CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

E Ruimtelijke onderbouwing Albert van Cuijckstraat ong. (tussen 83 en 87) Asten.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2020-2'23.287 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Realisatie van een woning aan de Albert van Cuijckstraat 85 te Asten

Dhr. J.M.E. Benders

Realisatie van een nieuwe woning aan de Albert van Cuijckstraat 85 te Asten Ruimtelijke onderbouwing

Datum

7 mei 2020

IMRO-nummer

NL.IMRO.0743………………………..-ON01

2

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Ligging 1.4 Vigerende regeling 1.5 Leeswijzer

4 4 4 4 5 5

Beleidskader 2.1 Algemeen 2.2 Rijksbeleid 2.3 Provinciaal beleid 2.4 Gemeentelijk beleid

6 6 6 8 10

Planbeschrijving 3.1 Bestaande situatie 3.2 Nieuwe situatie 3.3 Parkeren en verkeer

13 13 14 14

Planologische aspecten 4.1 Inleiding 4.2 Geluid (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai) 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bodem 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Externe veiligheid 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Ecologie 4.9 Waterhuishouding en riolering 4.10 Archeologie en cultuurhistorie 4.11 Conclusie

15 15 15 15 16 17 17 18 18 19 23 23

Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

24 24 24

Bijlage 1 : Bodemonderzoek volgens NEN 5740 Bijlage 2 : Verslag omgevingsdialoog

3

1.2 Doel

Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen om op een braakliggend perceel een nieuwe woning te realiseren aan de Albert van Cuijckstraat 85 te Asten (kadastrale gemeente Asten, sectie K, nr. 1634). De realisatie van een nieuwe woning op het perceel is op grond van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan, omdat op het perceel geen bouwvlak aanwezig is voor de bouw van een hoofdgebouw.

Onderhavig document heeft tot doel om de woning op het perceel bebouwing te realiseren. De ruimtelijke onderbouwing geeft een beschrijving van de ontwikkeling, de relevante beleidskaders en toont de haalbaarheid van de ontwikkeling aan.

1.3 Ligging Het plangebied ligt in het zuiden van de bebouwde kom van Asten. Het plangebied is gesitueerd in een rustige woonstraat met overwegend vrijstaande woningen. De ontsluiting vindt plaats via de Albert van Cuijckstraat, welke als afvoerweg voor het gebied geldt.

Figuur 1: topografische ligging plangebied

De gemeente Asten heeft aangegeven dat zij in principe medewerking kunnen verlenen aan de genoemde plannen. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing geeft inzicht in de ontwikkeling en toont de haalbaarheid van de ontwikkeling aan.

Figuur 2: globale ligging projectlocatie (Bron: PDOK)

4

1.4 Vigerende regeling

1.5 Leeswijzer

Het plangebied valt onder het bestemmingsplan ‘Woongebieden Asten’. Dit plan is door de gemeenteraad van Asten onherroepelijk vastgesteld op 15 december 2009.

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het beleidskader op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven. Hoofdstuk 3 bevat de beschrijving van de ontwikkeling. In hoofdstuk 4 komt de haalbaarheid van de ontwikkeling aan de orde en worden alle planologische aspecten beschreven. Tot slot gaat hoofdstuk 5 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

Figuur 3: uitsnede Woongebieden Asten

Voor het plangebied geldt de enkelbestemming ‘Wonen’. In deze bestemming zijn is de functie wonen toegestaan met de daarbij horende voorzieningen. Woningen moeten in het bouwvlak worden gebouwd. Voor het plangebied is echter geen bouwvlak aangegeven, zodat de bouw van een woning niet is toegestaan. Om de woning toch te kunnen realiseren, dient een ruimtelijke procedure te worden gevolgd. Door toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3e van de Wabo. Daartoe is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

5

Beleidskader 2.1 Algemeen Toetsing van de ontwikkeling aan de beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau is een vast onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing. In onderstaande paragrafen wordt het relevante beleid beschreven en wordt de toets van de ontwikkeling aan het beleid gedaan.

2.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Toetsingskader In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, zijn de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd. Hoofddoel van de SVIR is Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. De SVIR vervangt alle voorgaande rijksnota’s ten aanzien van ruimte en mobiliteit (waaronder de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit, behalve de Structuurvisie Nationaal Waterplan. Het rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De hoofdlijn van de SVIR is dat het Rijk op het gebied van de ruimtelijke ordening terugtreedt en dat gemeenten en provincies op dit taakveld een meer prominente rol krijgen. In de SVIR

staat centraal dat alleen nog een taak voor het Rijk is weggelegd wanneer sprake is van: • een onderwerp dat nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de bijv. mainports, brainport en greenports; • een onderwerp waarvoor internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed; • een onderwerp dat provincie- of landsgrensoverschrijdend is, of een hoog afwentelingsrisico kent of reeds in beheer is bij het Rijk. Bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners. Voor onderhavige ontwikkeling werken geen Rijksbelangen uit de SVIR door. De SVIR is derhalve niet relevant voor deze ontwikkeling. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Toetsingskader Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening op 22 augustus 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening vastgesteld. Op 1 oktober 2012 is een wijziging van het Barro vastgesteld. In het Barro zijn regels opgenomen ter bescherming van de nationale belangen, zoals vastgelegd in de SVIR.

