CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

GR24.06.04X Ruimtelijke onderbouwing + onderzoeken Ospelerweg 4

Gemeenteraad 18 juni 2024, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Asten Verzamelplan 2023-1 (hamerstuk)25.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

-

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?

5.7.1.2

Beleid

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening voor geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd. Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 Wgv bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in:

-

Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units; Buitengebied 10,0 odour units; Woonkern Heusden 0,5 odour units;

Crijns Rentmeesters bv

31

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

-

Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units.

Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen.

5.7.2

Toets

5.7.2.1

Inleiding

De planlocatie is op grond van de geurnormenkaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening gelegen in het buitengebied. In de omgeving van de planlocatie zijn enkele veehouderijbedrijven gelegen. Navolgende figuur zijn deze veehouderijen aangegeven.

Ospelerweg 2

Kruisbaan 1

Kruisbaan 2

Planlocatie

Figuur 20: Veehouderijen in omgeving planlocatie

5.7.2.2

Voormalige agrarische bedrijfswoning

De herbestemming van de planlocatie aan Ospelerweg 4 leidt niet tot een belemmering voor veehouderijen in de omgeving. Dit omdat de vergunning voor het houden van dieren is ingetrokken op of na het jaar 2000 in samenhang met het buitenwerking stellen van dit bedrijf. Hiermee wordt de bedrijfswoning op grond van de Wet geurhinder en veehouderij beoordeeld als ware het nog een bedrijfswoning, wanneer veehouderijbedrijven in de omgeving gaan uitbreiden. Hiermee levert herbestemming van de woning geen belemmeringen op voor de omgeving. Het plan tot herbestemming van de locatie aan Ospelerweg 4 voorziet niet in de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten of kwetsbare objecten. Desondanks dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er moet inzichtelijk worden gemaakt dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat.

Crijns Rentmeesters bv

32

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

5.7.2.3

Woon- en leefklimaat

Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Hierna worden daarom zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting voor de planlocatie inzichtelijk gemaakt. 5.7.4.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld van díe veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De veehouderijen aan Kruisbaan 1 is gelet op de afstand tot de planlocatie en de omvang van het bedrijf te kenmerken als de dominante veehouderij. Met behulp van het programma V-Stacks vergunning is de voorgrondbelasting van de veehouderij aan Kruisbaan 1 op de hoekpunten van woning aan Ospelerweg 4 berekend. Hierna zijn de berekeningsresultaten opgenomen. De brongegevens zijn overgenomen uit de vigerende vergunning voor dit bedrijf, vertaald naar de laatste RAV-waarden: Berekende ruwheid: 0,12 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: BronID

X-coord.

Y-coord.

EP

Gem.geb.

Hoogte

hoogte

EP Diam.

EP Uittr.

E-

snelh.

Aanvraag

Pluimveestal 4

181 661

373 535

3,6

4,2

0,80

0,40

4 311

Pluimveestal 5

181 677

373 594

10,5

7,4

0,60

4,00

24 079

Pluimveestal 6

181 665

373 645

9,0

7,0

4,20

2,80

13 416

Geur gevoelige locaties: GGLID

X-coordinaat

Y-coordinaat

Geurbelasting

Woning NW

181 634

373 404

8,6

Woning NO

181 645

373 407

9,4

Woning ZO

181 652

373 389

8,3

Woning ZW

181 641

373 385

8,2

Tabel 1: Berekening V-Stacks vergunning voor de veehouderij aan Kruisbaan 1 ten opzichte van de planlocatie

De voorgrondbelasting op de planlocatie afkomstig van de veehouderij bedraagt maximaal 9,4 oue/m³. Daarmee is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting. 3.7.3.3 Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. In navolgende figuur is de achtergrondbelasting in de huidige situatie weergegeven. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting zijn alle veehouderijen binnen een straal van vier kilometer rondom de planlocatie beoordeeld. De invoergegevens van deze bedrijven voor het programma V-Stacks gebied zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant. Aangezien sprake is van een berekening van de

Crijns Rentmeesters bv

33

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

huidige situatie is de maximaal vergunbare emissie voor de bedrijven gelijk gesteld aan de vergunde emissie in de bestaande situatie. Hierna is de uitkomst van de berekening ingevoegd. Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1001 181634 373404

20

16,412

1002 181645 373407

20

16,754

1003 181652 373389

20

16,213

1004 181641 373385

20

16,127

Tabel 2: Achtergrondbelasting binnen de planlocatie

Ter plaatse van de her te bestemmen woning is sprake van een berekende achtergrondbelasting tussen 16,1 en 16,8 oue/m³. Het woon- en leefklimaat kan worden geclassificeerd als ‘matig’ en is hiermee aanvaardbaar. De beoogde herbestemming is in het kader van de achtergrondbelasting dan ook geen bezwaar. 5.7.3.4 Conclusie woon- en leefklimaat Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting ten minste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting ter plaatse bedraagt maximaal 9,4 oue/m³ en de achtergrondbelasting maximaal 16,8 oue/m³. Derhalve is de voorgrondbelasting bepalend. Het woon- en leefklimaat ter plaatse kan worden bestempeld als acceptabel. 5.7.2.4

Belangenafweging

Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De herbestemming van de planlocatie aan Ospelerweg 4 leidt niet tot een belemmering voor veehouderijen in de omgeving. Dit omdat de vergunning voor het houden van dieren is ingetrokken op of na het jaar 2000 in samenhang met het buitenwerking stellen van dit bedrijf. Hiermee wordt de bedrijfswoning op grond van de Wet geurhinder en veehouderij beoordeeld als ware het nog een bedrijfswoning, wanneer veehouderijbedrijven in de omgeving gaan uitbreiden. Hiermee levert herbestemming van de woning geen belemmeringen op voor de omgeving. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden veehouderijen dan ook niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.

