GR23.07.14B Bijlage c - Ruimtelijke onderbouwing Vaalbaan 1.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan "Vaalbaan 1, Heusden"
Bezoekadres Postadres
Rombou : Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle : Postbus 432, 8000 AK Zwolle
Datum
: 6 april 2023, aangevuld 5 juni 2023
Status Projectleider Telefoon E-mail
: vastgesteld : : 08 8236 8236 : info@rombou.nl
Inhoudsopgave Toelichting
Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding plan herziening
5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
6
1.3
Vigerend bestemmingsplannen
7
1.4
Bij het plan behorende stukken
9
1.5
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Beschrijvingvan het plan
11
2.1
Bestaande situatie
11
2.2
Toekomstige situatie
14
Hoofdstuk 3
Beleid
18
3.1
Rijksbeleid
18
3.2
Provinciaal beleid
21
3.3
Gemeentelijk beleid
36
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
39
4.1
Algemeen
39
4.2
Bodem
39
4.3
Water
40
4.4
Erfgoed
43
4.5
Flora en fauna
46
4.6
Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai
49
4.7
Geur
51
4.8
Luchtkwaliteit
52 3
4.9
Bedrijven en milieuzonering
53
4.10
Externe veiligheid
56
4.11
Verkeer en parkeren
57
4.12
Kabels en leidingen
58
4.13
MER-toets
59
Hoofdstuk 5
Juridische plantoelichting
63
5.1
Juridische aspecten
63
5.2
Handhaving
66
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
68
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
68
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
69
Hoofdstuk 7
Procedure en overleg
70
7.1
Procedurestappen
70
7.2
Vooroverleg
70
7.3
Zienswijzen
71
4
Vaalbaan 1, Heusden
Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding plan herziening
Initiatiefnemers zijn in bezit van een agrarisch bedrijf aan de Vaalbaan 1 te Heusden dat zich bezighoudt met melkveehouderij en pluimveehouderij. Het bedrijf kent enkele opstallen welke verouderd zijn en derhalve niet meer als zodanig kunnen worden benut voor de bedrijfsvoering. Op grond van de provinciale regels (IOV) moeten de stallen op korte termijn (1 juli 2024) voldoen aan de 'Technische eisen huisvestingssysteem'. Met het oog op de overname van bedrijf door de bedrijfsopvolgers, de verbetering van het dierenwelzijn, de verduurzaming van de bedrijfsvoering en de toekomstbestendigheid en levensvatbaarheid van het bedrijf, is het wenselijk in het bedrijf te investeren. Initiatiefnemers zijn daarom voornemens een bestaande pluimveestal te verlengen, de verouderde pluimveestallen en ligboxenstal te vervangen, nieuwe sleufsilo's te realiseren en bestaande silo's te verplaatsen, en een bestaande opslagplaats te vervangen door een nieuwe loods. Daarbij willen de initiatiefnemers en de bedrijfsopvolgers inzetten op een natuurinclusieve bedrijfsvoering. De beoogde ontwikkeling is binnen het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk, derhalve is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De herziening betreft een vormverandering en vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf' door toekenning van een differentiatievlak voor opslag van ruwvoer.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarmee in een passend juridisch-planologisch kader waarbinnen de ontwikkeling mogelijk is.
Toelichting
5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Vaalbaan 1 te Heusden. De percelen welke het plangebied vormen staan kadastraal bekend als gemeente Asten, sectie D, nummers 3734 en 3733 (beiden gedeeltelijk). De locatie ligt in het buitengebied, ten zuiden van Heusden, ten westen van De Peel. In de omgeving zijn verschillende melkveehouderijen, pluimveehouderijen en intensieve veehouderijen gevestigd. Het bestaande gebruik door het agrarische bedrijf is daarmee passend bij de omgeving. De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door het huidige en het toekomstige bestemmingsvlak waarbinnen de uitoefening van een agrarisch bedrijf is toegestaan aangehouden. In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving weergegeven en in figuur 1.2 de bestaande situatie en begrenzing.
Figuur 1.1: ligging plangebied ten opzichte van de omgeving
6
Vaalbaan 1, Heusden
Figuur 1.2: bestaande situatie en begrenzing plangebied 1.3
Vigerend bestemmingsplannen
Buitengebied Asten 2016 Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Asten 2016" (vastgesteld 07-08-2019). Het plangebied kent de enkelbestemmingen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Agrarisch met waarden'. Ter plaatse van de agrarische bedrijfsbestemming geldt de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - pluimveehouderij overig' welke bepaalt dat melkrundveehouderijen, intensieve veehouderijen en pluimveehouderijen zijn toegestaan. Op het plangebied
is
geen
bedrijfsbestemming
bouwvlak
mogen
van
agrarisch
toepassing,
binnen
bedrijfsgebouwen
de
agrarische
worden
gebouwd.
Daarnaast gelden voor het gehele plangebied de gebiedsaanduidingen 'overige zone - attentiegebied EHS' en 'overige zone - groenblauwe mantel'. Tot slot geldt voor kleine delen van het plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen'. De realisatie van de nieuwe bebouwing is binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' niet mogelijk, een aanpassing en uitbreiding van de bestemming 'Agrarisch Toelichting
7
- Agrarisch bedrijf' is derhalve noodzakelijk. In de artikelen 4.2.3., 4.6.5. en 7.7.1. van de planregels van het bestemmingsplan zijn voorwaarden opgenomen voor wijzigen van het bestemmingsvlak. Vanwege de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling kan geen gebruik worden gemaakt van deze wijzigingsregels. In voorliggend bestemmingsplan wordt de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' van vorm veranderd en vergroot. De vergroting mag uitsluitend worden gebruikt voor de opslag van ruwvoer wat in het plan wordt vastgelegd door middel van functieaanduidingen. Het plan voorziet daarmee in het juridisch-planologische kader waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk is.
