CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

GR21.07.08E Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 88 vast te stellen.pdf

Gemeenteraad 6 juli 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2021-1'20.394 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Voorgrondbelasting De beoordeling van individuele geurhinder (voorgrondbelasting) vindt plaats aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening.

28

Uit deze berekening volgt dat de maximale geurbelasting op het dichtstbijzijnde geurgevoelige object 0,1 ouE/m3 bedraagt. Hieruit blijkt dat het voornemen voldoet aan de geldende geurnorm van 10 OUE/m3 betreffende de voorgrondbelasting. Het voornemen is daarmee vergunbaar in het kader van de Wgv. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting van geur wordt bepaald door de cumulatie van geuremissies. Dit is de geurbelasting ten gevolge van de verschillende veehouderijen in de omgeving (met dieren waarvoor geuremissiefactoren vastgesteld zijn) bij elkaar opgeteld. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder indien de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Gezien de grote afstand van andere bedrijven met dieren waarvoor geuremissiefactoren vastgesteld zijn ten opzichte van het bedrijf aan de Meijelseweg 88 is er geen cumulatie van geurhinder te verwachten. Uit de toetsing van de voorgrondbelasting blijkt dat de aanvraag past binnen de geldende regelgeving. Conclusie: er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geur voor het plan.

4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Algemeen

De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: ‘Wm’), ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en ministeriële regelingen. De kern van deze wettelijke regeling is artikel 5.16 Wm. In het tweede lid van dit artikel staan de bevoegdheden genoemd bij de uitvoering waarvan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst. Deze grenswaarden zijn genoemd in bijlage 2 van de Wm.

Uitzondering beoordeling luchtkwaliteitseisen Bij een planafwijkingsbesluit dient ingevolge artikel 5.16 Wm ook getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen. Deze hoofdregel leidt uitzondering als:  een plan in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgenomen;  of als een plan niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan de concentratie van vervuilende stoffen in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Luchtkwaliteitseisen De belangrijkste luchtverontreinigende stoffen zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2), omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/m³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/m³.

29

stikstofdioxide. Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 µg /m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, is het plan nibm en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. In de Regeling nibm is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. In mei 2010 is de 'Handreiking fijn stof voor veehouderijen' door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu gepubliceerd. Deze handreiking is opgesteld door InfoMil in samenwerking het Ministerie van I en W en gaat in op de regelgeving over luchtkwaliteit, waarbij ook wordt ingegaan op de Regeling nibm. In de handreiking wordt beschreven hoe om te gaan met de beoordeling van emissie van fijn stof vanuit veehouderijen in het geval sprake is van een beperkte toename of een afname van de emissie. Hieronder is een tekstfragment uit paragraaf 2.2 van de handreiking overgenomen, waar specifiek ingegaan wordt op luchtkwaliteit bij veehouderijen: Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling nibm. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van nibm. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk nibm zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie.

Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting nibm is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% nibm grens, dus van na de inwerking treding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst op www.vrom.nl kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de nibm grens blijft. Dit doet u door de hoeveelheid nieuwe dieren te vermenigvuldigen met de emissiefactor en deze te vergelijken met de waarden uit de tabel. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker nibm. Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM. Er zal een berekening met ISL3a uitgevoerd moeten worden om aan te tonen dat geen grenswaarden worden overschreden ofwel de uitbreiding bij precieze berekening toch nibm blijkt te zijn.

4.7.2 Toetsing plan In het voornemen is er geen sprake van fijnstof emissie van het houden van de schapen. Een ander aspect van het plan dat van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit, is een eventuele toename van voertuigbewegingen. Er vindt een afname plaats in het aantal transportbewegingen ten opzichte van de vergunde situatie. Conclusie: er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit voor het plan.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Tabel 4.6: Toename emissie fijn stof onder NIBM-grens

30

4.8 Milieueffectrapportage 4.8.1 Algemeen

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Bij “grotere” oprichtingen kan de gemeente eisen dat er bij de milieu aanvraag een milieu-effectrapport (MER) bijgevoegd wordt. De MER-plicht vloeit voort uit Europese richtlijnen. Bij het bestaan van een MER-plicht mag de vergunningsaanvraag pas in procedure worden gebracht als de voorafgaande MER-procedure is afgerond. De MER geeft een beeld wat de milieugevolgen bij een gewenste oprichting zijn. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is binnen het Nederlands recht het beoordelingskader om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Besluit m.e.r: drempelwaarden m.e.r.-(beoordelings)plicht In onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. staat omschreven voor welke activiteiten, plannen of besluiten het Besluit m.e.r. van toepassing is. Daaruit volgt dat er een m.e.r-(beoordelings)plicht geldt voor een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren als deze boven een bepaalde drempelwaarde uitkomt.

Deze drempelwaarden zijn voor de onderdelen C14 en D14 in onderstaande tabellen weergegeven. Tabel 4.7 Onderdeel C Besluit m.e.r.: drempelwaarden m.e.r.-plicht

4.8.2 Toetsing plan

De omschakeling naar schapen leidt tot een toename van het aantal te houden schapen maar blijft onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r.. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie is ingediend bij de gemeente Asten.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Tabel 4.8 Onderdeel D Besluit m.e.r.: drempelwaarden m.e.r.-beoordelingsplicht

31

Conclusie: gezien de aard en omvang van het plan wordt verwacht dat dit plan niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten, geldt er geen m.e.r.-plicht.

4.9 Natuur 4.9.1 Algemeen

De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn de gebieds- en soortenbescherming op nationaal niveau opgegaan in één wet, de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). Omdat er nog steeds wel sprake is van een afzonderlijk beoordelingskader wordt hierna afzonderlijk ingegaan op de gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebied-en in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een toestemming op grond van de Wnb is verkregen.

Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Op dit punt heeft de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet vervangen. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogelen Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Natuurnetwerk Nederland Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen.

32

Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.

