstorende werkzaamheden dusdanig binnen de vervolgfase te plannen dat deze buiten het actieve seizoen van vleermuizen plaats vinden. Zover het de realisering van fase 2 betreft, de bouw van een woning, kunnen negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfplekken en beschermd essentieel functioneel levensgebied geheel uitgesloten worden Als verder de voorzorgsmaatregelen van hoofdstuk 6.2 met betrekking tot de vervolgfase in acht worden genomen, wordt ook geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht in de vervolgfase 3. Een overtreding van de Wet Natuurbescherming is niet aan de orde. Met de beoogde herontwikkeling dienen te allen tijde de voorzorgsmaatregelen in acht te worden genomen.
Door het landschappelijk inpassen van de planlocatie worden de foerageer mogelijkheden versterkt.
5.6
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De planlocatie is gelegen binnen een 50 kilometerzone. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). Dit is van toepassing voor Voorste Heusden 21. Voor de nieuw op te richten woning dient de geluidsbelasting wel inzichtelijk te worden gemaakt. Hiertoe is een wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgend worden de resultaten hiervan weergegeven. Het volledige rapport is als bijlage opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Voorste Heusden overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van het bouwplan met maximaal 7 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt echter nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Een hogere waarde procedure wordt doorlopen gelijklig met deze procedure. De woning aan Voorste Heusden 23 wordt herbouwd. Deze woning is op een dermate grote afstand gelegen dat ter plaatse sprake is van een betrekkelijk laag geluidsniveau. De geluidsbelasting bedraagt minder dan 50 dB. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk gemaakt. De te herbouwen woning is gelegen ter hoogte van de blauwwitte stip.
Figuur 18: Geluid van wegverkeer (atlas leefomgeving)
5.7
Agrarische bedrijvigheid
5.7.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd. Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 Wgv bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in: - Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units;
-
Buitengebied 10,0 odour units; Woonkern Heusden 0,5 odour units; Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units.
Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen. De planlocatie is op grond van de geurnormenkaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening gelegen in de woonkern Heusden.
5.7.2 Veehouderijen in de omgeving In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Op enige afstand bevinden zich wel enkele bedrijven. Het betreft hierbij de bedrijven Voorste Heusden 5 en Voorste Heusden 8. Beide bedrijven bevinden zich op een afstand van meer dan 250 meter. Op nog ruimere afstand van het plangebied bevinden zich de bedrijven Polderweg 53 en Bosweg 3.
5.7.3 Woon- en leefklimaat 5.7.3.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie toegelicht. Navolgende tabel geeft tevens de relatie tussen zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’.
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
Tabel 1: Tabel 3: Relatie voor- en achtergrondbelasting en het leefklimaat
5.7.3.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Gezien de situering en geuremissiefactor kan gesteld worden dat het veehouderijbedrijf Voorste Heusden 5 de dominante veehouderij is in het kader van de voorgrondbelasting. De veehouderij is gelegen op de kortste afstand tot de planlocatie en heeft een relatief hoge geuremissie. Van deze veehouderij is dan ook de voorgrondbelasting bepaald. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie zijn op onderstaande figuur weergegeven.
Figuur 19: Coördinaten voor geurbelasting
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
Tabel 2: Voorgrondbelasting Voorste Heusden 5 (V-stacks vergunning)
De voorgrondbelasting op de planlocatie afkomstig van de veehouderij bedraagt maximaal 4,3 oue/m³. Daarmee is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting. Op grotere afstand liggen tevens de bedrijven Bosweg 3 en Polderweg 53. Polderweg 53 is gelegen op circa 480 meter. Bosweg 3 is gelegen op circa 900 meter. Navolgend wordt de geurbelasting inzichtelijk gemaakt van beide bedrijven. Voor beide bedrijven is een ‘worst case’ berekening gemaakt waarbij geldt dat de geuremissie van de bedrijven is geprojecteerd op de hoek van het bouwvlak die zich het dichtst tot het plangebied bevindt.
Tabel 3: Voorgrondbelasting Bosweg 3 (worst case) (V-stacks vergunning)
De voorgrondbelasting op de planlocatie afkomstig van de veehouderij Bosweg 3 bedraagt maximaal 1,8 oue/m³. Daarmee is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting.