Figuur 1.3: uitsnede vigerend bestemmingsplan Buitengebied Asten 2016 Asten Verzamelplan 2019-1 (herstelbesluit) In het bestemmingsplan "Asten Verzamelplan 2019-1 (herstelbesluit)" zijn wijzigingen met betrekking tot de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' doorgevoerd. Deze gewijzigde planregels zijn in voorliggend bestemmingsplan verwerkt. Asten Verzamelplan 2019-2 8
Vaalbaan 1, Heusden
In het bestemmingsplan "Asten Verzamelplan 2019-2" kent het plangebied de aanduiding 'overige zone - regels GRP'. Voor deze aangewezen gronden geldt dat bij nieuw-, her- of verbouw of wijziging van het gebruik de inrichting van gronden zodanig plaats dient te vinden, dat wordt voldaan aan de eisen uit het op moment van aanvraag geldende Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). 1.4
Bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan "Vaalbaan 1, Heusden" bestaat uit de volgende stukken: toelichting; bijlagen bij de toelichting; verbeelding regels; bijlagen bij de regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.
Toelichting
9
1.5
Leeswijzer
De toelichting van het bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt in Hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied en de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water die bij de totstandkoming van het bestemmingsplan zijn betrokken en beoordeeld. In Hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Hier wordt de juridische procedure tot vaststelling beschreven en verantwoord. In Hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht, waarna tot slot in Hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan wordt beschreven aan de hand van de onderwerpen vooroverleg en zienswijzen.
10
Vaalbaan 1, Heusden
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan 2.1
Bestaande situatie
Het plangebied is gesitueerd in het buitengebied van de gemeente Asten, ten zuiden van Heusden. Ten westen van het plangebied ligt het natuurgebied "De Groote Peel". Het erf wordt in de bestaande situatie gebruikt door het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf. De bedrijfsactiviteiten kunnen worden verdeeld in een melkveehouderij- en een pluimveehouderijtak. Op het erf staan drie stallen voor de melkveehouderijtak, drie stallen voor de pluimveehouderijtak en een bedrijfswoning welke door de initiatiefnemers wordt bewoond. Oorspronkelijk werden er vleeskuikens gehouden. In 2004 zijn de vleeskuikens ingeruild voor leghennen. Voor de vleeskuikens waren weinig emissiereducerende systemen beschikbaar en was het niet mogelijk om in die tak te groeien. Daarom werd besloten om leghennen te gaan houden. Er is bewust gekozen voor Vrije uitloop kippen. Initiatiefnemer wil de dieren de mogelijkheid geven om buiten te scharelen. Daarmee wordt ingespeeld op de maatschappelijke wens dat dieren hun natuurlijke gedrag kunnen tonen. Daarmee is ook de keuze gemaakt om te sturen op het aantal dieren dat op de bij het bedrijf behorende vrije uitloop kunnen worden gehouden. De dierbezettingsnorm van de keurmerken zijn daarin leidend.
De keurmerken waaraan wordt voldaan zijn: IKB-ei, KAT (Duits keurmerk waarin retail, dierwelzijnsorganisaties en eiersector, samen de eieren naar een hogere standaard brengen) en VLOG (de dieren krijgen geen gemodificeerd voer, er worden vooral Europese grondstoffen in het voer verwerkt). In 2015 heeft initiatiefnemer zonnepanelen op het dak van de nieuwste kippenstal gelegd. Er wordt voldoende energie opgewekt voor het eigen bedrijf en er wordt teruggeleverd aan het elektriciteitsnet. In onderstaande figuur zijn de stallen genummerd en zijn het bestaande gebruik en de omvang van diergroepen weergeven. In het centrum van het plangebied, naast stal 5, liggen vijf kuilplaten.
Toelichting
11
Figuur 2.1: bestaande gebruik stallen en omvang diergroepen De drie kippenstallen 1, 2 en 6 zijn voorzien van een overdekte uitloop (Wintergarten) en daarnaast hebben de dieren uitloop richting de naastgelegen weilanden (Freilandsysteem). In
de
kippenstallen
is
het
huisvestingssysteem
BWL2004.10.V2
vergund:
‘Volièrehuisvesting, 50% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband met beluchting. Mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages’. De stalbeschrijving van het huisvestingssysteem BWL 2004.10.V2 is gewijzigd (nu BWL2004.10.V3). De huidige beschrijving is: ‘Volièrehuisvesting, 45–55% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met beluchting. Mestbanden 12
Vaalbaan 1, Heusden
minimaal tweemaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. Daarbij zijn er twee opties: ‘beluchtingcapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur’ met een ammoniakemissie van 0,055 kg per dierplaats per jaar’ (RAV-code E 2.11.2.1) en ‘beluchtingcapaciteit minimaal 0,5 m³ per dier per uur’ (RAV-code E 2.11.2.2) met een ammoniakemissie van 0,042 kg per dierplaats per jaar. In dit geval is E.2.11.2.1 van toepassing. De (milieu)vergunde ammoniak-emissie van de legkippen is daarom 0,055 kg per dierplaats per jaar. De kippenmest wordt afgedraaid in containers en binnen twee weken van het bedrijf afgevoerd. In dat geval hoeft voor de opslag van pluimveemest geen rekening te worden gehouden met extra emissies van ammoniak en geur. Het bedrijf heeft in 2012 voor het laatst nieuwbouw gepleegd; er is destijds een pluimveestal gebouwd voor de huisvesting van 30.000 legkippen (stal 6).
Figuur 2.2 huidige erfinrichting
Toelichting
13
2.2
Toekomstige situatie
Initiatiefnemers zijn voornemens een bestaande pluimveestal te verlengen, de verouderde pluimveestallen en ligboxenstal te vervangen, nieuwe sleufsilo's te realiseren en bestaande silo's te verplaatsen, en een bestaande opslagplaats te vervangen door een nieuwe loods. Onderstaande inrichtingstekening toont de beoogde toekomstig erfinrichting van het plangebied. Onderstaand worden de verschillende onderdelen van de ontwikkeling nader beschreven.