4.9.2 Toetsing plan Gebiedsbescherming Natura 2000 Op onderstaande kaart zijn de Natura 2000-gebieden weergegeven die in de omgeving van de planlocatie liggen. De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de gebieden ‘Groote Peel’ en ‘Deurnsche Peel en Mariapeel’. Zij bevinden zich op respectievelijk ca. 540 meter en ca. 3,5 kilometer van de planlocatie. Figuur: 4.3: Natura 2000gebieden in omgeving planlocatie (Bron: kaartenbank Brabant)

Op 25 november 2014 is een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet (Nbwet) verleend. Sinds 1 januari 2017 is de Nbwet vervangen door de Wet Natuurbescherming. De vergunde situatie in het kader van de Wet natuurbescherming betreft 1.164,97 kg NH3/jaar. De feitelijke situatie komt overeen met de vergunde situatie uit 2014. In het kader van de SSV mag 15% van de depositie gebruikt worden. Door de ammoniakemissie om te rekenen komt het overeen met 174,7 kg NH3/jaar. De 174,7 kg NH3/jaar is evenredig verdeeld over de bestaande emissiepunten. Het voornemen leidt tot een afname in ammoniakemissie. Op de locatie is een varkenshouderij aanwezig, in het voornemen wordt dit een schapenhouderij en akkerbouwbedrijf. Ten opzichte van de bestaande situaties vinden er veranderingen plaats in het aantal vervoertuig bewegingen. Er vindt een afname plaats van het aantal vervoersbewegingen. Hieronder een overzicht van de veranderingen.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Gezien de aard van de activiteiten en de ligging van de locatie is er geen sprake van overige effecten op Natura 2000-gebieden.

33

Activiteiten

Aanvraag

Vergund

Afvoer dieren

0 per jaar

52 per jaar

Aanvoer voer

12 per jaar

104 per jaar

Afvoer mest

12 per jaar

156 per jaar

Aanvoer zwavelzuur

0 per jaar

12 per jaar

Afvoer spuiwater

0 per jaar

12 per jaar

Afvoer kadavers

52 per jaar

52 per jaar

1825 per jaar

1825 per jaar

12 per jaar

0 per jaar

Enkel zwaar transport

88 per jaar

388 per jaar

Enkel licht transport

1825 per jaar

1825 per jaar

Lichtverkeer Overige transporten (bv stro) A. transportbewegingen

De aan- en afvoer van schapen wordt gedaan met licht verkeer (auto met trailer). Gemiddeld is dit 1 keer per maand.

Lichtverkeer Busjes aanvoer klein mat. Auto's aannemer Busjes aannemer Totaal

70 transporten 210 transporten 210 transporten 490 transporten

Zwaar verkeer Sloop - Vrachtwagen met container Totaal

365 transporten 365 transporten

Mobiele werktuigen (diesel) Shovel Rupskraan Verreiker

Vermogen Liters (kW) Uren Belasting totaal 70 60 25% 280 130 168 25% 1500 65 60 25% 260 Totaal verbruik 2040

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Sloop In de berekening is de sloop van de gebouwen meegenomen. Hierbij zijn de volgende gegevens gehanteerd. Daarbij is uitgegaan dat 30% van de tijd de voertuigen stationair draaien.

34

CV Ketels Voor de uitstoot van NOx bij CV ketels is uitgegaan dat 1 Gigajoule (GJ) overeenkomt met 31,6 m3 aardgas. Door daarna de uitkomst te vermenigvuldigen met 56 g NOx per GJ geeft dit een totale hoeveelheid g NOx, wat overeenkomt met kg NOx per jaar. (NOx-uitstoot van kleine bronnen (022005) opgesteld door P. Kroon ea. ) Er zijn drie ketels aanwezig in de vergunde situatie en één ketel in de aangevraagde situatie: - CV ketel is geplaatst in het woonhuis. Per jaar wordt circa 3.500 m 3 aardgas verstookt wat overeenkomt met 6,2 kg NOx per jaar. - CV ketel is geplaatst in de stal. Per jaar wordt circa 4.235 m3 aardgas verstookt wat overeenkomt met 7,5 kg NOx per jaar. - CV ketel is geplaatst in de stal. Per jaar wordt circa 4.235 m 3 aardgas verstookt wat overeenkomt met 7,5 kg NOx per jaar. Dit is gebaseerd op het verbruik bij de vergunde dieraantallen: Diercategorie vleesvarkens kraamzeugen gu. / dr. zeugen opfokzeugen en -beren gespeende biggen Beren

m3 per dier 1,7 32,0 5,5 1,4 0,7 5,3

# dieren 2.718 60 184 11 1.295 1 Totaal

m3 per jaar 4.552 1.920 1.012 15 967 5 8.471

In het berekeningsprogramma AERIUS is een verschilberekening gemaakt met de vigerende WM-vergunning (15%) als referentiesituatie (174,7 kg NH3/jaar). Hieruit volgt dat ten gevolge van het voornemen de stikstofdepositie op de Natura2000-gebieden afneemt (0,00 mol N/ha).

Er is geen sprake van een toename van zowel NH3 als NO2 op alle Natura 2000 gebieden.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Figuur: 4.4: Resultaten Aerius berekening

35

Natuurnetwerk Nederland Voorts is het plan niet gelegen binnen het NNN. Het dichtsbij gelegen NNNgebied bevindt zich op circa 110 meter ten noorden van het plangebied. Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt:  de inpassing is gericht op bestaande gronden die nu al bedrijfsmatig gebruikt worden. Derhalve is er ter plaatse geen bijzondere of beschermde flora en/of fauna te verwachten;  het plangebied ligt in de nabijheid van Natura 2000-gebieden; Vooraf gaande aan het slopen van de varkensstallen vanwege de SSV is een Quickscan uitgevoerd. De Quickscan is bijgevoegd aan bijlagen 10. Conclusie: het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Algemeen

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).

4.10.2 Toetsing plan

Het plangebied ligt achter het bedrijf ten op zichte van de Meijelseweg. Het verkeer dat zich op de Meijelseweg bevindt, bestaat hoofdzakelijk uit bestemmingsverkeer naar de omliggende agrarische bedrijven en woningen. Het plan omvat het staken van de varkenshouderij. Dit heeft een substantiële afname van het aantal transporten en daarmee een daling van de verkeersintensiteit tot gevolg. De uitrit zal niet veranderd worden. Deze bestemmingsplan herziening geen nadelige consequenties voor de verkeersveiligheid. Tevens beschikt het plangebied over voldoende ruimte voor parkeren.