Deze regels moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen. Regels uit het Barro die relevant kunnen zijn voor de gemeente betreffen: • radarverstoringsgebied Vliegbasis Eindhoven; • buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

6

Besluit ruimtelijke ordening Toetsingskader Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening een tweede besluit genomen waarmee dat mogelijk is: het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ‘ladder duurzame verstedelijking’ is in 2012 opgenomen in het Bro. Relatie met de ontwikkeling De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van één nieuwe woning. De ontwikkeling past qua aard en omvang goed in de omgeving, omdat het perceel in de huidige situatie een open ruimte tussen bestaande vrijstaande woningen is. Het afmaken van de bebouwingscontour is hier daarom gewenst vanwege intensiever grondgebruik in het gebied wordt bewerkstelligd. Er is dus sprake van intensief ruimtegebruik binnen bestaand bebouwd gebied. De regels uit het Barro ten aanzien van het radarverstoringsgebied en de buisleidingen zijn niet relevant voor onderhavige ontwikkeling. De duurzame ontwikkeling past in het rijksbeleid.

ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd. Afwijking hiervan dient nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting van het bestemmingsplan. Verder wordt de mogelijkheid geschapen om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. Onderzoek Onderhavige ontwikkeling is een invulling in bestaand stedelijk gebied. Daarnaast past het initiatief binnen het regionale woningbouw-programma. Het initiatief voldoet daarom aan de vereisten van de “Ladder voor duurzame verstedelijking”. Ook met de wijziging van de Ladder per 1-7-2017 kan dit uitgangspunt worden gehandhaafd. Conclusie De Ladder voor Duurzame Verstedelijking vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

Ladder voor Duurzame Verstedelijking De Ladder voor Duurzame Verstedelijking komt voort uit de zogenoemde SER-ladder. De SER-ladder was een vrijblijvend beleidsinstrument en vooral bedoeld om het onnodig bouwen van bedrijventerreinen buiten bestaand stedelijk gebied te voorkomen. Sinds 1 oktober 2012 is het op grond van artikel 3.1.6, tweede lid Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verplicht om in de plantoelichting de zogenoemde Ladder voor Duurzame Verstedelijking op te nemen. Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. De drie treden worden in hoofdzaak losgelaten, maar belangrijkste wijziging hierin is dat het begrip ‘actuele regionale behoefte’ is vervangen door ‘behoefte’. Uit oog van een zorgvuldig ruimtegebruik, dient een nieuwe stedelijke

7

2.3 Provinciaal beleid Structuurvisie Ruimtelijke ordening De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is op 19 maart 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft op het gebied van het provinciale ruimtelijke beleid tot 2025 en hoe ruimtelijke ontwikkelingen een plek kunnen krijgen die aansluit bij de kwaliteiten van Brabant. In de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn twee ruimtelijke trends te onderscheiden: de schaalvergroting en de behoefte aan identiteit. De provincie streeft naar een concentratie van verstedelijking, robuuste en aaneengesloten natuurgebieden, concentratiegebieden voor glastuinbouw en intensieve veehouderijen en voldoende ruimte voor waterberging nu en in de toekomst. De provincie wil duurzaam en zuinig omgaan met de leefomgeving en de ruimte en een goede relatie creëren tussen wonen en werken in de stedelijke omgeving en een groene landelijke omgeving daarbuiten. De provincie kiest in haar ruimtelijke beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en een kennis innovatieve economie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant. Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in de SVRO de ‘rode’ draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt.

De SVRO is samen met de Verordening ruimte een middel om de provinciale ruimtelijke visie op Brabant te realiseren. De SVRO is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: ‘samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: - de groenblauwe structuur - het landelijk gebied - de stedelijke structuur - de infrastructuur Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

Figuur 4: uitsnede structuurvisie ruimtelijke ordening

8

Zoals uit de uitsnede van de structurenkaart behorende bij de structuurvisie ruimtelijke ordening blijkt, valt het plangebied in de ‘kernen in het landelijk gebied’. Kernen in het landelijk gebied In de kernen in het landelijk gebied met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen, werken en voorzieningen. Het is daarbij wel belangrijk om concurrentie tussen gemeenten en regio's, overproductie en leegstand te voorkomen. Het belang van regionale afspraken neemt daardoor toe. Bij het zoeken naar ruimte voor nieuwe verstedelijking is zorgvuldig ruimtegebruik voorwaarde. Conclusie Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Asten en is daarmee geschikt voor de ontwikkeling van woningbouw. Door het realiseren van een nieuwe woning op een braakliggende perceel, is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Het perceel vormt een onderdeel van de bebouwing met overwegende vrijstaande woningen aan de Albert van Cuijckstraat. De woning wordt ontsloten via de Albert van Cuijckstraat. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het beleid zoals opgenomen in de provinciale structuurvisie.

