F Ruimtelijke onderbouwing Havikstraat 1 Asten.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Woningbouw Havikstraat 1, Asten Gemeente Asten Definitief
Ruimtelijke onderbouwing Woningbouw Havikstraat 1, Asten Gemeente Asten Definitief
Rapportnummer:
P02655
Datum:
11 augustus 2020
Opdrachtgever:
VDH Bouwmanagement
Projectteam BRO:
Mevr. mr HL
Trefwoorden:
Woningbouw Havikstraat 1 Asten
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 4
Beknopte inhoud:
Aan de Havikstraat 1 te Asten wordt een woning afgebroken en ter plaatse worden twee nieuwe woningen gebouwd. Middels de voorliggende ruimtelijke onderbouwing kan dit initiatief worden meegenomen in het eerstvolgende verzamelplan van de gemeente Asten.
BRO Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E tegelen@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging 1.3 Begrenzing 1.4 Status
3 3 4 4 5
2. GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL 2.1 Ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Nieuwe situatie
7 7 8 8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening 2010 – partiële herziening 2014 3.2.2 Brabantse Agenda Wonen 3.2.3 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.4 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale woonvisie 2011-2020 SRE 3.3.2 Regionale Agenda Wonen 2016 regio Zuidoost-Brabant 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 De Avance, toekomstvisie Asten 3.4.2 Toekomstagenda Asten 2030 3.4.3Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 3.4.4 Welstandsbeleid gemeente Asten 3.5 Afweging beleidskader
10 10 10 10 11 11 12 12 13 14 15 15 15 16 16 16 16 16 17 17
4. UITVOERINGSASPECTEN 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder wegverkeerslawaai 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering
18 18 19 19 19 20 21 24
Inhoudsopgave
1
4.2.6 Geurhinder 4.2.7Waterhuishouding 4.2.8 Cultuurhistorie 4.2.9 Archeologie 4.2.10 Flora en Fauna 4.2.11 Landschapswaarden 4.2.12 Verkeer en infrastructuur 4.2.13 Besluit m.e.r.
25 26 30 30 32 35 35 35
5. AFWEGING BELANGEN
37
6. PROCEDURE, OVERLEG EN PLANSTUKKEN 6.1 Procedure 6.2 Vooroverleg 6.3 Omgevingsdialoog 6.4 Planmethodiek en verbeelding
38 38 38 38 38
BIJLAGEN Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Bijlage 2 Archeologisch onderzoek Bijlage 3 Aerius-berekening Bijlage 4 Quickscan flora en fauna
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om aan de Havikstraat, ter hoogte van Havikstraat 1, in het zuidelijk deel van de kern Asten, een woning af te breken en ter plaatse twee grondgebonden geschakelde of vrijstaande woningen te realiseren. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Asten, sectie E, nr. 2848. Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Woongebieden Asten’ (vastgesteld op 15 december 2009) kunnen de onderhavige woningen niet worden gebouwd. Ter plaatse is namelijk alleen het bestaande aantal woningen toegestaan. Om de voorliggende ontwikkeling mogelijk te kunnen maken, dient de bestemming van de locatie te worden gewijzigd. De gemeente Asten is voornemens medewerking te verlenen middels het in procedure brengen van een zogenaamd verzamelplan. Hiertoe is de voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Deze ruimtelijke onderbouwing dient als motivering bij de te volgen procedure, en zal onderdeel uitmaken van het eerstvolgende verzamelplan van de gemeente Asten.
Topografische kaart met globale ligging planlocatie (rood omlijndl)
Hoofdstuk 1
3
1.2 Ligging De planlocatie is gelegen aan de Havikstraat 1 in Asten. De locatie is momenteel in gebruik als tuin behorende bij de woning die op het perceel staat. Het is de bedoeling om de bestaande woning te slopen en op het woonperceel twee nieuwe grondgebonden woningen te realiseren. Het betreffende perceel wordt dan opgesplitst in 2 woonpercelen. Aan de noordzijde en westzijde van het bouwperceel ligt een nog jonge woonwijk en meer noordelijk is de kern van Asten gelegen. Aan de zuidzijde ligt de Heesakkerweg, een belangrijke doorgaande weg tussen Asten en Someren. Tussen deze weg en de Havikstraat is een brede groenstrook met bebossing gelegen. Ten zuiden van de Heesakkerweg is het buitengebied tussen Asten en de gemeente Heusden gelegen met landbouw, enkele veehouderijen en meer westwaarts glastuinbouw.
1.3 Begrenzing De planlocatie is kadastraal bekend als gemeente Asten, sectie E, nr. 2848 en plaatselijk bekend als Havikstraat 1. In de navolgende afbeelding is de begrenzing van de locatie weergegeven.
