Bijlage 9 - Geurmotivatie
Tekst van het document
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
Beleid en normstelling Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en bij het opstellen van bestemmingsplannen of andere besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met de geurbelasting uit stallen van veehouderijen. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de vergunningverlening van veehouderijen het beoordelingskader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit stallen van veehouderijen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. De normen van de Wgv gelden in beginsel alleen voor de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning, als een veehouderij zich wil vestigen of als een veehouderij wil uitbreiden. Het gaat dan dus over de relatie tussen een bestaand geurgevoelig object en een ontwikkeling van de veehouderij. Dit heet ook wel de 'directe werking' van de Wgv. Toets geur uit stallen van veehouderij in een bestemmingsplan De directe werking geldt in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning aan een veehouderij maar niet bij de ontwikkeling van bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk of bedrijventerrein.
Op basis van vaste jurisprudentie en uitspraken is het mogelijk om binnen de belemmerende contouren te bouwen, mits aan twee cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: de nieuwe ontwikkelingen mogen geen extra belemmeringen opleveren voor de ontwikkeling van veehouderijen in de omgeving. Hierna de toets op de omgekeerde werking genoemd de gemeenteraad dient in haar ruimtelijke besluit (in het voorliggende geval het bestemmingsplan) voor de betrokken ruimtelijke ontwikkeling te motiveren dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Dit is hierna de toets op het woon- en leefklimaat genoemd. Hierna wordt nog nader ingegaan op de vraag of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen voldoen aan bovenstaande voorwaarden. Voor een goed begrip van de context en de bevindingen, worden hierna eerst een aantal belangrijke begrippen toegelicht. Voorgrondbelasting en achtergrondbelasting De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting, ook wel individuele geurbelasting genoemd, wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object bedoeld.
De achtergrondbelasting, ook wel de cumulatieve geurbelasting genoemd, betreft de cumulatieve geurbelasting van alle relevante veehouderijen tezamen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting wordt vooral in gebieden met veel veehouderijen vaak gebruikt als maat om de effecten van geurhinder uit stallen van veehouderijen op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. Geurgevoelig object (in de zin van de Wgv)
Onder een 'geurgevoelig object' wordt onder de Wgv verstaan een gebouw, bestemd voor en volgens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en die daarvoor permanent of regelmatig wordt gebruikt. Een gebouw dat in strijd met het bestemmingsplan als woning of verblijf wordt gebruikt, heeft geen wettelijke bescherming tegen geurhinder. 4.6.2
Beoordelingskader planontwikkeling
Toets op de ‘Omgekeerde werking ‘ De Wgv, biedt de mogelijkheid voor gemeenten om binnen een bepaalde bandbreedte eigen gemeentelijke geurnormen vast te stellen. Een gemeente kan deze eigen normen via een gemeentelijke geurverordening vastleggen. De gemeente Asten heeft hier gebruik van gemaakt en een Geurverordening vast gesteld. De gemeentelijke geurnormen richten zich op de maximale geurbelasting van een individuele veehouderij op een gevoelig object, zoals een nabijgelegen woning. Vaste jurisprudentie bij ruimtelijke besluiten is dat door de nieuwe bestemmingen er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de omliggende veehouderijen. In beginsel dient bij het bepalen van de rechten van de betrokken veehouderij, het agrarische bouwblok als uitgangspunt genomen te worden voor het bepalen van de geurbelastingscontouren. Dit omdat veehouderijen het recht hebben om hun emissiepunten te verschuiven binnen het vastgestelde bouwblok (de zogenaamde 'vergunde rechten'). Het kan echter ook zo zijn dat het bedrijf zijn bouwblok niet in zijn geheel kan benutten voor de vestiging of verplaatsing van emissiepunten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van al bestaande geurgevoelige objecten. Uit de jurisprudentie blijkt dat men dan mag uitgaan van de grens van de bebouwing, een te benutten deel van het bouwblok of een bestaand emissiepunt.