Interim Omgevingsverordening Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. Naast een omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil

doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids-) programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan het beschermen van belangrijke waarden als het drinkwater of de natuurgebieden. De Interim omgevingsverordening vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld, waarin de bestaande regels uit de verschillende verordeningen zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld. Van 24 mei tot en met 21 juni 2019 lag de Interim omgevingsverordening ter inzage en kon iedereen een zienswijze indienen. Er zijn 37 reacties ingediend. De ingekomen reacties zijn zorgvuldig bekeken en hebben geleid tot een aantal aanpassingen. Dit is opgenomen in de Nota van inspraak.

In het overzicht insprekers is voor iedere inspreker aangegeven in welke paragraaf de ingediende zienswijze wordt behandeld. Er zijn ook nog andere wijzigingen verwerkt. De wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde ontwerp zijn opgenomen in de Nota van wijziging. Daarnaast hebben provinciale staten bij de vaststelling (25-10-2019) nog een wijziging vastgesteld. De verordening is vanaf 5-11-2019 in werking.

9

Conclusie De locatie is in het ‘Stedelijk gebied’ gelegen volgens de Interim Omgevingsverordening. Hier vormen de kernpunten de stedelijke ontwikkelijking en het behoud van het erfgoed. Onderhavige ontwikkeling van een woning binnen de grenzen van Asten is hiermee niet in strijd met de regels van de Omgevingsverordening. Ook de regels voor de bescherming van het cultureel en archeologisch erfgoed zullen worden gerespecteerd. Conclusie provinciaal beleid De toets aan het relevante provinciale beleid levert op dat de ontwikkeling voldoet aan de geldende beleidskaders.

2.4 Gemeentelijk beleid Toekomstvisie ‘De Avance’ In ‘De Avance’ heeft gemeente Asten haar toekomstvisie op de gemeente gegeven. Deze toekomstvisie vormt het kader voor beslissingen van de gemeenteraad van Asten. Ook voor de dagelijkse beleidsvoering is deze visie het toetsingskader. Initiatieven en aanvragen worden getoetst aan de ontwikkelingsrichting die in de toekomstvisie is neergelegd. Het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld legt met de structuur- en strategiekaart de waarden vast die sturend zijn voor de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Asten. Het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld begrenst daarmee de mogelijkheden voor de toekomstige ruimtelijke ordening in de gemeente. De strategiekaart geeft de ontwikkelingsmogelijkheden op de lange termijn weer. Het geeft een dynamisch beeld van strategieën voor behoud, herstel en herontwikkeling van de aangegeven kwaliteiten en de toevoeging van nieuwe kwaliteiten. Samen vormen zij het wensbeeld voor de lange termijn (30 jaar). Navolgende figuur betreft een uitsnede van de Strategiekaart van de gemeente Asten waarop het plangebied in het bebouwingslint Prins Bernhardstraat 19 is aangeduid.

Figuur 5: Uitsnede ‘De Avance’ (plangebied bij gele pijl) Het plangebied is op de strategiekaart aangeduid als ‘bebouwingskern’. Binnen de gekozen opzet van het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld hoeft bij toetsing slechts het betreffende gebiedstype en de bijbehorende koers geraadpleegd te worden. Het plangebied is gesitueerd in het centrum van de bebouwde kom. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied is passend binnen het beleid zoals weergegeven in de toekomstvisie van de gemeente Asten, ‘De Avance’, met betrekking tot ‘bebouwingskern’. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van één woning op het perceel. Het betreft een particulier initiatief. In het plangebied zal een vrijstaande woning worden gerealiseerd. Op de locatie of directe omgeving zijn geen gemeentelijke- of rijksmonument aanwezig. Met de bouw van de woning wordt de bebouwingscontour ter plaatse afgemaakt. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan het beleid van de gemeente Asten.

10

Woonvisie 2015 t/m 2024; de gemeente Asten als aantrekkelijke woongemeente voor alle doelgroepen. De gemeente Asten heeft het woonbeleid geactualiseerd. Dit heeft geleid tot een aangepaste gemeentelijke Woonvisie. In deze visie is het volkshuisvestingsbeleid van de gemeente Asten beschreven voor de periode tot en met 2024. De Woonvisie biedt belangrijke handvatten om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente. De gemeente heeft de ambitie de positie als aantrekkelijke woongemeente voor alle doelgroepen te behouden en waar mogelijk te versterken in de komende jaren. Met de Woonvisie heeft de gemeente een goede basis om concrete woonprojecten op te pakken. Het geeft een kwantitatieve en kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van de gemeente. In de Woonvisie wordt als middel om de positie als aantrekkelijke woongemeente te behouden en mogelijk te versterken, ruimte voor differentiatie en participatie genoemd. Het aanbieden van gevarieerde woonmilieus en woonvormen moet de inwoners meer mogelijkheden bieden om in de huidige wijk of kern naar eigen wens te wonen. Daarvoor wil de gemeente ruimte bieden voor wensen en initiatieven van inwoners. Onderhavig initiatief is een voorbeeld van een particulier gedifferentieerd initiatief.

