CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

GR24.06.04V Ruimtelijke onderbouwing + onderzoeken Kleine Heitrak 13

Gemeenteraad 18 juni 2024, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Asten Verzamelplan 2023-1 (hamerstuk)14.375 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op navolgende figuur is een en ander inzichtelijk.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

32

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

Figuur 16: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart

4.3.2.2

Plangebied

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Met de herbestemming gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.

Archeologie 4.4.1 Beleidskader 4.4.1.1

Erfgoedwet

Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. Ook dient het college van burgemeester en wethouders het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekendmaken. 4.4.1.2

Gemeentelijke archeologiebeleid

Het archeologisch beleid van de gemeente Asten is voorheen vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’. Met het vaststellen van het ‘Buitengebied Asten 2016’ zijn de dubbelbestemmingen hierin overgenomen. Tevens heeft de gemeente Asten een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de archeologische beleidskaart. Het plangebied is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

33

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

Figuur 17: Uitsnede Archeologische waardenkaart

4.4.2 Toets Het plangebied is gelegen binnen categorie 5: Gebieden met een middelhoge archeologische ver-wachting. Binnen deze categorie geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 centimeter en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m². Binnen het plangebied is geen sprake van bodemroering van onverstoorde gronden boven de verstoringsgrens. Er worden wel stallen gesloopt, maar de gronden hier zijn reeds verstoord. Nieuwe bebouwing en waterberging wordt gerealiseerd ter hoogte van bestaande bebouwing. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Bij de sloop kan de bijgevoegde Richtlijn sloop en archeologie worden gevolgd welke als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen.

Natuur 4.5.1 Beleidskader 4.5.1.1

Inleiding

Natura2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

34

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

4.5.1.2

Gebiedsbescherming

Ten aanzien van de gebiedsbescherming dienen plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Ook dient te worden aangetoond dat een ontwikkeling geen effect heeft voor wat betreft stikstof op voor verzuring gevoelige gebieden binnen een Natura2000 gebied. 4.5.1.3

Soortenbescherming

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.

4.5.2

Toets

4.5.2.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1.700 meter ten westen van de ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en circa 2.500 meter ten noorden van de ‘Groote Peel’. De exploitatie van de intensieve veehouderij veroorzaakt een zware piekbelasting op dit gebied. Het saneren van de pluimveetak heeft een positief effect op stikstofdepositie. De verdwijning van de veehouderij heeft een veel grotere reductie van stikstof tot gevolg dan de exploitatie van de insectenkwekerij en de nevenfunctie. Initiatiefnemer heeft met de provincie Noord-Brabant een overeenkomst gesloten waarin is bepaald dat enkel emissieruimte behouden blijft voor het nieuwe bedrijf en dat de rest komt te vervallen. Van de stikstofemissie à 10.540 kg op jaarbasis blijft circa 550 kg over voor de nieuwe functies. Voor de wijziging van een kalkoenenbedrijf naar een insectenkwekerij is een Wnbvergunning verleend (kenmerk: Z/189547-359272). De aanlegfase dient nog inzichtelijk gemaakt te worden, middels een Aerius-berekening. Bij de bouwaanvraag zal een Aerius-berekening worden overlegd. 4.5.2.2

Soortenbescherming

De bebouwing op het plangebied is geheel in gebruik geweest als pluimveehouderij. Op 15 november 2022 is de melding tot slopen van alle agrarische gebouwen (5 stallen) geaccepteerd door Gemeente Asten. Van de, in totaal, vijf te saneren stallen zijn er reeds drie gesloopt. Daar is geen geschikte nestel of verblijfplaats meer aanwezig. Er staan momenteel nog twee stallen. Deze twee stallen zijn reeds gedeeltelijk ontmanteld waardoor de stallen tochtig zijn en niet geschikt als verblijfplaats voor diverse diersoorten. Middels deze ontwikkeling vindt een kwalitatieve verbetering plaats van de inrichting van het perceel met onder andere een poel, fruitbomen en extensief beheerd grasland. Daarmee wordt voorzien een verbetering van foerageer mogelijkheden voor diverse diersoorten. Een onderzoek flora en fauna wordt niet noodzakelijk geacht.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

