CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

BU21.11.08EE Beleidsregels middelentoets gemeente Asten.pdf

Commissie Burgers 22 november 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Stukken ter kennisneming aan de commissie7.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

//. z

Gemeente

fils ten

Beleidsregels middelentoets gemeente Asten 2021 : ZAAKNUMMER: 2021064682

i

; Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten; i

! gelet op de bepalingen in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en : - Artikel 31 t/m 34 Participatiewet;

i - Artikel 8 lid 2 en 5 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze :

werknemers (lOAW);

i - Artikel 8 lid 3 en 9 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen

!

zelfstandigen (lOAZ);

' besluit:

vast te stellen de Beleidsregels middelentoets gemeente Asten 2021

Artikel 1 1.

Begripsbepaling

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

2.

Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder: a.

Het college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Asten.

b.

Norm: de bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) als bedoeld in de Participatiewet.

c. Gift: elke financiële bevoordeling uit vrijgevigheid van personen of instellingen. Kenmerkend voor een gift is dat er geen sprake is van een terugbetalingsverplichting en/of enige vorm van tegenprestatie of verplichtend karakter.

Materiële schade: schade die direct in geld is uit te drukken. Bijvoorbeeld beschadiging van

d.

eigendommen, maar bijvoorbeeld ook misgelopen inkomen, medische kosten, reiskosten, huishoudelijke hulp, aanpassing aan woning of auto, enz. Immateriële schade: schade die niet direct in geld is uit te drukken (ook wel smartengeld

e.

genoemd). Bijvoorbeeld psychische-, emotionele- en geestelijke schade door pijn, verdriet of

verminderde levensvreugde.

2

0

2

HIIII i

6

9

f.

Voertuig: auto, motor, bromfiets (waaronder ook wordt verstaan een fiets met elektrische trapondersteuning met een maximale snelheid tussen de 25 km per uur en de 45 km per uur

(Speed Pedelec)), snorfiets, brommobiel en Motorrijtuig Met Beperkte Snelheid (MMBS).

g-

Co-ouderschap: wordt aanwezig geacht bij een 50-50 verdeling van zorg, opvoeding en omgang met het kind. Bijvoorbeeld bij beiden de helft van de week (minimaal 3 etmalen). Of een week bij de ene ouder en een week bij de andere ouder.

h.

Werkgebied Senzer: gemeente Asten, gemeente Deurne, gemeente Geldrop-Mierio, gemeente Gemert-Bakel, gemeente Helmond, gemeente Laarbeek en gemeente Someren.

Artikel 2

1.

Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling (B019)

De saldi op alle lopende rekeningen van belanghebbende, eventuele echtgenoot of partner en eventuele minderjarige kinderen op de datum waarop het recht op bijstand aanvangt behoren tot het vermogen. Dit geldt ook voor tegoeden op spaarrekeningen.

2.

Bij de vaststelling van het vermogen bij aanvang van de uitkering laat het college van het totaalsaldo van alle lopende betaal- en spaarrekeningen éénmaal de van toepassing zijnde norm

vrij, waarbij: a.

Als de saldi negatief zijn, er geen vrijlating plaatsvindt;

b.

Als de saldi lager zijn dan de van toepassing zijnde norm, de saldi op € 0,00 worden gesteld.

Artikel 3

1.

Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating (B020)

Het vermogen wordt vastgesteld per de datum waarop het recht op bijstand aanvangt. Hiervan

wordt afgeweken als: a.

Belanghebbende verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure of als er sprake is van een verlating, én;

b.

Belanghebbende slechts (redelijkerwijs) kan beschikken over een vermogen dat minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens.

2.

Belanghebbende krijgt de nadere verplichting opgelegd om binnen een redelijke termijn tot verdeling van de boedel over te gaan, waarna door het college tot een definitieve vermogensvaststelling kan worden overgegaan.

3.

Zodra belanghebbende kan beschikken over zijn of haar aandeel in de boedel, kan dit een reden zijn om over te gaan tot terugvordering, als belanghebbende hierdoor achteraf gezien voldoende

middelen had over de periode van bijstandsverlening.

Artikel 4 1.

Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente (B021)

Bij vestiging vanuit een gemeente buiten het werkgebied van Senzer wordt het vermogen in alle

gevallen (opnieuw) vastgesteld.

2.

De tijdens de bijstandsperiode in de vorige gemeente gespaarde middelen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet en ontvangen rente als bedoeld in artikel 31 lid 2 onderdeel i

Participatiewet worden - mits de eventuele onderbreking van de bijstandsuitkering korter is dan 30 dagen - niet in aanmerking genomen bij de nieuwe vermogensvaststelling.

3.

Bij vestiging vanuit een gemeente binnen het werkgebied van Senzer wordt het vermogen niet opnieuw vastgesteld. Het college neemt dan de vermogensvaststelling uit de vertrekgemeente

over, mits er geen relevante feiten en omstandigheden zijn gewijzigd, zoals: a.

Een wijziging in de leefvorm;

b.

Een onderbreking van het recht op bijstand van ten minste 30 dagen.

Artikel 5

1.

Vrijlaten giften (B024)

Giften voor bijzondere kosten & schulden: a.

Giften worden niet als middelen voor de bijstand aangemerkt voor zover deze worden verstrekt

voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden. b.

Giften worden niet als middelen voor de bijstand aangemerkt voor zover deze worden verstrekt

voor noodzakelijke kosten dan wel uit medisch oogpunt wenselijke kosten. Dit voor zover de

levensstandaard hierdoor niet wordt verhoogd. c.

Giften van werkgevers ten behoeve van werknemers worden niet in aanmerking genomen als

d.

Giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank en

middel voor de bijstand, voor zover en in zoverre deze onbelast zijn. dergelijke charitatieve instellingen worden niet als middel voor de bijstand beschouwd.

e. Een gift die wordt verstrekt ter aflossing van een problematische schuld, ontstaan in een periode voor aanvang van de bijstandsverlening, wordt niet in aanmerking genomen als middel voor de bijstand. Een schuld is in ieder geval problematisch als op het moment van aanvang

van de bijstandsverlening het vermogen negatief was en er een terugbetalingsverplichting rust op deze schulden, waarvan de termijn is overschreden.

f.