Kadastrale situatie met ligging planlocatie (rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
4
1.4 Status Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Woongebieden Asten’, dat op 15 december 2009 is vastgesteld door de gemeenteraad van Asten. In 2019 is voor het plangebied van dit bestemmingsplan een verzamelplan vastgesteld om enkele ontwikkellocaties in het bestemmingsplan op te nemen en enkele kleine meer tekstuele aanpassingen te doen. Er is inmiddels weer een nieuw verzamelplan als ontwerp in procedure gebracht met hetzelfde doel. De aanpassingen in beide verzamelplannen zijn niet van toepassing op het onderhavige perceel en worden dan ook niet nader besproken. Wel relevant is dat de onderhavige ontwikkeling in een nieuw in procedure te brengen verzamelplan zal worden opgenomen. Daarnaast geldt het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’, dat op 24 juni 2013 is vastgesteld. Tenslotte is onlangs het ontwerp-bestemmingsplan ‘Asten Parapluplan Wonen 2019’ in procedure gebracht. Bestemmingsplan ‘Woongebieden Asten’ Ingevolge het bestemmingsplan ‘ Woongebieden Asten’ is het bouwperceel bestemd als ‘Wonen’.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Woongebieden Asten' met ligging planlocatie (rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
5
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel'; c. praktijkruimte ter plaatse van de aanduiding 'praktijkruimte'; d. met de daarbij behorende voorzieningen. Het aantal woningen per bouwperceel mag echter niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen binnen dat bouwperceel op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Het toevoegen van een woning is dus niet toegestaan. Daarnaast is op dit gedeelte van het perceel ook geen bouwblok opgenomen en daarmee is deze ontwikkeling ook in strijd met de bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ Ingevolge het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ is het bouwperceel bestemd als ‘Waarde – Archeologie 2’. Ter plaatse geldt een bouwverbod, dat niet van toepassing is op: a. vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders en/of parkeergarages; of gebouwen tot maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden opgericht; b. een bouwwerk dat geen bodemverstorende activiteiten met zich meebrengt; c. een bouwwerk waarvan de oppervlakte kleiner is dan 250 m² of minder diep reikt dan 0,4 meter beneden maaiveld; d.
bebouwing welke nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 meter; e. gronden die reeds verstoord zijn op een diepte van meer dan 0,4 meter beneden maaiveld; f. gronden waarvan op basis van eerder archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen behoudenswaardige archeologica is aangetroffen. Om zekerheid te krijgen over de archeologische waarden wordt een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 4.2.9 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt dit nader toegelicht. Ontwerp-Bestemmingsplan ‘Asten Parapluplan Wonen 2019’ De doelstelling van dit paraplubestemmingsplan is de begrippen ‘wonen/woondoeleinden’, ‘woning/wooneenheid’ en ‘huishouden’ duidelijk te omschrijven en aan elkaar te koppelen. Hiermee worden de begripsbepalingen voor het gehele gemeentelijke grondgebied op elkaar afgestemd. Dit is een partiële herziening welke aanvullend/corrigerend werkt op de geldende bestemmingsplannen. Het onderhavige initiatief is verder niet in strijd met dit toekomstige bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
6
2.
GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL
2.1 Ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke structuur De kern Asten is ontstaan langs een route op de hoger gelegen zandrug tussen de armen van de rivier de Aa. De hoge zandrug bood naast veiligheid tegen overstromingen bovendien een stevig fundament voor de weg en de boerderijen die er langs lagen. Deze weg leidde van Helmond, via Lierop en Asten naar het Peelmoeras en diende voor transport van turf. Het dorp Asten groeide uit tot een complex van gebouwen rond de afslag naar Ommel en ontwikkelde zich door een gunstige ligging sneller dan de omliggende gehuchten. Als eerste grote nederzetting nabij de Peel ontstonden in Asten smederijen voor reparaties van wagens en werktuigen en cafés en logementen voor ontspanning. Verder ontstond hier handel in levensmiddelen en textiel voor boeren en arbeiders in het achterland. Naast de landbouw werden de inkomsten aangevuld door kleinschalige turfwinning. De oudste bebouwing van het dorp bevond zich met name langs de route Lierop – Heusden (nu Burgemeester Wijnenstraat–Emmastraat) en langs de route Asten–Ommel (nu Emmastraat–Prins Bernhardstraat). De route naar Someren (nu Wilhelminastraat) is van minder belang geweest in verband met het passeren van het beekdal van de Aa, waardoor de route een gedeelte van het jaar onbegaanbaar was. Rond 1890 verschenen langs deze weg de kloostercomplexen Begin 19e eeuw steeg de vraag naar turf.