Figuur 2.3: toekomstige erfinrichting 2.2.1
Beoogde aard en omvang bedrijfsvoering
Ligboxenstal/koeienstal De bestaande stallen voor het melkrundvee (stallen 4 & 5 uit figuur 2.1) zijn sterk verouderd en bieden daarom kwalitatief minder goede leefomstandigheden (qua bewegingsruimte en klimaat) voor de dieren. De nieuwbouw van een ligboxenstal wordt daarom noodzakelijk geacht. Dit maakt het bovendien mogelijk om aan de eis van de provincie te voldoen dat stallen uiterlijk in 2024 emissiearm zijn uitgevoerd. Een tweede aanleiding voor deze ontwikkeling is dat de jongveestal (stal 4) plaats moeten maken voor de bouw van een pluimveestal. Stallen 4 en 5 worden derhalve gesloopt. De nieuwe ligboxenstal zal naar verwachting ruimte bieden voor de huisvesting van circa 130 melkkoeien en 90 stuks jongvee. Initiatiefnemers zijn daarbij voornemens in te zetten op een natuurinclusieve vorm van melkveehouden. 14
Vaalbaan 1, Heusden
Zij willen daarmee nadrukkelijk in gaan zetten op het versterken van de grondgebondenheid van hun bedrijf. Hun inziens is dit de basis voor een duurzaam, levensvatbaar bedrijf. De ligboxenstal wordt binnen het huidige bouwvlak opgericht. Verlenging pluimveestal Het voornemen is de pluimveestal (stal 6 uit figuur 2.1) te verlengen. De aangepaste stal is geschikt voor 'Beter Leven 2 sterren'. De huidige stal is hiervoor nog niet geschikt. De verlenging van de stal wordt gebruikt voor een composteringsunit, hierin wordt alle in deze stal geproduceerde mest gecomposteerd. De vrijkomende lucht wordt behandeld in een chemische luchtwasser. De in de stal gehouden dieren krijgen de wintergarten en omliggende weilanden als uitloopruimte. De verlenging van de stal is binnen de vigerende bouwregels niet mogelijk omdat de ontwikkeling plaatsvindt buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Vervanging bestaande pluimveestallen De bestaande pluimveestallen (stallen 1 en 2 uit figuur 2.1) dienen te worden vervangen door een nieuwe stal. Deze voormalige vleeskuikenstallen zijn sterk verouderd en aan vervanging toe. Het staloppervlak per dier wordt vergroot om de dieren meer leefruimte in de stal te geven.
Hiermee wordt voorgesorteerd op de verwachting dat het in een periode van ophokplicht, bij dreigende vogelgriep, niet meer toegestaan zal worden om de wintergarten als staloppervlakte te mogen gebruiken. Dit is ook nodig om te kunnen voldoen aan de eisen voor duurzamere pluimveehouderij en om de dieren bij een ophokplicht binnen te kunnen huisvesten. De dieren krijgen de wintergarten en de omliggende weilanden als uitloopruimte. De nieuwe en bestaande stal die wordt verlengd zijn geschikt voor 'Beter Leven 2 sterren'. Om de bouw en verduurzaming van de nieuwe stal financieel mogelijk te maken wordt het aantal legkippen beperkt uitgebreid. In de nieuwe stal zullen 35.300 legkippen kunnen worden gehuisvest. De bouw van deze stal is binnen de vigerende bouwregels niet mogelijk omdat de ontwikkeling plaatsvindt buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Er is gekozen om de kippenstallen zoveel mogelijk vrij in het landschap te zetten, aan de rand van het (nieuwe) bouwperceel, grenzend aan de uitloopweides zodat de kippen rondom de stallen kunnen scharrelen. Ook is voor de bouw van de stal (in 2012) overleg geweest met de brandweer. Zij gaven aan graag zoveel mogelijk Toelichting
15
afstand aan te houden tussen de stallen om het risico van brandoverslag te verminderen. Loods Op het bedrijf is onvoldoende ruimte aanwezig voor opslag van allerhande materiaal/materieel en de opslag van stro. Initiatiefnemers zijn daarom voornemens een nieuwe loods te realiseren naast de nieuw te bouwen pluimveestal. Opslag vindt nu plaats in een voormalige vleeskuikenstal (stal 3 uit figuur 2.1), die door een lage hoogte niet efficiënt te gebruiken is. Ook is het gebouw in een relatief slechte staat en wordt het derhalve gesloopt. Ten behoeve van de bedrijfsvoering wordt daarom een nieuwe loods gebouwd, in de loods worden ook een werkplaats en een kantine ondergebracht. De loods wordt binnen het huidige bouwvlak opgericht. Sleufsilo's Het deel van het erf waar nu het ruwvoer opgeslagen wordt zal gebruikt worden voor de nieuwbouw van de ligboxenstal. De opslag van het ruwvoer moet daarom op een andere plek plaatsvinden, initiatiefnemers zijn daarom voornemens nieuwe sleufsilo's te realiseren. Opslag van ruwvoer in sleufsilo’s heeft een positief effect op de kwaliteit van het ruwvoer door minder kans op schimmels, broei en andere ziektekiemen. Daarom heeft ruwvoer uit een sleufsilo ten opzichte van andere opslagmethoden vaak een betere voederwaarde. Hetgeen de gezondheid van de dieren ten goede komt.