Tabel 4: Voorgrondbelasting Polderweg 53 (worst case) (V-stacks vergunning)
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
De voorgrondbelasting op de planlocatie afkomstig van de veehouderij Polderweg 53 bedraagt maximaal 0,6 oue/m³. Daarmee is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting.
3.7.3.3 Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat in een gebied. Met data van juni 2023 is door Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant de achtergrondbelasting in de gemeente Asten in kaart gebracht. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze kaart, waarbij de ligging van de planlocatie indicatief is aangeduid met een zwarte cirkel.
Figuur 20: Uitsnede kaart achtergrondbelasting (juni 2023)
Volgens kaartmateriaal is ter plaatse sprake van een achtergrondbelasting van 3-7 oue/m³. Het woon- en leefklimaat kan worden geclassificeerd als ‘goed’ en is hiermee aanvaardbaar. De beoogde herbestemming is in het kader van de achtergrondbelasting dan ook geen bezwaar.
5.7.3.4 Conclusie woon- en leefklimaat Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting ten minste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Derhalve is de voorgrondbelasting bepalend. Met een voorgrondbelasting van 4,3 oue/m³ bedraagt deze ten
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
minste de helft van de achtergrondbelasting. Het woon- en leefklimaat ter plaatse kan worden bestempeld als ‘goed’ en is daarmee acceptabel.
5.7.4 Belangenafweging Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De meest dicht bij de planlocatie gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 260 meter. Tussen de planlocatie en de veehouderijen in de omgeving zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen. De planlocatie is daarmee niet de belemmerende factor voor veehouderijen. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden veehouderijen dan ook niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.
5.7.5 Conclusie Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de planlocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Ook worden als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen omliggende veehouderijen onevenredig in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect geur geen bezwaar.
5.8
Veehouderij en gezondheid
5.8.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
De meest van belang zijnde veehouderij is gesitueerd aan Voorste Heusden 5 en heeft een fijnstofemissie van 220 kg. Dit betekent dat een afstand van 92 meter in acht moet worden gehouden. Hier wordt aan voldaan.
5.8.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer is er sprake van een vergroot risico. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 480 meter van de geitenhouderij Polderweg 53.
Figuur 21: Vergunde dieraantallen Polderweg 53 (BVB-Brabant)
Uit het VGO-rapport naar voren dat het niet mogelijk is om een veilige afstand aan te geven. De lokale omstandigheden verschillen daarvoor te sterk. De volgende omstandigheden zijn van invloed: -
landgebruik (akkers, weilanden, bebouwing, bos) het type veehouderij (koe, varken, geit, pluimvee)
-
de soort uitstoot (fijnstof, endotoxinen, bacteriën) het aantal dieren in een stal.
Tevens speelt de windrichting een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof zich doorgaans verplaatsen uit de richting van het plangebied. De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is een belangrijke factor voor de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
aan de grond, waardoor een zekere mate van turbulentie wordt gegenereerd en zich een hoogteafhankelijk windprofiel instelt. Niet voorzien wordt ter plaatse ‘meer kwetsbare personen’ te huisvesten. Ter plaatse wordt niet voorzien in, bijvoorbeeld, zorgfuncties of kinderopvang. Tussen de beoogde nieuwe woning en de geitenhouderij zijn reeds woonbestemmingen gelegen en deze bevinden zich daarmee niet dichter tot de geitenhouderij dan overige bestaande woningen. De overwegende windrichting bevindt zich afwaarts van de planlocatie en er wordt maar één extra woning toegevoegd. Daarmee kan een positieve afweging gemaakt worden ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.
5.9
Bedrijven en milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook kernrandzones in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.