De aanleg van de Zuid Willemsvaart en grote ontginningen van de maatschappij Griendtsveen hadden rond 1850 een versnelde groei van het dorp Asten tot gevolg. Dit was merkbaar langs de routes naar Lierop en Ommel. Het gehucht Wolfsberg en de kern Asten groeiden langs de verbindingsweg Emmastraat–Wolfsberg naar elkaar toe. De Hemel was toen al een belangrijke verbinding om de gehuchten Voordeldonk, Achterbosch, Rinkveld en Kloostereind met de kern Asten te verbinden. Rond 1900 bestaat de structuur van het dorp uit een kruispunt van twee wegen waarvan drie assen een doorgaand karakter hadden. Langs deze route vond men afwisselend woonbebouwing, bedrijven, openbare functies en klassieke directeurswoningen met monumentale voortuinen. Arbeiderswoningen moesten gaandeweg een plaats zoeken in de gebieden achter de hoofdassen. Hier lagen de tuinen of landbouwgronden die bij de woningen of boerderijen van de oudste routes hoorden. De percelen worden begrensd door een achterpad evenwijdig aan de hoofdroute, waarachter het agrarisch gebied begon. De huidige Lindestraat, Burgemeester Frenckenstraat, Mgr. den Dubbeldenstraat en de Kerkstraat zijn de oude achterpaden. De eerste verdichting van de kern vond plaats tussen de hoofdroutes en de achterpaden. Asten heeft zich in de loop der tijd centrisch ontwikkeld.
De aloude Markt met daaraan de kerk en het gemeentehuis is nog steeds nagenoeg in het midden van de kern gelegen. Vanuit de Markt is Asten in vlekken tussen de oude aanloopstraten ontwikkeld. De onderhavige locatie maakt onderdeel uit van het oude buurtschap Wolfsbergsche-Heide, dat gedurende de Tweede Wereldoorlog flink geleden heeft onder zowel Duitse als geallieerde bombardementen. Iets ten zuiden van de planlocatie lag een oude boerderij “Hoeve Hulterman” die eveneens in de Tweede Wereldoorlog is afgebrand. Vanaf medio jaren ’80 tot heden is ter plaatse gefaseerd nieuwbouw gerealiseerd.
Hoofdstuk 2
7
2.2 Functionele structuur Het besluitgebied is gelegen aan de Havikstraat in een woonwijk ten zuidoosten van het centrum van Asten.
Luchtfoto huidige situatie met ligging besluitgebied (rood omlijnd)
De omgeving van het plangebied bestaat grotendeels uit woningen, die worden afgewisseld met groenstroken. Aan de zuidzijde ligt een brede bosstrook, die de woonwijk afschermt van de doorgaande Heesakkerweg. De (dagelijkse) voorzieningen zijn met name in het centrum van Asten gelegen en in bepaalde mate verspreid in de eerder genoemde oude aanloopstraten naar het centrum.
2.3 Nieuwe situatie Het planvoornemen betreft de opsplitsing van de woonkavel aan de Havikstraat 1 ten behoeve van de sloop van de bestaande woning en nieuwbouw van twee woningen. Parkeren is op eigen terrein voorzien.
Hoofdstuk 2
8
De voorgenomen woningbouw betreft de oprichting van twee geschakelde woningen of twee vrijstaande woningen. Deze grondgebonden woningen passen functioneel in de omgeving, aangezien sprake is van de ligging in een bestaande woonwijk. Bij het ontwerp van de woningen wordt ernaar gestreefd om qua typologie en beeldkwaliteit zoveel als mogelijk rekening te houden met de woningen in de nabije omgeving. Voor wat betreft de voorgevelrooilijn wordt in het bestemmingsplan een bouwvlak opgenomen, waarbij de voorste bebouwingsgrens op een afstand van circa 5 meter vóór de voorgevelrooilijn van Havikstraat 3 wordt gesitueerd. Hiermee blijft net als bij de buren sprake van een diepe voortuin, waarmee het groene natuurlandschap in de Havikstraat gehandhaafd blijft.