4.11 Volksgezondheid

Het houden van landbouwhuisdieren kan effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Risico's kunnen er ook zijn voor dieren die in nabijgelegen bedrijven worden gehouden. Het gaat hierbij om zoönosen (infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan) en bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, zoals MRSA. Ook vormt de emissie van fijnstof een risicofactor. Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en externe veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid. In deze rubriek wordt nader ingegaan op de (lopende) onderzoeken naar de effecten van veehouderij op de volksgezondheid, zoönosen en de maatregelen op bedrijfsniveau ter voorkoming van insleep en verspreiding van dierziekten. Allereerst wordt een overzicht gegeven van de relevante wetgeving en jurisprudentie.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Conclusie: het plangebied beschikt over voldoende parkeergelegenheid en wordt goed ontsloten.

36

4.11.1 Algemeen Wetgeving en jurisprudentie Het thema volksgezondheid is in de volgende wetten als volgt geregeld:  Wet publieke gezondheid: het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg. Ter uitvoering van deze taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen. Tevens kunnen maatregelen geformuleerd worden ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen;  Wet milieubeheer: in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen. De Wet milieubeheer bevat geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor volksgezondheid zijn geregeld.

Wel bestaat ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets ten aanzien van besmettingsgevaar;  Wet ruimtelijke ordening: daarin is bepaald dat een ontwikkeling moet voldoen aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’;  Besluit milieueffectrapportage: daarin staat de verplichting om de effecten voor de volksgezondheid als milieugevolg van een activiteit te betrekken in de besluitvorming.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert de lijn dat de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven een mee te wegen belang is bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Tegelijkertijd stelt de Afdeling dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair vindt in andere wetgeving en dat daarnaast aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Wel dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onderzocht te worden of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat dit onvoldoende gewaarborgd is. Onderzoeken Uit onderstaand overzicht wordt duidelijk dat in de afgelopen jaren verschillende onderzoeken zijn uitgevoerd naar een mogelijke relatie tussen veehouderijen en effecten op de volksgezondheid. Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van dit rapport is dat effecten van intensieve veehouderijbedrijven op de volksgezondheid op verschillende manieren tot stand kunnen komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.

In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVG-onderzoek. Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Het staat het bevoegd gezag in principe vrij op welke wijze deze verplichting ingevuld wordt. Het bevoegd gezag moet zich bij de besluitvorming baseren op beschikbare onderzoeken en ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. Voor sommige criteria zoals ammoniak, geur en fijn stof zijn specifieke wet- en regelgeving, richtlijnen en handelingsmethoden beschikbaar.

37

veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden. Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Qkoorts. Voornoemde afgeronde onderzoeksrapporten beschouwde de rechter niet als ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen. Op basis hiervan is niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Er zijn wel aanwijzingen dat omwonenden kunnen worden blootgesteld aan endotoxinen. Concentraties van bepaalde stofdeeltjes, endotoxinen en micro-organismen, zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en ook afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf. Ook de meteorologische omstandigheden, de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn. Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) In 2014 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)’ van start gegaan.

Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven.

In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBLproducerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de veegerelateerde MRSA-bacterie. Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het VGO-onderzoek. Het VGO-onderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van Noord-Brabant en in Noord-Limburg. Daardoor zijn (sommige) resultaten mogelijk alleen van toepassing op het onderzochte gebied. Dat komt doordat lokale kenmerken, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden en de mate van concentratie van veehouderijen, van invloed zijn op de bevindingen. Voor andere bedrijven dan geiten- en pluimveehouderijen zijn voor verschillende analyses positieve associaties gevonden maar minder consistent

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Niet alleen dichtbij veel veehouderijen wonen zorgt voor een lagere longfunctie. De longfunctie wordt in het hele onderzoeksgebied lager op momenten dat de concentratie van ammoniak in de lucht hoog is. Deze effecten zijn vergelijkbaar met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad. De onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land; een verschil dat na de Q-koorts-epidemie van 2007-2010 wel kleiner is geworden.

38

dan bij de geitenbedrijven. Een significant positieve associatie met de aanwezigheid van een schapenbedrijf binnen een afstand van 1500 m is voor volwassenen gevonden voor logistische regressie analyses (OR 1.21, 95% BI: 1.121.30), multilevel analyses (OR 1.11, 95% BI: 1.01-1.21) en meta-analyses (OR 1.10, 95% BI: 1.01-1.21), met een consistent beeld over de individuele jaren en alleen significant voor grotere afstanden in de logistische regressieanalyse. Bij kinderen is alleen een positieve associatie met schapen binnen een afstand van 1500 m gevonden voor logistische regressie analyses (OR 1.28, 95% BI: 1.071.53). Positieve associaties zijn ook gevonden voor de nabijheid van rundvee en vleesvarkens, maar alleen voor volwassenen en alleen voor logistische regressie analyses en niet consistent significant over periodes van meerdere jaren. Ten slotte is er een positieve associatie gevonden voor de aanwezigheid van nertsen binnen een afstand van 500 m die alleen statistisch significant is in de multilevel analyse en meta-analyse en consistent positief (maar niet significant) over de individuele jaren. Ook hier gaat het alleen om volwassenen en bovendien om een kleine groep (0.51% van de studiepopulatie is blootgesteld), waardoor de basis voor deze associatie zwak is.

Als de analyses verder gecorrigeerd worden voor afstanden tot andere veehouderijen als geiten- of pluimveehouderijen blijven de resultaten vergelijkbaar. Ook voor schapen blijft de OR statistisch significant positief voor een afstand van 1500 m in zowel logistische regressie als multilevel analyses. Omdat dergelijke associaties tussen longontsteking en nabijheid tot rundveeen/of schapenhouderijen ontbreken voor meerdere jaren uit de periode 20092016 worden ze vooralsnog niet als consistent signaal beschouwd. Tussen longontsteking en nabijheid tot varkenshouderijen en tot nertsenhouderijen wordt geen enkel verband gevonden in deze kernel-analyses.

Rapport Emissies van Endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het Rapport Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. In stof worden van micro-organismen afkomstige endotoxinen gevonden. Endotoxinen zijn dode celwand-deeltjes van bacteriën die geen pathogene eigenschappen meer hebben. Wel kunnen endotoxinen na inademing tot gezondheidsklachten leiden. Meer onderzoek is nodig om de invloed van deze eigenschappen bij endotoxinen te bepalen. De Gezondheidsraad beveelt ten aanzien van de endotoxinen-blootstelling een adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 aan. Veehouderij en gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) Op 16 juni 2017 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’ bekendgemaakt. In dit rapport worden de resultaten uit het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ van juli 2016 bevestigd. Daarnaast wordt in het rapport ingegaan op de effecten van geitenhouderijen. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijn stof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking.

Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

De verbanden met varkens, schapen en runderen en, in mindere mate, pluimvee zijn zwakker en niet consistent over de jaren. Dit resultaat werd verkregen met vijf verschillende analysemethoden en is (mede daarom) zowel robuust als consistent.

39

concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen lijken toch substantieel bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. ILVO-onderzoek Uit onderzoek van het Belgisch Instituut Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in het voorjaar van 2017 blijkt dat een groot deel van de in het Nederlandse VGO-onderzoek aangehaalde risico’s niet relevant zijn, gebrek aan wetenschappelijke basis hebben en niet specifiek zijn voor omwonenden van veehouderijen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het veerijke West-Vlaanderen. Het Nederlandse VGO-onderzoek kan volgens de Belgische onderzoekers niet claimen of suggereren dat veehouderijen een negatief gezondheidseffect hebben op omwonenden. Bijkomend onderzoek is dan ook nodig.

In het Nederlandse volksgezondheidsonderzoek (VGO) wordt het verhoogde aantal longontstekingen in regio’s met intensieve veehouderij gelinkt aan verhoogde concentraties endotoxines. Maar volgens ILVO is het onwaarschijnlijk dat zuivere endotoxines de oorzaak zijn. De gebruikte grenswaarde is gebaseerd op endotoxines gehecht aan fijn stof, terwijl ze in stallen voornamelijk hechten aan grovere stoffracties. En dat grover stof dringt slechts binnen in de bovenste luchtwegen, niet in de lagere. Bovendien tonen recente studies, waaronder VGO, aan dat endotoxines bij omwonenden ook positieve effecten kunnen hebben in de bovenste luchtwegen, zoals een beschermend effect tegen astma en allergieën. Omdat duidelijkheid ontbreekt, is het volgens ILVO momenteel wetenschappelijk onmogelijk om een veiligheidsnorm voor omwonenden te definiëren en te hanteren. Ook hier is verder onderzoek nodig, ook met aandacht voor de mogelijke positieve effecten van endotoxines. ILVO bestudeerde ook het risico op verspreiding van bacteriën, virussen, schimmels en parasieten die aanwezig kunnen zijn bij vee, en de effecten van geneesmiddelengebruik in de stallen in de ontwikkeling van resistentie. Het is echter weinig waarschijnlijk dat deze pathogenen zich verspreiden via de lucht, maar blootstelling via de ruimere leefomgeving zoals mest en water. Via voeding is het wel mogelijk.

Denk aan besmettingen met Salmonella, Campylobacter, E. coli, Hepatitis E, antibioticaresistente bacteriën en azoleresistente schimmels. Het risico beperkt zich hier dus niet tot de omwonenden, maar breidt zich uit tot de algemene volksgezondheid. Vervolgonderzoeken en vervolgadvies Gezondheidsraad (2018) De Gezondheidsraad geeft aan dat het nog steeds niet duidelijk is of er sprake is van een oorzakelijk verband tussen longproblemen en veehouderijen.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Zo moet worden nagegaan of er een effect is van de gecombineerde emissies uit veehouderij, de transportsector en andere industriële sectoren. Op het eerste gezicht lijkt de impact van wonen nabij een stal op de gezondheid beperkt, maar er zijn nog een aantal vraagtekens die beantwoord moeten worden. In haar rapport stelt ILVO dat uit de stallen zowel primair fijn stof als ammoniak ontsnapt. Ammoniak op zich vormt geen bewezen gezondheidsrisico, maar in de buitenlucht, ver weg van de stallen, kan het zich binden aan andere vervuilende stoffen zoals roet. Wat ontstaat, is secundair fijn stof dat voor iedereen, niet enkel voor de omwonenden van veestallen, schadelijk kan zijn. Om de gevolgen van deze combinatie van fijn stof en ammoniak, evenals het aandeel van de landbouwsector in de uitstoot van fijn stof beter in kaart te brengen, is naar de mening van de ILVO-onderzoekers verder onderzoek nodig. Niet omdat er een mogelijk risico bestaat, maar om uitsluitsel te geven en duidelijkheid te brengen in de discussie die er nu bestaat.

40

Daarvoor is het aantal kwalitatief goede onderzoeken zowel in Nederland als in het buitenland te beperkt. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat de luchtwegeffecten rond veehouderijen veroorzaakt, is het volgens de raad wel zinvol maatregelen te treffen en adviseert dan ook verdere reductie van de uitstoot van fijnstof. In de lucht rond veehouderijen zit veel fijn stof en uit onderzoek in stedelijke omgevingen blijkt dat fijnstof waarschijnlijk effecten veroorzaakt op luchtwegen en longen. Reductie van fijn stof bevordert dus de volksgezondheid als geheel. Ook adviseert de raad om de uitstoot van ammoniak verder te verminderen, omdat ammoniak bijdraagt aan de vorming van fijn stof. Vervolgonderzoek Veehouderijen en Gezondheid Omwonenden; VGO3 Eind 2017 is het eerste onderzoek binnen het onderzoeksprogramma VGO3 van start gegaan. Dit onderzoek is nu afgerond. Tot 2021 zullen verschillende deelonderzoeken afgerond worden. Doel van dit vervolgonderzoek was nagaan of de eerder gevonden associatie tussen wonen in de omgeving van geiten- en pluimveehouderijen en longproblemen kan worden aangetoond. Het onderzoek richt zich op de periode 2014 tot en met 2016. Eerder onderzoek liep van 20092013. Uit dit onderzoek volgt dat mensen rondom pluimveehouderijen geen grotere kans hebben op een longontsteking.

De eerder gevonden associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en het voorkomen van longontstekingen binnen een reikwijdte van 2 kilometer wordt met dit onderzoek bevestigd voor de periode 2014-2016. De oorzaak van de toename van longontstekingen rond geitenbedrijven is echter nog onbekend. Daar is verder onderzoek voor noodzakelijk. Onbekend is of deze resultaten ook van toepassing zijn op andere regio’s dan het VGO onderzoeksgebied (het oosten van Noord-Brabant en Limburg). Mogelijk speelt naast de luchtverontreiniging vanuit veehouderijen, ook de algemene luchtkwaliteit door o.a. fijnstof vanuit het buitenland een rol. Hoe dat de resultaten beïnvloedt is niet bekend. Een van de (deel)onderzoeken binnen het VGO3 onderzoeksprogramma zal daarom plaatsvinden in de provincies Utrecht, Gelderland en Overijssel. Dit onderzoek zal in 2019 worden afgerond.

Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. Ten aanzien van schapen en geiten zijn de meest relevante zoönosen de Coxiella Burnetii–bacterie, de veroorzaker van Qkoorts, de Campylobacterbacterie en de E.Coli (EHEC) bacterie Coxiella Burnetii-bacterie (Q-koorts) De Coxiella Burnetii–bacterie is de veroorzaker van Q-koorts. In Nederland zijn vooral besmette melkgeiten en melkschapen de bron voor mensen. Q-koorts is niet van mens op mens overdraagbaar. Besmetting vindt plaats door inademing van besmette stofdeeltjes afkomstig uit met name de stallen, specifiek in de aflamperiode. De bacterie komt in de omgeving terecht doordat geïnfecteerde dieren, die zelf geen ziekteverschijnselen hoeven te vertonen, bacteriën uitscheiden met de lichaamsvochten (traanvocht, urine, slijm, speeksel, melk, vruchtwater). Dieren kunnen vooral tijdens lammeren grote hoeveelheden bacteriën uitscheiden. Campylobacterbacterie en de E.Coli bacterie (EHEC)

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Zoönosen schapen / geiten De verbetering van de diergezondheid op veehouderijen is volop in ontwikkeling. Een aantal besmettelijke dierziekten is al uitgeroeid of sterk teruggedrongen. Kwaliteitszorgsystemen hebben door controles op het vóórkomen van ziekten en naleving van hygiënevoorschriften hieraan bijgedragen.

41

Besmetting vindt plaats door direct contact met de dieren, door het eten van besmet en onvoldoende hygiënische bereiding van vlees of drinken van (ongepasteuriseerde) melk. Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting zijn maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van schapen en/of geiten vereist de nodige hygiëne-maatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen. Het is vooral de periode rondom lammeren waarop veel bacteriën in het milieu terecht kunnen komen, maximale hygiëne is dan van groot belang.

4.11.2 Toetsing plan

Ten aanzien van geur-, fijn stof- en geluidsbelasting blijkt uit deze toelichting dat wordt voldaan aan de wettelijke waarden. Verder is onder meer gebleken dat het bedrijf in een dun bevolkt buitengebied ligt en dat de afstand van het bedrijf tot omliggende bebouwing dusdanig is, dat wordt voldaan aan de afstandsnormen uit de geurregelgeving en richtafstanden van de VNG, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. De verbanden omtrent volksgezondheid met schapen zijn zwakker. Daarnaast wordt het bouwvlak verkleind en worden bestaande gebouwen intern verbouwd t.b.v. het plan. Hierdoor worden geen dierenverblijven dichterbij natuur of woonbebouwing gerealiseerd. Ook neemt het aantal dieren op deze locatie fors af. Voor zover de uitgevoerde onderzoeken al een wetenschappelijk verband kunnen leggen tussen veehouderijen en effecten op de volksgezondheid, zijn deze studies dusdanig algemeen van aard, dan wel uitgevoerd in specifieke onderzoeksgebieden, dat het (zeer) lastig is om de uitkomsten daarvan te projecteren op het hier voorliggende plan.

De volgende maatregelen worden getroffen: • Voor elke melkgeitenhouderij en melkschapenhouderij in Nederland geldt het hygiëneprotocol voor melkgeiten- en schapenhouderijen. Dit protocol bevat zowel verplichte als vrijwillige maatregelen voor algemene hygiëne, mestopslag, vervoer en uitrijden van mest en de aflammerperiode. • Ter voorkoming van verspreiding worden de dieren in de aflamperiode in de loods gehouden, in een flink pak stro. Daarbij wordt er minstens eenmaal per dag opgestrooid ter voorkoming van de verspreiding van stofdeeltjes. Deze strohokken worden pas na de aflamperiode uitgemest waarbij eerst het stromestpakket in de stal eerst vochtig gemaakt wordt. Daarna wordt deze mest uitgereden bij rustig of regenachtig weer. • Er wordt alleen stro gebruikt dat aan hoge kwaliteitseisen voldoet. • Bij assistentie bij het aflammeren worden hygiënekleding en handschoenen als persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Niettemin treft initiatiefnemer wel maatregelen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van varkens vereist de nodige hygiënemaatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen.

42

• Goede ongediertebestrijding die wordt verzorgd door een professionele ongediertebestrijder. • Het voornemen betreft een nieuwe stal waarin een optimale diergezondheid mogelijk is. Door het gebruik van een hygiënesluis wordt de kans op insleep van dierziekten door mensen verkleind. • De lammeren worden gescheiden van de volwassen dieren gehuisvest. • De stallen worden goed geventileerd, zonder tocht. Hierdoor worden luchtweginfecties zoveel mogelijk voorkomen. • Door zo minimaal mogelijk dieren aan te kopen wordt het inslepen van ziekten van buitenaf tot het minimum beperkt. Streven is naar een zo hoog mogelijke gezondheidsstatus op het bedrijf. • Het gebruik van antibiotica wordt zoveel mogelijk beperkt en er wordt voldaan aan de PVE-verordening voor antibioticaregistratie en verantwoord antibioticaverbruik. • De dieren worden preventief gevaccineerd, oa. tegen Q-koorts. Conclusie: zoals hierboven is omschreven is een zorgvuldige afweging gemaakt en kan daardoor worden geconcludeerd dat aan wet- en regelgeving kan worden voldaan”.

4.12 Water Watertoets Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden de waterhuishoudkundige aspecten betrokken in ruimtelijke plannen en afwijkingsbesluiten van die ruimtelijke plannen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. In het kader van dit plan is gekeken naar de voorschriften van het Waterschap Aa en Maas en daarnaast is getoetst aan het Gemeentelijk Rioleringsplan Asten 2018 -2020

In de gemeente Asten is Waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap) verantwoordelijk voor het waterbeheer. Het beleid van het waterschap staat beschreven in het waterbeheerplan. In het voornemen is geen sprake van uitbreiding van bebouwd oppervlakte. Er is sprake van een afname in bebouwd oppervlakte en/of wijziging van de afkoppeling van hemelwater. Er is sprake van een interne functieverandering in het gebouw. Er is bij dit plan geen sprake van lozingen die in het kader van de Waterwet vergunningplichtig zijn. Tevens worden er geen verontreinigde stoffen in het oppervlaktewater gebracht. Voor dit plan is om die reden geen watervergunning nodig. Conclusie: het plan is niet strijdig met het waterschapsbelang.