De nieuwe sleufsilo's worden zowel binnen, als buiten, het bestaande bouwvlak gerealiseerd. Binnen het nieuwe bouwperceel worden twee differentiatievlakken opgenomen die uitsluitend mogen worden gebruikt voor de opslag van ruwvoer. Op deze vlakken mogen geen andere bouwwerken worden gebouwd. De differentiatievlakken zijn tussen de stallen geplaatst. In het plan wordt zo veel mogelijk ruimte tussen de stallen gelaten. Het risico op brandoverslag tussen gebouwen wordt hierdoor verminderd. Ook moeten de pluimveestallen grenzen aan de weides vanwege de uitloop van de kippen. Door het plaatsen van de sleufsilo's tussen de stallen wordt de ruimte binnen het bouwperceel optimaal benut. Bij het bouwen van de eerste stal is stichting AAB (agrarisch adviescommissie bouwaanvragen) ter plaatse komen kijken waarom voor deze opzet gekozen is. Zij konden zich vinden in bovenstaande argumenten en zijn akkoord gegaan. Haalbaarheid Initiatiefnemer heeft het plan voorgelegd aan keuringsinstanties en afnemers om te 16
Vaalbaan 1, Heusden
horen hoe zij kijken naar de ontwikkeling van het bedrijf. Hun wensen en ideeën zijn meegewogen en meegenomen. Uiteindelijk hebben al deze gesprekken tot het voorliggende plan geleid. Tijdens de gesprekken met de certificerende instantie is onder andere gewezen op een mogelijke ophokplicht van de kippen. Indien de overdekte uitloop van de kippen niet meer meegenomen mag worden als leefoppervlakte betekent het dat een deel van de leefruimte zal verdwijnen. Om hetzelfde aantal kippen te kunnen houden, zal het staloppervlak vergroot moeten worden. De vergroting van de bestaande stal wordt gebruikt voor uitbreiding leefoppervlak. Dit vertaalt zich echter niet in een hogere eierprijs. Daarom worden in de nieuw te bouwen stal 12.000 kippen meer gehouden, om een gedeelte van die extra (welzijns-)kosten terug te verdienen. 2.2.2
Landschappelijke inpassing
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, dit plan is bijgevoegd als Bijlage 1. In dit plan is de wijze waarop de ontwikkeling in het landschap wordt gepast uiteengezet en gevisualiseerd. Ook is de vorm van beplanting beschreven. Hierbij zijn de Structuurvisie Kwaliteitsverbetering van het landschap, het Gebiedspaspoort Peelkernontginning en het Landschapsontwikkelingsplan De Peel (LOP) als vertrekpunt gebruikt.
Toelichting
17
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte
uitwerking.
Omdat
de
verantwoordelijkheid
voor
het
omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel.. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 18
Vaalbaan 1, Heusden
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.
Toelichting
19
3.1.3
Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid is beschreven dat wanneer een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dit plan een beschrijving omvat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen
van
een
omgevingsvergunning
voor
het
afwijken
van
een
bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het invullen van de vraag naar de behoefte en locatie zijn de volgende uit artikel 1.1.1. Bro van toepassing: 1. Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. 2. Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt een wijziging en uitbreiding van een bestemmingsvlak mogelijk. Hiermee wordt de uitbreiding van de agrarische bedrijfsbebouwing mogelijk. Het voorliggende plan betreft gelet hierop geen nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro. Uit het voorgaande volgt dat het niet noodzakelijk is dit bestemmingsplan te verantwoorden vanuit de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
20
Vaalbaan 1, Heusden
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Op 14 december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie vervangt als gevolg van de aankomende Omgevingswet tenminste de vier provinciale beleidsplannen over milieu en water (PMWP), verkeer en vervoer (PVVP), ruimtelijke ordening (Structuurvisie Ruimtelijke Ordening) en natuur (BrUG). De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag.
Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. De
Brabantse
Omgevingsvisie
wordt
uitgewerkt
in
de
Brabantse
Omgevingsverordening, thans nog de Interim omgevingsverordening. Doorwerking in het onderhavige plan Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de vormverandering en vergroting van een agrarisch bestemmingsvlak. Hiermee wordt het mogelijk de bestaande verouderde opstallen te vervangen voor moderne toekomstbestendige stallen. Middels de beoogde investeringen wordt het mogelijk om in te zetten op een meer Toelichting
21
duurzame bedrijfsvoering. Het plan draagt daarmee bij aan de vijfde hoofdopgave, een
concurrerende
duurzame
economie.
De
omgevingsvisie
vormt geen
belemmering voor onderhavig plan. 3.2.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (IOV) geeft bindende regels die bij ruimtelijke ontwikkelingen in acht genomen moeten worden. De provincie Noord-Brabant wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken van de omgevingsvisie. De regels voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn ontleend aan de Verordening ruimte. De laatste wijziging van de IOV is vastgesteld op 3 maart 2023 en is op 21 maart 2023 in werking getreden. Doorwerking in het onderhavige plan De IOV bevat rechtstreeks werkende regels voor activiteiten (hoofdstuk 2) en instructieregels voor gemeenten voor bestemmingsplannen (hoofdstuk 3). Navolgend wordt nader ingegaan op instructieregels uit de IOV voor zover deze relevant zijn voor het voorliggende plan.
Op de bij de IOV behorende kaarten is het plangebied gelegen in 'Diep grondwaterlichaam' (kaart 1), 'Landelijk gebied' (kaarten 2 en 6), 'Stalderingsgebied' (kaarten 2 en 7), 'Attentiezone waterhuishouding' (kaart 4) en 'Groenblauwe mantel' (kaart 6). Het plangebied is op de kaarten aangeduid middels rode marker.
3.2.2.1 Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen Ter plaatse van het plangebied gelden regels met betrekking tot grondwater. Boven, in of onder een Diep grondwaterlichaam is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Dit heeft geen gevolgen voor het planvoornemen.