5.8 Gezondheid 5.8.1

Beleidskader

5.8.1.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit maken. Uit onderzoeksrapporten blijkt dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de

Crijns Rentmeesters bv

34

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. 5.8.1.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 5.8.1.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.

5.8.2

Toets

5.8.2.1

Endotoxinen

De meest van belang zijnde veehouderij is gesitueerd aan Kruisbaan 1. Hier is een pluimveehouderij gevestigd. Voor de pluimveehouderij aan Kruisbaan 1 geldt een endotoxinen contour van 288 meter. De planlocatie aan Ospelerweg 4 is binnen deze contour gelegen. Een gemeenteraad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengt dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar verslechtert (ECLI:NL:RVS:2017:3435). Deze herbestemming leidt niet tot een verslechtering van de volksgezondheid. Een bestaande woning wordt herbestemd. Er worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd. Uit de uitspraak van de Raad van State van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:414 blijkt daarbij dat een slecht woon- en leefklimaat aanvaardbaar wordt geacht, waarbij de ontstaansgeschiedenis, het feit dat de geurbelasting door de jaren heen alleen maar is afgenomen en het feit dat het een bewuste keuze zal zijn om in een dergelijke woning te gaan wonen zijn meegewogen. Dit is een uitspraak die toeziet op geur, maar die naar analogie ook voor endotoxinen kan worden toegepast. Binnen de planlocatie is het woon- en leefklimaat om de volgende redenen aanvaardbaar:

-

Binnen de locatie aan planlocatie was in het verleden een veehouderij aanwezig. Deze veehouderij is beëindigd. De sanering van het bedrijf heeft bijgedragen aan de verbetering van het woonen leefklimaat in de omgeving. Deze herbestemming voorziet in een nieuwe passende bestemming, die op grond van reeds verleende subsidie nog dient te worden gerealiseerd. De ontstaansgeschiedenis van de locatie en de oplossingsgerichte aanpak rechtvaardigt een herbestemming binnen een bestaande endotoxinen-contour;

Crijns Rentmeesters bv

35

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

-

de naar een burgerwoning her te bestemmen bedrijfswoning betreft een voormalige bedrijfswoning van een veehouderij die op of na 2000 buiten werking is gesteld. Gesteld kan worden dat een dergelijke woning wat betreft het woon- en leefklimaat meer hinder mag ondervinden van een agrarisch bedrijf dat in de nabijheid is gelegen dan een reguliere woning die bijvoorbeeld niet in het buitengebied is gelegen;

-

de overwegende windrichting, en daarmee verspreiding van fijnstofdeeltjes beweegt zich daarmee afwaarts van de planlocatie.

-

het bestemmen van de woning als burgerwoning draagt bij aan het tegengaan van verloedering van het buitengebied door een overschot aan leegstaande woningen. Met het toekennen van een woonbestemming wenst de gemeente verdere leegstand en verpaupering te voorkomen. Hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit binnen de planlocatie verbeterd.

5.8.2.2

Geitenhouderijen

Binnen een straal van twee kilometer rondom de planlocatie is geen sprake van een geitenbedrijf. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar voor de realisatie van één woning. 5.8.2.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In samenhang met deze herbestemming worden de gronden direct rondom de planlocatie bestemd voor agrarisch gebruik. Deze gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Hierop vindt geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaats. In de omgeving zijn geen gronden gelegen waar gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar voor de deze herbestemming..

5.9 Bedrijven en milieuzonering 5.9.1

Beleidskader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De indicatieve lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in gemengde gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

5.9.2

Toets

In de directe omgeving van de planlocatie liggen geen niet-agrarische bedrijven. In de directe omgeving liggen drie agrarische bedrijven. Te weten een melkveehouderij en een tweetal pluimveebedrijven. Het meest dichtbij gelegen agrarisch bedrijf, Kruisbaan 1, is gesitueerd op circa 60 meter van de woning. Dit betreft een bedrijf waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter voor geluid en 30 meter voor stof. Er wordt voldaan aan deze richtafstanden. De afstand tot het bedrijf aan Ospelerweg 2 bedraagt meer dan 175 meter. Aan alle richtafstanden wordt voldaan. De geursituatie is in paragraaf 5.7

Crijns Rentmeesters bv

36

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

inzichtelijk gemaakt. Er wordt met deze herbestemming gemotiveerd afgeweken van de richtlijnafstand voor geur op basis van de geurregelgeving. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.

5.10 Externe veiligheid 5.10.1

Beleidskader

5.10.1.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. 5.10.1.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) volgt dat in ruimtelijke plannen moet worden verantwoord hoe wordt omgegaan met risico’s ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen.Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.

5.10.1.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer. 5.10.1.4 Gemeentelijk beleidskader De Visie externe veiligheid gemeente Asten is door de gemeenteraad vastgesteld. In deze visie zijn de ambities en de visie van de gemeente Asten voor externe veiligheidsaspecten geformuleerd die gebruikt worden bij de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid binnen de gemeente. Bovendien zijn in de Visie planologische kaders opgesteld voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Crijns Rentmeesters bv

37

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

5.10.2

Toets

5.10.2.1 Inleiding Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid, waarop de ligging van de planlocatie is aangeduid en opzichte van inrichtingen en transportroutes.