De omgeving van de planlocatie vindt door de ligging aan een bebouwingslint met in de omgeving zowel (agrarische)bedrijfs- en woonfuncties, meer aansluiting bij een ‘gemengd gebied’ dan ‘rustig buitengebied’ of ‘rustige woonwijk’. In de directe omgeving van de planlocatie liggen twee bedrijven. Het meest dichtbij gelegen bedrijf bevindt zich direct ten noorden van de planlocatie en betreft een glastuinbouwbedrijf. Voor deze bedrijven geldt in gemengd gebied een grootste richtafstand van 10 meter. De beoogde nieuwe woning wordt opgericht op een afstand van ten minste 40 meter. De woningen Voorste Heusden 21 en 23 zijn reeds bestaande gevoelige functies. Deze worden niet dichter tot het bedrijf geplaatst dan dat reeds het geval is. Op een afstand van 65 meter ten zuiden van de planlocatie bevindt zich een bedrijfsbestemming waar bedrijven in milieucategorie 2 zijn toegestaan. Voor dergelijke bedrijven geldt eveneens een grootste richtafstand van 10 meter.
Crijns Rentmeesters bv
45
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. De geursituatie is in paragraaf 5.7 inzichtelijk gemaakt. Voor alle bedrijven geldt dat de ontwikkelingslocatie niet de maatgevende functie betreft. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.
5.10 Externe veiligheid 5.9.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
5.9.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.
De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.
5.9.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich
Crijns Rentmeesters bv
46
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer.
5.9.4 Beoordeling van de planlocatie 5.8.4.1 Toegangsweg De woningen worden alle drie ontsloten aan een toegangsweg. Deze toegangsweg dient een breedte te hebben van ten minste 4,5 meter vanuit het oogpunt van veiligheid en toegankelijkheid bij calamiteiten. Met een breedte van 6 meter wordt hieraan ruimschoots voldaan.
5.8.4.2 Bedrijven De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid.
5.9.4.3 Transport Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N266 en de N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N266 en de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van circa 3 kilometer tussen planlocatie en A67, is de planlocatie gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Er dient dan ook een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hiervoor kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio gebruikt worden. Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. In de omgeving van de planlocatie bevinden zich geen buisleidingen of hoogspanningsleidingen.
5.9.4.4 Groepsrisico Gezien het feit dat de planlocatie binnen het invloedsgebied van de A67 is gelegen, dient er op grond van artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. De veiligheidsregio heeft een standaardadvies ontwikkeld dat toegepast kan worden aan bepaalde afwegingscriteria, het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand en de aard van de ontwikkeling. In dit geval is het plan niet bestemd voor zeer kwetsbare personen, ligt de Rijksweg op een afstand van 3,9 kilometer en is de toename van personen in het gebied door onderhavig
Crijns Rentmeesters bv
47
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
plan minder dan 50. Derhalve kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio overgenomen worden. Het standaardadvies van de Veiligheidsrisico luidt als volgt: Communicatie Communiceer actief met de omwonenden in de planlocatie over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Bereikbaarheid & bluswatervoorziening Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Zelfredzaamheid Tevens kan worden gesteld dat de bouw van de twee woningen de zelfredzaamheid van de aanwezige personen niet verkleint. De nieuw te realiseren woningen beperken geen ontvluchtingsmogelijkheden en de personen in de woning kunnen als zelfredzaam worden beschouwd.
5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Inleiding De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag in principe niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). De beoogde herontwikkeling valt hiermee binnen het begrip NIBM. Andersom dient ter plaatse wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee de huidige luchtkwaliteit van belang is.
5.10.2 Blootstelling aan verontreiniging 5.10.2.1 Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging.
Crijns Rentmeesters bv
48
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
5.10.2.2 Fijn stof De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn -
stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Figuur 22: Fijn stof PM10 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-20 µg/m³.
Figuur 23: Fijn stof PM2,5 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
Crijns Rentmeesters bv
49
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is.
5.10.2.3
Stikstof
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Figuur 24: Stikstofdioxide 2020 (NO2) (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12-14 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.11 Besluit m.e.r. 5.11.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
Crijns Rentmeesters bv
50
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.
5.11.2 Toets initiatief De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van twee woningen binnen de planlocatie. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van […]woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m²’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Besluit m.e.r., is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
Crijns Rentmeesters bv
51
Ruimtelijke onderbouwing ‘Voorste Heusden 21, 23 en ong.’