De giften als bedoeld in lid 1 sub a t/m e tellen niet mee voor de maximale bedragen als

bedoeld in lid 3 sub a van dit artikel.

2.

Giften of geldleningen in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag:

a.

Een gift of geldlening die wordt verstrekt in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag en die niet meer bedraagt dan de voor belanghebbende geldende norm, wordt niet in aanmerking genomen als middel voor de bijstand.

3.

Andere giften: a.

Giften worden niet tot de middelen voor de bijstand gerekend, voor zover de ontvangen giften

niet meer bedragen dan € 1.200 per kalenderjaar. Als de uitkering gedurende het kalenderjaar is toegekend, geldt het bedrag van € 1.200 voor de periode vanaf datum toekenning tot en

met 31 december van het betreffende kalenderjaar. b.

Voor zover periodieke giften hoger zijn dan het in sub a genoemde bedrag, wordt het meerdere in beginsel als inkomen aangemerkt, maar blijft een specifieke afweging

noodzakelijk om te beoordelen of de gift uit een oogpunt van bijstandsverlening toch

verantwoord is. Onder 'periodiek' wordt verstaan: de ontvangst van twee of meer giften in een

kalenderjaar. c.

Voor zover een eenmalige gift hoger is dan het in sub a genoemde bedrag, wordt het meerdere in beginsel als vermogen aangemerkt, maar blijft een specifieke afweging noodzakelijk om te

beoordelen of de gift uit een oogpunt van bijstandsverlening toch verantwoord is. Onder 'eenmalig' wordt verstaan: de ontvangst van één gift in een kalenderjaar;

4.

Giften zoals bedoeld in lid 1 sub c en d en giften van minder dan € 1.200 per kalenderjaar hoeven

niet onverwijld uit eigen beweging gemeld te worden.

Artikel 6

1.

(Im)materiële schadevergoeding (B024)

De schadevergoeding die belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade.

2.

Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen (misgelopen inkomen), wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding

betrekking heeft.

3.

Als de schadevergoeding voor immateriële schade meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 34, lid 3 sub c Participatiewet, wordt 2/3 deel van het meerdere van het bedrag in

aanmerking genomen als vermogen.

Artikel 7

1.

Vaststelling middelen bij co-ouderschap (B061)

De vermogensgrens voor co-ouders is gelijk aan de vermogensgrens voor alleenstaande ouders als bedoeld in artikel 34, lid 3 sub b Participatiewet.

2.

Als de belanghebbende hier (redelijkerwijs) over kan beschikken worden de middelen van het kind of de kinderen volledig toegerekend aan belanghebbende. a.

In afwijking van het bepaalde in lid 2 wordt van het saldo van een kinderrekening, waarop

beide ouders periodiek een bijdrage storten, de helft als vermogen toegerekend aan

belanghebbende.

Artikel 8 1.

Waarde bezittingen in natura bij vermogensvaststelling (B027)

Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen bezittingen in natura die naar hun aard en

waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn. Deze zijn dan in beginsel ook uitgesloten van de inlichtingenplicht tenzij er

bijvoorbeeld sprake is van handelsactiviteiten.

2.

Het college vindt één voertuig met een dagwaarde tot € 3.000 algemeen gebruikelijk. Als de dagwaarde meer bedraagt dan € 3.000 wordt het meerdere meegenomen in de

vermogensvaststelling. 3.

Van voertuigen die 12 jaar of ouder zijn wordt verondersteld dat deze een dagwaarde

vertegenwoordigen tot € 3.000 behalve als door de exclusiviteit anders blijkt. In afwijking hiervan

wordt bij brom- en snorfietsen (scooters) die 6 jaar of ouder zijn verondersteld dat deze een dagwaarde vertegenwoordigen tot € 3.000.

4.

Indien de belanghebbende de beschikking krijgt over een voertuig door middel van een gift dan geldt artikel 5 - vrijlaten giften (B024) van deze beleidsregels, ook als de dagwaarde minder dan € 3.000 bedraagt.

5.

Caravans, campers, vouwwagens, aanhangers, vaartuigen, of het gelijktijdig bezit van 2 of meer voertuigen zijn naar hun aard en waarde niet algemeen gebruikelijk. De volledige dagwaarde wordt

meegenomen in de vermogensvaststelling. Dit geldt ook voor overige bezittingen in natura die

naar hun aard en waarde niet algemeen gebruikelijk zijn. Deze zijn dan ook niet uitgesloten van de

inlichtingenplicht. 6.

Bij aanvang van de uitkering wordt de vrijlating, zoals bedoeld in het tweede lid, toegepast op het duurste voertuig als er sprake is van gelijktijdig bezit van 2 of meer voertuigen.

7.

De dagwaarde bepaling van een auto vindt plaats via de ANWB-koerslijst, tenzij deze lijst niet ziet op de in geding zijnde periode, of er voldoende gegevens voorhanden zijn waaruit volgt dat de

waarde van de auto afwijkt van de waarde die de ANWB-koerslijst aangeeft. Op basis van kenteken, actuele kilometerstand, uitvoering en extra opties vormt de inkoop- of

inruilprijs (aankoop door het autobedrijf) de dagwaarde waarmee het college rekening houdt. Staat een auto niet opgenomen in de ANWB-koerslijst dan dient op een andere objectieve wijze,

bijvoorbeeld via een merkdealer, verzekeringsmaatschappij, internet of een onafhankelijke

taxateur, een dagwaarde bepaling plaats te vinden op basis van merk, type, actuele kilometerstand, uitvoering en extra opties.

8.

De dagwaardebepaling van een brom- en snorfiets vindt plaats via de afschrijvingslijst van BOVAG, tenzij er voldoende gegevens voorhanden zijn waaruit volgt dat de waarde afwijkt van de waarde

die de afschrijvingslijst van BOVAG aangeeft.

9.