4.12.2 Gemeentelijk Rioleringsplan 2018 -2020

In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2020 wordt het beleid van de gemeente Asten weergeven voor wat betreft de zorgplichten voor afvalwater,

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

4.12.1 Waterschap Aa en Maas

43

hemelwater en grondwater. Dit beleid sluit aan op het landelijke-, provincialeen het Waterschapsbeleid. Uitgewerkt zien de genoemde 3 zorgplichten er als volgt uit: Afvalwater. Voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater. Bij vervanging en herontwikkeling dient uitgegaan te worden van ontkoppeling van de afvoer van van hemelwater en afvalwater. Hemelwater. Voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Asten naar een duurzame toekomst en het anticiperen op klimaatverandering. Particulieren zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hemelwater vanaf hun eigen perceel. Bij nieuwbouw en herbouw dient een waterbergingsvoorziening gerealiseerd te worden met een inhoud van 60mm/m 2 verhard oppervlak. Bij grootschalige ontwikkelingen gaat de voorkeur uit naar de realisatie van gemeenschappelijke voorzieningen. Grondwater. De gemeente Asten streeft naar maatregelen om structurele grondwateroverlast te voorkomen of te beperken. Wanneer het plan aan deze 3 punten getoetst worden kan gemeld worden dat van de gebouwen die overblijven de hemelwater en afvalwaterstroom reeds afgekoppeld zijn.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Van herontwikkeling is geen sprake, om die reden hoeft geen waterbergingsvoorziening gerealiseerd te worden. Verder zorgt het extensiveringsplan niet voor problemen in relatie tot het grondwater. Verder zorgt de afname van de hoeveelheid verhard oppervlak ervoor dat het hemelwater beter en makkelijker in de directe omgeving in de bodem kan worden opgenomen. Derhalve is de conclusie dat het plan past binnen de kadervan het gemeentelijke rioleringsplan 2018-2020.

44

5 Maatschappelijke/economische uitvoerbaarheid 5.1.1 Vooroverleg

In artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro is bepaald dat een bestemmingsplan dient te worden voorgelegd met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. Verder zal een Omgevingsdialoog met de omwonenden worden gevoerd, deze dialoog zal voldoen aan de richtlijnen van de gemeente zoals die in de Toelichting op het bestemmingsplan zijn opgenomen. Rijk In paragraaf 3.2 is reeds geconcludeerd dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom kan afgezien worden van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Op basis van artikel 3.1.1, tweede lid, van het Bro heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. Gezien de gebruikelijke werkwijze in de provincie Noord-Brabant wordt ook deze planherziening aan de provincie in het kader van vooroverleg voorgelegd.

5.1.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. Dit wordt enerzijds bepaald door de financiële haalbaarheid van het plan en anderzijds door de wijze van kostenverhaal door de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De opdrachtgever fungeert als de financiële drager van het onderhavige plan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een particulier initatief, waarvoor reeds de benodigde financiële middelen zijn gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Grondexploitatie Op grond van afdeling 6.4 van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Van dit laatste is hier sprake, omdat er een anterieure overeenkomst is gesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer. Er hoeft derhalve geen exploitatieplan te worden opgesteld.

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Hoofdstuk

45

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Bijlage

1 Milieutekening vergund

46

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Bijlage

2 Milieutekening voornemen

47

Situatie Sectie Schaal

3312

M

22

144

Gem. Asten D no 3508 1 - 2000

eije

ls

ew

eg

1

3313

86

145

3314

4000

25000

12400

7000

17200

ep A

lo k

67

in

ric

ht

in

g

bo uw b

C

5000

5000

88

ep C

gr

en

s

vd

69

I J

13200

K

garage

overkapping

Luchtafvoer opening 0,40 m2, EP hoogte 3,5 m

eije

overkapping

8800

lsew

eg

3508

Schapenstal 170 st

overkapping

opslag machines

C

3

D

F

G 3603

3604

25000

12400

E

A berging

Werktuigenberging 20200

B

C

B

L Luchtafvoer opening 0,18 m2, EP hoogte 6,28 m

A

B

woonhuis werkplaats

A

1

2

spuitplaats

25000

19000

sleufsilo

7300

12000

6500

10000

M

L

Schapenstal 78 st

8400

H

2800 +p.

J

1

waterpomp

1,5

I

1

pomp regen install. 40,0

H

1

ontijzering install. 1,5

G

1

noodstroom aggregaat 25 KvA

F

1

hogedrukreiniger

3,0

E

1

tractor

52

D

1

dieselpomp

0,12 3,0

damwand

Schapen

170

170

TR B.1.100

160 m3

C

1

lasapparaat

2

Schapenstal / opslagruimte

beton

baksteen

damwand

Schapen

78

78

TR B.1.100

150 m3

B

1

handgereedschap 5,0

1

Woonhuis / werkplaats

beton

baksteen

dakpannen

72 m3

A

1

compressor

2,0

Vloerkonstruktie

Wandkonstruktie

Nr.

St. Benaming

kW

Bruto Oppervlak

Dakkonstruktie

Soort dieren

Aantal plaatsen

Aantal te houden

Huisvestingssysteem

BWL code

Cap.mestopslag

RENVOOI MOTOREN

3500 +p. luchtinlaat

4,0

damwand

Luchtafvoer opening 0,40 m2, EP hoogte 3,5 m

no L

luchtinlaat

grondwaterpomp

beton

6284 +p.

3000 +p.

1

Schapenstal / opslagruimte

Luchtafvoer opening 0,18 m2, EP hoogte 6,28 m

4100 +p.

K

3

RENVOOI STALLEN

4000 +p.

centrale luchtafvoer 2 kanaal met ventilator 0,40 Ø 63 cm

40000

Nr. Benaming

8200 +p.

L

2200 +p.

peil = 0

peil = 0

1500 -p.

1500 -p.

1500 -p.

