CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

GR23.10.07E Bijlage bij de toelichting 1 - Programma van eisen archeologie

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Asten Prins Bernhardstraat 1 2022'14.697 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2 Relatie met NOaA enof andere onderzoekskaders Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandgebied. Afhankelijk van de archeologische resten die binnen het plangebied aanwezig zijn, kunnen de volgende hoofdstukken van de NOaA 2.0 van toepassing zijn: 2. Dynamiek van het Nederlandse landschap 5. Sociale en economische differentiatie 6. Emigratie, immigratie, acculturatie 7. De archeologie van het rituele 9. Dodenbestel en grafmonumenten 17. ‘Frankisering’ en kerstening

KSP Archeologie

27

18. Dorpsvorming 20. De relatie stad – platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens – materiële cultuurrelaties 23. Netwerken en infrastructuur Indien oudere resten dan de Late Middeleeuwen worden aangetroffen kunnen hoofdstukken 10 (Vroegste bewoning van Nederland) t/m 16 (Overgang Romeinse tijd naar Vroege Middeleeuwen) van toepassing zijn. Op het moment dat er een archeologische vindplaats in het plangebied is aangetroffen, kunnen op basis van de betreffende hoofdstuk(ken) gerichte onderzoeksvragen worden geformuleerd. 5.3 Vraagstelling Doel van het proefsleuvenonderzoek is inzicht te krijgen in aard, omvang, datering, kwaliteit en behoudenswaardigheid van de aan te treffen archeologische resten en daarmee het toetsen van de archeologische verwachting. Zijn binnen het plangebied (behoudenswaardige) archeologische resten aanwezig en worden deze door de voorgenomen bodemingrepen bedreigd? 5.4 Onderzoeksvragen 1. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? a. Wat is de opbouw/fasering van het cultuurdek en (mogelijke) datering? b. Zijn er restanten van de oorspronkelijke bodem aanwezig? c. Zijn (diepe) bodemverstoringen aanwezig? 2. Zijn in het plangebied vindplaatsen aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 3.

Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 4. Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats? 5. Is op basis van de resultaten van het onderzoek vervolgonderzoek noodzakelijk in het plangebied en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Daarnaast kunnen op basis van de aard van de vindplaats(en) aanvullende onderzoeksvragen worden geformuleerd (zie ook paragraaf 5.2). Deze worden vastgelegd in een wijzigingsblad op dit PvE (incl. selectiebesluit van de gemeente ten aanzien van de noodzaak van een opgraving).

KSP Archeologie

28

Hoofdstuk 6 Methoden en technieken 6.1 Strategie De bedrijfspanden zullen voorafgaand aan het archeologisch onderzoek worden gesloopt tot aan het maaiveld. Ook de betonvloer van de bedrijfsbebouwing en de aanwezige verharding op de parkeerplaats kunnen voorgaand aan de uitvoering van het archeologisch onderzoek worden verwijderd. Wel is het belangrijk om bij het verwijderen van het beton en de verharding de bodem zo min mogelijk te verstoren. Bij de beoordeling van het PvE heeft de adviseur van het bevoegd gezag aangegeven dat in een dorpskernsituatie als deze, op relatief kleine percelen, een percentage van ca 10 % zelden tot nooit voldoende is. Eerder moet gedacht worden aan 20 tot 30 % om inzicht te krijgen in de archeologische ondergrond. Verder kan het eventuele nodig zijn om de proefsleuven naar bevindt van zaken uit te breiden. Er zijn op aanwijzing van de adviseur van het bevoegd gezag 5 proefsleuven van 20 x 4 m opgenomen (400 m²). Aangezien het plangebied een oppervlakte heeft van ca. 1.570 m2 wordt ca. 25% van het plangebied middels een steekproef onderzocht in de proefsleuvenfase. De twee sleuven worden aangelegd ter hoogte van de brouwerij en de woningen/winkels aan de voorzijde van het perceel op de kadastrale minuut (Bijlage 1).

De overige drie sleuven zullen inzicht moeten geven in de aan of afwezigheid van een eventuele oudere/prehistorische vindplaats op de het achterterrein (Bijlage 1). De sleuven worden niet aangelegd ter hoogte van bouwdeel 1B (Figuur 5), aangezien hier door de aanwezigheid van een moderne kelderverdieping de kans groot is dat eventuele archeologische resten verloren zijn gegaan. Ook de zone met vervuiling (Figuur 9) ten noorden van bouwdeel 2A wordt tijdens het proefsleuvenonderzoek buiten beschouwing gelaten. 4 Het proefsleuvenonderzoek kan wel inzicht geven in hoeverre in dit deel een opgraving nodig is. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert, staat onder leiding van een senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in historische dorpskernen. Deze is ook fulltime-aanwezig in het veld. Het veldteam wordt daarnaast minimaal aangevuld één projectmedewerker/archeoloog. Na afloop van het proefsleuvenonderzoek (fase 1) zal besproken worden of een doorgestart naar een opgraving (fase 2) nodig is. De adviseur van het bevoegd gezag heeft aangegeven dat twee weken voor de start van het onderzoek een afspraak met de adviseur van het bevoegd gezag en de opdrachtgever gemaakt moet worden voor het verwachte moment dat alle sleuven open liggen, zodat in het veld een evaluatie plaatsvindt.