Uitgaande van de vergunde rechten van een veehouderij, de geurnorm(en), het agrarisch bouwblok en de ligging van de stallen en al bestaande voor geurhinder gevoelige objecten, kan bepaald worden of de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object leidt tot een aantasting van de rechten: ligt de nieuwe bestemming binnen de geurcontour en zijn er geen andere bestaande geurgevoelige objecten die al op kortere afstand liggen? De relevante geurnorm (ook wel voorgrondnorm genoemd) in de geldende geurverordening van Asten (13 maart 2021) voor het bestemmingsplan zijn in het kader van de toets op de omgekeerde werking: De norm van 1 Ou voor de woonkern van Ommel De norm van 10 Ou voor het buitengebied rondom de kern Ommel
Toets op het woon- en leefklimaat Ten aanzien van de toets op het woon- en leefklimaat heeft de gemeente Asten géén geurnormen vastgesteld in een beleidsregel of verordening, waarin is ingegaan op de wijze waarop het woon- en leefklimaat moet worden beoordeeld bij ruimtelijke ontwikkelingen anders dan veehouderijen. De gemeente Asten heeft in haar geurbeleid de keuze gemaakt om te sturen op een acceptabel geurniveau door middel van vergunningverlening bij veehouderijen.
Voor het vast te stellen bestemmingsplan is het echter van belang te onderbouwen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatste van de beoogde ontwikkeling (in verband met de toets aan een goede ruimtelijke ordening op basis van van de kans op hinder vanwege geur uit stallen van de omliggende veehouderijen). De gemeenteraad dient bovenstaande afweging te maken in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Concreet betekent dit dat de gemeenteraad moet afwegen in hoeverre de ter plaatse van de geurgevoelige objecten in het plangebied optreden geurbelasting acceptabel is, in de zin dat de gemeenteraad vindt dat er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat betekent dan ook niet dat ter plaatse van het plangebied nooit enige geur vanuit de varkensstallen geroken zal worden. Het is aan een gemeente om een afweging te maken over de acceptabel te achten geurhinder. Bij de beoordeling van de vraag of er bij de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een afweging met betrekking tot de hoogte van de geurbelasting (en de daarmee samenhangende kans op hinder) in relatie tot de aard van het gebruik van belang. Ook de te verwachten ontwikkeling van de geurbelasting dient hierbij betrokken te worden.
In het algemeen geldt dat een gemeenteraad de nodige beleidsvrijheid heeft bij die afweging, mits die voldoende onderbouwd is. Hoewel de gemeente geen beleidsregel of verordening heeft vastgesteld waarin is ingegaan op de wijze waarop het woon- en leefklimaat moet worden beoordeeld bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft de raad bij de vaststelling van voorgaande bestemmingsplannen de streefwaarden uit de geurgebiedsvisie als uitgangspunt genomen. In de rechtspraak is in vergelijkbare situaties geoordeeld dat het gemeentebestuur in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (zie ABRvS 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:620), waarbij aansluiting is gezocht bij de Geurgebiedsvisie van de gemeente Asten (gebiedsvisie t.b.v. de geurverordening, 5 juli 2016). Deze Geurgebiedsvisie ligt ten grondslag aan de geurverordening van de gemeente Asten. Ten behoeve van de besluitvorming over de gemeentelijke geurverordening van Asten in 2016 heeft de gemeente onderzoek uitgevoerd. Deze Geurgebiedsvisie bevat een onderbouwing van de gemeentelijke geurnormen in de geurverordening, en ziet toe op vergunningverlening aan veehouderijen.
In de Geurgebiedsvisie is voor het vaststellen van de na te streven geurbelasting in het kader van het woon- en leefklimaat, aansluiting gezocht bij de relatie tussen geurbelasting en -hinder als beschreven in de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Handreiking bij de Wgv). Met de geurgebiedsvisie heeft de gemeente Asten beoogd te onderzoeken welke voorgrond geurnomen moeten worden opgenomen in de gemeentelijke geurverordening die perspectief bieden op verbetering van het woon- en leefklimaat, om deze vervolgens in de geurverordening vast te leggen. De gemeente stelt in de Geurgebiedsvisie dat met de Wvg er een sturingselement aanwezig is om geurhinder te beperken door strengere geurnomen in een verordening vast te stellen voor de voorgrondbelasting. In deze Geurgebiedsvisie heeft in het kader van de aanvaardbaarheid van geur geen belangenafweging plaatsgevonden ten aanzien van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met geurgevoelige objecten. De hinderpercentages in navolgende tabel zijn streefwaarden voor een aanvaardbare geurbelasting voor de achtergrondbelasting.