35

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

Geluid 4.6.1 Beleidskader 4.6.1.1

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 4.7.1.2

Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

4.6.2 Toets 4.6.2.1

Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied is reeds één bedrijfswoning aanwezig. Er is geen sprake van een wijziging in het akoestisch toetsingskader. 4.6.2.2

Industrielawaai

Het plangebied wordt herbestemd van een agrarische bedrijfsbestemming voor de intensieve veehouderij naar een insectenkwekerij met neventak agro equipment. Thans is ter plaatse een bedrijf in milieucategorie 4.1 bestemd. Per saldo zal het gebruik in intensiteit afnemen. Het nieuwe bedrijfsgebouw kent een omvang van 1.000 m². Daarvan wordt circa 400 m² gebruikt voor de kweek en 600 voor de ondersteunende bedrijfsfunctie. Van deze 600 m² wordt slechts een beperkt gedeelte gebruikt voor productiewerkzaamheden. Het betreft 100 m2 in een afgesloten werkplaats en 280 m2 als deelhal. De werkzaamheden zijn vergelijkbaar met een categorie 2 functie. Voor een categorie 2 functie geldt een richtafstand van maximaal 10 meter binnen gemengd gebied. Binnen deze afstand vinden geen bedrijfswerkzaamheden plaats, enkel is hier de inrit van de bedrijfswoning gelegen. De werkzaamheden en de ontsluiting voor de insectenkwekerij liggen op zo’n 30 meter van de meest dichtbij gelegen woning Kleine Heitrak 15.

Geur 4.7.1 Beleidskader 4.7.1.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object);

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

36

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

4.7.1.2

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 4.7.1.3

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woonen leefklimaat op een locatie. 4.7.1.4

Gemeentelijke geurverordening

De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd. Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in:

-

Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units; Buitengebied 10,0 odour units; Woonkern Heusden 0,5 odour units; Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units.

Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen. 4.7.1.5

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. 4.7.1.6

Achtergrondbelasting

Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

37

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

4.7.1.7

Belangen veehouderij en derden

Als gevolg van de beoogde herbestemming mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen.

4.7.2 Toets Insecten zijn geen landbouwhuisdieren, zoals bedoelt in het Activiteitenbesluit. Er gelden dus geen afstandsnormen voor een insectenkwekerij. De woning aan de Kleine Heitrak 12 en de gevel van het bedrijfsgebouw, waar de insectenkwekerij zal komen ligt op een afstand van 60 meter. De verwachting is dat gezien de afstand er geen geurhinder zal optreden bij de betreffende woning. Binnen het plangebied wordt de intensieve veehouderij gesaneerd. Het woon- en leefklimaat voor de omgeving zal hierbij significant verbeteren. Op navolgende figuur is de achtergrondbelasting weergegeven zoals deze tot voor de sanering van de pluimveehouderij bestond. Na sanering van de intensieve veehouderij is het aannemelijk dat ter plaatse sprake is van een ‘goed’ woon- en leefklimaat.

Figuur 18: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied

De herbestemming van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving niet onevenredig belemmeren. Bij herbestemming van de bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf voor de intensieve veehouderij naar een bedrijfswoning bij een overig agrarisch bedrijf is op basis van de Wet geurhinder en veehouderij geen sprake van een wijziging van de geurgevoeligheid van deze woning ten opzichte van de huidige situatie. Op grond van deze wet dient deze woning voor geur beoordeeld te blijven als ware het een bedrijfswoning bij een veehouderij. De herbestemming heeft derhalve geen onevenredige gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen tot gevolg.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

38

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

Gezondheid 4.8.1 Beleidskader 4.8.1.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM 10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. 4.8.1.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 4.8.1.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.