Senior archeoloog stelt desgewenst een verslag op van dit bezoek met de uitkomst van de evaluatie in relatie tot al dan niet aangetroffen resten. Als besloten wordt tot een doorstart kunnen worden eventuele aanvullende onderzoeksvragen opgesteld, strategieën aangepast in PvE, kosten en planning besproken met opdrachtgever. Communicatie vindt vervolgens plaats tussen uitvoerder onderzoek, opdrachtgever en het bevoegd gezag. Indien geen behoudenswaardige archeologische resten (meer) verwacht worden, kan na het overleg in het veld al besloten worden dat een vervolg niet meer noodzakelijk is. 6.2 Methoden en technieken Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.1.

De gemeente heeft idealiter dat de meest noordwestelijk gelegen sleuf over de perceelsgrens getrokken wordt die in noordwesten van het plangebied op de kadastrale minuut gekarteerd staa.t Bij deze oude perceelgrens kunnen relevante archeologische resten verwacht worden, zoals een oude weg of een greppel. Dat is niet mogelijk, omdat daar een bodemvervuiling aanwezig is. 4

KSP Archeologie

29

Voorbereiding • • •

Plan van Aanpak (PvA) wordt opgesteld (KNA-specificatie OS01). Dit is een handleiding voor de uitvoering van het onderzoek. Het onderzoek wordt aangemeld bij het Archeologische Informatiesysteem Archis. Het definitieve PvE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd.

Veldwerk • • • •

• • •

•

•

•

• •

•

• •

Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een middelhoge complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS09. Bij aanvang van het werk worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving. De proefsleuven worden aangelegd met een graafmachine met een gladde bak. De proefsleuven worden laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar (zouden moeten) zijn. Bij een eventuele doorstart of vervolg als opgraving vinden de graafwerkzaamheden laagsgewijs plaats totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar (zouden moeten) zijn of de maximale ontgravingsdiepte is bereikt. Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, wordt een leesbaar vlak aangelegd. Er wordt uitgegaan van de aanleg van één tot meerdere vlakken. Mocht het noodzakelijk zijn om een tweede vlak aan te leggen dan worden de grondsporen in het eerste vlak gedocumenteerd en afgewerkt voordat verder wordt verdiept. Hierbij dient muurwerk, dat niet bij de recente bebouwing hoort, intact te blijven. Dit kan er in resulteren dat het 2e vlak kleiner van omvang wordt. In verband met de mogelijkheid om vindplaats(en) te behouden, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd.

Als besloten wordt tot een (doorstart naar een) opgraving mogen Archeologisch relevante structuren na documentatie worden verwijderd als ze binnen de ontgravingsdiepte liggen. Van de vlakken (eventueel details van bijzondere grondsporen), de profielen en de grondsporen in de coupes worden foto’s gemaakt. Ook worden bijzondere en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen gefotografeerd. De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld. Hierbij worden de bodemlagen, grondsporen, vondsten onder een bepaalde nummering geregistreerd en digitaal ingevoerd zodat een database beschikbaar is van de primaire veldgegevens. Alle vondsten die tijdens het onderzoek worden aangetroffen, worden verzameld met uitzondering van recent materiaal (na 1950) en bouwmateriaal en vensterglas (zie paragraaf 6.6). Van bijzondere deposities binnen sporen worden foto’s gemaakt en vastgelegd op tekening. De locatie wordt ingemeten/vastgelegd (x-, y- en z-coördinaten) en depositie wordt apart bewaard van het overige vondstmateriaal dat afkomstig is uit het spoor. Van elke proefsleuf wordt de vlakhoogte en het naastgelegen maaiveldniveau om de 5 m ingemeten in meters ten opzichte van NAP. Bij een eventuele opgraving wordt de hoogte van het maaiveld ingemeten in meters ten opzichte van NAP voordat de graafwerkzaamheden gaan starten.

De vlakhoogte wordt gemeten in een grid van ca. 5 x 5 m ten opzichte van NAP. Er wordt vooralsnog vanuit gegaan dat specialistisch onderzoek in het veld niet nodig is. Mocht dit wel het geval zijn, dan vindt overleg plaats met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Er is geen concrete verwachting op een (intacte) vuursteenvindplaats. Mochten toch meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in onverstoorde context worden aangetroffen in een vak van 4 x 5 meter, is mogelijk sprake van een vuursteenvindplaats. In dat geval worden verspreid over de vermoede concentratie vier boringen gezet in een boorgrid van 2,5 x 2,5 m (diameter 15 cm). De boringen gaan minstens 50 cm diep. Het opgeboorde sediment wordt gezeefd over een zeef

KSP Archeologie

30

•

met een maaswijdte van 3 mm. Op basis van een eerste inzicht in de spreiding van vuursteen, wordt bepaald wat de nadere strategie zal zijn. Het vlak wordt bij het vermoeden van een vuursteensite niet verder verdiept. In overleg met het bevoegd gezag wordt de te volgen strategie nader afgestemd. De sleuven blijven open liggen en pas na de evaluatie in het veld met opdrachtgever en de adviseur van het bevoegd gezag wordt besloten of de sleuven open blijven liggen of dat deze gedicht worden.