Met gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid welke op de percelen gelegen is, worden naar wens van de initiatiefnemers twee appartementen op de eerste verdieping gerealiseerd. Bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ Ter plaatse van het plangebied is tevens het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ vigerend. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 24 juli 2013 en omvat het gehele grondgebied van de gemeente Asten waarover het gemeentelijk archeologiebeleid geïmplementeerd moet worden. Bestaande bestemmingsplannen waarvan de archeologische regels voldoende bescherming bieden, worden buiten het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ gehouden. De archeologische regels van het

bestemmingsplan ‘Woongebieden Asten’ worden middels het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ gewijzigd. In het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ is aan het plangebied geen archeologische waarde toegekend. Volgens de archeologische beleidskaart heeft het perceel een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Volkshuisvesting In verband met de beperkte omvang van het plan is een uitgebreide onderbouwing op basis van de ladder van duurzame verstedelijking niet aan de orde. Dit laat onverlet dat de behoefte aan de toe te voegen woning onderbouwd dient te worden. Bij een ontwikkeling moet altijd sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daartoe behoort ook een onderbouwing van de behoefte. Op dit moment is er nog enige ruimte in het woningbouwprogramma van de gemeente Asten op basis van de harde plancapaciteit en de plannen die in procedure zijn. De potentiële plancapaciteit – dus de zachte plannen- is aanzienlijk groter dan de kwantitatieve opgave op basis van de provinciale prognose. In de subregio De Peel zijn nog geen nieuwe afspraken over het woningbouwprogramma gemaakt. In de nu nog geldende afspraken wordt uitgegaan van bouwen voor de eigen behoefte. Vanuit de (kwantitatieve) behoefte kan dit plan onderbouwd worden als het wordt opgenomen in het verzamelplan dat net in procedure is gegaan.

De provincie heeft overigens aangegeven dat zij “de teugels laat vieren” ten aanzien van inbreidingslocaties. Wat dit in de praktijk betekent in relatie tot bijvoorbeeld harde plancapaciteit is nog niet helder. Het college heeft bij de actualisatie van de woningbouwmonitor aangegeven in principe mee te willen werken aan inbreidingsplannen op basis van de kwalitatieve behoefte en

11

onder de voorwaarde dat een plan naar verwachting op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Momenteel is er vraag naar vrijwel alle type woningen en in alle prijsklassen. Dit houdt verband met het beperkte actuele woningaanbod. Of een plan voorziet in een kwalitatieve behoefte moet echter gezien worden in relatie tot de bestaande woningvoorraad, de toe te voegen nieuwbouw en de als resultante daarvan te verwachten doorstroming en het daaruit voortvloeiende tekort aan woningen. Doorstroming is sterk afhankelijk van de huishoudensontwikkeling. Vergrijzing speelt hierin een belangrijke rol. Asten beschikt over een aanzienlijke voorraad vrijstaande eengezinswoningen. Dit type woning behoort vrijwel altijd tot de prijsklasse duur. Naar verwachting zal door de vergrijzing het aanbod in de toekomst fors toenemen. Dit inbreidingsplan kan voorzien in de huidige kwalitatieve behoefte, te weten vrijstaand wonen in een rustige omgeving. Conclusie gemeentelijk beleid De toets aan het relevante gemeentelijk beleid levert op dat de ontwikkeling invulling geeft aan de gemeentelijke beleidsdoelen.

12

Planbeschrijving 3.1 Bestaande situatie In de huidige situatie is het perceel, kadastraal bekend als gemeente Asten, sectie K, nummer 1634, met een perceelsgrootte van totaal ongeveer 533 m2, braakliggend. Het perceel is in de huidige situatie nauwelijks begroeid.

Figuur 7: huidige aanzicht van het perceel vanaf de straat

Figuur 6: overzicht projectlocatie in de huidige situatie

Links en rechts van het perceel zijn 2 twee-onder-een-kap woningen aanwezig. De Albert van Cuijckstraat heeft een laanstructuur met bomen aan beide zijden van de weg.

Figuur 8: straataanzicht richting zuidwesten

13

3.2 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie wordt een nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd op het perceel. Hiervoor zal een bouwvlak toegevoegd moeten worden aan het bestemmingsvlak. Voor het bestemmingsvlak geldt een maximale goothoogte van 6,5 meter en een maximale bouwhoogte van 11,5 m. In onderstaande figuur is (een voorbeeld van) de nieuwe situatie opgenomen.

3.3 Parkeren en verkeer Parkeernorm Het plangebied ligt in het Woongebieden Asten en voorziet in één extra woning. De parkeernorm hierbij bedraagt 2 per woning. Parkeren op eigen terrein Uitgangspunt van de Nota Parkeernormen Asten 2016 is dat een ruimtelijke ontwikkeling in de bijbehorende parkeervraag voorziet op eigen terrein. Met andere woorden; de parkeervraag dient op eigen terrein opgelost te worden. Het bouwplan voorziet in de realisatie van 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Conclusie parkeren op eigen terrein Volgens de Nota Parkeernormen Asten 2016 zijn 2 parkeerplaatsen nodig voor de realisatie van de nieuwe woning. Deze worden op eigen terrein gerealiseerd. Ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Albert van Cuijckstraat.

Figuur 9: voorbeeld van het nieuwe bouwvlak op het perceel

Op het perceel mogen verder bijgebouwen worden gerealiseerd achter de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’.