6. UITVOERBAARHEID 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
6.2
Omgevingsdialoog
Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is door de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. Een verslag van de dialoog is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
6.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan “Asten verzamelplan 2023-1” heeft vanaf 22 december 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend met betrekking tot deze ontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
52
VERKENNEND BODEMONDERZOEK Conform NEN 5740
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
Datum
: 18 april 2023
Rapportnummer
: 223-HVH21-vo-v1
Koolweg 64 5759 PZ Helenaveen Tel: 0493-539803 E-mail: mena@m-en-a.nl NL37 INGB 0007735391 KvK: 67445322
Type onderzoek : Verkennend bodemonderzoek Project
: Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
Projectnummer : 223-HVH21-vo-v1 Opdrachtgever
: Dhr. W. Vlemmix
Datum rapport
: 18 april 2023
Van toepassing zijnde certificaat Van toepassing zijnde protocollen Nummer certificaat
: BRL SIKB 2000 : 2001, 2002, 2018 : EC-SIKB-02236
Veldwerk uitgevoerd door erkende en ervaren veldwerkers
: W.A. van Aerle A.H.M. Janssen
Projectleider
: W.A. van Aerle
Veldwerker verklaart hierbij dat bij de uitvoering van het veldwerk geen invloed is uitgevoerd door de opdrachtgever of directie van M&A Bodem & Asbest BV. Voor akkoord:
Collegiale toets:
W.A. van Aerle
A.H.M. Janssen
Koolweg 64 5759 PZ Helenaveen Tel: 0493-539803 E-mail: mena@m-en-a.nl NL37 INGB 0007735391 KvK: 67445322
Samenvatting In verband met de bestemmingswijziging van een perceel aan de Voorste Heusden 21 te Asten-Heusden is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een vooronderzoek volgens de NEN 5725 uitgevoerd. Na uitvoering van het vooronderzoek (aanleiding A) kon de hypothese "onverdachte, niet lijnvormige locatie" worden gesteld. Met de onderzoeksstrategie voor “onverdachte locaties” werden 14 boringen, verricht tot 0,5 m-mv. Drie van de boringen zijn doorgezet tot 2 m-mv. Hiervan zijn monsters van de boven- en ondergrond genomen. Zintuiglijk werden in de grondmonsters geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Ook andere afwijkingen in samenstelling, geur en / of kleur zijn niet geconstateerd. Vervolgens zijn twee mengmonsters samengesteld, te weten twee van de bovengrond en één van de ondergrond. Eerder is reeds een peilbuis geplaatst, waaruit watermonsters werden genomen. De grondwaterspiegel werd op ca. 1,96 meter minus maaiveld aangetroffen. Na analyse van de grond- en grondwatermonsters bleek dat : ! de bovengrond gedeeltelijk verhoogd is t.o.v. de achtergrondwaarden (AW) voor cadmium en zink; ! de ondergrond niet verhoogd is t.o.v. de AW van de onderzoeksparameters; ! het grondwater licht verontreinigd is met barium en cadmium en sterk verontreinigd is met zink.
De verontreinigingen met zware metalen in de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Alhoewel formeel gezien een nader onderzoek naar de verspreiding van zink in het grondwater noodzakelijk is, zal dit gezien de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem geen nieuwe relevante informatie opleveren. Daarom is ons inziens geen nader onderzoek noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als multifunctioneel worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Asten.
Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn tegen de ruimtelijke procedure voor de bestemmingswijziging naar wonen van het perceel en de hierop volgende nieuwbouw van een woning op het perceel uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid.
Inhoudsopgave Hfdst.
Titel
Blz.
Samenvatting 1
Doelstelling verkennend onderzoek
1
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
Vooronderzoek Historisch gebruik Huidig gebruik Toekomstig gebruik Asbest in de bodem Bodemsamenstelling en geohydrologie Beantwoording onderzoeksvragen NEN 5725 Hypothese
2 3 4 5 5 5 6 7
3 3.1 3.2 3.3
Onderzoeksstrategie en uitvoering van het onderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerk Laboratoriumonderzoek
8 8 9
4. 4.1 4.2 4.3
Resultaten Boorbeschrijving Zintuiglijke waarnemingen Chemische en fysische analyses
10 10 11
5. 5.1 5.2 5.3
Interpretatie en toetsing van de resultaten Algemeen Grond Grondwater
13 15 15
6.