6.3 Omgang kwetsbare vondsten en monsters De verschillende vondstcategorieën worden goed verpakt, zodat de conditie van het materiaal zo weinig mogelijk achteruit gaat. Kwetsbare vondsten en monsters worden behandeld conform OS11/OS11wb en de KNA-Leidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. 6.4 Structuren en grondsporen • Er wordt gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (protocol 4004). • De sporen worden getekend, waarbij de vlakken tenminste op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20. De vlakken kunnen ook met een GPS of Total Station worden ingemeten. Begravingen worden op schaal 1:10 getekend. De sporen worden gefotografeerd en de hoogte ten opzichte van NAP wordt bepaald. • De sporen in het vlak worden gedocumenteerd. Ze worden beschreven en vastgelegd in dagen weekrapporten en op de benodigde formulieren, conform KNA-versie 4.1. • Aangetroffen crematiegraven worden gedocumenteerd volgens de inmiddels gangbare ‘methode Hiddink’ (Hiddink 2003, 97-107). Wanneer sprake is van inhumatiebegravingen zal een fysisch antropoloog worden ingeschakeld. • Voor de waardering van de vindplaats in de proefsleuvenfase worden voldoende sporen gecoupeerd (tenminste 10%) en gedocumenteerd om de kwaliteit en conservering van de sporen vast te stellen. De sporen worden vooralsnog niet afgewerkt.

Indien noodzakelijk worden meer vlakniveaus aangelegd waarbij de grondsporen in het voorgaande vlak eerst worden gedocumenteerd en afgewerkt voordat verder wordt verdiept. De sporen in het laatste vlak worden vooralsnog niet afgewerkt. • Sporen waarvan de aard en functie onbekend zijn, worden echter altijd gecoupeerd en gedocumenteerd, tenzij deze bij nadere bestudering deel uit (kunnen) maken van een grotere structuur zoals een gebouw en dergelijke. • Grondsporen die deel uitmaken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen worden in eerste instantie alleen selectief gecoupeerd en niet afgewerkt. Op basis hiervan kan de datering en conservering worden vastgesteld maar kunnen de archeologische resten, met het oog op mogelijk behoud in situ, zoveel mogelijk intact worden gehouden. • Funderingen, vloeren en water- of beerputten die in de proefsleuven worden aangetroffen, worden tijdens het onderzoek in eerste instantie niet verwijderd. Tijdens de eventuele opgraving (mogelijk variant archeologische begeleiding) worden alle sporen gecoupeerd en afgewerkt (die binnen de ontgravingsdiepte liggen of die ondiep reiken tot maximaal 20 cm beneden de ontgravingsdiepte). Dit geldt ook voor graven, funderingen, vloeren, water- of beerputten. • Splitsingen en oversnijdingen van sporen worden onderzocht om een eventuele fasering vast te stellen.

Daarbij worden de vondsten per spoor en daarin te onderscheiden vullingen verzameld. • Er is een concrete verwachting op muurwerk. Het muurwerk wordt ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op de constructieve aard, omvang en ouderdom. Verder worden de baksteengrootte, metselverband en tien- of vijflaagsmaat genoteerd als deze aanwezig zijn. • Kansrijke sporen worden bemonsterd. • Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen wordt eerst overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat ze nader worden onderzocht/bemonsterd. 6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek

KSP Archeologie

31

•

• • • •

Het aardwetenschappelijk onderzoek bestaat uit het bestuderen van de profielopbouw en de aangelegde vlakken door een fysisch-geograaf (KNA Prospector Ma of KNA Specialist Fysische Geografie) of een KNA-archeoloog Ma met ervaring op de hier verwachte gronden. Van elk van de proefsleuven wordt een lengteprofiel aan de hand van kolomopnames gedocumenteerd. Van het lengteprofiel wordt aan beide uiteinden van de proefsleuf een profielkolom van ca. 1 m breed tot ca. 30 cm in de natuurlijke ondergrond (C-horizont). De in totaal 10 kolommen worden gefotografeerd, getekend (schaal 1:20) en beschreven. Bij grote afwijkingen in de bodemopbouw of bij speciale grondsporen in de putwand (zoals lokale depressies, restanten van oud loopvlak, karrensporen, houtwallen, en dergelijke) wordt het gehele profiel voldoende ruim over deze fenomenen gedocumenteerd.

Bij een eventuele opgraving zal aanvullend aardwetenschappelijk onderzoek door middel van profiel(kolomm)en enkel nodig zijn als oudere vindplaatsen dan de middeleeuwen worden aangetroffen. 6.6 Anorganische artefacten • Vondsten worden (voor zover mogelijk) per spoor (vulling) of laag verzameld en geregistreerd. Vondsten die tijdens de aanleg van de proefsleuven worden aangetroffen, worden in vakken van 5 x 4 meter en per bodemlaag verzameld. Vondsten die tijdens de graafwerkzaamheden/opgraving worden aangetroffen, worden in vakken van 5 x 5 m en per bodemlaag verzameld. • Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf of opgravingsvak verzameld. • Tijdens de aanleg van het vlak wordt met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. • De metaalvondsten worden ingemeten en onder een ander vondstnummer dan het overige vondstmateriaal geregistreerd. • De stort wordt ook onderzocht met een metaaldetector. • Bijzondere vondsten en vondstconcentraties worden als puntlocatie ingemeten (x-, y-, zwaarden). • Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten qua hoeveelheid, soorten materiaal, objecten en/of dateringen en conservering sterk afwijken van wat er werd verwacht, dan zal overleg plaatsvinden tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder.