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de (rijks)plannen voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijken mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Voor de drie rijksdoelen worden onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Er zijn 13 nationale belangen geformuleerd, waarvan in dit kader nationaal belang 13, zijnde ‘een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, het meest relevant is. Middels deze ruimtelijke onderbouwing wordt aan dit belang vorm gegeven. Voor wat betreft de overige nationale belangen geldt dat deze, mede gezien de kleinschaligheid en aard van het project, verder niet in het geding komen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Na-
Hoofdstuk 3
10
tuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit besluit zijn de belangen uit de Rarro niet van toepassing. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
De onderhavige locatie heeft een woonbestemming ten behoeve van één woning. Daaraan wordt middels dit plan één woning toegevoegd. Nu de ladder pas verplicht is vanaf twaalf woningen is de Ladder voor duurzame verstedelijking op dit initiatief dan ook niet van toepassing.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
11
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening 2010 – partiële herziening 2014 De Structuurvisie Ruimtelijke ordening (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 1 oktober 2010) geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Op 7 februari 2014 hebben de Provinciale Staten de Structuurvisie 2010, partiële herziening 2014 vastgesteld. Hierin zijn een aantal wijzigingen opgenomen ten aanzien van de Structuurvisie uit 2010. De provincie kiest voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. De vijf grote steden Tilburg, Breda, 's-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond, zijn met de omliggende suburbane gebieden uitgegroeid tot de brandpunten van de verstedelijking in Noord-Brabant. Hier wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Samen vormen zij het stedelijk netwerk BrabantStad. De groene geledingszones tussen de steden en (suburbane) kernen verbinden de steden met het omliggende landelijke gebied en vervullen een belangrijke rol als stedelijk uitloopgebied. Ook dat is een belangrijke kwaliteit van de stedelijke structuur in Brabant. De provincie Brabant wil het navolgende bereiken: 1.
Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters Het voorliggende plan is ingevolge de structurenkaart van de Structuurvisie gelegen binnen het perspectief ‘kernen in het landelijk gebied’. Noord-Brabant is naast een provincie met grote steden, een provincie met veel (verschillende) kernen waar het aantrekkelijk is om te wonen en te werken. De kernen in Noord-Brabant hebben elk hun eigen karakter en relatie met het Brabantse landschap. De kleinere kernen maken meer deel uit van het omliggende landschap en hebben nog een natuurlijke overgang richting het landschap. Dit verschil in ontwikkeling heeft geleid tot de meer suburbane kernen, de dorpen en de plattelandskernen. Voor de kernen die meer geleidelijk zijn gegroeid en hun dorpse karakter nog hebben behouden, zoals Asten, vraagt de provincie aandacht voor een goede ruimtelijke inpassing van nieuwe werklocaties in het dorp en het omliggende landschap. De provincie vindt het daarnaast van belang dat in het regionale overleg gezocht wordt naar mogelijkheden voor de opvang van de behoefte aan werklocaties bij de meer suburbane kernen in de regio of op regionale bedrijventerreinen.
Voor wat betreft de functie wonen is in de structuurvisie opgenomen, dat de kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van 'migratiesaldo-nul'. Er is ruimte
Hoofdstuk 3
12
beschikbaar voor specifieke verbeterprojecten van enige omvang. Het gaat om kwalitatieve verbeteringen in bestaand stedelijk gebied zoals het saneren van milieuhinderlijke bedrijvigheid in de kern en het behouden van vrijkomende cultuurhistorisch waardevolle complexen.
Structurenkaart Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 Noord-Brabant met ligging besluitgebied (rood omlijnd)
Afweging: Het onderhavige plan is dermate beperkt in omvang dat dit past binnen de eigen woningbouwbehoefte. Het initiatief is hiermee passend binnen de ‘Structuurvisie ruimtelijke ordening 2010 – partiële herziening 2014’. 3.2.2 Brabantse Agenda Wonen In september 2017 is de Brabantse Agenda Wonen vastgesteld. Met deze agenda geeft de provincie aan welke accenten er de komende jaren liggen bij het bouwen en wonen en hoe zij zich hiervoor gaat inzetten. De Brabantse Agenda Wonen is een agenda op hoofdlijnen en stippelt een koers uit voor (verdere) regionale samenwerking en vernieuwing van de woningbouwafspraken. De provincie heeft hiertoe de volgende vier actielijnen geschetst en zes leidende principes geformuleerd. 1. 2. 3. 4.
Accent op duurzame verstedelijking; Meer nadruk op de bestaande woningvoorraad; Inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen; Versterken van de regionale samenwerking en vernieuwen van regionale woningbouwafspraken.
Hoofdstuk 3
13
Leidende principes 1. Inzet in het woningbouwprogramma op (toekomstige) binnenstedelijke locaties – inbreiden, herstructureren, transformeren – en op het herbestemmen van leegstaand en leeg komend kantoor-, winkel- en ander vastgoed, met als uitgangspunt dat zorgvuldig ruimtegebruik voor zuinig ruimtegebruik gaat; 2. Mogelijk maken van ‘goede woningbouwplannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen: woningbouw op geschikte inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en in leegstaand vastgoed, die aansluit op een actuele vraag en snel in aanbouw kan worden genomen; 3. Meer nadruk op de bestaande woningvoorraad, met specifieke aandacht voor herstructureringsen transformatieopgaven, verduurzaming van de voorraad en het geschikt maken van woningen en de woonomgeving voor mensen met een zorgvraag; 4. Ontwikkeling van vraaggerichte woningbouwplannen, die aansluiten op de vraag van huishoudens en met oog voor nieuwe, flexibele en tijdelijke woonvormen en strategische toevoegingen aan de bestaande woningvoorraad; 5. Realisme en flexibiliteit in de regionale en gemeentelijke woningbouwplanning en -programmering om tijdig en adequaat in te kunnen spelen op de dynamiek op de woningmarkt, veranderende woonwensen en onvoorziene ruimtelijke ontwikkelingen; 6. Versterken van de samenwerking op de regionale woningmarkt, met de gemeenten als eerste aan zet.