Conclusies en aanbevelingen
16
7.
Referenties
17
Bijlagen Bijlage 1a Bijlage 1b Bijlage 2 Bijlage 3a Bijlage 3b Bijlage 3c Bijlage 4
: Situatie- en boorpunttekening : Omgevingsrapportage provincie : Isohypsen : Analyserapport grond : Analyserapport grondwater : Toetsingsnormering grond en grondwater : Boorbeschrijving
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
1. Doelstelling verkennend onderzoek Op 15 maart 2023 is door de heer W. Vlemmix aan M & A Bodem & Asbest BV opdracht verleend tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740, op een perceel aan de Voorste Heusden 21 te AstenHeusden. Het onderzoek is noodzakelijk vanwege de voorgenomen nieuwbouw van een woning op het perceel en de daarmee samenhangende ruimtelijke procedure, waarvoor een verklaring benodigd is omtrent de aanwezigheid van eventuele bodemvervuiling. In dit onderzoek zal de chemische en fysische toestand van de bodem worden beschreven. Door middel van het verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van de bovengrond (0 tot 0.5 meter), de ondergrond (0.5 tot 2.0 meter) en het grondwater zal een uitspraak worden gedaan omtrent bovenstaande. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740, NEN 5725, NEN 5707 en de BRL 2000. Voorafgaand aan het onderzoek verklaart M&A dat er geen relatie bestaat tussen opdrachtgever en M&A, zodat onafhankelijkheid wordt gegarandeerd. Het procescertificaat van M&A Bodem & Asbest en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistraties, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. In deze rapportage zijn de protocollen 2001, 2002 en 2018 van toepassing.
Het veldwerk is uitgevoerd door erkende en ervaren veldwerkers (W.A. van Aerle en A.H.M. Janssen). Dit bodemonderzoek is met de grootste zorg uitgevoerd. Door de statistische keuzes volgens de NEN 5740 kan het echter voorkomen dat er toch bodemverontreiniging op het perceel aanwezig is dat niet is geconstateerd tijdens het onderzoek. Hiervoor kan M&A niet aansprakelijk worden gesteld. Verder zijn alle in deze rapportage gedane aanbevelingen en adviezen vrijblijvend van aard. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.
1
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
2. Vooronderzoek conform NEN 5725 In de NEN 5725 staat beschreven welke gegevens minimaal geïnventariseerd dienen te worden om een uitspraak te kunnen doen over het vervolgtraject. Om tot een hypothese voor het vervolgonderzoek te komen dienen te worden onderzocht : 1. Historisch gebruik 2. Huidig gebruik 3. Toekomstig gebruik 4. Bodemopbouw / geohydrologie (wenselijk, niet verplicht) Bij de inventarisatie is gebruik gemaakt van de volgende bronnen : S inventarisatielijst provinciaal programma bodemsanering; S verkennende onderzoeken gesloten stortplaatsen (VOS); S gemeentelijke bestand van huidige en vervallen milieuvergunningen; S provinciale lijst van autosloopterreinen; S bestand ondergrondse en bovengrondse opslagtanks van de gemeente; S bestand bodemonderzoeken in de gemeente; S omgevingsrapportage van de provincie Noord-Brabant; S historische kaarten via www.topotijdreis.nl. In de volgende paragrafen wordt een samenvatting gegeven van het vooronderzoek. De aanleiding van het vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A van de NEN 5725. Na beschrijving van het vooronderzoek zullen de beantwoordingen van de onderzoeksvragen, behorende bij de aanleiding van het vooronderzoek, in paragraaf 2.6 worden beschreven.