Planlocatie

Figuur 21: Uitsnede risicokaart externe veiligheid met inrichtingen en transportroutes, waarop de ligging van de planlocatie is aangeduid

5.10.2.2 Inrichtingen De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid of binnen de invloedssfeer van een inrichting. 5.10.2.3 Transport Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N266, de N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen het risicogebied van de N266 of de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van vier kilometer. Met een afstand van 6,7 kilometer tussen planlocatie en de A67, is de planlocatie gelegen buiten het invloedsgebied van deze weg. Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. 5.10.2.4 Buisleidingen en hoogspanningslijnen De meest dicht bij de planlocatie gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van circa 1,6 kilometer ten westen van de planlocatie. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding niet plaatsvinden.

Op een afstand van eveneens circa 850 meter ten westen van de planlocatie is een hoog-

Crijns Rentmeesters bv

38

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

spanningslijn gesitueerd. Op dusdanig grote afstand kan worden gesteld dat interactie evenmin kan plaatshebben.

5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1

Beleidskader

5.11.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 

beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en;

voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.

5.11.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen In de Wet luchtkwaliteit is opgenomen dat ontwikkelingen die in ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, niet meer afzonderlijk hoeven te worden getoetst door het bevoegd gezag aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. 5.11.1.3 Blootstelling aan verontreiniging Fijn stof In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: 

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.

de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft als grenswaarde voor stikstofdioxide een jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m³.

5.11.2

Toets

5.11.2.1 Uitstoot van gevaarlijke stoffen Deze herontwikkeling ziet op herbestemming van een bestaande woning aan één ontsluitingsweg. De ontwikkeling valt hiermee binnen het begrip NIBM en hoeft niet verder te worden onderzocht in het kader van luchtkwaliteit.

Crijns Rentmeesters bv

39

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

5.11.2.2 Blootstelling aan verontreiniging Fijnstof Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 binnen de planlocatie en directe omgeving weer.

Planlocatie

Figuur 22: Fijn stof PM10 voor de omgeving van de planlocatie, 020 (Bron: RIVM)

Binnen de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 20-22 µg/m³.

Planlocatie

Figuur 23: Fijn stof PM2,5 voor de omgeving van de planlocatie, 020 (Bron: RIVM)

Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit binnen het plangebied acceptabel is en dat deze herbestemming in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is.

Crijns Rentmeesters bv

40

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

Stikstofdioxide Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide binnen de planlocatie en directe omgeving weer.

Planlocatie

Figuur 24: Stikstofdioxide voor de omgeving van het plangebied 2020 (NO2) (Bron: RIM)

Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 10-12 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.

5.12 Besluit m.e.r. 5.12.1

Beleid

De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. In de volgende twee gevallen dient een plan m.e.r. te worden opgesteld. 1.

In artikel 7.2 Wet milieubeheer wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven.

2.

In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Voor realisatie van woningen gelden de volgende drempelwaarden: ‘D11.2: de aanleg, wijziging

Crijns Rentmeesters bv

41

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft.)’ Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient een vormvrije m.e.r.beoordeling plaats te vinden waarbij gekeken dient te worden naar de kenmerken van een project, de plaats van een project en de kenmerken van het potentiële effect.

5.12.2

Toets

Deze ontwikkeling betreft de herbestemming van één grondgebonden woning en blijft hiermee ruim onder de drempelwaarden van 2.000 woningen. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Op grond van jurisprudentie blijkt dat realisatie van één woning geen stedelijke ontwikkeling in het kader van de m.e.r.-beoordeling betreft.

Crijns Rentmeesters bv

42

Ruimtelijke onderbouwing Ospelerweg 4 Heusden

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Voor afwijken van het bestemmingsplan en bouw van de woning binnen de planlocatie wordt een omgevingsvergunning aangevraagd. De kosten die voor deze ontwikkeling door de gemeente worden gemaakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Bij kleinschalige ontwikkelingen wordt veelal geen exploitatieplan vastgesteld, maar wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hierin worden afspraken vastgelegd over de procedure, kosten, planschadeverhaal en aan te leveren stukken. Ook in deze procedure wordt door de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten met de gemeente Asten. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

6.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant, de veiligheidsregio en waterschap Aa en Maas.

6.3 Omgevingsdialoog Voor deze ontwikkeling wordt een omgevingsdialoog gevoerd. Het verslag van deze omgevingsdialoog behoort als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Crijns Rentmeesters bv

43

Bodem en Bouwstoffen

Verkennend Bodemonderzoek Ospelerweg 4 te Asten-Heusden rapport C230267.007/PHE

datum: opdrachtgever:

28 september 2023 den De heer A. van Heugten, Postbus 83 4 Ospelerweg 5400 UDEN 5725 AB TS ASTEN-ASTEN-HEUSDEN

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van Archimil BV. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven, onder nummer 17159750.

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

I

VERANTWOORDING

P. Heesakkers Adviseur

Ing. R. Meulepas Teamleider

Archimil B.V. Koningsplein 18, 5721 GJ Asten, Tel.nr. 0493-671818, Email: info@archimil.nl Rabobank Iban NL70RABO01636.28.580, Kvk nr. 17159750

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

II

SAMENVATTING Voor een verklaring van de gebruikte terminologie met betrekking tot eventuele verontreinigingen verwijzen wij naar de ‘Circulaire Bodemsanering 2013’ en het ‘Besluit bodemkwaliteit’. Op een terrein aan de Ospelerweg 4 te Asten-Heusden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740. De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente

Asten

Adres

Ospelerweg 4 te Asten-Heusden

Kadastraal

Sectie: D

Nr: 3567 (ged.)