Hierbij dienen de regionale woningbouwafspraken te worden vernieuwd, met een groter accent op de kwalitatieve samenstelling van het planaanbod en de inzet van het woningbouwprogramma voor bredere, vaak ruimtelijk-kwalitatieve doelen en met specifiek aandacht voor de regionale afweging van de meer grootschalige gebiedsontwikkelingen en uitbreidingslocaties. Afweging Het voorliggende plan past binnen de bovengenoemde leidende principes van de Brabantse Agenda Wonen. Er vindt woningbouw plaats binnen het bestaand bebouwd gebied in een bestaande woonwijk. Het voorliggende plan hoeft niet op regionaal niveau afgestemd te worden, omdat hierbij slechts één woning wordt gerealiseerd. Afstemming is pas noodzakelijk bij plannen vanaf 25 woningen. 3.2.3 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Het gaat dan om ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie.
Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: Wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? De Omgevingsvisie Noord-Brabant benoemt geen specifieke opgaven voor bijvoorbeeld wonen. Het voorliggende plan is dan ook niet in strijd met deze Omgevingsvisie.
Hoofdstuk 3
14
3.2.4 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. De omgevingsverordening is een van de instrumenten die de provincie inzet om haar doelen en ambities te realiseren, waaronder de doelstellingen zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie. De omgevingsverordening bevat de spelregels en randvoorwaarden met een bindende werking voor het handelen van burgers en bedrijven, gemeenten en waterschappen. Uit de interim verordening volgt dat de woningbouwlocatie niet gelegen is binnen een milieubeschermingsgebied. Er gelden wel rechtstreeks werkende regels op het gebied van landbouw, maar dit betreft regels voor veehouderijen.
Ten aanzien van de overige onderwerpen die in de verordening worden geregeld, zijn geen regels opgenomen die van toepassing zijn op het voorliggende plan of deze regels worden nader beschreven in hoofdstuk 4 onder een van de daarin beschreven sectorale aspecten..
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale woonvisie 2011-2020 SRE De Regionale woonvisie 2011-2020 van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE, tegenwoordig Metropoolregio Eindhoven geheten) is een ambitiedocument en richt zich op de uitdagingen die de 21 SRE-gemeenten gezamenlijk kunnen en moeten oppakken. Er zijn drie thema’s die aandacht vragen van het regionaal woonbeleid en de daarin samenwerkende woningmarktpartijen: 1. Oog voor kenniswerkers en lage-lonen-arbeidsmigranten; 2. Naar een nieuw evenwicht van sterke steden en een vitaal landelijk gebied; 3. Duurzaam vernieuwen en transformeren van de bestaande voorraad. Voor dit plan is met name thema 3 van belang, en daarbinnen met name het uitgangspunt van het kleinschalig toevoegen van kwaliteit aan de bestaande voorraad door middel van nieuwbouw. Veruit het grootste deel van de woningbouwprojecten vindt op inbreidingslocaties plaats. Dit initiatief voorziet in een kleinschalig initiatief in een bestaande woonwijk. Hiermee is het plan in lijn met de Regionale Woonvisie 2011-2020 van het SRE.
Hoofdstuk 3
15
3.3.2 Regionale Agenda Wonen 2016 regio Zuidoost-Brabant In de Regionale Agenda Wonen 2016 voor de regio Zuidoost-Brabant is afgesproken dat de gemeente Asten in de periode van 2016 t/m 2025 nog 915 woningen mag toevoegen aan de woningvoorraad. Het voorliggende plan dat ziet op de toevoeging van één woning wordt passend geacht binnen deze regionale afspraken.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 De Avance, toekomstvisie Asten Op 2 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Asten de structuurvisie ‘De Avance’ vastgesteld. Deze visie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van Asten tot het jaar 2030 weer. Volgens de kaarten bij de structuurvisie ligt de planlocatie binnen een bebouwingskern. In de gemeentelijke toekomstvisie is aangegeven dat zuinig ruimtegebruik in de vorm van inbreiding, herstructurering, herbestemming en intensivering voor uitbreiding gaat. De beoogde ontwikkeling van één woning in een bestaande woonwijk is passend binnen de bovengenoemde uitgangspunten van de toekomstvisie De Avance. 3.4.2 Toekomstagenda Asten 2030 Op 27 juni 2017 heeft de gemeenteraad van Asten de Toekomstagenda Asten 2030 vastgesteld. Centraal in de toekomstagenda staan de volgende vier opgaven: Transformatie van het buitengebied; Vitale kernen; Centrumontwikkeling; Klimaatbestendig en energieneutraal Asten. Voor de ontwikkeling in het plangebied is voornamelijk de opgave ‘vitale kernen’ relevant. Om een aantrekkelijke woongemeente te zijn, voert de gemeente een actief woonbeleid, dat is gericht op de lokale woonbehoeften. Gelet op de vergrijzing wordt gestreefd naar combinaties met zorg, zodat mensen met een beperking zo veel mogelijk zelfstandig kunnen wonen.