2
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
2.1. Historisch gebruik De onderzoekslocatie is gelegen aan de Voorste Heusden 21 te Asten-Heusden, op een perceel in het buitengebied ten noorden van de bebouwde kom van Heusden. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Asten, sectie P, perceelnummers 2399 en 2400. De situatie is aangegeven op de tekening in bijlage 1a. De huidige bestemming is agrarisch en is in het verleden niet gewijzigd. De bestemming van de directe omgeving is wonen en agrarisch. Bodemonderzoeken: Van de locatie en de directe omgeving zijn de volgende bodemonderzoeken bekend: ! Voorste Heusden 29; uitgevoerd door Kanters Groep (rapportnr. 1703R001, d.d. 5-11-2001); de bovengrond blijkt matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met koper, zink en minerale olie. De ondergrond is licht verontreinigd met PAK. In het grondwater zijn diverse lichte verontreinigingen aangetroffen met zware metalen; ! Voorste Heusden 29-31; Hiervoor zijn diverse verkennende en aanvullende onderzoeken uitgevoerd. In een nader onderzoek door Kanters Adviesgroep (nr. 1703R007, d.d. 30-10-2003) is een verontreiniging door zinkassen aan de voorzijde van het perceel vastgelegd. Middels een saneringsplan (24-2-2004) en een evaluatierapport (nr. 1703R009, d.d. 48-2004) is de verontreiniging afgegraven. Er is een restverontreiniging achtergebleven in de putwand aan de voorzijde.
Op 31-10-2013 is door het bevoegd gezag ingestemd met de uitgevoerde sanering; ! Van de Voorste Heusden 35 is een indicatief onderzoek (28-7-1999) en aanvullend onderzoek (13-9-2000) uitgevoerd. Geadviseerd werd om een oriënterend onderzoek uit te voeren; ! Vaarsenhof; uitgevoerd door Grontmij (d.d. 13-7-2001); op de ruimtevoor-ruimte locatie (3,6 ha) zijn in de grond en het grondwater lichte verhogingen met enkele zware metalen aangetroffen; ! Vaarsenhof (2 locaties); uitgevoerd door Kanters Groep (rapportnr. 0302R037, d.d. 30-11-2001); in de grond zijn geen verhogingen geconstateerd en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met chroom en zink aangetroffen;
3
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
! !
! ! !
M & A Bodem & Asbest BV
Daliastraat 41, verkennend onderzoek door Kanters (5-11-2001) en nader onderzoek (22-1-2001). PAK in eerste instantie verhoogd aangetroffen, maar na nader onderzoek is grond geschikt bevonden; Voorste Heusden 31, historisch en verkennend onderzoek door SRE en Kanters. Bij een verwijderd ondergrondse tank zijn geen verhogingen aangetroffen. Verder nulsituatie wordt geadviseerd bij verdachte bedrijfsonderdelen; Voorste Heusden 33, historisch onderzoek door SRE. Verder nulsituatie is niet noodzakelijk, omdat er geen potentieel verdachte bedrijfsonderdelen zijn; Voorste Heusden 19, verkennend onderzoek door Archimil (9-10-2008). Grond is niet verontreinigd en grondwater is matig verontreinigd met zware metalen; Voorste Heusden 13, historisch onderzoek door SRE en 4 verkennende onderzoeken door Agro (28-7-1997 (2x), 7-10-1997 en 2-11-1999). Diverse parameters (minerale olie, zware metalen, EOX) zijn licht verhoogd aangetroffen. Deze vormden geen belemmering voor de beoogde doelstelling van de locatie;
Omgevingsrapportage provincie Volgens de omgevingsrapportage zijn voornoemde bodemonderzoeken bekend. Tanks: Van het perceel Voorste Heusden 21-23 zijn geen tankgegevens bekend. Milieuvergunningen: Van het perceel zijn milieuvergunningen bekend voor een varkenshouderij. Van de locatie zijn verder geen bodembedreigende activiteiten bekend, anders dan hiervoor aangegeven. Overigen: Van de onderzoekslocatie zijn geen verdere gegevens bekend over sintels, zinkassen of oude watergangen. De locatie is niet vermeld op de lijst van bodemsaneringsgevallen van de provincie en staat evenmin bekend als voormalige stortlocatie.
4
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
Conclusie: vooronderzoek Van de onderzoekslocatie zijn geen directe aanwijzingen aangetroffen dat het perceelsgedeelte verontreinigd is.