Coördinaten

X: 181.620

Y: 373.390

Oppervlakte onderzoekslocatie

circa 3635 m2

Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als nietverdacht beschouwd, waarbij in het grondwater diffuus verhoogde gehalten aan zware metalen aanwezig kunnen zijn. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5740. Uit het onderzoek volgt dat de sporen puinhoudende grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) licht verontreinigd is met zink. De humeuze grond uit de bovenlaag van het onverharde terrein en het met asfalt verharde terrein is sterk verontreinigd met koper en/of zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel, zink en xylenen. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat, aangezien het feitelijke bodemgebruik ongewijzigd blijft en er vooralsnog geen graafwerkzaamheden zijn voorzien, de aanwezige bodemverontreiniging ons inziens geen belemmering vormt voor de beoogde bestemmingswijziging. Mochten er in de toekomst graafwerkzaamheden zijn voorzien dan dient vooraf een nader onderzoek te worden uitgevoerd, om de omvang van de sterke verontreiniging te bepalen. Nadien dienen graafwerkzaamheden binnen de contour waar de interventiewaarde wordt overschreden als sanering te worden beschouwd.

Aangezien er op enig moment graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden adviseren wij om spoedig een nader onderzoek te laten uitvoeren, om meer inzicht te verkrijgen in de verontreinigingssituatie.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

III

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK ................................................................................ 1 2. VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 3 2.1. GEOGRAFISCHE GEGEVENS.......................................................................................................... 3 2.2. HUIDIG EN VOORMALIG BODEMGEBRUIK ........................................................................................ 3 2.3. MILIEUVERGUNNINGEN .............................................................................................................. 4 2.4. BODEMONDERZOEKEN ............................................................................................................... 5 2.5. TOEKOMSTIG GEBRUIK .............................................................................................................. 5 2.6. BODEMOPBOUW EN (GEO-)HYDROLOGIE ......................................................................................... 5 2.6.1. Algehele bodemkwaliteit .............................................................................................. 6 2.6.2. PFAS ........................................................................................................................... 6 2.7.

CONCLUSIE VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 7 3. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK .......................................................................... 8 3.1. OPZET BODEMONDERZOEK ......................................................................................................... 8 3.2. ANALYSEPAKKETTEN ................................................................................................................ 8 3.3. UITVOERING BODEMONDERZOEK .................................................................................................. 8 4. WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE ........................................................................10 5. RESULTATEN...............................................................................................................................11 5.1. VELDWERK GROND .................................................................................................................. 11 5.2. AANPASSING ONDERZOEKSOPZET .............................................................................................. 11 5.3. VELDWERK GRONDWATER ........................................................................................................ 11 5.4.

ANALYSERESULTATEN ............................................................................................................. 11 5.4.1. Grondmengmonsters .................................................................................................. 11 5.4.2. Grondwatermonsters ................................................................................................. 12 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................13 TABELLEN ...........................................................................................................................................14 Bijlage 1 ............................................................................................................ overzichtstekening Bijlage 2 .................................................................................................................. vooronderzoek Bijlage 3 ............................................................................................................locatie en boringen Bijlage 4 ........................................................................................................................ boorstaten Bijlage 5 .............................................................................................................

analyseresultaten Bijlage 6 ........................................................................................................................ referenties

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

1.

1

INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK

In verband met de beoogde bestemmingswijziging van het erf aan de Ospelerweg 4 te Asten-Heusden is door de heer A. van Heugten schriftelijk opdracht verleend om een verkennend bodemonderzoek op bovengenoemde locatie uit te voeren. Het doel van het onderzoek bestaat uit het verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van de grond en het freatische grondwater op het te onderzoeken terrein. Voor de milieuhygiënische verklaring kan dit onderzoek dienen als bewijs voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Regeling bodemkwaliteit artikel 4.3.4) in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van NEN 5740 [2] conform de BRL2000 met bijhorende protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodemonderzoek [3]. De grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de parameters welke opgenomen zijn in het NEN-pakket of op eventueel verdachte componenten. De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering 2013 [8]. Het rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de verzamelde gegevens van de onderzoekslocatie en/ of de daaromheen liggende percelen, welke tijdens het vooronderzoek naar voren zijn gekomen. De opzet en uitvoering van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 3.

In hoofdstuk 4 wordt het toetsingskader van de resultaten gepresenteerd waarna in hoofdstuk 5 de gevonden resultaten besproken zullen worden. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de conclusies besproken en worden enkele aanbevelingen gedaan. De in de tekst aangehaalde literatuurbronnen zijn opgenomen in bijlage 6. Contactpersonen voor de opdrachtgever waren de heer A. van Heugten en mevrouw B. Göertz.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

2

Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

2.

3

VOORONDERZOEK

Het vooronderzoek met betrekking tot het bodemonderzoek is uitgevoerd op het standaardniveau, conform NEN 5725. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie over de locatie van het bodemonderzoek, door het opvragen van informatie bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente, houden van interviews, uitvoeren van terreininspectie en archiefonderzoek. De te verzamelen informatie heeft betrekking op het voormalige gebruik, het huidige gebruik, het toekomstige gebruik, de bodemopbouw, de geohydrologische situatie en financieel-juridische aspecten. Hiervoor worden de volgende informatiebronnen geraadpleegd: milieuvergunningdossiers, archief bodemonderzoeken, etc. In bijlage 2 is een overzicht weergegeven van deze (geraadpleegde) informatiebronnen en de verkregen informatie. Op basis van de verzamelde informatie wordt het veld- en chemisch onderzoek goed voorbereid en wordt de onderzoekshypothese voor het verkennend of nader bodemonderzoek opgesteld. Ook worden de resultaten van het vooronderzoek gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. 2.1.