Tabel: Overzicht met gehanteerde gebiedsindeling, streefwaarden met geurklassen en geurhinderniveaus met kwaliteit van het woon- en leefklimaat (Gebiedsvisie Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Asten, 5 juli 2016) Uit de Geurgebiedsvisie, de besluitvorming en de vaststelling van voorgrondnormen blijkt dat bedoeling van de gemeente is om het behalen van deze streefwaarden op termijn te behalen door bij de vergunningenverlening aan veehouderijen te sturen op de voorgrondbelasting. Bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van beoogde nieuwe (geurgevoelige) ontwikkelingen, dient de gemeenteraad altijd een afweging te maken ten aanzien van de vraag of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor deze beoordeling – en ter invulling van de hem toekomende beleids- en beoordelingsvrijheid – maakt de gemeenteraad gebruik van bovenstaande tabel uit de Geurgebiedsvisie. Dat betekent niet dat de raad strikt gebonden is aan de Geurgebiedsvisie in het kader van de belangenafweging, maar dat de raad een afweging moet maken waarbij de Geurgebiedsvisie als een leidraad wordt gebruikt en de raad op basis van locatiespecifieke omstandigheden daarvan kan afwijken.
Op basis van de geurgebiedsvisie van de gemeente Asten geldt als streefwaarde voor woonkernen in het kader van toets op het woon- en leefklimaat een hinderpercentage van maximaal 12% voor de achtergrondbelasting. Dit komt overeen met een achtergrondbelasting van maximaal 10 OU en sluit aan bij de streefwaarde van 12% die in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant staat opgenomen voor het toetsen van de cumulatieve geurhinder bij de uitbreiding van een (intensieve) veehouderij. 4.6.3 Planspecifieke beoordeling Ten zuiden van het plangebied van de beoogde ontwikkeling is een tweetal varkenshouderijen gelegen met vergunde geuremissies: Ommelsbroek 12 (revisievergunning van 2007 en meldingen Activiteitenbesluit van 2008, 2009 en 2010) en Ommelsbroek 8 (revisievergunning van 2011).
Figuur: plangebied ten opzichte van veehouderijen Toets op de omgekeerde werking Het plan ziet feitelijk toe op uitbreiding van de woonkern Ommel. De geurnormering in de geurverordening van de gemeente Asten is op dit moment leidend voor de omgekeerde werking, Het is waarschijnlijk dat het plangebied ook als woonkern wordt aangewezen en dat in de nabije toekomst de geurnorm van 1 OU voor het hele plangebied kan gaan gelden.
In onderstaande kaart is de voorgrondbelasting van de veehouderij gelegen aan Ommelsbroek 12 weergegeven.
Figuur: Indicatieve voorgrondbelasting Ommelsbroek 12 in de vergunde situatie (juni 2024) Voor 23 woningen binnen het plangebied geldt op basis van de gemeentelijke Geurverordening een norm van 10 OU voorgrondbelasting. Voor al deze 23 woningen geldt dat de voorgrondbelasting lager is dan de norm van 10 OU. Voor 7 woningen binnen het plangebied geldt de norm van 1 OU voorgrondbelasting. Voor deze 7 woningen geldt dat de voorgrondbelasting hoger is dan 1 OU. In deze toetsing is overigens uitgegaan van een toekomstige situatie dat sprake is van een nieuw woongebied, waarbij waarschijnlijk het plangebied ook ter plaatse van de 23 woningen die nu voldoen binnen de bebouwingscontour geur zal komen te liggen en daarmee een geurnorm van 1 OU wordt toegekend. Omdat er op kortere afstand van de veehouderij aan het Ommelsbroek 12 al bestaande geurgevoelige objecten binnen de woonkern Ommel met geurnorm 1 OU zijn gelegen (dus op kortere afstand dan de voorgenomen ontwikkeling) en tegelijkertijd een hogere belasting kennen als gevolg van de veehouderij, leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een extra belemmering voor de veehouderij aan Ommelsbroek 12. De rechten van die veehouderij worden met de voorgenomen ontwikkeling dus niet aangetast.