2.2. Huidig gebruik Op de locatie is geen verharding of bebouwing aanwezig. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt ongeveer 2.930 m2. Obstakels of zichtbare verontreinigingen zijn niet geconstateerd. Kabels en leidingen zijn niet zichtbaar aanwezig op het terrein. Er zijn verder geen andere aanwijzingen gevonden, dat er calamiteiten op de onderzoekslocatie zijn geschied.
2.3. Toekomstig gebruik De bestemming van de locatie is agrarisch en deze zal worden gewijzigd naar wonen. Voor de nieuwbouw van de woning zal een omgevingsaanvraag worden ingediend. Toekomstige bodembedreigende activiteiten op de locatie zijn niet waarschijnlijk.
2.4 Asbest in de bodem Op de onderzoekslocatie is een vooronderzoek uitgevoerd volgens NEN 5707 ‘Asbest in de bodem’. Het onderzoeksgedeelte is hierbij rastermatig onderzocht op de aanwezigheid van asbestmateriaal. Vervolgens is een maaiveldinspectie uitgevoerd conform NEN 5707 in stroken van 1,5 meter. Uit het onderzoek is gebleken dat er op de onderzoekslocatie geen asbestmaterialen op- of in de bodem zijn aangetroffen, zodat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. Op de locatie zijn geen asbestverdachte drupzones aanwezig (geweest).
5
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
2.5. Bodemsamenstelling en geohydrologie De locatie is gelegen in het gebied van de Centrale Slenk. Deze Centrale Slenk wordt in het noordoosten begrensd door de Peelrandbreuk en in het zuidwesten door de Gilze-Rijenstoring. De deklaag van de bodem ter plaatse, behorende tot de Formatie van Boxtel, bevindt zich op ongeveer 26 meter boven NAP en loopt door tot 9 meter boven NAP. Deze deklaag bestaat uit middel fijn tot uiterst fijn zand, gemengd met of onderbroken door lagen (1 meter dikte) met klei of zandige klei. Deze laag is slecht waterdoorlatend. Na de deklaag begint het eerste watervoerende pakket, behorende tot de formaties van Sterksel, Veghel en Kedichem, doorlopend tot 101 meter beneden NAP waarna de eerste scheidende laag, behorende tot de Brunssum klei, begint. De grondwaterspiegel van het freatische grondwater bevindt zich op ca. 24 meter boven NAP. De grondwaterstromingsrichting is noordelijk. Deze gegevens zijn ontleend aan de door TNO samengestelde grondwaterkaart van Nederland (kaart 57 oost, kaartblad 57F). Op de tekening in bijlage 2 zijn de isohypsen van de omgeving van de onderzoekslocatie weergegeven.
2.6. Beantwoording onderzoeksvragen volgens NEN 5725 Voor de aanleiding A dienen de onderzoeksvragen te worden beantwoorden. In paragraaf 2.1 t/m 2.5 is de motivatie gegeven van alle bevindingen op de locatie. Onderstaand worden de onderzoeksvragen beantwoord. 1. Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende ? De afbakening is op de tekening in bijlage 1a opgenomen en dit is de onderzoekslocatie waarvoor het onderzoek heeft plaatsgevonden. 2. Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging ? Op de locatie is geen sprake van potentiële bronnen van verontreiniging. 3. Is de bodem asbestverdacht ? Nee, de bodem is niet asbestverdacht. 6
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
4. Wat is de bodemopbouw en geohydrologie ? Zie paragraaf 2.5. 5. Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit ? Nee. 6. Wordt op (een deel van) de locatie bodemverontreiniging vermoed ? In principe is er geen verdacht op een bodemverontreiniging. 7. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend ? Nee, de kwaliteit van de bodem is niet afdoende bekend. Er is een onderzoek volgens NEN 5740 nodig.
2.7. Hypothese Gezien de informatie die uit het historische onderzoek naar voren is gekomen kan gesteld worden dat geen verontreinigingen worden verwacht in de bodem, ondanks dat het gebied bekend is met diffuse zware metalen verontreinigingen. Derhalve wordt de hypothese "onverdachte, niet lijnvormige locatie" gesteld, welke aan de hand van de analyseresultaten zal worden getoetst.