De dagwaardebepaling van andere voertuigen, of een caravan, camper, aanhanger en vaartuig vindt op een objectieve wijze plaats op basis van merk, serie, bouwjaar en uitvoering, bijvoorbeeld via een merkdealer, verzekeringsmaatschappij, internet of een onafhankelijke taxateur, waarbij de huidige staat van de bezitting in acht wordt genomen.

10. Dagwaardebepalingen van overige bezittingen in natura die naar hun aard en waarde niet algemeen gebruikelijk zijn dienen op een objectieve wijze, bijvoorbeeld via een merkdealer,

verzekeringsmaatschappij, internet of een onafhankelijke taxateur plaats te vinden waarbij de huidige staat van de bezitting in acht wordt genomen.

11. Dagwaardebepalingen worden in principe kosteloos gerealiseerd. Als dit niet mogelijk is, zijn in

beginsel de kosten voor de belanghebbende indien hij niet op andere objectieve wijze de dagwaarde van zijn bezitting in natura kan aantonen.

Artikel 9 1.

Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling (B028)

De waarde van een uitvaartverzekering in natura wordt niet gerekend tot het vermogen waarover

redelijkerwijs kan worden beschikt. De waarde van een kapitaalverzekering die is bestemd voor begrafenis- of crematiekosten wordt evenmin in aanmerking genomen als vermogen, mits wordt

voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden; a.

Belanghebbende, diens partner, en/of (ten laste komende) kinderen is de persoon op wiens

leven de verzekering is afgesloten (de verzekerde); b.

Het vrij te komen kapitaal is bestemd voor de voldoening van de kosten van uitvaart van de belanghebbende, diens partner, en/of (ten laste komende) kinderen, hetgeen dient te blijken

uit de polisvoorwaarden; c.

Het betreft geen combinatie van een uitvaartpolis en een verzekering welke uitkeert bij in

leven zijn op een bepaalde datum; d.

Het vermogen wordt niet vroegtijdig te gelde gemaakt (afkoop);

e. Het betreffende vermogen is niet ontstaan als gevolg van een eenmalige storting welke heeft plaatsgevonden op een moment waarop redelijkerwijs te verwachten viel dat er een beroep op

bijstand zou worden gedaan en aldus dient te worden gekwalificeerd als het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voorde voorziening in het bestaan. Hieronder

wordt niet verstaan de maandelijkse reguliere premiebetaling. 2.

Wanneer het vermogen vroegtijdig te gelde wordt gemaakt (afkoop), wordt het ontvangen afkoopbedrag wel tot het vermogen gerekend.

Artikel 10 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating (B147)

1.

Het college stelt ambtshalve of op aanvraag van belanghebbende vast of toepassing moet worden

gegeven aan de inkomstenvrijlating als bedoeld in de artikel 31 tweede lid onder n en r van de Participatiewet of artikel 8 lid 2 en 5 lOAW en artikel 8 lid 3 en 9 lOAZ. 2.

Het college stelt dat de vrijlating altijd bijdraagt aan de arbeidsinschakeling, behalve als er sprake

is van verzwegen inkomsten door schending van de inlichtingenplicht. 3.

De ingangsdatum van de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder n Participatiewet wordt afgestemd met belanghebbende.

4.

De inkomstenvrijlating kan slechts één keer toegepast worden binnen een aangesloten uitkeringsperiode.

Artikel 11 Hardheidsclausule

Het college handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden

gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onredelijk en onbillijk zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 12 Intrekking

De Beleidsregels middelentoets gemeente Asten 2018 worden ingetrokken per 1 oktober 2021.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking per 1 oktober 2021.

Artikel 14 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als de "Beleidsregels middelentoets gemeente Asten 2021".

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de

gemeente Asten van 14 september 2021. College van burgemeester en wethouders van Asten,

mr. W.'M.A.

secretaris

Tberkt burgemeester

Toelichting Beleidsregels middelentoets gemeente Asten 2021 Algemeen Voor iedere inwoner die (nog) niet in eigen inkomen kan voorzien en daardoor niet over de middelen

beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, is een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet mogelijk. Voor wat betreft de middelentoets voorziet de Participatiewet in

vrijgestelde bedragen. Daarnaast kan het college regels stellen over hoe omgegaan wordt met bepaalde middelen in de vorm van inkomen of vermogen. Met deze beleidsregels geeft het college aan

op welke wijze aan deze onderwerpen invulling wordt gegeven.

Artikelsge wijs

Artikel 1

Begripsbepaling

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2

Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling (B019)

De saldi op lopende rekeningen van een belanghebbende, zijn eventuele echtgenoot of partner en zijn

eventuele minderjarige kinderen behoren tot het vermogen. Dit geldt ook voor tegoeden op spaarrekeningen. Het college kan ervoor kiezen het beleid te voeren om van saldi op lopende

(spaar)rekeningen een beperkt bedrag vrij te laten in verband met lopende uitgaven. Dit is

buitenwettelijk begunstigend beleid.

Het college wenst van deze mogelijkheid gebruik te maken door bij toekenning van de uitkering rekening te houden met de nog te betalen (vaste) lasten en het voorkomen dat een toevallige recente bijschrijving van bijv, de Kinderbijslag leidt tot een hogere vermogensvaststelling.

Daarom vindt bij aanvang van de uitkering op het totale saldo van alle bankrekeningen bij elkaar opgeteld (ook spaarrekeningen) een vrijlating plaats van éénmaal de van toepassing zijnde norm per

kalendermaand (inclusief vakantiegeld). Als de saldi voor toepassing van deze vrijlating positief zijn, maar door toepassing van de vrijlating tot een negatief bedrag leidt, wordt het saldo op € 0,00

vastgesteld. Als de saldi al negatief zijn voordat de vrijlating wordt toegepast, dan wordt dit negatieve saldi aangehouden.

Artikel 3

Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating (B020)

Het college moet het vermogen vaststellen bij aanvang van de bijstandsverlening. Dit zal in het geval

van echtscheiding of verlating niet altijd even gemakkelijk zijn, omdat op het moment van aanvang van de bijstand de boedel vaak nog niet verdeeld is. De hoofdregel is dan ook dat het vermogen wordt vastgesteld per de datum waarop het recht op bijstand aanvangt, waarvan wordt afgeweken indien:

•

Belanghebbende verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure of als er sprake is van een

verlating, én; •

Belanghebbende slechts (redelijkerwijs) kan beschikken over een vermogen dat minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens.