Daarnaast zet de gemeente in op het versterken van haar aantrekkingskracht voor mensen die graag rustig landelijk willen wonen, dichtbij stedelijke voorzieningen en werk. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij, omdat wordt voorzien in de behoefte aan het landelijk en rustig wonen in een woonwijk en in de nabijheid van voorzieningen. 3.4.3Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 De gemeenteraad van Asten heeft op 8 november 2016 de Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 vastgesteld. Deze woonvisie is een actualisatie van de ‘Woonvisie 2010 t/m 2019 gemeente Asten’. In
Hoofdstuk 3
16
deze woonvisie richt Asten zich op het realiseren van een woningvoorraad die past bij de woonbehoeften van de Astense bevolking, in kwantitatieve en kwalitatieve zin. Nieuw toe te voegen woningen moeten aansluiten bij geconstateerde en verwachte tekorten in de bestaande woningvoorraad. Toevoeging van woningen dient primair binnen het bestaand stedelijk gebied plaats te vinden, met voorrang voor locaties nabij voorzieningen, herstructureringslocaties en leegstaand en vrijkomend vastgoed. Voorliggend initiatief omvat het toevoegen van slechts één woning, waarbij in een bestaande woonwijk een bestaande woning wordt gesloopt en hiervoor in de plaats twee nieuwe grondgebonden woningen worden gerealiseerd. Het onderhavige initiatief past dan ook in de woonvisie. 3.4.4 Welstandsbeleid gemeente Asten Op 3 februari 2015 heeft de gemeente het ‘Welstandsbeleid Asten’ vastgesteld. Het welstandsbeleid is opgesteld vanuit de overtuiging dat het belang van een aantrekkelijk gebouwde omgeving dient te worden behartigd. De verschijningsvorm van een bouwwerk is geen zaak van de eigenaar alleen. Elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt tevens het vestigingsklimaat. Het welstandsbeleid bestaat uit twee onderdelen.
In onderdeel A is het beleid beschreven en in onderdeel B zijn de toetsingscriteria opgenomen. De onderhavige locatie valt onder thema 6 ‘Woningbouw met een individueel karakter’. Individuele woningbouw wordt gerealiseerd door één opdrachtgever of in zeer kleine aantallen door bijvoorbeeld een projectontwikkelaar. De beoogde woningen zijn ingevolge het welstandsbeleid een variant van individuele woningbouw. De beoogde woningen passen dan ook binnen het thema ‘Woningbouw met een individueel karakter’. De uiterlijke verschijningsvorm van de woning zal qua kleurgebruik en materialisatie getoetst worden aan de toetsingscriteria van het welstandsbeleid.
3.5 Afweging beleidskader Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit beleidsmatig oogpunt enkel afwijkt van het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebieden Asten’, omdat het toevoegen van een woning binnen de bestemming “Wonen” niet is toegestaan. Het onderhavige initiatief zal worden opgenomen in een van de verzamelbestemmingsplannen voor het woongebied van Asten.
Hoofdstuk 3
17
4.
UITVOERINGSASPECTEN
Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met (milieu-)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het besluitgebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingrepen voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). De toepassing van de Grexwet richt zich voor het afdwingbare kostenverhaal, op bouwplannen.
De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Bro: de bouw van een of meerdere woningen; de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Aangezien dit initiatief ziet op het bouwen van twee woningen (toevoeging betreft één woning) is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waardoor een verplichting geldt tot kostenverhaal. In het kader van het in procedure brengen van het
Hoofdstuk 5
18
bestemmingsplan worden hierover nadere afspraken gemaakt tussen de initiatiefnemer en de gemeente Asten.