• Uitzondering op de bovenstaande werkwijze vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal en vensterglas, onversierd’ en recent vondstmateriaal (na 1950). De archeoloog mag hier in het veld een representatieve selectie van meenemen. 6.7 Organische artefacten • Vondsten worden (voor zover mogelijk) per spoor (vulling) of laag verzameld en geregistreerd. Vondsten die tijdens de aanleg van de proefsleuven worden aangetroffen, worden in vakken van 5 x 4 meter en per bodemlaag verzameld. Vondsten die tijdens de graafwerkzaamheden worden aangetroffen, worden in vakken van 5 x 5 m en per bodemlaag verzameld. • Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf of opgravingsvak verzameld. • Bijzondere vondsten en vondstconcentraties worden als puntlocatie ingemeten (x-, y-, zwaarden). • De organische artefacten worden in het veld verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord kunnen geven op de onderzoeksvragen. • Bij het aantreffen van bijzondere organische artefacten of een zeer grote hoeveelheid vondsten vindt overleg tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder voordat vondsten worden meegenomen uit het veld. 6.8 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten

KSP Archeologie

32

• •

•

Uit relevante, kansrijke contexten worden monsters genomen die geanalyseerd kunnen worden door specialisten. De monsters worden niet meteen gezeefd. In overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever zal worden bepaald of analyse van de monsters (in het kader van de onderzoeksvragen) nodig is. Analyse van de monsters vindt plaats om antwoord te krijgen op de onderzoeksvragen.

6.9 Overige resten Op inzicht van het veldteam worden monsters genomen voor micromorfologisch onderzoek, botanisch onderzoek, pollenanalyse, fosfaatbepaling, onderzoek naar diatomeeën, mijten etc. 6.10 Dateringstechnieken Wanneer vondstmateriaal geen uitsluitsel geeft over de datering van sporen en/of lagen, kunnen monsters worden genomen voor het verkrijgen van een datering. Dit zullen voornamelijk 14C-, dendrochronologische en OSL dateringen betreffen. In het veld wordt bepaald of de betreffende sporen/lagen ook daadwerkelijk geschikt zijn voor bemonstering. 6.11 Beperkingen Vanwege het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek mogen grotere structuren (bijvoorbeeld muurresten en putten) niet worden verwijderd. Door deze beperking kunnen mogelijk niet alle onderzoeksvragen goed beantwoord worden. Bij een eventuele opgraving vervalt deze beperking. Tijdens de eventuele archeologische begeleiding wordt ernaar gestreefd om het archeologisch onderzoek zo goed mogelijk in te passen in de geplande graafwerkzaamheden. Hierdoor wordt vertraging door het archeologische onderzoek zo beperkt mogelijk gehouden. De archeologische werkzaamheden beperken zich tot de noodzakelijk ingrepen en gaan niet dieper of op aangrenzende terreindelen.

Indien sporen deels worden aangesneden zal overlegd worden met het bevoegd gezag in hoeverre de sporen deels in situ en deels ex situ bewaard kunnen worden. Bepaalde complexen lenen zich niet tot gedeeltelijke opgraving en zullen geheel opgegraven of in-situ behouden moeten worden. Een eventuele begeleiding kan als vervolgstap nodig zijn in de zone waar een bodemsanering nodig is, mits het proefsleuvenonderzoek daar aanleiding toe geeft.

KSP Archeologie

33

Hoofdstuk 7 Uitwerking en conservering 7.1 Evaluatierapport Na afronding van het proefsleuvenonderzoek zal een evaluatierapport worden opgesteld, dat door de bevoegde overheid (gemeente) dient te worden vastgesteld. Vanwege de mogelijkheid tot een doorstart naar een opgraving zal in eerste instantie een beknopt evaluatieverslag worden opgesteld met de veldresultaten, waardering en advies op basis waarvan een selectiebesluit kan worden genomen ten aanzien van de noodzaak van vervolgonderzoek en/of vrijgave van terreindelen. Na afronding van het gehele veldwerk (proefsleuven en eventueel noodzakelijke opgraving) zal een compleet evaluatierapport worden opgesteld. Wanneer geen of weinig archeologische resten zijn aangetroffen, zal het evaluatieverslag tevens beknopt zijn en binnen een maand na uitvoering veldwerk worden aangeleverd. Als wel een vindplaats is aangetroffen, zal het evaluatierapport binnen twee maanden na uitvoering veldwerk worden aangeleverd. Het evaluatierapport wordt opgesteld met daarin een beknopt overzicht van de uitgevoerde werkzaamheden en de eerste resultaten van het onderzoek. Daarnaast wordt een voorstel gedaan voor de uitwerking en analyse van de sporen, vondsten en monsters (zie daarvoor ook paragraaf 7.2 t/m 7.7). De beoordeling van de vondsten en monsters wordt uitgevoerd conform de KNA 4.1, protocol 4004, OS12.