Figuur: Ligging plangebied ten opzichte van maatgevende veehouderij met maatgevende voorgrondbelasting en duiding dichter bijgelegen woning in de kern Ommel Ook met betrekking tot de veehouderij gelegen aan de Ommelsbroek 8 kan deze conclusie worden getrokken. Op korte afstand van deze veehouderij zijn geurhinder gevoelige objecten gelegen, waarvoor de geurnorm 1 OU geldt en waar de geurbelasting van deze veehouderij hoger is. Ook voor de veehouderij gelegen aan de Ommelsbroek 8 geldt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een aantasting van de rechten, omdat op kortere afstand gelegen voor geur gevoelige objecten al sterker bepalend zijn. Toets op het woon- en leefklimaat In onderstaande kaarten is de berekende achtergrondbelasting weergegeven. Kaarten en rekenbestanden zijn opgenomen in Bijlage 6 bij de toelichting.
Figuur: Indicatieve achtergrondbelasting in de vergunde situatie (juni 2024) De indicatieve achtergrondbelasting ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling is lager is dan 10 Ou. Uitgaande van de indeling zoals die is gehanteerd is de geurgebiedsvisie uit 2016, v.w.b. de beoordeling van woonkernen, is de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder in het oostelijk deel van het plangebied 'aanvaardbaar' (binnen de range 6-10 Ou) en in het westelijk deel van het plangebied 'optimaal' (binnen de range 3-6 Ou). De achtergrondbelasting is aanvaardbaar en vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Uit de geurberekeningen volgt dat de vergunde voorgrondbelasting van Ommelsbroek 12 ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling 5,1 tot 7,5 OU bedraagt. Dit betekent dat deze veehouderij bijdraagt aan meer dan de helft van de achtergrondbelasting in het plangebied. Als de voorgrondbelasting meer dan 50% van de achtergrondbelasting bedraagt, dan wordt het individuele bedrijf gezien als de dominante veroorzaker van de geurhinder en is deze maatgevend bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (= vuistregel). In dit geval betekent dit dat de voorgrondbelasting van Ommelsbroek 12 bepalend is voor de (mogelijke) geurhinder die ervaren wordt ter plaatse van de beoogde woningen.
Ten aanzien van de situatie dat tevens de voorgrondbelasting moet worden meegewogen in de beoordeling van het woon- en leefklimaat heeft de gemeente geen beoordelingskader opgenomen in haar Geurgebiedsvisie. Voor de voorgrondbelasting kan het woon- en leefklimaat worden beoordeeld aan de hand van tabel 4.2 zoals opgenomen in de Geurgebiedsvisie van de gemeente, waarin de relatie is weergegeven tussen het streefniveau (% gehinderden), de na te streven
milieukwaliteit, en de bijbehorende geurniveaus voorgrond- en achtergrondbelasting in OU. Deze tabel is gebaseerd op bijlage 6 en 7 bij de ‘Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouder’. De verschillende milieukwaliteiten zijn gekwalificeerd variërend van 'zeer goed' tot ‘extreem slecht'. De voorgrondbelasting bedraagt 5,1 tot 7,5 OU. De gemeente Asten valt binnen een
concentratiegebied. Een voorgrondbelasting van 5,1 tot 7,5 OU staat in een concentratiegebied gelijk aan een geurhinderpercentage van 12% tot (ongeveer) 16%. Dat staat gelijk aan een ‘redelijk goede’ tot ‘matige’ milieukwaliteit. Een redelijk goede tot matige milieukwaliteit is op basis van de volgende omstandigheden aanvaardbaar: •
Bij 26 van de 30 woningen is de voorgrondbelasting maximaal 6,5 OU. Bij deze 26 woningen is sprake van maximaal 15% geurgehinderden. Dat staat gelijk aan de milieukwaliteit ‘redelijk goed’. Bij slechts vier woningen bedraagt de geurbelasting maximaal 7,5 OU. Dat staat gelijk aan de milieukwaliteit ‘matig’. Dat betekent dat bij de meeste woningen de milieukwaliteit redelijk goed is en dat slechts bij vier woningen de milieukwaliteit matig is.