4.8.2 Toets 4.8.2.1

Endotoxinen

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijbedrijven gelegen. Het meest dichtbijgelegen bedrijf bevindt zich aan Kleine Heitrak 5a, op een afstand van meer dan 450 ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

39

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

meter van de bedrijfswoning. Daarnaast wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. De endotoxinecontour van de pluimveehouderij komt te vervallen. 4.8.2.2

Geitenhouderij

Binnen een afstand van twee kilometer tot het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Dit aspect is niet van toepassing op herbestemming van de twee planlocaties binnen het plangebied. 4.8.2.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In de directe omgeving zijn geen gronden gelegen waar gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar.

Bedrijven en milieuzonering 4.9.1 Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. De (indicatieve) lijst Bedrijven en Milieuzonering geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Gelet op de functiemenging aan het lint en in de directe omgeving wordt de omgeving van het plangebied gekenmerkt als ‘gemengd gebied’.

4.9.2 Toets De bedrijfswoning aan de Kleine Heitrak 13 betreft reeds een gevoelig object ten opzichte van andere bedrijven in de omgeving. Hierin vinden geen wijzigingen plaats. Het meest dichtbij gelegen bedrijf betreft een agrarisch bedrijf (milieucategorie 2) is gelegen op een afstand van meer dan 80 meter. De intensieve veehouderij zoals nu bestemd (milieucategorie 4.1) wordt herbestemd naar een insectenkwekerij met ondersteunende bedrijfsfunctie functie equipment engineering. De bedrijfsfunctie bestaat uit pionieren in het ontwikkelen van machines/hulpmiddelen voor de insectenkwekerij. Is er is geen sprake van grootschalige productie of zware machinerie. De werkplaats is kleiner dan 200 m². De functie is vergelijkbaar met een bedrijf milieucategorie 2. Per saldo vindt er dus een verbetering plaats voor omliggende functies. Dit aspect vormt geen bezwaar.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

40

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

Luchtkwaliteit 4.10.1 Beleidskader 4.10.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. 4.10.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 4.10.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd.

Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM 10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

4.10.1.4 Besluit gevoelige bestemmingen Sinds 2009 beperkt het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze zone betreft een breedte van 300 meter breed bij Rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen, aan weerszijde van deze wegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

41

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

4.10.2 Toets 4.10.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Binnen het plangebied is in de huidige situatie sprake van de exploitatie van een veehouderij. In samenhang met het bestemmen van de insectenkwekerij met neventak wordt de veehouderij gesaneerd. Dit plan draagt niet bij aan een toename van schadelijke stoffen in het kader van luchtkwaliteit. 4.10.2.2 Fijnstof Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

Figuur 19: Luchtkwaliteit PM10 voor het plangebied

Figuur 20: Luchtkwaliteit PM2,5 voor het plangebied

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

42

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

Op het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16-17 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Hiermee is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat voor wat betreft de aanwezigheid van fijnstof. 4.10.2.3 Stikstofdioxide De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide bedraagt 9-10 µg/m³.

Figuur 21: Luchtkwaliteit NO2 voor het plangebied

Hiermee is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide.

Externe veiligheid 4.11.1 Beleidskader 4.11.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: −

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);

−

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;

−

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;

−

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);

−

Structuurvisie buisleidingen;

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

43

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

−

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;

−

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 4.11.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.

Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10 -6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;

2.

Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.

4.11.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Dit is opgenomen in navolgende tabel. Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan

(Bevb)

met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Weg, spoorweg off Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan binnenwater (Bevt) met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Tabel 1: Tabel met verantwoordingsplicht groepsrisico's

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

44

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 4.11.1.4 Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

4.11.2 Toets 4.11.2.1 Inrichtingen Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied is aangeduid.

Figuur 22: Risicokaart provincie Noord-Brabant

Op de risicokaart van de Provincie Noord-Brabant zijn in de omgeving van het plangebied geen risicoobjecten aangegeven. 4.11.2.2 Transport Wegtransport Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen vindt in de gemeente Asten plaats over de rijksweg A67, op een afstand van 1 kilometer tot het plangebied. Het plangebied is gelegen binnen het 4 kilometer brede invloedgebied van de snelweg A67. Omdat de bestemming verder dan 200 meter verwijderd ligt van de snelweg is rekenkundig onderzoek van het groepsrisico niet nodig. Er dient een verantwoording voor