7.2 Structuren, grondsporen en vondspreidingen Vindplaatsen worden op basis van spoor- en vondstspreidingen geïnterpreteerd en vervolgens in tijd (periode) en ruimte begrensd in zones. Dit wordt inzichtelijk gemaakt op een allesporenkaart en indien van toepassing wordt per periode een overzichtskaart gemaakt. De zones/vindplaatsen worden vervolgens geïnterpreteerd en met onderbouwing gewaardeerd conform de KNA. 7.3 Analyse aardwetenschappelijke gegevens De interpretatie en analyse van de fysisch-geografische en bodemkundige informatie gebeurt zoveel als mogelijk in het veld. De verzamelde gegevens worden uitgewerkt zodat de landschappelijke context en de bodemopbouw van de vindplaats kunnen worden bepaald conform de onderzoeksvragen. De bodemlagen worden duidelijk aangegeven in de profielen met daaraan gekoppeld een (globale) datering. 7.4 Anorganische artefacten Per archeologisch artefact wordt per vondstcategorie minimaal vastgelegd: • het spoor (of laag) waarin de vondst is aangetroffen • de determinatie • de datering • eventuele bijzonderheden, zoals grootte categorie, versiering, bewerkingssporen etc. Iedere vondst wordt in principe gedetermineerd. Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden globaal bekeken en geteld en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken.

Uitgangspunten voor de uitwerking: • Aardewerk: determinatie per periode op ‘bakselniveau’, en voor zover mogelijk op type. • Glas: determinatie per periode op ‘glastype’ en voor zover mogelijk op gebruikstype. • Natuursteen/vuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig-/gebruikstype en indien mogelijk op herkomst. • Metaal: determinatie op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode.

KSP Archeologie

34

7.5 Organische artefacten Per archeologisch artefact wordt per vondstcategorie minimaal vastgelegd: • het spoor (of laag) waarin de vondst is aangetroffen • de determinatie • de datering • eventuele bijzonderheden, zoals grootte categorie, versiering, bewerkingssporen etc. Uitgangspunten voor de uitwerking: • Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype en eventueel datering • Bewerkt hout: determinatie op houtsoort, artefacttype en eventueel datering Overige opmerkingen: • Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. 7.6 Archeozoölogische en -botanische resten Bij de documentatie van het dierlijk botmateriaal wordt minimaal vastgelegd: • het spoor (of laag) waarin de vondst is aangetroffen • de determinatie op type bot en diersoort • eventueel de datering In het evaluatieverslag wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse en uitwerking van de botanische resten. Na goedkeuring van het bevoegd gezag worden botanische resten nader geanalyseerd en uitgewerkt, waarbij een specialist de kwaliteit en het archeologisch-ecologisch potentieel zal vaststellen. 7.7 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) Het eindrapport bevat (minimaal) de volgende afbeeldingen: • De onderzoekslocatie wordt op de topografische kaart aangegeven. • Overzichtskaart van de onderzoekslocatie met aan gelegde proefsleuven.

• De sporen en structuren worden afgebeeld op een alle-sporenkaart (ASK), indien relevant weergegeven per periode. • Eventueel coupetekeningen en/of foto’s. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). • Indien van toepassing, een advieskaart van het plangebied met daarop de zones weergegeven die in aanmerking komen/kwamen voor behoud in-situ, vervolgonderzoek en/of vrijgave.

KSP Archeologie

35

Hoofdstuk 8 (de)selectie en conservering 8.1 Selectie materiaal voor uitwerking De vraagstelling en de onderzoeksvragen zijn leidend voor de selectie van de vondsten en monsters voor de uitwerking. De senior KNA-archeoloog maakt de selectie en dit wordt beschreven in het evaluatierapport. 8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Alle organische en anorganische artefacten die worden geselecteerd, worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de provincie. De senior KNA-archeoloog kan een voorstel doen voor de conservering/deponering waarbij bepaalde voorwerpen kunnen worden gedeselecteerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen worden verwijderd. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden hoeven niet te worden geconserveerd. 8.3 Selectie materiaal voor conservering In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen: • Bijzondere vondsten die geconserveerd of gerestaureerd moeten worden, worden in overleg met bevoegd gezag, opdrachtgever en provinciaal depot overgedragen aan een specialist. • Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd. In overleg met het bevoegd gezag wordt vastgesteld of de vondsten behoudenswaardig zijn. Dit wordt vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de depothouder van het provinciaal depot.

• Onherkenbare metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context zijn gevonden, worden geröntgend om de inhoud vast te stellen (determinatie) en om een beslissing te nemen voor de uitwerking (selectie, conservering). • De gesorteerde en geanalyseerde vondsten worden op een goede manier opgeslagen zodat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat.