7
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
3. Onderzoeksstrategie en uitvoering van het onderzoek 3.1. Onderzoeksstrategie De gekozen onderzoeksstrategie is conform de NEN 5740 voor onverdachte locaties. Hierbij worden de monsters genomen volgens een gelijkmatig over het terrein verdeeld patroon. De oppervlakte van het onderzoeksgedeelte bedraagt ca. 2.930 m2 voor de oppervlakte van het nieuwe woonperceel. Onderzoeksstrategie onverdachte locaties volgens NEN 5740 AANTAL BORINGEN tot 0,5 m
9
en tot 2 m
2
TE ONDERZOEKEN MENGMONSTERS
en peilbuis
grond
1
grondwater
0 - 0,5 m
0,5 - 2,0 m
2
1
1
De boorpunten zijn aangegeven op de tekening in bijlage 1a. Door de opdrachtgever is verzocht om een aantal extra boringen uit te voeren. Daarom zal worden uitgegaan van de strategie van boringen van 11-3-1.
3.2. Veldwerk Op 28 maart 2023 zijn in totaliteit op de onderzoekslocatie 14 handboringen verricht van 0 tot 0.5 m - mv (bovengrond), welke gelijkmatig verdeeld zijn over de onderzoekslocatie. Drie van deze boringen zijn doorgezet tot 2 meter beneden maaiveld. Van alle separate boringen zijn vervolgens monsters genomen en deze monsters zijn in het laboratorium tot drie mengmonsters samengesteld: M1 : boring 1.1 t/m 7.1 0 - 0,5 m-mv M2 : boring 8.1 t/m 14.1 0 - 0,5 m-mv M3 : boring 5.2 + 8.2 + 12.2 0,5 - 1,0 m-mv boring 5.3 + 8.3 + 12.3 1,0 - 1,5 m-mv boring 5.4 + 8.4 + 12.4 1,5 - 2,0 m-mv
8
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
Op 21 maart 2023 is reeds één boring verricht tot 1,5 meter beneden de grondwaterspiegel en afgewerkt als peilbuis (HDPE). De ruimte rond de peilbuis is tot ca. 50 cm boven de filters aangevuld met zuiver filterzand en daar bovenop is 50 cm zwelklei (bentoniet) aangebracht. Verder is het boorgat afgedekt met zuiver fijn zand. De peilbuis is direct na plaatsing een aantal malen afgepompt, waarna d.d. 28 maart 2023 grondwatermonsters zijn genomen. Vervolgens werd de grondwaterstand gemeten en monsters genomen waarbij de pH en de elektrische geleidbaarheid (EGV) werden bepaald en zijn weergegeven in onderstaande tabel: Peilbuis P1 GWS
1,96 m - mv
pH
6,64
EGV
628 :S/cm
D
19 NTU
3.3. Laboratoriumonderzoek De mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn door het geaccrediteerde milieulaboratorium, AL-West te Deventer, geanalyseerd op de volgende onderzoeksparameters : M1 t/m M3
: zware metalen, PAK, PCB, minerale olie, droge stof, lutum en humus
P1
: zware metalen, BTEX, naftaleen, VOH, minerale olie
Het pakket van de zware metalen bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink. De vluchtige aromaten (BTEX) worden vertegenwoordigd door benzeen, tolueen, ethylbenzeen en de xylenen. Voor de vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOH) is een selectie gemaakt van de gechloreerde organische oplosmiddelen.
9
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV
4. Resultaten 4.1. Boorbeschrijving In bijlage 4 zijn de boorbeschrijvingen weergegeven, waarbij de beschrijving van de bodemopbouw is weergegeven conform NEN 5104. Deze is inmiddels vervallen, maar de BRL 2000 onderschrijft deze nog steeds. Daarom heeft de beschrijving toch conform NEN 5104 plaatsgevonden.
4.2. Zintuiglijke waarnemingen In de grondmonsters zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen, zoals bijvoorbeeld puin, kolenassen of zinkslakken aangetroffen. Ook werden geen abnormale kleur- en/of geurafwijkingen waargenomen.
10
Voorste Heusden 21, Asten-Heusden
M & A Bodem & Asbest BV