Voorbeeld Belanghebbende vraagt bijstand aan. Tijdens het intakegesprek blijkt dat belanghebbende gaat

scheiden van haar echtgenoot. Belanghebbende en echtgenoot beschikken over een huis met een

waarde van € 150.000,- waarop een hypotheek rust van € 110.000, -. Daarnaast is er een

spaarrekening met een saldo van € 20.000,

Afgesproken is dat echtgenoot in het huis blijft wonen.

Belanghebbende kan over het volledige spaartegoed beschikken. De aanvraag om bijstand moet worden afgewezen. Nu belanghebbende kan beschikken over een

vermogen dat boven de voor haar geldende vermogensgrens ligt, is het niet nodig om de vermogenstoets uit te stellen tot na de afwikkeling van de echtscheiding. Indien er geen spaarrekening

was geweest kon de aanvraag worden toegewezen met uitstel van de vermogensvaststelling.

Belanghebbende krijgt in zo'n geval de nadere verplichting opgelegd om binnen een redelijke termijn tot verdeling van de boedel over te gaan, waarna door het college tot een definitieve

vermogensvaststelling kan worden overgegaan. Wat hierin als redelijke termijn wordt beschouwd betreft een maatwerkbeoordeling.

Zodra belanghebbende kan beschikken over zijn of haar aandeel in de boedel, kan dit een reden zijn om over te gaan tot terugvordering, als belanghebbende hierdoor achteraf gezien voldoende middelen had over de periode van bijstandsverlening. Artikel 4

Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente (B021)

Bij belanghebbenden die direct voorafgaand aan hun verhuizing naar het werkgebied van Senzer een

bijstandsuitkering in een andere gemeente ontvingen, wordt het vermogen in alle gevallen (opnieuw) vastgesteld. De reden hiervoor is dat iedere gemeente een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de

bijstandsverlening en dat het eigen beleid inzake de vaststelling van het vermogen per gemeente kan

verschillen. Verder kan er op grond van de domiciliebepalingen van artikel 40 Participatiewet gesteld

worden dat er feitelijk sprake is van een nieuwe aanvraag.

De tijdens de bijstandsperiode in de vorige gemeente gespaarde middelen als bedoeld in artikel 34 lid

2 onderdeel c Participatiewet en ontvangen rente als bedoeld in artikel 31 lid 2 onderdeel i Participatiewet worden niet in aanmerking genomen bij de nieuwe vermogensvaststelling. Het is aan

belanghebbende om, als gesteld wordt dat één of meer van zijn vermogensbestanddelen op grond van

bovenstaande buiten beschouwing moet worden gelaten, zodanige inlichtingen te verstrekken dat het college de herkomst van de bedoelde vermogensbestanddelen kan beoordelen.

Uit praktische overwegingen wordt bij vestiging vanuit een gemeente binnen het werkgebied van Senzer het vermogen niet opnieuw vastgesteld. Er is sprake één uitvoeringsorganisatie met geharmoniseerd beleid. Daarom is vanwege praktische overwegingen bepaald dat daarbij wordt

uitgegaan van de vermogensvaststelling van de vertrekgemeente. Het college neemt dan de vermogensvaststelling uit de vertrekgemeente over, mits er geen relevante feiten en omstandigheden

zijn gewijzigd, zoals: •

Een wijziging in de leefvorm, of;

•

Een onderbreking van het recht op bijstand van ten minste 30 dagen.

Artikel 5

Vrijlaten giften (B024)

Bij de vrijlating van giften wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften

van personen. Door de giften niet volledig in aanmerking te nemen wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen.

Uitgangspunt is dat initiatieven van charitatieve instellingen en particulieren zoveel mogelijk wordt

gerespecteerd. Gezien het minimumbehoeftenkarakter van de bijstand kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Wat

betreft de hoogte van de gift geldt dat het in de rede ligt om de gift in aanmerking te nemen voor

zover cumulatie daarvan met de bijstand leidt tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is.

Deze beleidsregels verschaffen helderheid over welke giften niet tot de middelen worden gerekend.

Het omgekeerde is niet het geval. Van de giften die niet vallen onder de giften die vrijgelaten zijn, mag

niet automatisch worden aangenomen dat deze wel een middel zijn dat in aanmerking moet worden genomen. Met betrekking tot deze giften zal altijd nog een specifieke afweging gemaakt moeten

worden of de gift toch uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Lid 1 - Giften voor bijzondere kosten en schulden Giften voor kosten waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is worden niet gerekend tot de middelen

waarmee bij de algemene bijstand rekening wordt gehouden. Dit is ook het geval als de bijzondere bijstand tot een bepaald bedrag de kosten vergoedt en de gift hoger is.

Als er geen bijzondere bijstand mogelijk is maar de kosten zijn wel noodzakelijk, kan de gift eveneens

vrijgelaten worden als deze de levensstandaard niet verhoogt. Dit is bijvoorbeeld het geval als de

belanghebbende een gift ontvangt voor het aanschaffen van noodzakelijke hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een scootmobiel, of als de medische kosten uit bijstandsoogpunt niet noodzakelijk zijn

maar wel wenselijk. Als de gift bestemd is voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan dan wel ter vrije besteding is, geldt dit niet.

Door het onverplicht karakter is er voldoende reden om onverplichte verstrekkingen van werkgevers aan werknemers buiten beschouwing te laten. Te denken valt bijvoorbeeld aan een kerstpakket, een

tegoedbon, enz. Het moet dan gaan om vergoedingen die vallen onder de vrijstelling als bedoeld in artikel 31, lid 2 onder g van de Participatiewet. Voor deze giften geldt geen meldingsplicht.

Verstrekkingen van de voedselbank, speelgoedbank, de kledingbank en dergelijke charitatieve

instellingen worden niet als middel aangemerkt. Voor deze giften geldt geen meldingsplicht. De Participatiewet biedt maar beperkte mogelijkheden tot bijstandsverlening in schulden. Het hebben

van problematische schulden is in algemene zin een belemmering in het sociaal functioneren. Als een derde hierin de bijstandsgerechtigde tegemoet wil komen worden deze bedragen in beginsel niet als middel in aanmerking genomen.