Hoofdstuk 9 Deponering 9.1 Eisen betreffende depot Conform de KNA 4.1 zijn er een aantal overleg- en goedkeuringsmomenten met de depothouder. • • • •

Voor aanvang van het onderzoek wordt contact opgenomen met de depotbeheerder van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van Noord-Brabant Alle vondsten zijn vanaf het moment van aantreffen eigendom van de provincie (Erfgoedwet Artikel 5.7). Voor de deponering van de vondsten en documentatie gelden de aanleveringseisen van het Archeologisch Depot van de provincie Noord-Brabant. De vondsten, monsters en documentatie worden binnen een periode 2 jaar na afronding van het veldwerk overgedragen aan het archeologisch depot van de provincie Noord-Brabant conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA versie 4.1.

9.2 Te leveren product De onderzoeksresultaten worden verwerkt in een rapport volgens de specificaties in de KNA 4.1 en de eisen in dit PvE. Bij het rapport hoort een bewijs van overdracht van vondsten en documentatie dat is afgegeven door het betreffende depot. De bevindingen van het onderzoek worden verwerkt in het Archeologisch Informatiesysteem (Archis).

KSP Archeologie

36

Hoofdstuk 10 Randvoorwaarden en aanvullende eisen 10.1 Personele randvoorwaarden • Het onderzoek moet worden verricht door een daartoe gecertificeerd bedrijf. • Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert, staat onder leiding van een senior KNAarcheoloog die ervaring heeft met onderzoek in historische dorpskernen. Deze is ook fulltimeaanwezig in het veld. Het veldteam wordt daarnaast minimaal aangevuld één projectmedewerker/archeoloog. • Een fysisch geograaf of een archeoloog met ruime en relevante bodemkundige en fysischgeografische ervaring wordt ingezet voor de interpretatie van de bodemprofielen in het veld. • De materiaal- en monsteranalyses (incl. eventuele rapportage) worden uitgevoerd door specialisten met ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. 10.2 Overlegmomenten Afstemming tussen de verschillende partijen vindt plaats op de volgende momenten: • Uiterlijk drie weken voor aanvang van het veldwerk vindt een overleg tussen de archeologisch uitvoerder en de opdrachtgever plaats. Hierbij wordt de strategie op basis van plan van aanpak, offerte, overeenkomst en de uitvoeringsplanning wederzijds bevestigd. Daarbij wordt door de archeologisch uitvoerder ook het bevoegd gezag twee weken voor aanvang geïnformeerd over de start van het veldwerk.

Er wordt daarbij een moment afgesproken waarop de proefsleuven open liggen en een evaluatie kan plaatsvinden. • Op het moment dat alle sleuven open liggen vindt er in het veld een evaluatie plaats door de senior archeoloog/projectleider en wordt in overleg met de opdrachtgever en de adviseur van het bevoegd gezag besloten of en hoe vervolgonderzoek zal plaatsvinden. Eventueel worden aanvullende onderzoeksvragen opgesteld, strategieën aangepast in PvE. Kosten en planning worden besproken met opdrachtgever. Communicatie vindt dus plaats tussen uitvoerder onderzoek, opdrachtgever en (de adviseur van) het bevoegd gezag. Senior archeoloog/projectleider stelt een verslag op van dit bezoek met de uitkomst van de evaluatie in relatie tot de aangetroffen archeologische resten. • Tijdens een eventuele opgraving vindt op zijn minst 1x overleg plaats tussen de projectleider en de opdrachtgever, waarbij de stand van zaken wordt besproken en de voortgang van de werkzaamheden wordt geëvalueerd. Voorstellen over het wel of niet onderzoeken van bijzondere sporen, worden bij het overleg aan de orde gesteld. Dit speelt in het bijzonder bij complexe fenomenen (bijvoorbeeld vuursteenvindplaatsen of begravingen).

• Als belangwekkende zaken worden aangetroffen die niet in het PvE zijn voorzien of wanneer substantieel van het PvE moet worden afgeweken, vindt extra overleg plaats tussen de archeologische uitvoerder met het bevoegd gezag en de opdrachtgever. • De opdrachtgever en de archeologische adviseur van het bevoegd gezag worden op de hoogte gesteld van het einde van het veldwerk. • Na de evaluatiefase/rapport. • Na oplevering conceptrapport. Indien nodig, kunnen meer overleg-/contactmomenten worden ingelast. 10.3 Kwaliteitsbewaring, toezicht, overleg en evaluatie Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA versie 4.1 en dit PvE. In alle gevallen waarin dit PvE niet voorziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA van toepassing. De kwaliteitsbewaking, toezicht en evaluatie zal in overleg met de bevoegde overheid plaatsvinden. De senior KNA-archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie als dit nodig is.

KSP Archeologie

37

10.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen • De uitvoerdatum en uitvoeringstermijn van het veldwerk wordt in overleg met de opdrachtgever vastgesteld. • Toegankelijkheid, vergunningen, betredingstoestemming en bereikbaarheid worden door de opdrachtgever geregeld. • De opdrachtgever zorgt voor gelegenheid voor het plaatsen van een schaftwagen, een container voor opslag van materiaal en een chemisch toilet. • De opdrachtgever verzorgt de contacten met andere belanghebbenden. • Op de werklocatie is het goedgekeurde PvE aanwezig. • De externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek ligt bij de opdrachtgever. Van de archeologische uitvoerder wordt medewerking verwacht voor het aanleveren van inhoudelijke informatie die voor de externe communicatie nodig is. Als er een informatiemoment wordt georganiseerd en de inzet vanuit de archeologische uitvoerder hiervoor niet vanuit de verleende opdracht is te realiseren, dan worden hiervoor eerst aanvullende afspraken gemaakt. • Deelname van amateurarcheologen die zijn aangesloten bij een lokale of regionale/landelijke vereniging op het gebied van archeologie is mogelijk. Voorwaarde is dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan het veldwerk en/of inhoud van het onderzoek. De aanwezigheid van amateurarcheologen wordt vastgelegd in de dag- en weekrapporten.