22
Vaalbaan 1, Heusden
Figuur 3.1: Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen
3.2.2.2 Rechtstreeks werkende regels: Landbouw - bescherming Natura 2000 Artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij Lid 1 Vanaf 1 juli 2024 geldt dat: a. Een veehouderij gemiddeld op bedrijfslocatieniveau moet voldoen aan de eisen van Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem, of a. elk huisvestingssysteem dat op een veehouderij wordt toegepast of in werking is,
moet
voldoen
aan
de
eisen
uit
Bijlage
2
Technische
eisen
huisvestingssysteem, behoudens in het geval dat het huisvestingssysteem is gerealiseerd op een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, of een melding ingevolge het Activiteitenbesluit die: 1. voor
de
hoofdcategorie
rundvee
uit
de
Regeling
ammoniak
en
veehouderij ten hoogste 20 jaar geleden onherroepelijk is geworden of uiterlijk 20 jaar geleden is ingediend, of 2. voor alle
andere
diercategorieën
uit
de
Regeling
ammoniak en
veehouderij ten hoogste 15 jaar geleden onherroepelijk is geworden of Toelichting
23
uiterlijk 15 jaar geleden is ingediend. Artikel 2.66a Uitzonderingsregeling houden van minder dieren Lid 1 Artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij, eerste lid, geldt niet voor bestaande huisvestingssystemen voor een veehouderij als: a. binnen de bestaande diercategorie ten hoogste het aantal dieren wordt gehouden dat overeenkomt met de berekende emissie vanuit de stal waarvan sprake zou zijn geweest wanneer de toegepaste huisvestingssystemen zouden voldoen aan de vanaf 1 juli 2024 geldende emissiereductie eisen, zoals opgenomen in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem; en b. is geborgd dat in de vergunning ingevolge artikel 2.7 Wet natuurbescherming, of bij gebreke daarvan de vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het aantal dieren is vastgelegd dat op grond van het eerste lid in de stal mag worden gehouden. Lid 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, geldt als referentiesituatie de diercategorie en het aantal dieren dat op 1 januari 2023 mag worden gehouden binnen
de
feitelijk
gerealiseerde
capaciteit
ingevolge
artikel
2.7
Wet
natuurbescherming, of bij gebreke daarvan de vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Toets artikel 2.66 en 2.66a: De bestaande stallen zijn verouderd. De vormverandering van het bouwperceel maakt mogelijk dat de verouderde stallen worden vervangen door nieuwe stallen en waarmee kan worden voldaan aan de Technische eisen huisvestingssysteem. Artikel 2.67 Uitzonderingsregel natuurinclusieve veehouderij bestaande stal In afwijking van Artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij, eerste lid, geldt voor een veehouderij dat een bestaand stalsysteem niet hoeft te voldoen aan bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem als: a. de stallen onderdeel zijn van een natuurinclusieve bedrijfsvoering; b. de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder; 24
Vaalbaan 1, Heusden
c. door het treffen van aanvullende maatregelen de gemiddelde emissie op bedrijfslocatieniveau gelijk is aan de toepassing van emissiearme huisvesting, als onderdeel van een niet natuurinclusieve bedrijfsvoering , die voldoet aan bijlage 2 Technische eisen huisvesting; d. uit monitoring blijkt dat het bedrijf gemiddeld op jaarniveau aan de voorwaarde onder c. voldoet. Toets: Hoewel initiatiefnemer een natuurinclusieve bedrijfsvoering nastreeft is nog geen sprake van een natuurinclusieve bedrijfsvoering zoals bedoeld in de IOV. De uitzonderingsregel van artikel 2.67 is daarom niet van toepassing. Artikel 2.69 Eisen huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij Lid 1 In aanvulling op artikel 1.11 Wet natuurbescherming, geldt voor een nieuwe stal dat ieder huisvestingssysteem dat wordt toegepast, moet voldoen aan de eisen uit Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssystemen, die gelden op het moment van besluitvorming op een vergunningaanvraag of het moment waarop de melding is ingediend, bij: a. de vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid Wet natuurbescherming; b. de vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een daarop gebaseerde Algemene maatregel van bestuur, waarvoor op grond van artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een verklaring van geen bedenkingen is vereist, of c. als onderdelen a. en b. niet van toepassing zijn: 1.
een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2. een melding ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer. Lid 2 In afwijking van het eerste lid geldt voor de vergunningaanvragen, bedoeld in het eerste lid, die voor 1 oktober 2023 zijn ingediend, dat de nieuwe stal en de toepassing van ieder huisvestingssysteem voldoet aan de eisen zoals opgenomen in bijlage 2 Technische eisen huisvestingssystemen die gelden op het moment van indiening daarvan. Lid 3 Onder nieuwe stal wordt verstaan: Toelichting
25
a. een opgericht of gerenoveerd dierenverblijf, 1. waarvoor op of na 25 mei 2010 een omgevingsvergunning onderdeel bouwen vereist is en door de oprichting of renovatie een wijziging plaatsvindt van het huisvestingssysteem uit de dan geldende Bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij; of 2. waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de systemen opgenomen in Artikel 2.70 Lijst met systemen, op het moment dat de daarvoor vereiste aanvraag om een vergunning is ingediend of de benodigde melding is gedaan, voor zover het aanleggen, aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de emissiereductie van stikstof; b. een nieuw opgericht verplaatsbaar dierenverblijf; c. een gebouw dat in de beoogde situatie als dierenverblijf wordt ingericht. Lid 4 Voor de toepassing van dit artikel omvat een dierenverblijf ook de daaraan gekoppelde mestopslag of mestbewerkingstechniek waarvoor een Rav-code is opgenomen in de lijst behorende bij de Regeling ammoniak veehouderij. Lid 5 Het bepaalde in Artikel 2.66, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Lid 6 In afwijking van het eerste lid, geldt dat een vrijloopstal voor melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar als onderdeel van een natuurinclusieve bedrijfsvoering , niet aan bijlage 2 Technische eisen huisvesting hoeft te voldoen.
Toets: Voor de nieuw te bouwen stallen gelden de eisen uit artikel 2.69 onverkort. Ook voor een aanpassing van de bestaande stal waarbij nieuwe systemen worden aangelegd (bijvoorbeeld een aanpassing volièresysteem, wijziging ventilatie of installeren van een strooiselschuif) en voor de mestopslag/mestbewerking, gelden de eisen die op het moment dat hiervoor een vergunning wordt verleend. De uitzondering uit lid 6 is niet van toepassing omdat niet aan de voorwaarden van natuurinclusieve bedrijfsvoering wordt voldaan.