Lid 2 - Giften of geldleningen in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag

Als gevolg van de behandelingsduur van de aanvraag om bijstand kan het zijn dat derden bijspringen voor de meest belangrijke uitgaven. Het college kiest ervoor om deze - door derden als overbrugging bedoelde betalingen die veelal gedaan worden zonder een afdwingbare terugbetalingsverplichting - vrij

te laten, voor zover deze niet meer bedraagt of bedragen dan de voor belanghebbende geldende norm.

Lid 3 - Andere giften

Giften die geen betrekking hebben op bijzondere kosten of schulden zoals bedoeld in het eerste lid worden niet de middelen gerekend, voor zover de giften niet meer bedragen dan € 1.200 per kalenderjaar.

Deze vrijlating geldt niet per persoon. Dit houdt in dat voor een alleenstaande ouder en gehuwden (en

daarmee gelijkgestelden) dezelfde vrijlating van toepassing is als vooreen alleenstaande.

Met het oog op uitvoeringsgemak is ervoor gekozen de giftendrempel toe te rekenen aan een

kalenderjaar (1 januari tot en met 31 december). Heeft belanghebbende minder dan € 1.200 ontvangen, dan mag het restant niet mee worden genomen naar het volgend jaar. Voor belanghebbenden die een uitkering toegekend hebben gekregen, geldt dat de drempel van

€ 1.200 geldt voor de periode vanaf datum toekenning tot en met 31 december van het betreffende

kalenderjaar. Als de giften hoger zijn, wordt bij periodieke giften het meerdere in beginsel als inkomen en bij

incidentele giften als vermogen aangemerkt, maar blijft een specifieke afweging noodzakelijk om te beoordelen of de gift toch uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Onder 'periodiek' wordt verstaan: de ontvangst van twee of meer giften in een kalenderjaar. Het is niet

vereist dat deze giften van één persoon afkomstig zijn. De ontvangst van één gift van persoon 1 en

één gift van persoon 2 in één kalenderjaar wordt ook als periodiek beschouwd. Onder 'eenmalig' wordt verstaan: de ontvangst van maximaal één gift in een kalenderjaar. Als de

belanghebbende een tweede gift ontvangt binnen kalenderjaar, wordt dit vanaf deze tweede gift

gezien als een periodieke ontvangst van een gift. Lid 4 - inlichtingenplicht m.b.t. giften

In beginsel is de belanghebbende verplicht giften te melden, voor zover deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. De belanghebbende is daarom verplicht onverwijld uit eigen beweging

melding te maken van ontvangen giften die hoger zijn dan € 1.200 per kalenderjaar. Voor giften van werkgevers aan werknemers en voorverstrekkingen van de voedselbank, speelgoedbank, kledingbank

en dergelijke charitatieve instellingen geldt geen meldingsplicht, ook niet als deze hoger zijn dan €

1.200 per jaar. Artikel 6

(Im)materiële schadevergoeding (B024)

De beleidsregels verschaffen helderheid over welke schadevergoedingen, of welk deel van een

schadevergoeding niet tot de middelen word(t)(en) gerekend. Het omgekeerde is niet het geval. Van de schadevergoedingen die niet vallen onder de schadevergoedingen die vrijgelaten zijn, mag niet

automatisch worden genomen dat deze wel een middel zijn dat in aanmerking moet worden genomen. Met betrekking tot deze schadevergoedingen zal altijd nog een specifieke afweging gemaakt moeten

worden of deze toch uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Bij een schadevergoeding wordt onderscheid gemaakt tussen materiele en immateriële schadevergoeding. Materiële schade: schade die direct in geld is uit te drukken. Bijvoorbeeld

beschadiging van eigendommen, maar bijvoorbeeld ook misgelopen inkomen, medische kosten,

reiskosten, huishoudelijke hulp, aanpassing aan woning of auto, enz. Immateriële schade: schade die niet direct in geld is uit te drukken (ook wel smartengeld genoemd).

Bijvoorbeeld psychische-, emotionele- en geestelijke schade door pijn, verdriet of verminderde

levensvreugde. Het is de verantwoordelijkheid van de belanghebbende om documenten aan te leveren waaruit blijkt op welke grond aan hem of haar een schadevergoeding is toegekend. Dit kan bijvoorbeeld een besluit van een verzekeringsmaatschappij of rechtbank zijn. De bewijslast ligt bij de belanghebbende zelf;

hij/zij zal zelfde schade aannemelijk moeten maken.

Lid 1 - Materiële schadevergoeding

Wanneer er sprake is van ontvangst van een door belanghebbende ontvangen schadevergoeding voor materiële schade, zal beoordeeld moeten worden of de vergoeding is gebruikt voor het wegnemen van

de schade. Indien dit niet (helemaal) het geval is, wordt het deel dat niet is aangewend om de geleden

schade weg te nemen als vermogen in aanmerking genomen. Belanghebbende moet de besteding aannemelijk kunnen maken. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele kosten die in de

toekomst nog gemaakt moeten worden. Indien hier sprake van is kan de vergoeding niet als vermogen worden aangemerkt. Lid 2 - Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen

Door tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan iemand zijn baan verliezen. Het gevolg zal in veel gevallen zijn dat het inkomen van iemand vooreen bepaalde periode, of zelfs helemaal, wegvalt. Een vergoeding voor loonderving is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom

beschouwd als inkomen. Het proces van afhandelen van de schade kan lange tijd duren. De uiteindelijk toegekende schadevergoeding kan dan ook over een periode gaan die in het verleden ligt. Er zal daarom

beoordeeld moeten worden op welke periode de vergoeding precies betrekking heeft. Het bedrag van de toegekende schadevergoeding wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden waarop deze

vergoeding betrekking heeft en maandelijks gekort als inkomen. In de meeste gevallen gaat het om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De belanghebbende zal moeten aantonen

om welk verlies van arbeidsvermogen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld doormiddel van

salarisspecificaties of jaaropgaven, maar ook door een overzicht van de nog te lijden schade opgemaakt door een letstelschadespecialist.