Geografische gegevens De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente

Asten

Adres

Ospelerweg 4 te Asten-Heusden

Kadastraal

Sectie: D

Nr: 3567 (ged.)

Coördinaten

X: 181.620

Y: 373.390

Oppervlakte onderzoekslocatie

circa 3635 m2

Op de onderzoekslocatie is er voor zover bekend geen sprake van een calamiteit of overtreding van voorschriften in het kader van de Wet Milieubeheer en/of Wet Bodembescherming en/of andere milieuregelgeving. 2.2. Huidig en voormalig bodemgebruik Het onderzoeksterrein is in gebruik als woning met (agrarische) bijgebouwen. De woning is gedekt met dakpannen. De bijgebouwen zijn gedekt met golfplaten, welke voorzien zijn van regengoten. De verhardingen op de locatie bestaan uit asfalt, beton en stroken klinkers. Het restend terrein is in gebruik als gras en siertuin. Uit de historische kaarten (bron: http://www.topotijdreis.nl) blijkt dat de locatie tot de jaren ’50 van de vorige eeuw deel uit maakte van de Groote Peel. Vanaf de jaren ’50 is, vanaf de noordelijk gelegen Gezandebaan, de omvorming naar landbouwgrond zichtbaar. Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

4

Uit gegevens van BAG volgt dat de woning in 1956 is gebouwd. Op basis van kaartmateriaal is de eerste bebouwing vermoedelijk in de jaren ’60 gebouwd. In de jaren ’70 zijn ook al enkele stallen zichtbaar. De zuidelijk van de locatie gelegen varkensstallen en de stal ten noorden van de huidige bijgebouwen zijn omstreeks 2008 gesloopt.

omstreeks 1900

omstreeks 1960

omstreeks 1990

omstreeks 2015

Het onderzoeksterrein is voor zover bekend niet opgehoogd met bodemvreemde materialen zoals puin, sintels of gebroken asfalt. Op de onderzoekslocatie hebben voor zover bekend geen olietanks in of op de bodem gelegen. Er zijn geen gegevens bekend omtrent eventuele activiteiten of calamiteiten op de onderzoekslocatie welke geleid kunnen hebben tot een bodemverontreiniging. 2.3. Milieuvergunningen Ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe nabijheid zijn in het verleden diverse vergunningen verleend, meldingen ingediend en/of controles uitgevoerd. Voor zover bekend en hier potentieel bodembedreigende activiteiten zijn uitgevoerd of opmerkingen zijn staan deze in onderstaand overzicht vermeld: 1998 9 oktober 2001 9 december 2003

Archimil BV

Revisievergunning voor een varkenshouderij Revisievergunning voor een varkenshouderij Intrekken van de milieuvergunning voor het gehele veebestand

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

5

2.4. Bodemonderzoeken In 2007 is, in verband met de voorgenomen aankoop van de grond door de gemeente Asten, op de landbouwgrond (maïs) rondom het erf een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport 0302R086, Archimil BV, d.d. 10 september 2007). Uit de rapportage volgt dat de bovengrond ter plaatse van de gesloopte stallen (bg1) licht verontreinigd was met koper en zink. De bovengrond van het resterend terrein was plaatselijk licht verontreinigd met koper. De ondergrond was destijds niet verontreinigd met één van de componenten waarop was onderzocht. Het grondwater van de meest nabij gelegen peilbuis (nr. 105) was niet verontreinigd met één van de componenten waarop was onderzocht. Het grondwater van de overige peilbuizen was plaatselijk licht verontreinigd met nikkel en/of chroom. Ter plaatse van het erf zelf is voor zover bekend nog geen bodemonderzoek uitgevoerd. 2.5. Toekomstig gebruik De bestaande bestemming agrarisch zal voor het erf worden gewijzigd in wonen. Vooralsnog zijn er, voor zover bekend, geen graafwerkzaamheden voorzien en zal het bodemgebruik nadien naar alle waarschijnlijkheid ongewijzigd blijven. 2.6. Bodemopbouw en (geo-)hydrologie Het te onderzoeken terrein heeft een hoogteligging gelijk aan circa 27,1 m + N.A.P. De opbouw van de ondergrond is schematisch weergegeven in figuur A. Figuur A: opbouw ondergrond.

Formatie van Boxtel Formatie van Beegden Formatie van Sterksel Formatie van Stramproy

Zwak siltig fijn tot matig grof zand Zandige leem tot grind, uitkomst van Maasafzettingen Grof zand en grind Uiteenlopende korrelgroottes, met plaatselijke leem, grind en kleilagen

De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 2 m-mv. De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk zuidoostelijk gericht. De stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal noordwestelijk gericht (zie uitsnede). Voorgenoemde geohydrologische gegevens zijn ontleend aan de grondwaterkaart van Nederland [6]. Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

6

2.6.1. Algehele bodemkwaliteit De gemeente Asten maakt gebruik van een goedgekeurde bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan (juli 2022) waarin diffuus verhoogde achtergrondgehalten aan verontreiniging zijn vastgelegd. De locatie valt in de zone buitengebied. De bovengrond van onverdachte locatie in deze zone is gemiddeld genomen licht verontreinigd met PCB’s. De gemeente Asten maakt gebruik van een goedgekeurde bodemfunctieklassenkaart. Hierin heeft de locatie de functie Wonen (erven in het buitengebied) toegekend gekregen. Van de regio zuidoost Brabant, noord- en midden Limburg is bekend dat er zich verhoogde achtergrondwaarden aan zware metalen in het grondwater manifesteren. Deze zijn enerzijds toe te schrijven aan uitloging uit deze verhardingen van zinkassen en depositie van zware metalen door het productieproces van deze zinkassen in de fabriek in Budel-Dorplein (diffuse verontreinigingen). Wanneer dit het geval is op een locatie zal de stof zink overheersen bij de verontreinigingen. Een andere bron van verontreiniging met zware metalen in het grondwater zijn de chemische processen die optreden wanneer anaeroob grondwater opkwelt. Doordat in de bodem ijzerhoudende lagen aanwezig zijn kunnen zware metalen in oplossing gaan en in het grondwater terechtkomen. Over het algemeen zijn arseen en nikkel overheersende componenten wanneer deze situatie zich voordoet. 2.6.2.