•
Bij vier woningen bedraagt de geurbelasting tussen de 6,8 OU en maximaal 7,5 OU en is de milieukwaliteit matig. Een geurbelasting van 7,5 OU staat gelijk aan een geurhinderpercentage van (ongeveer) 16%. De bandbreedte van de milieukwaliteit redelijk goed eindigt bij 15% geurgehinderden en de bandbreedte van de milieukwaliteit ‘matig’ begint bij 15% geurgehinderden. Dat betekent dat de milieukwaliteit ter plaatse van de vier woningen aan de onderkant van de bandbreedte van de milieukwaliteit ‘matig’ valt en dat de milieukwaliteit dus net niet ‘redelijk goed’ is.
•
Het plangebied ligt tegen het buitengebied aan. Het plangebied vormt een overgangsgebied tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Een matige milieukwaliteit is in een overgangsgebied aanvaardbaar.
•
Het plangebied ligt in een gebied dat van oorsprong agrarisch is. Het plangebied was eerder voor agrarisch gebruik bestemd en rondom het plangebied liggen agrarische gronden. De milieukwaliteit matig is in een agrarisch gebied aanvaardbaar.
•
Volgens artikel 6 lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij bevindt de bandbreedte van de bij geurverordening vast te stellen voorgrondbelasting binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied zich tussen 0,1 OU en 14 OU. De maximale geurbelasting van 7,5 OU blijft daarmee ruimschoots onder de maximale geldende geurbelasting die bij gemeentelijke geurverordening mag worden vastgesteld.
Ommel is van oudsher een agrarische gemeenschap Het plan voorziet in een uitbreiding van woningen aansluitend aan de kern Ommel. De kern Ommel maakt van oudsher onderdeel uit van een agrarische gemeenschap. Zo blijkt ook uit de Geurgebiedsvisie van de gemeente Asten. Van de drie kernen binnen de gemeente Asten kende Ommel in 2015 de hoogste gemiddelde achtergrondbelasting van 9 OU, wat vergelijkbaar was met de gemiddelde achtergrondbelasting in het buitengebied. Ook in de huidige situatie is voor de kern Ommel nog steeds sprake van een hoge geurbelasting. Uit de geurberekening volgt dat voor de bestaande kern Ommel ongeveer 40 tot 50% van de woningen te maken heeft met een hogere kans op geurhinder dan de streefwaarde van 5 OU voor de voorgrondbelasting, corresponderend met maximaal 12% gehinderden, als gevolg van een veehouderij. Hierbij is sprake van een aantal woningen met 20-25% kans op geurhinder, dat correspondeert met een milieukwaliteit ‘tamelijk slecht.
Het karakter van het gebied en meer specifiek het gebied rondom de planlocatie, is van oudsher een agrarisch gebied. Hier is een hogere geurbelasting inherent aan het gebied. Bij de nieuwe bewoners kan de geursituatie als bekend worden verondersteld. Er kan in dit gebied van een hogere mate van acceptatie worden uitgegaan. Tegelijkertijd kent de gemeente Asten een grote maatschappelijke opgave om te voorzien in voldoende woningbouw ook in Ommel. Zo heeft de gemeente zich gebonden aan het burgerinitiatief Ommel 1000+ dat is geïntegreerd in de omgevingsvisie Asten en het programma wonen.