Lid 3 - Immateriële schadevergoeding Wanneer er een schadevergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, gaat het meestal om een zeer ernstige situatie. In een dergelijke situatie heeft de belanghebbende het recht om

gecompenseerd te worden voor de geleden schade, zonder dat dit direct van invloed is op het recht op bijstand. Schadevergoedingen voor immateriële schade worden daarom niet volledig als vermogen

aangemerkt. Aan de andere kant kan deze vrijlating niet onbegrensd zijn. Het bedrag zoals

opgenomen in artikel 34, lid 3 sub c Participatiewet wordt gezien als verantwoord. Wanneer de immateriële schadevergoeding hoger is, dan wordt 2/3 deel van het meerdere in aanmerking genomen

als vermogen. Het niet vrijgelaten deel van de schadevergoeding wordt als vermogen in aanmerking

genomen. Voor het gedeelte van de immateriële schadevergoeding dat door het college wordt vrijgelaten, is het aan de belanghebbende om te bepalen waar de vrijgelaten immateriële schadevergoeding voor wordt

gebruikt. Invulling geven aan het hervinden van levensvreugde is immers een persoonlijke kwestie.

Artikel 7

Vaststelling middelen bij co-ouderschap (B061)

Het begrip co-ouderschap is niet als zodanig vastgelegd in de Participatiewet. Het college zal dan ook zelf moeten vaststellen of in een concreet geval sprake is van co-ouderschap. Van co-ouderschap is sprake als ouders de zorg, opvoeding en omgang met het kind 50-50 hebben

verdeeld. Bijvoorbeeld bij beiden de helft van de week (minimaal 3 etmalen). Of een week bij de ene ouder en een week bij de andere ouder. Beide ouders dragen, zowel in praktisch als in financieel

opzicht, min of meer evenveel bij aan de dagelijkse verzorging van de kinderen. De situatie waarin het kind door de week bij de ene ouder verblijft en in het weekend bij de andere ouder is geen co-ouderschap maar een uitgebreide omgangsregeling.

Lid 1- Vermogensgrens voor co-ouders De vermogensgrens voor de co-ouder wordt vastgesteld op de vermogensgrens zoals deze voor een alleenstaande ouder geldt. Hiermee wordt voorkomen dat bij een wijziging van het aantal dagen co-

ouderschap de vermogensgrens bijgesteld moet worden. Lid 2 - Toerekenen middelen van het kind of de kinderen Bij het vaststellen van het vermogen van een ouder die bijstand ontvangt, neemt het college de

bankrekening(-en)/vermogen van het minderjarig kind mee, als de ouder over de bankrekening van dat kind kan beschikken.

Bij een zuivere co-ouderschapregeling openen beide ouders vaak samen een speciale kinderrekening

waarop beiden een bijdrage storten voor de kosten van levensonderhoud (en bijvoorbeeld ook de

Kinderbijslag). Bij deze speciale kinderrekening rekent het college de helft van het bedrag als

vermogen bij de ene en de andere helft van het bedrag bij de andere ouder. De andere ouder zorgt namelijk ook voor de helft in het levensonderhoud van het kind. Uit de bankafschriften moet duidelijk

blijken dat het om een kinderrekening gaat. Artikel 8

Waarde bezittingen in natura bij vermogensvaststelling (B027)

Van bepaalde bezittingen wordt het ongewenst geacht om van belanghebbende te vragen deze om te zetten in geld voor het levensonderhoud. In deze beleidsregel wenst het college hierin verdere invulling te geven.

Lid 1 - Noodzakelijke en algemeen gebruikelijke bezittingen Bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, als ook

bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, worden niet als vermogen aangemerkt. Zolang er geen sprake is van handelsactiviteiten, hoeft belanghebbende deze

bezittingen niet onverwijld uit eigen beweging te melden. Lid 2 - Voertuigen en inlichtingenplicht Het college wenst van haar bevoegdheid gebruik te maken door één voertuig met een waarde tot maximaal € 3.000 als algemeen gebruikelijk aan te merken, waarbij als voertuig wordt aangemerkt:

auto, motor, bromfiets (waaronder ook wordt verstaan een fiets met elektrische trapondersteuning

met een maximale snelheid tussen de 25 km per uur en de 45 km per uur (Speed Pedelec)), snorfiets, brommobiel en Motorrijtuig Met Beperkte Snelheid (MMBS). Belanghebbende wordt geacht arbeid te accepteren over een afstand met een totale reisduur van maximaal 3 uur per dag. Het is dan ook

redelijk om in lijn hiervan één voertuig als algemeen gebruikelijk te beschouwen.

Indien de waarde hoger is dan € 3.000 wordt het meerdere meegenomen in de vermogensvaststelling. In sommige gevallen kan het bezit van een auto om medische redenen noodzakelijk zijn. Denk

bijvoorbeeld aan een autobus in verband met een gehandicapt familielid. Wellicht dat in dergelijke gevallen de auto dan ook is aangepast. In deze situaties dient de waarde van de auto niet als vermogen te worden beschouwd. Er is in ieder geval sprake van een medische noodzaak als op grond

van een Wmo-beschikking (Wet maatschappelijke ondersteuning) is vastgesteld dat de auto

noodzakelijk is. Indien er sprake is van een dergelijke situatie, dienen belanghebbenden dit zelf aan te geven. Het is ook de verantwoordelijkheid van de belanghebbende zelf om hier bewijsstukken, zoals een Wmo-beschikking, over aan te leveren.

Het bezit van één voertuig dat als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, hoeft door belanghebbende niet uit eigen beweging gemeld te worden. Een schending van de inlichtingenplicht is

dan niet aan de orde. Dit wil niet zeggen dat het voertuigbezit voor het college geen aanleiding kan zijn om nader onderzoek te doen naar de wijze waarop het voertuig is bekostigd. Blijkt een voertuig te zijn bekostigd met nimmer opgegeven, maar wel in aanmerking te nemen middelen, dan ziet de schending van de inlichtingenplicht op die middelen.