PFAS In het rapport “Aanwezigheid PFAS in Nederland Deelrapport B Verdachte locaties” 2 is een overzicht opgenomen van potentiële risico-locaties voor het voorkomen van PFAS-verbindingen. Voor de locatie is, voor zover bekend, geen sprake van een bronlocatie. Opgemerkt wordt dat op basis van recente gegevens de bovengrond van een groot deel van Nederland mogelijk in lichte mate verontreinigd is met PFAS-verbindingen1 en dat uitspoeling naar de ondergrond kan plaatsvinden. Door het ministerie is een geactualiseerd handelingskader PFAS opgesteld (versie 13 december 2021) voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie, waarbij een achtergrondwaarde van 1,9 µg/kgds (PFOA) danwel 1,4 µg/kgds (overige PFAS) is vastgesteld 3. De gezamenlijke omgevingsdiensten in Brabant maken gebruik van een Bodemkwaliteitskaart voor PFAS (d.d. 28 oktober 2020) 4. Aangezien de berekende P80 waarden lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor Landbouw/ Natuur, hebben de samenwerkende omgevingsdiensten ervoor gekozen om aan te sluiten bij de normen uit het geactualiseerde Tijdelijk Handelingskader van 2 juli 2020.

1

https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/grond-bagger/handelingskader-pfas/handelingskader/ https://www.expertisecentrumpfas.nl/images/Handelingskader/DDT219-1-18-008.228-rapd-Voorkomen_PFAS_in_Nederland__deelrapport_B_Verdachte_locaties_-_definitief.pdf 3 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2021/12/13/2021335279-1-geactualiseerde-versiehandelingskader-pfas/2021335279-1-geactualiseerde-versie-handelingskader-pfas.pdf 4 http://bodemloket.odbn.nl/images/20201028_0462683.100_bodemkwaliteitskaart_pfas_noord-brabant_def_rev0.0gecomprimeerd.pdf 2

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

7

2.7. Conclusie vooronderzoek Het vooronderzoek heeft zich gericht zich op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Op basis van bovenstaande gegevens kan de locatie vooralsnog als onverdacht worden beschouwd, waarbij in het grondwater diffuus verhoogde gehalten aan zware metalen aanwezig kunnen zijn. Op basis van de historische informatie is er vooralsnog geen aanleiding om een overschrijding van de normen uit het Tijdelijke handelingskader voor PFAS te verwachten. Onderzoek dient plaats te vinden conform de strategie onverdacht niet-lijnvormig (ONV-NL) uit NEN 5740. In bijlage 3 is een tekening van de geografische afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek opgenomen.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

3.

8

OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK

3.1. Opzet bodemonderzoek Conform de strategie onverdacht niet-lijnvormig (ONV-NL) uit de NEN 5740 worden verspreid over de onderzoekslocatie (circa 3635 m2) onderstaand aantal boringen en peilbuizen geplaatst. Aantal boringen Boring tot 0,5 m

En boring tot grondwater 1)

Aantal te analyseren (meng)monsters. En boring met peilbuis

Grond Bovengrond

10

2

1

2

Grondwater Ondergrond

1

1

1) Indien de grondwaterspiegel zich ondieper dan 1,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 1,0 m. Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 2,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 2,0 m.

Van elke 50 cm bodemlaag of van iedere bodemlaag afzonderlijk worden tot de freatische grondwaterspiegel representatieve monsters genomen. De boringen worden gelijkmatig over de te onderzoeken locatie verdeeld volgens een systematisch patroon. In bijlage 3 is een situatieschets opgenomen waarin de plaatsen van de boringen en de peilbuizen zijn aangegeven. 3.2. Analysepakketten De toegepaste NEN-pakketten bestaan uit: Grond: standaardpakket grond: Droge stof, Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale Olie (GC) (C10 - C40), PAK (10 VROM), PCB (7) Grondwater: standaardpakket grondwater: Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale olie (GC), Aromaten (BTEXN), Styreen, VOCl (11), Vinylchloride, 1,1 Dichlooretheen, 1,1-Dichloorpropaan, 1,2-Dichloorpropaan, 1,3-Dichloorpropaan, Bromoform

Ter bepaling van de achtergrond- en interventiewaarden worden grond(meng)monsters onderzocht op het gehalte aan lutum en organisch stof. 3.3. Uitvoering bodemonderzoek De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4]. De activiteiten bestaan uit: 1. het uitvoeren van een globale locatie-inspectie; 2. het verrichten van de boringen en 3. het plaatsen van de peilbuis; 4. het bemonsteren van de grond en het grondwater; 5. visueel en organoleptisch onderzoek van de monsters.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

9

De grondboringen worden voor zover mogelijk met handkracht uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van een ongelakte Edelmanboor met een diameters van 6 tot 12 cm. Er wordt voor zover mogelijk geen werkwater gebruikt. Na elke boring wordt het boormateriaal met leidingwater schoongemaakt. Voor het plaatsen van de peilbuis wordt geboord tot circa 1,5 meter beneden de freatische grondwaterspiegel. Het materiaal van de buis is slagvast P.V.C.. Het geperforeerde gedeelte wordt omgeven door een gewassen, paraffinevrije filterkous en gegloeid en gezeefd filtergrind. Het nietgeperforeerde gedeelte wordt met de oorspronkelijke grond omstort. Het boorgat wordt afgedicht met een laag zwelklei van ca. 50 cm. De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters worden uitgevoerd door een AS3000 geaccrediteerd laboratorium. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de voorbehandelings-, opwerkings-, en analysemethoden zoals beschreven in de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4].