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

45

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

het groepsrisico te worden opgenomen. Er kan volstaan worden met de standaardverantwoording hiervoor. Transport (hoogspannings)leidingen Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van hoogspanningslijnen. Er is geen sprake van invloed van een hoogspanningslijn op het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing. Luchtvaart Het Nationaal Lucht en Ruimtevaartlaboratorium heeft een notitie opgesteld over het groepsrisico rond luchtvaartterrein Eindhoven. Daarnaast is er ook door het RIVM onderzoek verricht naar de externe veiligheid rondom dit luchtvaartterrein. Het plangebied is niet gelegen binnen de 10-5 of 10-6 risicocontour. Transport over spoor of over water In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen waterwegen gelegen. 4.11.2.3 Verantwoording groepsrisico Inleiding Conform het Bevt is voor de rijksweg A2 een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd. Beoordeling Het Bevt artikel lid 2 geeft voor plannen, die een groepsrisicotoename van minder dan 10 procent geven of waarmee de oriëntatiewaarde, gelet op de personendichtheid, niet wordt overschreven, de mogelijkheid om te volstaan met een beperkte verantwoording. Door deze ruimtelijke onderbouwing zal het aantal personen binnen het plangebied niet significant toenemen. In deze ruimtelijke onderbouwing kan dan ook volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen en de bestrijdbaarheid van de gevolgen van een ramp binnen het plangebied. Hierover wordt tevens verplicht advies gevraagd aan de Veiligheidsregio conform Bevt artikel 7 en artikel 9. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Voor het transport over de Rijksweg, op relatief korte afstand van het plangebied is het scenario BLEVE (explosie) het maatgevende scenario. Dit kan ontstaan na het ontstaan van brand als gevolg van een ongeval. De kans hierop is erg klein. Een BLEVE is alleen te voorkomen door het effectief koelen van de wagen. De watervoorziening ter plaatse is hiervoor voldoende. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond het plangebied zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. 1. Mogelijkheden zelfredzaamheid

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

46

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid zijn goed. Er is geen grotere groep niet –of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied woonachtig. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. 2. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied: a.

goed te alarmeren is;

In geval van een calamiteit kan NL-alert worden ingezet. NL-alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. b. goed te ontvluchten is. Binnen het plangebied zijn voldoende vluchtwegen van de risicobron af. 4.11.2.4 Conclusie Met de beoogde herontwikkeling zal het aantal personen binnen het plangebied niet of nauwelijks toenemen. Derhalve hoeft geen verantwoording plaats te vinden van het groepsrisico. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen negatieve wijzigingen tot gevolg voor de benodigde inzet van hulpdienstverleningen en voor de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Milieueffectrapportage 4.12.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden.

In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen. In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

47

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

4.12.2 Toets aan de drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet.

4.12.3 Vormvrije m.e.r. beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling wordt voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de beoogde ontwikkeling zeer kleinschalig van aard is en geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en het gebruiksoppervlak voor het bedrijf neemt significant af.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

48

Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleine Heitrak 13’

5.

UITVOERBAARHEID Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening en de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan waarvan deze ruimtelijke onderbouwing deel van uitmaakt wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden deze ruimtelijke onderbouwing te wijzigen.

Omgevingsdialoog Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling wordt door de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. Een verslag van de dialoog wordt als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