26
Vaalbaan 1, Heusden
3.2.2.3 Instructieregels voor gemeenten In paragraaf 3.1.2 zijn basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies opgenomen, zoals een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6), toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7), meerwaardecreatie (artikel 3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.9). Toets: Het betreft een verandering/vergroting van een bouwperceel voor een bestaande veehouderij. De IOV bevat specifieke regels voor uitbreiding van veehouderijen (zie hieronder). Middels een landschappelijk inpassingsplan wordt gezorgd voor een goede inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap.
Figuur 3.2 Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant Lid 1 In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig Artikel 3.22 Compensatie.
Toelichting
27
Lid 3 Het eerste lid is niet van toepassing op een aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Toets: Het plangebied is geen onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Op korte afstand liggen wel gronden die zijn aangewezen als NNB, onder andere langs de Vaalbaan. Invloed door verspreiding van stoffen (emissies naar lucht en water) vallen buiten het toepassingsbereik van dit artikel. Deze worden op een andere wijze beoordeeld. Invloed op de waterhuishouding wordt beoordeeld via artikel 3.26 (zie hierna). Andere effecten op het NNB worden niet verwacht. Artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c.
het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud. Toets: 28
Vaalbaan 1, Heusden
Het plangebied ligt in de Attentiezone waterhuishouding. De bedrijfsontwikkeling Vaalbaan 1 heeft geen betrekking op grootschalig grondverzet, aanleg van drainage of het verlagen van de grondwaterstand. Nieuwe oppervlakteverhardingen vinden plaats binnen het bouwperceel. Ten behoeve van de waterhuishouding is voorzien in extra waterberging om te compenseren voor de oppervlakteverhardingen binnen het bouwperceel. Dit is opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan.
Figuur 3.3: Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving
van
de
aanwezige
ecologische
waarden
Toelichting
29
en
kenmerken
en
landschappelijke waarden. Toets: Het plangebied ligt in de Groenblauwe mantel. De landschappelijke waarden en ecologische waarden en kenmerken worden beschreven in het landschappelijk inpassingsplan en verderop in deze ruimtelijke onderbouwing. De uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan is geborgd in de regels. Artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als: a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f.
de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf Lid 1 Een bestemmingplan van toepassing op een veehouderij in Landelijk gebied bepaalt dat: a. een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen 30
Vaalbaan 1, Heusden
is toegestaan als: 1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. b. binnen gebouwen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van
volière-
en
scharrelstallen
voor
legkippen
waar
een
tweede
bouwlaag gebruikt mag worden; c. bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a. Toets artikel 3.49 en 3.50: Dit bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van een veehouderij en maakt nieuwe dierenverblijven mogelijk. In de figuren 2.2 en 2.3 zijn de bestaande en de gewenste inrichting weergegeven met oppervlakte bebouwing, waaronder dierenverblijven. Via de planregels is geborgd dat alleen een 'zorgvuldige veehouderij' is toegestaan. Dat sprake is van een zorgvuldige veehouderij is aangetoond in bijlage 2 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. Het bouwperceel is groter dan 1,5 hectare. Hiervoor is gebruik gemaakt van de regeling uit artikel 3.53 lid 3 (zie hierna). De ontwikkeling is inpasbaar in de omgeving. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1) opgesteld. Daarnaast is in Hoofdstuk 4 aangetoond dat de verschillende omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de ontwikkeling en dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde wetgeving.
Toelichting
31
De geurbelasting voldoet aan de normen uit de IOV, zie hoofdstuk 4.7 Geur. In de planregels zijn deze normen opgenomen zodat is geborgd dat aan deze normen wordt voldaan. Het plan maakt mestbewerking mogelijk, maar uitsluitend van ter plaatse geproduceerde mest. In het landschappelijk inpassingsplan wordt voorzien in de verplichte landschappelijke inpassing ter grootte van 10% van de omvang van het bouwperceel. Er is een zorgvuldige omgevingsdialoog gevoerd, de verslaglegging is bijgevoegd in bijlage 8 Verslaglegging omgevingsdialoog.
Figuur 3.4: Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Stalderingsgebied regelt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat: a. binnen het Stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdieren is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; b. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: 32
Vaalbaan 1, Heusden
1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; c. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. Toets: Het plangebied ligt in Stalderingsgebied en het plan maakt een toename van oppervlakte dierenverblijf voor het houden van hokdieren (pluimvee) mogelijk. Daarom zijn de aanvullende regels stalderen uit de IOV overgenomen in de planregels. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning die een toename van oppervlakte dierenverblijf mogelijk maakt moet de aanvrager een stalderingsbewijs overleggen. Op grond van de geldende omgevingsvergunning bedraagt de bestaande oppervlakte dierenverblijf ten behoeve van kippen 4.169 m2. Dit betreft de oppervlakte van de stallen 1, 2 en 3, inclusief de overdekte uitloop, mestopslagruimte en technische ruimten. Het voornemen van initiatiefnemer is om de stallen 1 en 2, met een oppervlakte van 1.687 m2, te vervangen door een nieuwe stal met een oppervlakte van circa 3.500 m2. De bestaande stal 3, met een oppervlakte van 2.482 m2, wordt verlengd met een ruimte voor mestbewerking. De oppervlakte dierenverblijf in dit gebouw wijzigt niet.