Foto van de onderzoekslocatie – d.d. 29 augustus 2023

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

4.

10

WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE

Bij de beoordeling en interpretatie van de resultaten is gebruik gemaakt van de circulaire bodemsanering 2013. Deze circulaire definieert streefwaarden, achtergrondwaarden, interventiewaarden en tussenwaarden voor de beoordeling van de concentratieniveaus van diverse verontreinigingen in grond en grondwater. In onderstaand overzicht worden deze toegelicht: - de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) geeft het niveau aan waarbij, volgens de huidige inzichten, sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In geval er curatief gehandeld moet worden, geeft deze waarde het niveau aan dat bereikt moet worden om de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier of plant heeft, volledig te herstellen; - de interventiewaarde (I) geeft het niveau aan waarbij de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant, ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Bij gehalten boven deze waarde is normaliter sprake van een ernstige verontreiniging en zal moeten worden bekeken of sanering urgent is; - de tussenwaarde (T = [S + I] / 2) bevindt zich op de helft tussen de streef- en interventiewaarde. Boven deze waarde is in ieder geval, en onder deze waarde afhankelijk van bepaalde factoren zoals bodemtype, een nader onderzoek gewenst. Deze waarden zijn afhankelijk van de grondsoort.

Op basis van het lutum en het organische stofgehalte van de onderzochte grond, wordt een correctie uitgevoerd op de waarden zoals die voor een standaardbodem (lutum= 25% en humus= 10%) zijn vastgesteld. Om de mate van verontreiniging weer te geven wordt in dit rapport de onderstaande terminologie gebruikt: - niet verontreinigd concentratie lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; - licht verontreinigd concentratie hoger dan de achtergrondwaarde, maar lager dan of gelijk aan de tussenwaarde; - matig verontreinigd concentratie hoger dan de tussenwaarde, maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; - sterk verontreinigd concentratie hoger dan de interventiewaarde. Specifiek voor verontreinigingen met zware metalen ten gevolge van zinkassen in projectgebied de Kempen zijn in de Regeling Uniforme Saneringen terugsaneerwaarden vastgesteld voor wonen met moestuin (ABdKM) en wonen met siertuin (ABdK-S). Deze normen zijn verruimd ten opzichte van de algemene terugsaneerwaarden zoals deze eerder in de bodemgebruikswaarden waren vastgelegd en die sinds 1 oktober 2008 zijn vervangen door de achtergrondwaarden (AW), maximale waarden voor wonen (MWW) en maximale waarden voor industrie (MWI) uit het besluit bodemkwaliteit. Voor asbest is alleen een interventiewaarde vastgesteld, er is geen achtergrondwaarde vastgesteld.

De interventiewaarde voor vaste bodem ligt op 100 mg/kgds (concentratie serpentijn plus 10 x concentratie amfibool). De interventiewaarde is gelijk aan de hergebruikswaarde voor asbest in puin.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

5.

11

RESULTATEN

5.1. Veldwerk grond De grondmonsters zijn op 29 augustus en 12 september 2023, onafhankelijk van de opdrachtgever, genomen door B. Schoenmakers (erkend monsternemer SIKB 2001). Voor een beschrijving van de opgeboorde grond ter plaatse wordt verwezen naar de boorstaten (bijlage 4). Bij geen van de monsters is een verdachte en/ of afwijkende geur waargenomen. In de bovengrond van de boringen 101 en 104 zijn sporen puin aangetroffen. Beide boringen zijn rondom de bijgebouwen gesitueerd. De sporadisch aangetroffen bijmenging met puin behoeft ons inziens niet als asbestverdacht te worden beschouwd. Zintuiglijk zijn geen bijmengingen met asbest aangetroffen in of op de bodem. Een onderzoek conform NEN5707 wordt op basis hiervan dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.2. Aanpassing onderzoeksopzet Op basis van zintuiglijke waarnemingen, de ruimtelijke verdeling en in lijn met paragraaf 9.3 van de NEN 5740 zijn de meest kritische monsters/ bodemlagen onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grond. De onverdachte ondergrond (veen- en zandlagen) is analytisch niet onderzocht, deze zullen vermoedelijk niet tot marginaal verontreinigd zijn. 5.3. Veldwerk grondwater De peilbuis zijn op 29 augustus 2023 geplaatst en voorgepompt. Het grondwater is op 11 september 2023 nogmaals voorgepompt en vervolgens bemonsterd door de heer B. Schoenmakers (erkend monsternemer SIKB 2002).

De in het veld bepaalde gegevens met betrekking tot het grondwater staan vermeld in het volgende overzicht: Peilbuis nr.