De aanwezige veehouderijen zitten als gevolg van de gemeentelijke geurnorm van 1 OU op de kern Ommel reeds op slot. Een toename van geuremissie is dan ook niet mogelijk. Bovendien streeft de gemeente via vergunningverlening bij veehouderijen een verlaging van de geurbelasting na
Betekenis voor de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een aantasting van de rechten van veehouderijen in de omgeving (toets op de omgekeerde werking). Het plangebied ligt weliswaar binnen de individuele geurcontouren van de varkenshouderijen Ommelsbroek 12 en 8, maar op kortere afstand van beide veehouderijen zijn al bestaande geurgevoelige objecten met geurnorm 1 OU aanwezig, welke bepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De beoogde woningen leiden dan ook niet tot extra beperkingen voor de genoemde veehouderijen. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen geurcontouren zijn mogelijk, mits sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (toets op het woon- en leefklimaat). Uit de achtergrondbelasting geur volgt dat uitgaande van de beoordeling voor een woonkern binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar tot optimaal woon- en leefklimaat (maximaal 12% hinder). Uit de geurberekeningen volgt dat de vergunde voorgrondbelasting van Ommelsbroek 12 meer dan 50% van de achtergrondbelasting vormt, waardoor dit bedrijf maatgevend is bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (= vuistregel). Uit de Geurgebiedsvisie van de gemeente Asten volgt dat de gemeente een milieukwaliteit van ‘redelijk goed’ nastreeft.
In het plan is sprake van een redelijk goede milieukwaliteit bij 26 woningen (87% van het aantal woningen binnen het plan). Voor 4 woningen (13%) geldt een ‘matige’ milieukwaliteit met een belasting tussen de 6,8 en tot 7,5 OU en een kans op geurhinder van 15 a 16,5%. De planontwikkeling voldoet vooralsnog niet aan de streefwaarde van maximaal 12% kans op geurhinder op basis van de voorgrondbelasting geur. Echter, rekening houdende met het agrarische karakter van het gebied kan worden gesteld dat een hogere geurbelasting (voor 40-50% van de bestaande woningen geldt >12% kans op geurhinder) inherent is aan de kern Ommel. Bij de nieuwe bewoners kan de geursituatie als bekend worden verondersteld. Er kan in dit gebied van een hogere mate van acceptatie worden uitgegaan. De aanwezige veehouderijen zitten bovendien als gevolg van de gemeentelijke geurnorm van 1 OU op de kern Ommel reeds op slot. Een toename van geuremissie is dan ook niet mogelijk. Tegelijkertijd geldt dat sprake is van een grote woningbouwopgave. Het voorzien in voldoende woningen en het kunnen blijven wonen in de eigen omgeving is een belangrijke maatschappelijke opgave en wordt ook als een belangrijk onderdeel van positieve gezondheid gezien.
Nu op basis van de achtergrondbelasting geur wordt voldaan, maar voor een deel van het plangebied voor de voorgrondbelasting het streefniveau wordt overschreden is een verbod op woningbouw als nietproportioneel aan te merken in het kader van de belangenafweging. Daarnaast streeft de gemeente via vergunningverlening bij veehouderijen een verlaging van de geurbelasting na. Een reductie van de geurbelasting op termijn is dan ook aannemelijk. Enerzijds wordt in het hele plangebied voldaan aan de streefwaarde voor de achtergrondbelasting. Anderzijds wordt bij 87% van de woningen in het plangebied voldaan aan de nagestreefde milieukwaliteitsklasse ‘redelijk goed’ conform de voorgrondbelastingberekening van de meest
dominante veehouderij. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geur. Daarmee kan een bijdrage worden geleverd aan het grote maatschappelijke belang op het gebied van woningbouwopgave, meer concreet het gemeentelijke streven naar Ommel 1000+. Op termijn wordt tevens, overeenkomstig de gemaakte afspraken met de veehouderij Ommelsbroek 12, maatregelen genomen om te voldoen aan de streefwaarde bij alle woningen. Bijkomend voordeel is dat hierdoor de geurbelasting op de bestaande woningen in Ommel ook verdergaand verlaagd wordt. Dit sluit aan bij de gekozen systematiek van de gemeente Asten om via vergunningverlening bij veehouderijen te sturen om een aanvaardbare geurbelasting te realiseren.