4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. De huidige bestemming van de gronden betreft momenteel al ‘Wonen’. De voorgenomen ontwikkeling zorgt derhalve niet voor een functiewijziging binnen het plangebied. Een bodemonderzoek behoeft dan ook niet te worden uitgevoerd. 4.2.2 Geluidhinder wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200
Het onderhavige woonperceel is gelegen in een woonwijk waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Het perceel ligt echter binnen het invloedsgebied van de Heesakkerweg. Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.2 Uit dit onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB nergens wordt overschreden. Daarnaast is de cumulatieve geluidsbelasting berekend voor het wegverkeerspectrum. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting op de gevels van de linkerwoning bedraagt 52 dB en op de rechtergevel 51 dB. De binnenwaarde in de verblijfsruimten wordt getoetst / gewaarborgd 2
M&A Omgeving BV, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ontwikkeling 2 woningen Havikstraat 1 Asten, rapportnr. 220-Aha-srm2-v2, d.d. 3 maart 2020
Hoofdstuk 5
19
door de vereisten uit het Bouwbesluit, te weten 33 dB. Om deze binnenwaarde te halen, moet met deze geluidsbelasting op de gevel een minimale geluidsisolatie van (52-33=) 19 dB worden bereikt. Dit zal, gezien de minimale eis in het Bouwbesluit (GA;k van minimaal 20 dB) geen probleem zijn. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat ook in de woningen gegarandeerd. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die als bijlage 1 aan deze ruimtelijke onderbouwing is toegevoegd. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. De onderhavige kavel is niet gelegen in de nabijheid van een spoorweg, zodat nader onderzoek op dit onderdeel niet benodigd is. Industrielawaai In de nabije omgeving zijn geen bedrijven of functies gelegen die qua geluid van invloed kunnen zijn op de onderhavige woningen. Een nader onderzoek naar industrielawaai is dan ook niet benodigd. 4.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen en kantoren gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Hoofdstuk 5
20
Onderhavig besluit biedt de planologische mogelijkheid om één extra woning op te richten. Het aantal verkeersbewegingen dat hierdoor wordt gegenereerd is beduidend lager dan de verkeersbewegingen die worden gegenereerd door 1500 woningen. Dit betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de toevoeging van een woning. Volgens de kaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op de Atlas voor de Leefomgeving bedraagt de concentratie PM 2,5 ter plaatse in 2017 tussen 11 en 12 µg/m³ en de concentratie PM 10 tussen 18 en 19 µg/m³. De concentratie NO 2 ter plaatse bedraagt in 2017 tussen 18 en 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 2,5 en PM 10 40 µg/m³. Voor NO 2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de toevoeging van een extra woning. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren.
Ook in de toekomst zal de locatie dus niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteit. Conclusie Onderhavig initiatief voorziet in een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de heersende luchtkwaliteit. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor de te vestigen functie. Het plan is dan ook niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteit. 4.2.4 Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb) en het 'Besluit transportroutes externe veiligheid' (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Hoofdstuk 5
21
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevb en Bevt wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a.
woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, maar ook een groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.
Hoofdstuk 5
22
Uitsnede Risicokaart Nederland met aanduiding ligging plangebied (rode pijl)
Inrichtingen In de directe omgeving van het besluitgebied komen volgens de risicokaart geen objecten voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. De dichtst bijgelegen risicovolle inrichting is het LPG-tankstation op ca. 660 meter. Het invloedsgebied van dit tankstation bedraagt 150 meter. Het plangebied ligt hiermee buiten het invloedsgebied. Voor het overige zijn er geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied gelegen. Buisleidingen In de wijde omgeving rond het plangebied vindt geen risicovol transport door buisleidingen plaats. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de directe omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport over wegen, waterwegen of spoorwegen plaats. Op grotere afstand van het plangebied vindt wel risicovol transport plaats over de weg A67. Deze weg ligt op circa 2,4 kilometer ten noorden van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 32 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de orientatiewaarde. De ligging ten opzichte van de A67 levert hiermee geen directe belemmeringen op. Wel ligt de planlocatie binnen het invloedsgebied van deze weg voor toxische vloeistoffen en gassen. Hierdoor is een verantwoording van het groepsrisico vereist.
Verantwoording groepsrisico Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de A67 is gelegen, kan op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop
Hoofdstuk 5
23
dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval te worden ingegaan op: a) De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b) Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost heeft de ‘Richtlijn advisering externe veiligheid voor ruimtelijke plannen’ vastgesteld waaruit volgt of een maatwerk- of standaardadvies van toepassing is. Het standaardadvies is afzonderlijk aan gemeenten toegezonden. 3 De onderhavige ontwikkeling ziet op het oprichten van twee nieuwbouwwoningen. Deze woningen zien op een toevoeging van minder dan 50 personen. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van de A67 op een afstand van circa 2,4 km. Uit voornoemde Richtlijn volgt dat op een afstand van meer dan 750 meter tussen kwetsbaar object en de transportroute volstaan kan worden met het standaardadvies. Nu het hier het invloedsgebied van toxische gassen en vloeistoffen betreft is het navolgende standaardadvies van toepassing.
Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseert de Veiligheidsregio om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting, spoorweg, vaarweg of buisleiding. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied voor toxische vloeistoffen en gassen van de weg A67. Daarom is een verantwoording van het groepsrisico gegeven. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er op basis van bovenstaande uiteenzetting geen belemmeringen voor de realisatie van de woningen. 4.2.5 Milieuzonering Algemeen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar.
Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.
3
Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost, Standaardadvies versie 2.0 d.d. 1 januari 2019
Hoofdstuk 5
24
De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Toetsing De op te richten woningen zijn milieugevoelige objecten. Daarom dient bekeken te worden of zich functies in de omgeving bevinden die een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat. In de nabije omgeving zijn geen functies gelegen die een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er dan ook geen belemmeringen. 4.2.6 Geurhinder Voor wat betreft het aspect geurhinder van veehouderijen wordt opgemerkt dat in de omgeving enkele kleinere veehouderijen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde veehouderij is een melkveebedrijf op ca. 220 meter afstand. Andere veehouderijen liggen op minimaal 550 meter van het besluitgebied. Ingevolge de Wet geurhinder en veehouderijen geldt een vaste afstand van 100 meter indien het geurgevoelige object in de bebouwde kom is gelegen. In dit geval bedraagt de afstand meer dan 100 meter, waarmee voldaan wordt aan de wettelijke regelgeving. Op grond van artikel 6 van de Wgv mogen gemeenten van de standaardafstanden afwijken.
In tegenstelling tot de geurnormen geeft de wet voor de afstanden geen bandbreedte aan. Op 5 juli 2016 heeft de gemeente Asten de ‘Gebiedsvisie en verordening geurhinder en veehouderij’ vastgesteld. Voorafgaand is door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant een geuronderzoek uitgevoerd. De achtergrond geurbelasting is weergegeven op kaarten. De kleurcontouren rond de veehouderijen geven de hoogte van de achtergrond geurbelasting naar de omgeving weer: rood is hoog en staat voor een slecht woon- en leefklimaat, groen is laag en staat voor een goed woon- en leefklimaat. Het onderhavige besluitgebied is donkergroen gekleurd, waaruit volgt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse als ‘zeer goed’ is te beschouwen.
Hoofdstuk 5
25
Uitsnede actuele kaart achtergrondbelasting (atlas.odzob.nl) met aanduiding plangebied (rode pijl)
Voor wat betreft het aspect geur zijn er dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de onderhavige planvorming. 4.2.7Waterhuishouding Toetsingskader Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties.
Hoofdstuk 5
26
De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd. De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen. Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. In Asten geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart. Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021. Het PMWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. De doelen van het PMWP zijn: Voldoende water voor mens, plant en dier Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening In het waterbeheerplan 2016 - 2021 ‘Werken met water voor nu en later’ staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen.
De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in vier programma’s: Veilig en bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. Voldoende water en robuust watersysteem Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in het beheergebied van het waterschap voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doet het waterschap door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. Gezond en natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. Ingegaan wordt op hoe toegewerkt wordt naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van het beheergebied van kunnen genieten.
Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. De Keur 2015 is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap, maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. gemeenten, agrariërs en tuinders). De voorschriften
Hoofdstuk 5
27
in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. Net zoals het Rijk heeft ook het waterschap een legger vastgesteld. De legger geeft het waterschap én derden een overzicht van: Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.); Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. De legger wordt jaarlijks geüpdatet, omdat het watersysteem en de kunstwerken aan verandering onderhevig zijn. Bijvoorbeeld door het afgeven van vergunningen of veranderingen die voortkomen uit projecten. De watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen vallen, bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit.
Het doel van een watertoets is de waterbelangen evenwichtig laten meewegen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het waterschap hanteert een aantal uitgangspunten bij de watertoets. De desbetreffende uitgangspunten zijn hieronder weergegeven: Voorkomen van vervuiling; Wateroverlastvrij bestemmen; Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO); Vuil water en hemelwater scheiden; Doorlopen van afwegingsstappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer; Waterschapsbelangen; Meervoudig ruimtegebruik; Water als kans. Het beleid van de gemeente Asten sluit aan op het landelijke-, provinciale- en waterschapsbeleid en is weergegeven in het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) 2018-2020. Via dit GRP geeft de gemeente invulling aan de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Afvalwater Voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater. Bij vervanging en herontwikkeling wil de gemeente overgaan tot ontvlechting van hemelwater en afvalwater. Hemelwater Voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Asten naar een duurzame toekomst en het anticiperen op klimaatverandering. Particulieren zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hemelwater vanaf hun eigen perceel. Bij nieuwbouw EN bij herbouw dient