49

Omgevingsdialoog door

Asten december 2022

Wijziging bestemmingplan: Asten, Kleine Heitrak 13, 5721 SB Veehouderijactiviteiten staken op locatie en nieuwe activiteit: insectenkweek, productie halffabricaten en nevenfunctie voor niet-agrarische bedrijvigheid (equipment engineering) daarvoor in de plaats. Wanneer en waar 1e dialoog: Zondag 15 december 2019. Locatie Kleine Heitrak 13 Asten Wie: Met de bewoners van: Asten, Kleine Heitrak 12 Asten, Kleine Heitrak 15 Deurne, Rechte Heitraksedijk 2 Reacties: Plan uitgelegd om te gaan stoppen met veehouderij (en slopen van 1.500m2) en insectencentrum te beginnen. Aansluitend bezoek samen aan de kwekerij op onze locatie zoals die op dat moment operationeel was. Alle bezoekers waren zeer geïnteresseerd en wensten ons veel succes. Niemand had bezwaar of opmerkingen. Het stoppen met de veehouderij-activiteiten zagen ze allemaal als groot voordeel voor zichzelf. Wanneer en waar 2e dialoog: Woensdag 16 november 2022. Locatie Kleine Heitrak 13 Asten Wie: Met de bewoners van: Asten, Kleine Heitrak 12 Reacties: Verteld dat plan iets gewijzigd was: insectencentrum niet in bestaand gebouw maar nieuwe hal achter onze woning en daar schets van laten zien. In dit nieuwe plan wordt 3.500 m2 gesloopt en komt er 1.000 m2 voor in de plaats. Bewoner had geen bezwaar want dit ligt nog verder van zijn locatie. Wanneer en waar 2e dialoog: Woensdag 16 november 2022.

Locatie Rechte Heitraksedijk 2, Deurne Wie: Met de bewoner van: Deurne, Rechte Heitraksedijk 2 Reacties: Verteld dat plan iets gewijzigd was: insectencentrum niet in bestaand gebouw maar nieuwe hal achter onze woning en daar schets van laten zien. In dit nieuwe plan wordt 3.500 m2 gesloopt en komt er 1.000 m2 voor in de plaats. Bewoner had geen bezwaar. Maakte voor hem geen verschil. Wanneer en waar 2e dialoog: Woensdag 16 november 2022. Locatie Kleine Heitrak 15, Asten Wie: Met de bewoners van: Asten, Kleine Heitrak 15

Reacties: Verteld dat plan iets gewijzigd was: insectencentrum niet in bestaand gebouw maar nieuwe hal achter onze woning en daar schets van laten zien. In dit nieuwe plan wordt 3.500 m2 gesloopt en komt er 1.000 m2 voor in de plaats. Bewoner had geen bezwaar. Vonden het positief de totale bebouwing (wegens voorgenomen sloop) op de locatie afneemt. Waarom bewoners van deze adressen uitgenodigd: Dit zijn alle naaste buren rondom ons perceel die mogelijk zicht hebben op de locatie. Locatie Asten, Kleine Heitrak 15a is geen woning. Het is bij ons niet bekend van wie het onroerend goed is. Wanneer er mensen zijn is de poort aan de voorzijde bij inrit met hangslot afgesloten en geen werkende bel. Wij hebben 2 x een briefje (16 november en 13 december 2022) in de brievenbus gedaan met verzoek contact met ons op te nemen. Geen gehoor gekregen. Uitkomst omgevingsdialoog: Positieve reacties. Geen bezwaren of verbeterpunten.

1. Tekening Schaal 1:500 Formaat A3

5.

Asten

3.

2.

Datum 14/09/2023

6. 4.

Gegevens Klant Familie

Opdracht Landschappelijke inpassing Legenda Boomsingel Bomen Gras Bebouwing Puinverharding Water Bestrating

Nummers 1. Acer platanoides - Noorse esdoorn 2. Carpinus betulus – Gewone haagbeuk - Maat 12/14 - beveerd - Vrij Uitgegroeid 3. Wadi 4. Salix sepulcralis 'Chrysocoma' - Gele treurwilg - Maat 16/18 - Vrij uitgegroeid 5. Juglans regia - Walnoot - Maat 16/18 - Vrij uitgegroeid 6. Mix van Pyrus SPP. - Peer / Prunus SPP. - Kers / Malus - Appel - Maat 12/14 voor alle soorten - Hoogstam Afstand tot elkaar 5 meter . Eindbeeld is vrij uitgegroeid/Soortgebonden noodzakelijke snoei.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=566bee58-f2d4-49c4-9d28-72574e053a90