De oppervlakte dierenverblijf, inclusief de uitloop en inpandige voorzieningen, na uitvoering van het plan is circa 5.982 m2. De uitbreiding is (indicatief) 1.813 m2. Er moet dan stalderingsoppervlakte worden gevonden van in totaal circa 2.176 m2 (sloop) of 3.626 m2 (herbestemming). Nota bene: Als de overdekte uitloop en mestopslagruimte niet meeteelt als oppervlakte dierenverblijf
is
de
uitbreiding
circa
560
m2
en
is
de
benodigde
stalderingsoppervlakte evenredig minder. In de omgeving, binnen het Stalderingsgebied, stoppen veel veehouderijen. Naar verwachting zal het geen probleem zijn om aan het stalderingsvereiste te voldoen. Artikel 3.53 Afwijkende omvang veehouderij Lid 3 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot, waardoor Toelichting
33
het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien: a. de veehouderij vanwege
de
bedrijfsvoering
in
overwegende
mate
is
aangewezen op de opslag van ruwvoer; b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer. Toets: Om een levensvatbaar bedrijf te houden wordt het aantal melkkoeien uitgebreid naar 130 stuks met bijbehorend jongvee (90 stuks). Voor de melkrundveehouderij is opslag van ruwvoer nodig binnen het bouwperceel. De voederbehoefte is als volgt bepaald: Melkgevende koeien, 120 stuks, met een droge stof (ds)-opname aan gras en maïs van 16,81 kg ds per dag: snijmaïs: 7,7 kg ds per koe per dag x 120 x 365 dagen = 337.260 kg ds per jaar; kuilgras: 9,1 kg ds per koe per dag x 120 x 365 dagen = 398.580 kg ds per jaar. Droogstaande koeien, 10 stuks, met een ds-opname aan gras en maïs van 10,46 kg ds per dag: snijmais: 3,6 kg ds per koe per dag x 10 x 365 dagen = 13.140 kg ds per jaar; kuilgras: 6,9 kg ds per koe per dag x 10 x 365 dagen = 25.185 kg ds per jaar. Jongvee 4 -10 maanden, 30 stuks: snijmais: 2,4 kg ds per dag x 30 x 365 dagen = 26.280 kg ds per jaar; kuilgras: 2,42 kg ds per dag x 30 x 365 dagen = 26.499 kg ds per jaar. Jongvee 11 -24 maanden, 50 stuks: snijmais: 2,0 kg ds per dag x 50 x 365 dagen = 36.500 kg ds per jaar; kuilgras: 7,2 kg ds per dag x 50 x 365 dagen = 131.400 ds per jaar.
(jongvee tot 4 maand, 10 stuks: geen ruwvoer) Totale voederbehoefte in ds per jaar: 413.180 kg ds snijmais 581.664 kg ds kuilgras De benodigde opslagcapaciteit is: Per kuub kan 245 kg ds aan kuilgras worden opgeslagen en 265 kg ds aan snijmais (bron Agrifirm). Dit resulteert in de benodigde opslag voor: 34
Vaalbaan 1, Heusden
snijmaïs: 413.180 kg ds / 265 = 1.627 m3; kuilgras: 581.664 kg ds / 245 = 2.374 m3. Bij een hoogte van silowanden van 2 meter voor de maïs is 1.627 / 2 = 814 m2 aan oppervlakte voersilo nodig. Uitgaande van silowanden van 1,5 meter voor het gras is 2.374 / 1,5 = 1.583 m2 aan oppervlakte voersilo of kuilplaat nodig. Totale benodigde oppervlakte ruwvoeropslag: 2.397 m2 De benodigde opslag zal niet ieder jaar hetzelfde zijn. Dit is afhankelijk van de oogst die er dat jaar is. In sommige jaren zal er voor gekozen worden om extra voer aan te kopen of om ander voer (bijvoorbeeld pulp of bierbostel) bij te voeren. Gras uit de beheersweide van Staatsbosbeheer wordt vaak in balen gewikkeld. Deze worden op een kuilplaat zonder keerwanden opgeslagen. In het plan is daarom rekening gehouden met een totale benodigde oppervlakte van circa 3.000 m2 ruwvoeropslag (zie figuur 2.3). Mede vanwege de combinatie van pluimveehouderij en melkrundveehouderij biedt het huidige bouwperceel daarvoor onvoldoende ruimte. Vanwege welzijnseisen moet het staloppervlak worden vergroot en moet worden voorzien in een overdekte uitloop. Hierdoor is minder ruimte binnen het bouwperceel beschikbaar voor opslag van ruwvoer. Het bestaande bouwperceel van 1,62 hectare wordt met 0,38 hectare vergroot tot een omvang van 2 hectare.
Middels een functieaanduiding op de verbeelding 'specifieke vorm van agrarisch – ruwvoeropslag' en de daar geldende planregels is geborgd dat deze delen van het bouwperceel uitsluitend gebruikt mogen worden voor de opslag van ruwvoer.