Lid 3 - Leeftijd voertuig

Tenzij door exclusiviteit anders blijkt, wordt van voertuigen die 12 jaar of ouder zijn verondersteld dat

deze een waarde vertegenwoordigen tot € 3.000. De dure en verboden auto's op de autolijs! met

goedkope, dure en verboden auto's van Stichting Inlichtingenbureau kan als basis dienen voor het

bepalen of een auto exclusief is. Ook voor oldtimers geldt dat hiervan niet zondermeer wordt verondersteld dat deze een waarde vertegenwoordigen tot € 3.000.

De gemiddelde nieuwprijs van brom- en snorfietsen is beduidend lager dan van een auto of motor. Daarom wordt in afwijking van bovenstaande bij brom- en snorfietsen (scooters) die 6 jaar of ouder

zijn verondersteld dat deze een waarde vertegenwoordigen tot € 3.000.

Lid 4 - Voertuig als gift

Als belanghebbende een gift in natura ontvangt, in de vorm van een voertuig, wordt de ontvangst van

deze gift beoordeeld aan artikel 5 (vrijlaten giften - B024) van deze beleidsregels. Ook als het voertuig

minder waard is dan € 3.000. Hiermee wordt beoogd dat de ontvangst van een gift, in welke vorm ook, op dezelfde wijze wordt beoordeeld.

Lid 5 -Niet algemeen gebruikelijke bezittingen Het college vindt het bezit van een caravan, camper, vouwwagen, aanhanger en/of vaartuig, alsook het gelijktijdig bezitten van twee of meerdere voertuigen niet algemeen gebruikelijk. In beginsel wordt de volledige dagwaarde meegenomen in de vermogensvaststelling. Dit geldt ook voor overige

bezittingen in natura die naar hun aard en waarde niet algemeen gebruikelijk zijn. Voor deze bezittingen geldt dat belanghebbende het bezit onverwijld uit eigen beweging moet melden. Van deze bezittingen mag dan overigens niet automatisch worden aangenomen dat deze wel een

middel zijn dat in aanmerking moet worden genomen. Dit is afhankelijk van de manier waarop de

bezitting is betaald. Heeft de belanghebbende de bezitting bijvoorbeeld van zijn eigen spaargeld opgebouwd tijdens de periode van bijstandsverlening, of al meegenomen in de vermogensvaststelling

bij toekenning -, of van een (vrijgelaten) deel van een schadevergoeding betaald? Dan is er geen vermogenstoename. Het ene vermogensbestanddeel (geld) is namelijk ingewisseld voor een ander

vermogensbestanddeel van dezelfde waarde (de bezitting in natura).

Lid 6 - Vrijlating waarde bij bezit twee voertuigen bij aanvang uitkering

Als belanghebbende bij aanvang van de uitkering in bezit is van twee of meer voertuigen, wordt de vrijlating zoals bedoeld in het tweede lid toegepast op het duurste voertuig.

Voorbeeld: Belanghebbende bezit bij aanvang van de uitkering een auto en een motor. De auto is € 4.200 waard, de motor € 1.800. Van de waarde van de auto wordt € 3.000 vrijgelaten, het meerdere van € 1.200

wordt tot het vermogen gerekend. De waarde van de motor wordt volledig tot het vermogen gerekend.

Deze voertuigen worden dus tot een totaalbedrag van (€ 1.200 + € 1.800 =) € 3.000 tot het vermogen gerekend. Lid 7 - Dagwaardebepaling auto De dagwaarde bepaling van een auto vindt plaats via de ANWB-koerslijst, tenzij deze lijst niet ziet op

de in geding zijnde periode, of er voldoende gegevens voorhanden zijn waaruit volgt dat de waarde van de auto afwijkt van de waarde die de ANWB-koerslijst aangeeft. Hierbij kan gedacht worden aan

een aankoopfactuur of taxatierapport. In de ANWB-koerslijst vormt de inkoop- of inruilprijs (aankoop door het autobedrijf) de dagwaarde

waarmee het college rekening houdt, op basis van:

Kenteken; Actuele kilometerstand (verificatie via RDW-gegevens in Suwinet, of als de gegevens daarin

niet zijn geregistreerd door inzage ter plekke of het meest recente RDW-keuringsrapport);

Uitvoering; Extra opties.

Indien uitvoering en opties niet bekend zijn, wordt uitgegaan van de goedkoopste uitvoering zonder extra opties. Staat een auto niet opgenomen in de ANWB-koerslijst dan dient op een andere objectieve

wijze, bijvoorbeeld via een merkdealer, verzekeringsmaatschappij, internet of een onafhankelijke taxateur, een dagwaarde bepaling plaats te vinden op basis van merk, type, actuele kilometerstand, uitvoering en extra opties.

Lid 8 - Dagwaardebepaling brom- en snorfietsen

De dagwaardebepaling van een brom- en snorfiets vindt plaats via de afschrijvingslast van BOVAG, tenzij er voldoende gegevens voorhanden zijn waaruit volgt dat de waarde afwijkt van de waarde die de afschrijvingslast van BOVAG aangeeft. Hierbij kan gedacht worden aan een aankoopfactuur of

taxatierapport.

Periode_______________________________

Percentage afschrijving

Eerste maand

6,0%

Tweede maand

4,0% 3,0%

Derde en volgende maanden Totaal in eerste jaar____________________

1,5%

Totaal na tweede jaar

48,0%

Derde jaar, per maand

1,5% _______________ 66^

Vierde jaar, per maand Totaal na vierde jaar____________________

BOVAi THUISPAKKEl

_______________ 30^

Tweede jaar, per maand

Totaal na derde jaar____________________

BOVAG HEtSïeR7E>fRHG

1,0% _______________ 78^

Vijfde jaar, per maand

0,5%

Totaal na vijfde jaar____________________

_______________ 84,0%

Ouder dan vijf jaar, de restwaarde bedraagt:

15,0%

Lid 9 t/m 11 - Dagwaardebepalingen van andere voertuigen en overige bezittingen

De dagwaardebepaling van andere voertuigen, een caravan, camper, aanhanger, vaartuig of overige

bezittingen die naar hun aard en waarde niet algemeen gebruikelijk zijn dienen op een objectieve wijze plaats te vinden op basis van merk, serie, bouwjaar en uitvoering, bijvoorbeeld via een

merkdealer, verzekeringsmaatschappij, internet of een onafhankelijke taxateur, waarbij de huidige

staat van de bezitting in acht wordt genomen. Wanneer de waarde via internet wordt vastgesteld, gaat het college uit van een gemiddelde van de 5

goedkoopst aangeboden vergelijkbare voertuigen, caravans, campers, aanhangers of vaartuigen op

www.marktplaats.nl.www.camDerscaravans.nl.www.autoscout24.nl of een vergelijkbare online

marktplaats.