14

Planologische aspecten 4.1 Inleiding Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen dient aangetoond te worden dat een initiatief haalbaar is. In dit hoofdstuk worden ingegaan op de relevante omgevingsaspecten.

4.2 Geluid (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai) Toetsingskader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: - woningen - onderwijsgebouwen - ziekenhuizen - verpleeghuizen - verzorgingstehuizen - psychiatrische inrichtingen - kinderdagverblijven. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een woning. Het plan is gesitueerd in de geluidzones van de Heesakkerweg, Wolfsberg en Hemelberg. Verder zijn de wegen rond de woning ingericht als 30 km/h-zone. Voor de locatie is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door M&A Omgeving BV (nr. 220-AAC85-wl-v1, d.d. 7 mei 2020). Uit de resultaten van dit onderzoek (zie bijlage 3) blijkt dat er geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB plaatsvinden. De hoogste geluidsbelasting wordt

geproduceerd door de Heesakkerweg en deze bedraagt 43 dB op de voorgevel en linker zijgevel van de woning. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 49 dB, zodat met de minimumeis van het Bouwbesluit voor de gevelwering (i.c. 20 dB) er met de standaard maatregelen reeds wordt voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Voor de woning geldt daarom een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat uit akoestisch oogpunt er geen belemmeringen bestaan tegen de planontwikkeling op de locatie. Railverkeerslawaai en industrielawaai speelt op de locatie geen rol.

4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De lucht-kwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de plannen: - Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - Een project leidt - al dan niet per saldo - niet bij tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - Een project draagt "niet in betekenende mate" (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; - Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Projecten die 'niet in betekenende mate' leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet

15

luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van 'niet in betekenende mate' ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van 'niet in betekenende mate' sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het plan betreft het oprichten van 1 woning. Deze ontwikkeling valt qua aantallen bewegingen daarom onder het begrip NIBM. Er is geen verder onderzoek noodzakelijk. Voor de omgeving zijn volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM-) geen overschrijdingen van de normering van toepassing. Ook bij de gemeente Asten zijn in de bebouwde kom van Asten op dit gebied geen knelpunten bekend, zodat gesteld mag worden dat de luchtkwaliteit op de locatie geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.4 Bodem Toetsingskader Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: - er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; - het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; - er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.

Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)) Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Onderzoek Voor de locatie is een bodemonderzoek uitgevoerd door Archimil (nr. 3111R002-3, d.d. 16-4-2019). IN het onderzoek is geconstateerd dat de bovengrond en ondergrond niet verontreinigd zijn met de onderzoeksparameters. In het grondwater worden lichte verontreinigingen met cadmium, zink en minerale olie aangetroffen. Gezien de gehalten is hiervoor geen nader onderzoek noodzakelijk. De locatie is geschikt voor het beoogde gebruik (wonen). Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn tegen de nieuwbouw van de woning uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid.

16

4.5 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woonen leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende bedrijfsfuncties en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2017) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig, zodat geen belemmeringen gelden voor de nieuwe woning. Conclusie Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft geen directe belemmeringen voor het bouwplan.

4.6 Externe veiligheid Toetsingskader De regelgeving op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; buisleidingenbesluit) en de regelgeving voor het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels voor transport en voor buisleidingen kennen dezelfde pijlers en dezelfde systematiek als de regelgeving voor inrichtingen. Het externe veiligheidsbeleid kent twee pijlers: • Het plaatsgebonden risico • Het groepsrisico

Het plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenleving recht op heeft aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt. Het groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recreëren in de nabije omgeving) en industriële risico’s bij elkaar in de buurt komen. Verder dient het groepsrisico om een afweging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting, etc.) in relatie tot de risicobron. Dit wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsgebied, en berekent de kans op 10 of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Onderzoek Het plan is op ongeveer 2,3 km van de rijksweg A67 gesitueerd, welke als transportroute gevaarlijke stoffen geldt. Het invloedsgebied van de A67 bedraagt 4 km, zodat het plan formeel binnen het invloedsgebied is gesitueerd. Voor de verantwoording van het groepsrisico hiervoor, kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost (VRBZO)worden gehanteerd. Dit zegt hierover het volgende : ▪

Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverlenings-organisaties.

17

▪

▪

Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op https://www.vrbzo.nl/wpcontent/uploads/2018/04/170307beleidsregelsbereikbaarheid-en-bluswatervoorzieningbrabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf Bij bestemmingplannen waarbij zich een toxisch scenario (giftige schadelijke stoffen) kan voordoen, wordt geadviseerd dat nieuw op te richten gebouwen moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2012. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving wordt geadviseerd om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.

In de omgeving zijn geen buisleidingen of Bevi-inrichtingen gesitueerd, waarvan het plangebied binnen het invloedsgebied is gelegen. Bovenstaande betekent dat voor onderhavig plangebied geen nadere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Conclusie Ten gevolge van externe veiligheid gelden geen belemmeringen voor het bouwplan.