Tijdens een eventuele begeleiding van de saneringswerkzaamheden is dit niet mogelijk vanwege de gezondheidsrisico’s (benodigde bodemsaneringskeuring etc.). • De opdrachtgever informeert de archeologische uitvoerder over de ligging van kabels en leidingen op de onderzoekslocatie. Wanneer deze informatie niet bekend is, doet de gravende civieltechnische uitvoerder een graafmelding bij het kadaster. • De opdrachtgever verstrekt indien gewenst kopieën van de milieurapporten. • De opdrachtgever zorgt voor veilige werkomstandigheden en eventueel noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen mocht in het noorden een opgraving nodig zijn in combinatie met een bodemsanering. • De archeologische uitvoerder zorgt dat grote/belangrijke archeologische sporen en resten aan het eind van de dag zijn veilig gesteld voor ‘schatgravers’. Het bouwterrein wordt door de opdrachtgever afgesloten met een afsluitbaar hekwerk. • Opgravingsdocumentatie en waardevolle vondsten mogen niet onbeheerd in de keten achterblijven.

KSP Archeologie

38

Hoofdstuk 11 Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE 11.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk • Belangrijke afwijkingen ten opzichte van het PvE worden schriftelijk/per e-mail aangevraagd bij het bevoegd gezag en de opdrachtgever en zijn alleen mogelijk na overleg met en goedkeuring door de opdrachtgever en het bevoegd gezag. • Doorgevoerde afwijkingen ten opzichte van het PvE worden door opdrachtnemer op schrift vastgelegd, waarbij het PvE kan worden aangepast of aangevuld. Na goedkeuring van de aanvulling op het PvE kan het veldwerk worden vervolgd. • Kleine wijzigingen worden vastgelegd in de dag- en weekrapporten. • Minder- of meerwerk wordt overlegd met de opdrachtgever. 11.2 Belangrijke wijzigingen Onderstaande belangrijke wijzigingen worden altijd voorgelegd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid: • Wijzigingen in het puttenplan of de in dit PvE geformuleerde onderzoeksstrategie • Afwijkingen van de standaard onderzoeksmethode zoals in dit PvE is opgenomen • Indien belangwekkende zaken worden aangetroffen (afwijkingen van de archeologische verwachting) die niet in het PvE zijn voorzien • Als substantieel van het PvE moet worden afgeweken, onder andere vanwege fysieke en/of technische omstandigheden.

11.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk • Op basis van het evaluatieverslag wordt bepaald of het PvE ten behoeve van de uitwerking en rapportage moet worden aangepast. • Wijzigingen ten opzichte van het PvE na de evaluatiefase van het veldwerk worden schriftelijk aangevraagd bij het bevoegd gezag en zijn alleen mogelijk na overleg met en goedkeuring van het bevoegd gezag. De opdrachtgever wordt op de hoogte gebracht van de wijzigingen. 11.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering • Tijdens de uitwerking en conservering kunnen ontdekkingen worden gedaan waarvoor een wijziging in de afgesproken werkwijze is gewenst. Een voorstel voor wijziging wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid. Na instemming van de bevoegde overheid wordt de uitwerking en/of conservering op het betreffende punt aangepast. in geval van minderwerk of het eventueel uitvoeren van meerwerk wordt ook overlegd met de opdrachtgever.

KSP Archeologie

39

Literatuur en bijlagen Literatuur Archimil (2004). Verkennend bodemonderzoek. Prins Bernhardstraat 1/3 Asten. Rapport 2099R001. Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Borsboom, A.J.,Verhagen, J.W.H.P., Tol, A. (2012). KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel:

Proefsleuvenonderzoek.

Benthem, A. van (2012). Markt Asten (gemeente Asten). Een archeologische begeleiding. ADC-rapport 3218. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Dijkstra J.;Ploegaert, P. (199) Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) in de dorpskern van Asten. ADC-rapport 15. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-xh9-8mws Deeben, J., Peeters, H., Raemakers, D., Rensink, E. & Verhart, L. (2006). De vroege prehistorie, NOaA hoofdstuk 11. Versie 2.0, www.noaa.cultureelerfgoed.nl. Dijk, X.C.C. 2021). Een archeologisch onderzoek in plangebied Prins Bernhardstraat te Asten, gemeente Asten. RAAP-rapport 3852 Exaltus, R. & Orbons, J. (2019). Industrielaan, Asten Gemeente Asten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O);Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. ArcheoPro Archeologisch rapport Nr 17027 Exaltus, R. & Orbons, J. (2019). Industrieweg, Asten Gemeente Asten, Kijkgatenonderzoek ArcheoPro Archeologisch rapport Nr 18101 Haartsen, A. (2009). Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Noord-Brabant. Bureau Lantschap. Hensen, G.; Heideman, M.; Janssens,M.; Hoeven van der, F. (2008): Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Burgemeester Frenckenstraat te Asten. Synthegra Archeologie Rapport 175184 Hesseling, I.; Koeman, S.M.; Wemerman, P.; Deville T. (2010).