Als een belanghebbende de dagwaarde niet op een andere objectieve wijze kan aantonen en een

kosteloze dagwaardebepaling niet mogelijk is, zijn de kosten van de dagwaardebepaling in beginsel voor belanghebbende.

Artikel 9

Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling (B028)

Bij belanghebbenden die verzekerd zijn voor uitvaartkosten in natura is het in de regel niet mogelijk de uitvaartpolis voor de datum van overlijden te gelde te maken. Daar belanghebbende in zo'n geval niet

redelijkerwijs over het in de polis opgebouwde vermogen kan beschikken, kan het verzekerde bedrag niet in de vermogensvaststelling worden meegenomen. Het komt echter ook voor dat belanghebbenden verzekerd zijn voor een uitvaart, waarbij de verzekering na de datum van overlijden in contanten uitkeert. Het zou inconsequent zijn om in dit

gevat het gespaarde bedrag (geheel), althans de afkoopwaarde van de verzekering, in de

vermogensvaststelling mee te nemen. Het college wenst daarom van haar bevoegdheid gebruik te maken om de waarde van de verzekering, onder voorwaarden, niet tot het vermogen te rekenen. Het

gaat om de volgende voorwaarden:

Belanghebbende, diens partner, en/of (ten laste komende) kinderen is de persoon op wiens

leven de verzekering is afgesloten (de verzekerde); Het vrij te komen kapitaal is bestemd voor de voldoening van de kosten van uitvaart van de belanghebbende, diens partner, en/of (ten laste komende) kinderen hetgeen dient te blijken

uit de polisvoorwaarden; Het betreft geen combinatie van een uitvaartpolis en een verzekering welke uitkeert bij in

leven zijn op een bepaalde datum; Het vermogen wordt niet vroegtijdig te gelde gemaakt (afkoop); Het betreffende vermogen is niet ontstaan als gevolg van een eenmalige storting welke heeft

plaatsgevonden op een moment waarop redelijkerwijs te verwachten viel dat er een beroep op

bijstand zou worden gedaan en aldus dient te worden gekwalificeerd als het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voorde voorziening in het bestaan. Hieronder

wordt niet verstaan de maandelijkse reguliere premiebetaling.

Wanneer het vermogen vroegtijdig te gelde wordt gemaakt (afkoop), wordt het ontvangen afkoopbedrag wel tot het vermogen gerekend.

Belanghebbende dient dit met bewijsstukken te onderbouwen. Het college kiest ervoor geen maximum te hanteren aan de vrijstelling van het totaalbedrag van de afkoopwaarde of verzekeringswaarde van

een uitvaartverzekering. De groep belanghebbenden die een uitvaartverzekering heeft die niet in

natura, maar in contanten uitkeert en deze ook tussentijds kunnen afkopen (tegen ongunstige

tarieven), is klein. Daarnaast zijn uitvaartverzekeringen zeer onwaarschijnlijk afgesloten met de intentie deze af te kopen. Het college wenst dit dan ook niet te stimuleren. Artikel 10 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating (B147)

De beleidsruimte die het college heeft bij de inkomensvrijlatingen op grond van artikel 31 lid 2

onderdeel n en r Participatiewet, artikel 8 lid 2 en 5 lOAW en artikel 8 lid 3 en 9 lOAZ is beperkt tot het oordeel over de bijdrage aan arbeidsinschakeling.

Centraal staat dat de periode van bijstandsverlening zo kort mogelijk moet zijn, de beschikbare instrumenten zijn gericht op uitstroom, waarvan de gedeeltelijke inkomstenvrijlating er één van is en

onderzoek toont aan dat parttime werken vaker leidt tot volledige uitstroom. Het college stelt daarom

dat parttime werk altijd bijdraagt aan de arbeidsinschakeling, behalve als er sprake is van verzwegen inkomsten door schending van de inlichtingenplicht.

De ingangsdatum van de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder n Participatiewet

wordt afgestemd met belanghebbende. De ingangsdatum van de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder r Participatiewet sluit in beginsel aan op de einddatum van de reguliere

inkomstenvrijlating zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onderdeel n Participatiewet (5 maanden).

Niet helemaal duidelijk is of er slechts eenmalig recht op inkomstenvrijlating bestaat of dat hier ieder jaar opnieuw gebruik van kan worden gemaakt. Gelet op de tekst van de overige onderdelen van artikel 31 lid 2 Participatiewet moet aangenomen worden dat het recht op inkomstenvrijlating tijdens de bijstandsverlening slechts één keer per periode van bijstandsverlening bestaat. In tegenstelling tot

bijvoorbeeld artikel 31 lid 2 onderdeel j en k Participatiewet ontbreekt in artikel 31 lid 2 onderdeel n Participatiewet immers een zinsnede als "per kalenderjaar" of "per jaar". Artikel 11 Hardheidsclausule

Voor onvoorziene situaties is de hardheidsclausule opgenomen in de beleidsregels. Als toepassing van de overige artikelen leidt tot kennelijke onredelijkheid en onbillijkheid, kan het college van de

beleidsregels afwijken. Ondanks dat hardheidsclausule op grond van artikel 4:84 Awb al van

toepassing is op deze beleidsregels kiest het college ervoor deze op te nemen in deze beleidsregels, om de bekendheid hiermee te vergroten.

Artikel 12 Intrekking Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 14 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=4c957d0b-e36b-4c8b-b234-3e1316f03499