4.7 Kabels en leidingen In het plangebied bevinden zich geen planologisch te beschermen kabels en leidingen.

4.8 Ecologie Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten in Nederland. De Wnb bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplanting of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet bestaat uit een aantal verbodsbepalingen en een algemene zorgverplichtingsbepaling. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe en luiden als volgt: - Beschermde inheemse dieren mogen niet verstoord, gevangen, vervoerd, verwond of gedood worden; - Beschermde inheemse plantensoorten mogen niet geplukt, vernield, beschadigd, vervoerd of ontworteld worden; - Nesten, rustplaatsen en voortplantingsplaatsen van beschermde soorten mogen niet verstoord of vernield worden; - Het zoeken, beschadigen of uit het nest halen van eieren van beschermde dieren. Sinds 2005 zijn beschermde planten en dieren onderverdeeld in vier categorieën; algemeen beschermde soorten, overig beschermde soorten, streng beschermde soorten en vogels. In de Nbw zijn deze soorten (behalve vogels) in drie tabellen opgenomen. Bij vogels is in 2009 nog een tweede indeling bekend gemaakt, die onderscheid maakt tussen vogels met en zonder nestplaats die jaar rond beschermd wordt.

Indien sprake is van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en sprake is van overtreding van verbodsbepalingen, is bij soorten die beschermd zijn in de categorie overige beschermde soorten en de categorie streng beschermde soorten (Tabel 2 en Tabel 3 van de Nbw) ontheffing aan de orde. Onderzoek Voor de locatie is geen sloop van toepassing, zodat er geen kans is dat er beschermde soorten zullen worden verstoord. Gezien de

18

huidige toestand van het perceel als zijnde zonder de aanwezigheid van groen, kan worden gesteld dat er geen verstoring zal plaatsvinden van eventuele soorten. Conclusie De Wet natuurbescherming levert geen belemmeringen op voor de nieuwe situatie. Bij het bouwwerkzaamheden dient de algemene zorgplicht ten aanzien beschermde soorten in acht te worden genomen.

4.9 Waterhuishouding en riolering Toetsingskader Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken

is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd. De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen. Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. In Asten geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart. Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021. Het PMWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. De doelen van het PMWP zijn: • Voldoende water voor mens, plant en dier • Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) • Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s • Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening In het waterbeheerplan 2016 - 2021 ‘Werken met water voor nu en later’ staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen. De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in vier programma’s: • Veilig en bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen.

Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. • Voldoende water en robuust watersysteem

19

Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in het beheergebied van het waterschap voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doet het waterschap door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. • Gezond en natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. Ingegaan wordt op hoe toegewerkt wordt naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van het beheergebied van kunnen genieten. • Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen.

De Keur 2015 is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap, maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. gemeenten, agrariërs en tuinders). De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug.

Net zoals het Rijk heeft ook het waterschap een legger vastgesteld. De legger geeft het waterschap én derden een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.) ▪ Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent ▪ Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. De legger wordt jaarlijks geüpdatet, omdat het watersysteem en de kunstwerken aan verandering onderhevig zijn. Bijvoorbeeld door het afgeven van vergunningen of veranderingen die voortkomen uit projecten. De watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen vallen, bewaakt de waterkwaliteit en -kwantiteit. Het doel van een watertoets is de waterbelangen evenwichtig laten meewegen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het waterschap hanteert een aantal uitgangspunten bij de watertoets.

De desbetreffende uitgangspunten zijn hieronder weergegeven: - Voorkomen van vervuiling - Wateroverlastvrij bestemmen - Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) - Vuil water en hemelwater scheiden - Doorlopen van afwegingsstappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer

20

-

Waterschapsbelangen Meervoudig ruimtegebruik Water als kans

Het beleid van de gemeente Asten sluit aan op het landelijke-, provinciale- en waterschapsbeleid en is weergegeven in het Gemeentelijk RioleringsPlan 2018-2020, De gemeentelijke watertaken uitgewerkt. Via dit GRP geeft de gemeente invulling aan de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. • Afvalwater Voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater. Bij vervanging en herontwikkeling wil de gemeente overgaan tot ontvlechting van hemelwater en afvalwater. • Hemelwater Voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Asten naar een duurzame en doelmatige inzamelingen afvoer van hemelwater na voor zover burgers en bedrijven zich daar redelijkerwijs niet van kunnen ontdoen. Particulieren zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hemelwater vanaf hun eigen perceel. Het hemelwater dient in het plangebied geïnfiltreerd te worden, waarbij centrale hemelwatervoorzieningen de voorkeur hebben vanwege de beheer(s)baarheid op de langere termijn (voor nieuwbouw en herbouw een berging van 60 mm/m2 verhard oppervlak). Daarnaast is een centrale hemelwatervoorziening meestal ook doelmatiger, doordat de totale investerings- en onderhoudskosten lager zijn. Decentrale oplossingen als gevolg van maatwerk zijn mogelijk.

• Grondwater De gemeente Asten geeft gehoor aan de grondwaterzorgplicht door binnen de grenzen van doelmatigheid en financiële en technische haalbaarheid maatregelen te treffen om structurele grondwateroverlast te voorkomen of te beperken.

Onderzoek Per beleidspunt wordt onderhavig ontwikkeling getoetst aan het beleid van waterschap Aa en Maas, alsmede het beleid van de gemeente Asten. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. De nieuwe woning bezit geen materialen die tot een verontreiniging van de bodem zullen leiden en daarmee de kwaliteit van het grondwater verslechteren. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek ‘die hoog en droog genoeg’ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd in een gebied, waar geen sprake is van wateroverlast. De percelen kunnen het water op een juiste manier verwerken.