Definitieve Opgraving Burgemeester Frenckenstraat te Asten Gemeente Asten. S090193 Hessing, W.A.M., Eimermann, E., Gouw, M.J.P. & Quack, R. (2011). Gemeentelijke archeologiekaart van Asten 2010. Verantwoording en toelichting voor de gebruiker. Vestigia Rapport V692. Hiddink, H.A. (2003). Het grafritueel in de Late IJzertijd en Romeinse tijd in het Maas-Demer-Scheldegebied, in het bijzonder van twee grafvelden bij Weert. Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 11. Kiefte, te, D. (2015). Asten, Bartholomeus. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. BAAC-rapport A-14.0219

KSP Archeologie

40

Kooi, M. (2011). Asten, Prins Bernhardstraat 56. Definitief Archeologisch Onderzoek. BAAC-rapport

2011/B1725

Kortlang, F.P. (2010). Nota Archeologiebeleid gemeente Asten. Naar een implementatie van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in het gemeentelijke beleid. ArchAeO-Rapport 1005 Linden, B.A. van der (2008). Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P), Winkelcentrum Midas te Asten. Synthegra P0502969 Montferland Milieu (2021). Actualiserend bodem- en asbestonderzoek. Prins Bernhardstraat 1-3 te Asten. Projectnummer MM21107 Mostert, M;Verbeek, C. (2010): Asten (NB) - Prins Bernhardstraat. Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven. BILAN B1659 SIKB (2006): Leidraad eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal. Tump, M. (2019). Asten Koningsplein 16. Opgraving. BAAC-rapport A-18.0394. Veenstra, N, (2014). Asten, Koningsplein 12-14-16. Proefsleufonderzoek en Begeleiding (conform protocol opgraven). BAAC-rapport A-13.0233 Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008 – heden). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/ahn3/extract/ Archeologische Monumenten Kaart (2014). Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl.

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG): https://bagviewer.kadaster.nl Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Basisregistratie Topografie Achtergrondkaarten (BRT-A) via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Bestemmingsplan: www.ruimtelijkeplannen.nl Bodemkwaliteit: www.bodemloket.nl Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (gepubliceerd in de Basis Registratie Ondergrond december 2019). Wageningen Environmental Research. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/bro-bodemkaart/atom/v1_0/bro-bodemkaart.xml. Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland schaal 1:25.000: www.topotijdreis.nl (Kadaster). Brouwer, F. & M.M. van der Werff, (2012). Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336.

KSP Archeologie

41

Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1.3.0&request=GetCapabilities Dirks, G.H.P. & Nieuwenhuizen, W. (2013). HISTLAND: historisch-landschappelijk informatiesysteem. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-werkdocument 331. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (gepubliceerd in de BasisRegistratie Ondergrond maart 2020). Alterra, Wageningen UR. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/brogmm/atom/v1_0/index.xmlLegenda: Maas, G. J., S. P. J. v. Delft & A. H. Heidema. (2017). "Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017)." http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1:50.000 versie tot 2006: http://geoplaza.vu.nl/ data/dataset/bodemkaart-van-nederland/resource/2398cef7-957e-4ba5-b218-08ac275d72fb. Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: www.ikme.nl Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK 25 cm RGB via WMTS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmts Kadastrale kaarten 1811-1832. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl Rijksmonumenten (2019): Geraadpleegd via openbaar/wfs

WFS server: https://data.geo.cultureelerfgoed.nl/

Topografische kaart van Nederland schaal 1:10.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms V.1 & V.2 inslagen in Nederland: vergeltungswaffen.nl Vooronderzoek en Opsporing niet-gesprongen explosieven: https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/ Websites Geologische eenheden (formaties): https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator

KSP Archeologie

42

Bijlage 1: Puttenplan

KSP Archeologie

43

Bijlage 2: Lijst met te verwachten aantallen (proefsleuvenonderzoek) Deze inschatting is o.a. gebaseerd op Tump (2019), Koningsplein 16. Projectnaam Woongebouw ‘De Prins’ te Asten Omvang onderzoeksgebied 1.572 m2 Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten (handverzameld) Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) Vismonsters DNA Dendrochronologisch monster

KSP Archeologie

Verwachting Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd m.n. Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd Verwachte aantal m2 400 m2 Verwachte aantallen (N) 250 125 12

25 12

12

3

25 Verwachte aantallen (N) 1

1

1

44

Bijlage 3: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen

Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster

KSP Archeologie

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij PvA” nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij veldwerk” nee nee nee nee nee nee nee nee ja nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij uitwerking” ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja

nee nee

nee nee

ja ja

nee

nee

ja

nee

nee

ja

nee

nee

ja

nee

nee

ja

nee nee nee

nee nee nee

ja ja ja

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=ad9acdb9-72a9-4161-be78-c04a9e292f1e