3.2.2.4 Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.2) Gedeputeerde Staten van Brabant hebben nadere regels zorgvuldige veehouderij vastgesteld om een transitie naar een zorgvuldige veehouderij te bevorderen. Een veehouderij die ten minste 7,25 punten behaalt overeenkomstig de bij deze nadere regels horende Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (versie 2.2), treft voldoende maatregelen inzake de (ontwikkeling naar een) zorgvuldige veehouderij, als bedoeld in artikel 2.73 en artikel 3.50 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waarbij geldt dat ten minste 0,2 punten behaald moet worden via de pijler Certificaten en minimaal 0,6 punten via de pijler Inrichting & Omgeving. Toelichting
35
Toets: Aan het bovenstaande wordt voldaan, dit is aangetoond in bijlage 2 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Toekomstagenda Asten 2030
Op 27 juni 2017 heeft de gemeenteraad van Asten de Toekomstagenda Asten 2030 vastgesteld. De gemeenteraad heeft samen met inwoners, maatschappelijk middenveld en collegeleden een interactief proces doorlopen om te komen tot het visiedocument 'Toekomstagenda Asten2030'. De vier centrale onderwerpen zijn: 1. Transformatie buitengebied; 2. Vitale kernen; 3. Centrumontwikkeling; en 4. Klimaatbestendig en energieneutraal Asten. Deze vier centrale maatschappelijke opgaven en een beeld van hoe we die opgaven bestuurlijk en organisatorisch kunnen oppakken staan omschreven. Doorwerking in het onderhavige plan De beoogde ontwikkeling van het plangebied draagt bij aan de transformatie van het buitengebied. Met het oog op de toekomst is het van belang dat agrarisch bedrijven een duurzame vorm van bedrijfsvoering ontwikkelen. De beoogde ontwikkeling en uitbreiding van het agrarische bedrijf maakt het mogelijk over te stappen op een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering. 3.3.2
Omgevingsvisie Asten
De gemeente Asten heeft op 5 oktober 2021 de 'Omgevingsvisie Asten' vastgesteld voor de gehele gemeente. Deze Omgevingsvisie is opgesteld samen met de inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties van de gemeente. De gemeente wil dat Asten ook in de toekomst een plek is waar het goed wonen, leven en verblijven is. De komende jaren werkt de gemeente daar samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties verder aan de uitwerking van de ambities voor de fysieke leefomgeving. Het welbevinden van de inwoners staat in de Omgevingsvisie voorop. Daarom wordt in de visie nadrukkelijk de 36
Vaalbaan 1, Heusden
verbinding gezocht met het sociaal domein en het gezondheidsbeleid. Realisatie van de ambities uit de omgevingsvisie gebeurt via initiatieven van ondernemers, maatschappelijke organisaties en (groepen) inwoners. De gemeente Asten faciliteert de initiatieven die bijdragen aan het bereiken van de ambities. De gemeente is in de Omgevingsvisie Asten onderverdeeld in zes verschillende deelgebieden. Voor elk gebied geeft de gemeente aan (1) welke waarde ze wil koesteren, (2) wat ze wil ontwikkelen, (3) hoe ze dat gaat bereiken en (4) welk beleid, wetten en regels er gelden in het deelgebied. Het gaat om de volgende deelgebieden: Agrarisch anders Boeren buurten Dynamische dorpen Groen genieten Peel en beekdalen Peel pionieren Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het plangebied ligt in het deelgebied 'Peel pioneren'. Hier is een cultuur die ‘van niets-iets maken’ tot kunst verheven heeft. Het is een gebied waar mensen elkaar snel vinden wanneer het spannend wordt. Ambachtelijkheid, praktische oplossingen en hard kunnen werken: dat alles heeft geleid tot krachtige bedrijven en innovatieve netwerken. Door grootschalige ontginning van De Peel ontstond het gebied Peel Pionieren. Het wordt gekenmerkt door rechte wegen en regelmatige rechte kavels. Bebouwing is vaak voorzien van erfbeplanting en vormt samen met de wegen die voorzien zijn van laanbeplanting het raamwerk.
In dit gebied zijn grote uitdagingen op het gebied van waterkwantiteit en -kwaliteit, biodiversiteit, stikstofuitstoot, bodemvruchtbaarheid en agrarische economie. In dit gebied wil de gemeente perspectief bieden aan een duurzame en verantwoorde agrarische sector. Ze zet in op behoud van de melkveebedrijven als beheerder van het landschap. Daarnaast wordt ingezet op meer biodiversiteit in het gebied. Dit kan onder meer door het aanleggen van brede natuurlijke bermen en akkerranden, extensievere beweiding, vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, het versterken van laan- en erfbeplanting en het terugdringen van emissies. Daarbij wordt ingezet op duurzaam gebruik van de grond. De beoogde ontwikkeling voorziet in de sanering van verouderde, niet duurzame en Toelichting
37
toekomstbestendige, agrarische opstallen. Deze sanering, vernieuwde erfinrichting en uitbreiding van het veebestand maken het mogelijk voor de bedrijfsopvolgers om over te stappen op een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering. Middels de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling wordt de herinrichting van het agrarische bedrijf op verantwoorde wijze in het landschap gepast. De te realiseren beplanting heeft naar verwachting een positieve uitwerking op de biodiversiteit van het gebied. Daarnaast neemt de stikstofuitstoot af door het vernieuwen van de stallen. Het initiatief draagt daarmee bij aan de ambities van de Omgevingsvisie. De omgevingsvisie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 3.3.3
Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap
De Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap Gemeente Asten vormt een nadere uitwerking van artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze structuurvisie is gericht op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De structuurvisie geldt voor alle ontwikkelingen in het buitengebied
die
niet
rechtstreeks
passen
binnen
de
bestemmingsplan.
Het
uitgangspunt
voor
medewerking
regels aan
van
het
ruimtelijke
ontwikkelingen is of het past binnen het bestaand of toekomstig beleid van de gemeente Asten. De Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap vormt een aanvulling op het bestaande beleid op het gebied van kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Het kan gezien worden als een koppeling tussen de verschillende beleidsdocumenten. Op basis van deze regeling is een landschappelijke inpassing van 10% vereist en daarnaast is een extra investering vereist of een vergoeding verschuldigd van € 2,00 per m2 voor de vergroting van het bouwperceel. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Middels het opgesteld landschappelijke inpassingsplan zoals bijgevoegd in bijlage 1 wordt de ontwikkeling op een verantwoorde wijze in het landschap gepast waarbij is aangesloten bij de structuurvisie. In het inpassingsplan is aangegeven hoe invulling wordt gegeven aan de 10% verplichte inpassing en de extra investering in landschappelijke kwaliteit. De structuurvisie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
38
Vaalbaan 1, Heusden
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1
Algemeen
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten. 4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.2.2
Onderzoek
Voorliggend bestemmingsplan voorziet niet in het mogelijk maken van een nieuwe functie of een functiewijziging. Enkel de aan delen van het plangebied toegekende functie 'Agrarisch met waarden' wordt gewijzigd naar 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Hiermee worden geen gevoelige functies mogelijk gemaakt in de zin dat het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk is.
Toelichting
39
4.2.3
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan. 4.3
Water
4.3.1
Algemeen
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op
een
evenwichtige
waterhuishoudkundige