Hydrologisch neutraal bouwen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. In de nieuwe situatie wordt extra verhard oppervlak gerealiseerd. Het hemelwater zal daarom worden opgevangen en geïnfiltreerd. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van ongeveer 150 m 2 bebouwing en verharding. Uitgaande van een bui van 60 mm, zal een infiltratie-voorziening gerealiseerd dienen te worden met een

21

inhoud van 9 m3. Deze kan worden gerealiseerd onder de inrit of in de tuin. De waterbergingsvoorziening zal aan de volgende eisen voldoen: 1. Controleerbaar op werking (dus zichtbaar of toegankelijk); 2. Mogelijkheid tot reinigen, inspectie en onderhoud; 3. De afvoer uit de voorziening zal maximaal 2 l/s/ha bedragen; 4. De voorziening zal binnen 5 dagen leeggelopen zijn (bij maximaal 2 mm neerslag per etmaal); 5. De onderzijde van de voorziening wordt gerealiseerd boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand); 6. De verwerking van het hemelwater vindt zodanig plaats dat het vertraagd wordt afgevoerd, zodat de piekafvoer wordt verminderd. Hierdoor wordt wateroverlast voorkomen; 7. Er zal een bovengrondse overloopvoorziening worden gerealiseerd voor de afvoer van water bij hevige buien.

bergen-afvoeren’) doorlopen. Hergebruik van het water is in dit relatief kleinschalig initiatief niet mogelijk. Dit is ook in overeenstemming met het uitgangspunt van het waterschap Aa en Maas, dat hergebruik met name overweegt bij grootschalige voorzieningen. Het schone hemelwater zal in onderhavige situatie in een infiltratievoorziening worden opgevangen.

De voorziening zal bij de aanvraag omgevingsvergunning op de tekening worden aangegeven. Aan hydrologisch neutraal bouwen wordt hiermee voldaan.

Water als kans Dit wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem. Water kan echter ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. In dit kleinschalige initiatief wordt geen gebruik gemaakt van dit aspect.

Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater en indien nodig het schone hemelwater vertraagd af te voeren via het oppervlaktewater. Binnen het plangebied zal het vuile en het schone water worden gescheiden. Het vuile water wordt aan de perceelsgrens aangeboden. Het schone hemelwater wordt binnen het plangebied verwerkt.

Waterschapsbelangen Voor onderhavig plangebied gelden geen waterschapsbelangen, anders dan het voorkomen van wateroverlast. Meervoudig ruimtegebruik Door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het ‘verlies’ van m² als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Het hemelwater van de verharde oppervlakken in het plangebied zal worden opgevangen en geïnfiltreerd naar de bodem.

Conclusie Uit oogpunt van water levert de ontwikkeling van het plangebied geen belemmeringen op. Er zal worden voldaan aan het beleid van het waterschap en de gemeente met betrekking tot het waterbeheer. De infiltratievoorziening zal bij de aanvraag omgevingsvergunning op de tekening worden aangegeven.

Afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’ In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruikinfiltratie-buffering-afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden-

22

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader De monumentenwet uit 1988 schrijft voor dat in het ruimtelijke beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, moet voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. De provincie en gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verantwoord beheren van het archeologisch erfgoed. Verder is op 9 december 2015 de Erfgoedwet gepubliceerd, welke op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet geeft regels ter bescherming van het culturele erfgoed van nationaal belang. Onderzoek Cultuurhistorie Het plangebied ligt niet in een beschermd dorpsgezicht. Ook bevinden zich in de directe omgeving geen monumentale gebouwen of waardevolle ensembles. Het pand is eveneens geen gemeentelijk- of rijksmonument. Archeologie Op basis van het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’ heeft de projectlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Voor bouwwerkzaamheden die een verstoringsoppervlakte hebben kleiner dan 2.500 m2 of ondieper dan 40 cm, geldt geen verbod om op deze gronden te bouwen. De nieuwbouwoppervlakte bedraagt ongeveer 150 m2, zodat op basis hiervan geen onderzoek noodzakelijk is.

Figuur 10: uitsnede Archeologische Beleidskaart Asten

4.11 Conclusie Gezien de voorgaande paragrafen kan de conclusie worden getrokken er geen planologische aspecten zijn die de realisatie van de nieuwe woning belemmeren.

Conclusie Voor het plangebied is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk op basis van de archeologische beleidskaart. Vanuit oogpunt van cultuurhistorie gelden eveneens geen belemmeringen.

23

Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing maakt de realisatie van één woning op het perceel aan de Albert van Cuijckstraat 85 mogelijk. Het betreft een bouwplan in de zin van artikelen 6.2.1. Bro en 6.12 lid 2 Wro waarvoor in principe een exploitatieplan dient te worden opgesteld.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt gebruikt om via een uitgebreide voorbereidingsprocedure medewerking te kunnen verlenen aan de realisatie van een nieuwe woning op het perceel Albert van Cuijckstraat 85. Er zal een omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van de buitenplanse afwijking als bedoeld in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3° Wabo. Tijdens deze periode van terinzagelegging, kan eenieder naar keuze mondeling of schriftelijke zienswijzen inbrengen tegen de ontwerp-omgevingsvergunning. Voorafgaande hieraan heeft de initiatiefnemer een dialoog gevoerd met de buren van de nieuwe woning. Alle buren hebben een verklaring van geen bezwaar getekend. Dit verslag is opgenomen als bijlage van de ruimtelijke onderbouwing.