Projectleider:

FarmConsult Hoofdstraat 4, 6598 AD Heijen NL Kwinkweerd 5, 7421 CW Lochem NL Tel.: 0573-288800 Fax:0573-288890 email: farmconsult@forfarmers.eu

Jan Thijs mob: 0653-20 97 07 mail: jan.thijs@forfarmers.eu

no L luchtinlaat

peil = 0

ForFarmers FarmConsult

luchtinlaat

Werk:

Tekening aanvraag omgevingsvergunning Bedrijf: Meijelseweg 88, 5725 RH Asten-Heusden.

Werk nr:

5126-1

Opdrachtgever:

- Doorsnede A - A gebouw 1 -

- Doorsnede B - B gebouw 2 -

- Doorsnede C - C gebouw 3 -

J.J.M.M. Jenniskens Meijelseweg 88 5725 RH Asten-Heusden

tel: fax:

gew. d.d. gew. d.d. d.d. Schaal

van den SCHOOR bouwkundig ontwerpburo BV Gildelaan 7, 6095 AL Baexem tel: 0475-451697 www.vandenschoor.nl

info@vandenschoor.nl

18-01-2021V8 23-10-2020V3 20-08-2020V1 1:200

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Bijlage

3 Brabantse Zorgvuldigheidsscore

48

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 1/12

Bedrijfsgegevens Bedrijfsnaam

Jenniskens V.O.F.

Adres

Meijelseweg 88

Postcode

5725RH

Woonplaats

Heusden

Gemeente

Asten

Website veehouder

-

Kvknummer

641635980000

Adviseursgegevens Adviesbureau

Rapport versie 2.0.0.7

ForFarmers Hendrix FarmConsult

Pagina 1/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 2/12

Stalgegevens Omschrijving

Status

Diercategorie

Aantal dieren Totaal Grootte eenheden

Stal 2 Berging / opslag (Stal 2)

Bestaand

Vrouwelijke schapen

179

9,45

Stal 3 Berging / opslag (Stal 3)

Bestaand

Vrouwelijke schapen

70

3,70

249,00

13,15

Overzicht per stal Afkorting

Aantal

Grootte eenheden

% Grootte eenheden totaal

Stal 2

179

9,45

71,89%

Stal 3

70

3,70

28,11%

249,00

13,15

100,00%

Aantal

Grootte eenheden

% Grootte eenheden totaal

249

13,15

100,00%

249,00

13,15

100,00%

Overzicht per diersoort Diersoort Schapen

Rapport versie 2.0.0.7

Pagina 2/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 3/12

Resultaat Basis score

Punten

Score op Basispunten

Score

Beoordeling 6,00

Inrichting en omgeving

waarde

Gezondheid

36,36

Geuremissie

0,00

Geurimpact

98,40

Fijnstof

0,00

Mineralenkringloop

63,81

Verbinding met de omgeving

15,00

Totaal punten op Inrichting & Omgeving

213,57

Correctiefactor aantal maatlatten

1,20

Gecorrigeerde aantal punten

256,28

Wegingsfactor

200,00

Score op Inrichting en Omgeving

1,28

Akkoord

0,00

Akkoord

7,28

Akkoord

Certificaten Totaal punten op certificaten

0,00

Wegingsfactor

40,00

Score op certificaten Innovatie Innovatie telt mee in het eindoordeel Totaal score BZV

Eindoordeel BZV

Rapport versie 2.0.0.7

Nee

Akkoord

Pagina 3/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 4/12

Certificaten Bedrijfsniveau Omschrijving

Antwoord

GD Keurmerk Zoönosen

GD Keurmerk Zoönosen

Gewogen punten 0,00

Diersoorten Diersoort

Certificaat

Antwoord

Gewogen punten

Schapen

GD-schapen: certificaat zwoegerziekte

Nee

0,00

GD-schapen: certificaat scrapie - resistent

Nee

0,00

Afkorting

Certificaat

Antwoord

Stal 2

Milieukeur

Nee

Beterleven

Nee

Biologisch: Bio-keurmerk (SKAL) of EKO-keurmerk

Nee

0,00

Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)

Nee

0,00

Milieukeur

Nee

0,00

Beterleven

Nee

Biologisch: Bio-keurmerk (SKAL) of EKO-keurmerk

Nee

0,00

Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)

Nee

0,00

Stalniveau

Stal 3

Totaal aantal punten

Rapport versie 2.0.0.7

Gewogen punten 0,00

0,00

Pagina 4/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 5/12

Gezondheid Bedrijfsniveau Vraag

Antwoord

Punten

3 - Afstand tot dichtstbijzijnde ander veebedrijf, kortste afstand tussen bouwblokken

< 100 m

-

5 - Scheiding schone-vuile weg: a - Vulpunten voersilo's, afvoerpunten mest, aan-en aflevervoorziening aan vuile weg

Ja

5,45

b - Afleverruimte voor dieren

Nee

-

c - Kruisende looplijnen interne bedrijfsgedeelte met openbare gedeelte

Nee

5,45

d - Hygiene sluis op scheiding schone-vuile weg

Nee

-

e - Kadaveropslag op vloeistof dichte vloer met opvang van vloeistoffen.

Nee

-

f - Looplijnenschets aanwezig, zichtbaar opgehangen

Nee

-

a - Scheiding schoon-vuil gedeelte + wasbak

Nee

-

b - Bedrijfseigen kleding/schoeisel

Nee

-

c - Douches

Nee

-

8 - Opslag van vaste mest op het erf

Ja, niet overkapt

-

9 - Spoelplaats veewagens

Ja

11 - Minimaal 2 meter verharding direct aansluitend alle stalmuren ter voorkoming van ongedierte

Nee

6 - Hygiëne sluis met:

3,64 -

Diersoortniveau Diersoort

Vraag

Antwoord

Schapen

1 - Quarantainestal (opfokdieren)

Nee

2 - Heeft u een buitenloop of weidegang?

Geen buitenloop

4 - Houdt u andere bedrijfsmatig gehouden veesoorten?