Filterstelling (m-mv)

Datum

Gw-stand (m-mv)

pH

Ec (µS/cm)

Troebelheid (FTU)

Opmerkingen

101.1

2,35 – 3,35

11-09-2023

2,0

7.09

900

260

geen

Wanneer een watermonster troebel is (> 10 FTU), dus losgespoelde gronddeeltjes bevat, is er een kans dat er gronddeeltjes worden geanalyseerd in plaats van het grondwater. (An)organische stoffen (die zich hebben gehecht aan de gronddeeltjes) kunnen daardoor de analyseresultaten beïnvloeden.

5.4. Analyseresultaten De resultaten van de analyses van de grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn weergegeven in de tabellen. Tevens zijn de analyserapporten opgenomen in bijlage 5. 5.4.1. Grondmengmonsters Van de grondmonsters zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen drie mengmonsters samengesteld welke zijn onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grond.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

Mengmonster

Monsters (cm-mv)

bg1 (sporen puin) bg2 (humeus, onverhard)

101 (0-50) 104 (0-50)

bg3 (onder asfalt)

12

Analyseresultaat (meetwaarde, mg/kgds) Zink (110) >AW

101 (50-100) 103 (0-50) 103 (50-100) 105 (0-50) 106 (0-40) 107 (0-45) 108 (0-50) 109 (0-50) 110 (0-50) 102 (16-50) 102 (50-80) 111 (14-50) 112 (19-50) 113 (16-50)

Bodemkwaliteit

Koper (120), zink (540) >I Lood (69) >AW Zink (820) >I Koper (78) >MWW Lood (100) >AW

Klasse Wonen (gehalte <AW+MWW) Sterk verontreinigd Sterk verontreinigd

Uit de resultaten volgt dat de mengmonsters van de humeuze bovengrond van het verharde en onverharde terreindeel sterk verontreinigd is met koper en/of zink. Gelet op de aangetroffen gehaltes aan koper en zink dient, indien er graafwerkzaamheden zijn voorzien, een nader onderzoek te worden uitgevoerd om meer inzicht te verkrijgen in de verontreinigingssituatie. In eerste instantie kunnen de afzonderlijke monsters van waaruit de mengmonsters zijn samengesteld separaat worden onderzocht op het gehalte aan zware metalen (incl. koper en zink) – totaal 15 monsters. Gelet op de hiermee samenhangende kosten wordt het echter rendabeler geacht om alleen de grondmonsters onder de asfaltverharding separaat te laten onderzoeken1 (5 stuks) en de overige boringen opnieuw te plaatsen en de afzonderlijke bodemlagen in het veld, met behulp van een XRF-meter, te onderzoeken op het gehalte aan zware metalen. Op basis van de resultaten kunnen dan direct, ter plaatse van het niet duurzaam verharde terrein, extra boringen worden geplaatst. 1

deze monsters zijn tot 7 oktober in bewaring bij het laboratorium.

5.4.2. Grondwatermonsters Het grondwater is onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grondwater. In onderstaande tabel zijn de getoetste resultaten weergegeven. Peilbuis 101.1.1

Filtertraject (m-mv) 2,35 – 3,35

Analyseresultaat Barium, nikkel, zink, xylenen (som) >Streefwaarde

De lichte verhogingen met zware metalen kunnen worden beschouwd als diffuus verhoogde gehalten. De herkomst van de lichte verontreinigingen met xylenen is onduidelijk. Niet uitgesloten kan worden dat gezien de lage concentraties mogelijk er bij de analyse een verstoring is opgetreden. Gelet op de beperkte overschrijding van de streefwaarde achten wij een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen niet noodzakelijk.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

28 september 2023 rapportnummer: C230267.007/PHE

6.

13

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Het onderzoek heeft betrekking op het terrein gelegen aan de Ospelerweg 4 te Asten-Heusden. Het doel van een verkennend bodemonderzoek is door een relatief geringe inspanning een inzicht te verkrijgen van de bodemgesteldheid. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. 2. 3. 4. 5.

De sporen puinhoudende grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) is licht verontreinigd met zink. De humeuze grond uit de bovenlaag (0-1 m-mv) van het onverharde terrein is sterk verontreinigd met koper en zink. De humeuze grond uit de bovenlaag (0,14-0,8 m-mv) van het met asfalt verharde terrein is sterk verontreinigd met zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel, zink en xylenen. De hypothese niet-verdachte locatie dient te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten.

Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij het volgende op: 1. 2.

3. 4.

Archimil BV

Aangezien het feitelijke bodemgebruik ongewijzigd blijft en er vooralsnog geen graafwerkzaamheden zijn voorzien vormt de aanwezige bodemverontreiniging ons inziens geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging. Mochten er in de toekomst graafwerkzaamheden zijn voorzien dan dient vooraf een nader onderzoek te worden uitgevoerd, om de omvang van de sterke verontreiniging te bepalen. Nadien dienen alle graafwerkzaamheden binnen de contour waar de interventiewaarde wordt overschreden als sanering te worden beschouwd. Aangezien er op enig moment graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden adviseren wij om spoedig een nader onderzoek te laten uitvoeren. Wij achten het vooralsnog niet raadzaam om zonder aanvullend onderzoek of verdere afspraken omtrent de aangetroffen verontreinigingen over te gaan tot aan- of verkoop van de onderzochte locatie. Gelet op de aangetroffen concentraties in het grondwater is het uitvoeren van een nader onderzoek naar de herkomst volgens de Circulaire Interventiewaarden Bodemsanering niet noodzakelijk. Aangezien direct contact met het grondwater niet te verwachten is blijft het risico uit oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt. Het is echter raadzaam om geen freatisch grondwater te gebruiken voor consumptieve doeleinden, zoals het besproeien van gewassen en/of drenken van dieren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=c34c89e2-ef0b-4c45-b98d-b382746dd7ba