Onderhavige ontwikkeling vindt plaats aan een bestaande woonstraat. Alle ontsluitingskosten ten behoeve van de gereed te melden woning zullen bestaan uit een legesplichtige aansluiting op het gemeentelijke riool. Er is geen noodzaak tot het vaststellen van een exploitatieplan, omdat er verder geen kostenverhaal noodzakelijk is. Voor de gemeente zijn aan de ontwikkeling en uitvoering van onderhavig plan geen andere financiële consequenties verbonden. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar.

24

Bijlage 1 : Bodemonderzoek volgens NEN 5740

25

Bodem en Bouwstoffen

Verkennend Bodemonderzoek Albert van Cuijckstraat 85 Asten rapport 3111R002-3

datum: opdrachtgever:

16 april 2019 Gebr. van Eijk transporten, 't Hoogvelt 8, 5721 VW ASTEN.

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van Archimil BV. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven, onder nummer 17159750.

16 april 2019 rapportnummer: 3111R002-3

I

VERANTWOORDING

Ing. G van der Kant Adviseur Bodem

Ing. B. van den Bosch Teamleider

Archimil B.V. Koningsplein 18, 5721 GJ Asten, Tel.nr. 0493-671818 – Faxnr. 0493-671800, Email: info@archimil.nl Archimil BV, Laagheidehof 5, 5804 XB Venray, telnr. 0478-515736 Rabobank Iban NL70RABO01636.28.580, Kvk nr. 17159750

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

16 april 2019 rapportnummer: 3111R002-3

II

SAMENVATTING Voor een verklaring van de gebruikte terminologie met betrekking tot eventuele verontreinigingen verwijzen wij naar de ‘Circulaire Bodemsanering 2013’ en het ‘Besluit bodemkwaliteit’. Op een terrein aan de Albert van Cuijckstraat 85 te Asten is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740. De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente

Asten

Adres

Albert van Cuijckstraat 85 te Asten

Kadastraal

Sectie: K

Nr: 421

Coördinaten

X: 180.25

Y: 378.88

Oppervlakte onderzoekslocatie

741 m2

Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als nietverdacht beschouwd. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5740. Uit het onderzoek volgt dat de zintuiglijk schone boven- en ondergrond niet verontreinigd is met één van de componenten waarop is onderzocht. Een deel van het terrein is opgehoogd, vermoedelijk met grond van het naastgelegen terrein. De opgehoogde grond niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater is licht is verontreinigd met cadmium, zink en minerale olie. Ons inziens behoeven er, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan aanof verkoop en/ of bouwwerkzaamheden op de onderzochte locatie. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden of wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.

Archimil BV

Afdeling Bodem en Bouwstoffen

16 april 2019 rapportnummer: 3111R002-3

III

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 1

INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK ................................................................................ 1

2

VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 3 2.1 GEOGRAFISCHE GEGEVENS.......................................................................................................... 3 2.2 HUIDIG EN VOORMALIG BODEMGEBRUIK ........................................................................................ 3 2.2.1 Milieuvergunningen ........................................................................................................... 4 2.2.2 Bodemonderzoeken........................................................................................................... 4 2.3 TOEKOMSTIG GEBRUIK .............................................................................................................. 5 2.4 BODEMOPBOUW EN (GEO-)HYDROLOGIE ......................................................................................... 5 2.4.1 Algehele bodemkwaliteit................................................................................................... 6 2.5 CONCLUSIE VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 6

3

OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK.......................................................................... 7 3.1 3.2 3.3

OPZET BODEMONDERZOEK ......................................................................................................... 7 ANALYSEPAKKETTEN ................................................................................................................ 7 UITVOERING BODEMONDERZOEK .................................................................................................. 8

4

WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE .......................................................................... 9

5

RESULTATEN...............................................................................................................................11 5.1 VELDWERK GROND .................................................................................................................. 11 5.2 AANPASSING ONDERZOEKSOPZET .............................................................................................. 11 5.3 VELDWERK GRONDWATER ........................................................................................................ 11 5.4 ANALYSERESULTATEN ............................................................................................................. 11 5.4.1 Grondmengmonsters ....................................................................................................... 11 5.4.2 Grondwatermonsters ...................................................................................................... 12

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................13

TABELLEN ...........................................................................................................................................14 Bijlage 1 ............................................................................................................ overzichtstekening Bijlage 2 .................................................................................................................. vooronderzoek Bijlage 3 ............................................................................................................locatie en boringen Bijlage 4 ........................................................................................................................ boorstaten Bijlage 5 ............................................................................................................. analyseresultaten Bijlage 6 ........................................................................................................................ referenties

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=9cef1ecd-b4af-4102-bace-ff295af204af