Punten 10,91 10,91

Stalniveau Stal afkorting

Vraag

Antwoord

Stal 2

7 - Aparte hygiënevoorzieningen per diercategorie of stal

Nee

-

10 - Zuivering interne stallucht

Geen

-

Rapport versie 2.0.0.7

Punten

Pagina 5/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 6/12

Stal 2

12 - Gescheiden huisvesting: iedere diercategorie in een aparte stal

Ja

Stal 3

7 - Aparte hygiënevoorzieningen per diercategorie of stal

Nee

-

10 - Zuivering interne stallucht

Geen

-

12 - Gescheiden huisvesting: iedere diercategorie in een aparte stal

Nee

-

Totaal aantal punten

Rapport versie 2.0.0.7

0,00

36,36

Pagina 6/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 7/12

Fijnstof Fijnstof emissie Referentie Status

Stal

Aantal

Norm

Emissie

Werkelijke waarde

Emissie

Bestaand Stal 2 Berging / opslag

179

0,00

0,00

0,00

0,00

Stal 3 Berging / opslag

70

0,00

0,00

0,00

0,00

Totalen Bestaand

0,00

0,00

Totalen

0,00

0,00

Rapport versie 2.0.0.7

BB of BWL code

Huidige / Gewenste situatie

Behaald reductiepercentage

NaN

Aantal punten

NaN

Totaal aantal punten

0,00

Pagina 7/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 8/12

Geuremissie Referentie Status

Stal

Aantal

Norm

Emissie

Werkelijke waarde

Emissie

Bestaand Stal 2 Berging / opslag

179

7,80

1396,20

7,80

1396,20

Stal 3 Berging / opslag

70

7,80

546,00

7,80

546,00

Totalen Bestaand

1942,20

1942,20

Totalen

1942,20

1942,20

Rapport versie 2.0.0.7

BB of BWL code

Huidige / Gewenste situatie

Behaald reductiepercentage

0,00 %

Totaal aantal punten

0,00

Pagina 8/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 9/12

Geurimpact Vraag

Antwoord Bevind u zich in een concentratiegebied?

Punten Ja

In concentratiegebied

Rapport versie 2.0.0.7

Op woonkern in OU

0,00

60,00

Op buitengebied in OU

0,40

38,40

Totaal aantal punten

98,40

Pagina 9/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 10/12

Mineralenkringloop P-Mest Totaal Vraag

Antwoord

P Mestproductie totaal

851,00

Gebruiksruimte (in KG P)

543,00

P-mestoverschot (Productie - Gebruiksruimte)

308,00

P-aanwending mest Soort aanwending

Grond eigen gebruik, binnen straal van 15 km

Totalen

Rapport versie 2.0.0.7

Hectaren

Norm (kg/ha)

kg P

Opgehaald bij RvO

Punten

1,00

80,00

80,00 Nee

9,40

5,26

50,00

263,00 Nee

30,90

4,00

50,00

200,00 Nee

23,50

10,26

543,00

63,81

10,26

543,00

63,81

Totaal aantal punten

63,81

Pagina 10/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 11/12

Verbinding met de omgeving en biodiversiteit Thema

Vraag

Antwoord

Zicht op dieren in de stal of uitloop

Inkijk in de stal en/of zicht op dieren (die op het bedrijf worden gehouden) op permanent beschikbare uitloop.

Geen

0,00

Groen op het erf Oppervlak groen op het erf (= verticale projectie van bomen, (op en struiken, heggen, bosplantsoen, boomgaard, poel)als percentage aansluitend op van het totale erfoppervlak (= het gaat om bouwblok en het groen bouwblok) dat direct aansluit op het bouwblok). Bemesting en gebruik bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.

<= 10 % groen

0,00

Inpandig laden en lossen van bijproducten, voer en dieren

Inpandige laad- en losplaats dieren

Nee

0,00

Inpandig laden en lossen van bijproducten, voer en dieren

Inpandige losplaats krachtvoer en bijproducten

Nee

0,00

Inpandig laden en lossen van bijproducten, voer en dieren

De voerbewerkingshandelingen vinden inpandig plaats

Ja

5,00

Inpandig laden en lossen van bijproducten, voer en dieren

Mestbewerking vindt inpandig plaats

Nee

0,00

Brijvoer/ bijproducten

Opslag van voer(componenten) vindt plaats in afgesloten ruimten

Nee

0,00

Brijvoer/ bijproducten

Lucht uit de voerkeuken/ voeropslag wordt afgevoerd naar een luchtzuiveringsinstallatie

Nee

0,00

Brijvoer/ bijproducten

Bedrijf past geen bijproducten toe

Ja

10,00

Mestbe- of verwerking, mestdroging

Alle luchtwassers/ warmtewisselaars/ droogtunnels/ mestbewerkingsinstallaties op het bedrijf zijn inpandig gesitueerd

Nee

0,00

Mestbe- of verwerking, mestdroging

Sleufsilo's zijn aan het oog onttrokken

Nee

0,00

Mestbe- of verwerking, mestdroging

Bedrijf heeft dagontmesting of scheiding van mest en urine in de stal

Nee

0,00

Kadaver ophaalplaats

Kadavers worden opgeslagen in een afgesloten en ondergrondse kadaverophaalplaats aan de openbare weg

Nee

0,00

Totaal aantal punten

15,00

Rapport versie 2.0.0.7

Punten

Pagina 11/12

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf:

Jenniskens V.O.F.

BZV versie: 2.0

Scenario:

Schapenhouderij (4)

Datum:

Status:

Ingediend (22-09-2020)

22-09-2020 (Creatie) Pagina 12/12

Aanvullende meldingen Geen aanvullende meldingen

Rapport versie 2.0.0.7

Pagina 12/12

Ruimtelijke Onderbouwing Meijelseweg 88 Heusden

Bijlage

4 V-stacks vergunningen berekening

49

Gegenereerd op: 16-11-2020

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 1

Naam van de berekening: 2020-11-16 Geur Jenniskens schap Gemaakt op: 2020-11-16 14:14:53 Rekentijd: 0:00:22 Naam van het bedrijf: Jenniskens J. Meijelseweg 88, Heusden - Schapen Berekende ruwheid: 0,122 m

Brongegevens: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh. E-Aanvraag

Geb. Hoogte

1

A gebouw 2

185 645

375 348

6,2

0,5

8,40

608

5,2

2

B gebouw 3

185 658

375 318

3,5

0,7

8,30

1 326

2,9

Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

Geurnorm

Geurbelasting

3

Peelweg 1

185 370

375 465

10,0

0,1

4

Buizerdweg 1A

185 410

375 635

10,0

0,1

5

Meyelseweg 40 BK heu

181 488

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=e2ab26bd-bc4d-4080-9a06-e95e6b08b865