CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Bijlagen Toelichting

Gemeenteraad 28 januari 2025, gemeente AstenBij agendapunt: Bestemmingsplan Ommel Diesdonkerweg 21 2023 (hamerstuk)15.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ommel Diesdonkerweg 21 2023

bestemmingsplan Ommel Diesdonkerweg 21 2023

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

Quickscan flora en fauna

4

Bijlage 2

Memo stikstofonderzoek

45

Bijlage 3

Verslag omgevingsdialoog

67

2 (ontwerp)

bestemmingsplan "Ommel Diesdonkerweg 21 2023"

bestemmingsplan Ommel Diesdonkerweg 21 2023

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan "Ommel Diesdonkerweg 21 2023" (ontwerp) 3

bestemmingsplan Ommel Diesdonkerweg 21 2023

Bijlage 1 Quickscan flora en fauna

4 (ontwerp)

bestemmingsplan "Ommel Diesdonkerweg 21 2023"

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 te Ommel

1

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 te Ommel

Status: Concept In opdracht van: Loomans Bouw en Timmerwerken Familie Loomans-Janssen Kloosterstraat 22 5724 AH Ommel Contactpersoon: Emmy Cadée Crijns rentmeesters bv Uitgevoerd door: Lomans Ecoworks Veldwerk en rapportage: M. Lomans Projectnr: 2341 Datum: 29-10-2023

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de huidige natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Lomans Ecoworks accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Lomans Ecoworks uitgevoerde onderzoek neemt.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

2

Inhoud 1. INLEIDING ...............................................................................................................................3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................3 1.2 Kader van het onderzoek. .....................................................................................................3 1.3 Doelstelling onderzoek ..........................................................................................................3 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED....................................................................................................4 2.1 Ligging en beschrijving plangebied.........................................................................................4 2.2 Huidig gebruik en beoogde ontwikkeling ...............................................................................5 2.3 Foto- impressie plangebied....................................................................................................5 3. WERKWIJZE ............................................................................................................................7 4.

NATUURBESCHERMING IN NEDERLAND .................................................................................8 4.1 Soortenbescherming .............................................................................................................8 4.2 Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 11 4.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 12 5. RESULTATEN ONDERZOEK SOORTENBESCHERMING............................................................. 13 5.1 Flora .................................................................................................................................... 13 5.2 Vogels ................................................................................................................................. 13 5.3 Landzoogdieren grondgebonden ......................................................................................... 15 5.4 Vleermuizen ........................................................................................................................ 17 5.5 Ongewervelden ...................................................................................................................

18 5.6 Vissen, reptielen en amfibieën............................................................................................. 19 6. RESULTATEN ONDERZOEK GEBIEDSBESCHERMING .............................................................. 20 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................................ 20 6.2 Natuurnetwerk Brabant/ Ecologische hoofdstructuur .......................................................... 21 6.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 21 7. SAMENVATTING EN CONCLUSIE ........................................................................................... 22 8. VOORZORGSMAATREGELEN ................................................................................................. 24 9. AANBEVELINGEN .................................................................................................................. 25 10. GERAADPLEEGDE BRONNEN ............................................................................................... 26 Bijlage 1. Beschermde soorten Vogelrichtlijn Bijlage 2. Beschermde soorten Habitatrichtlijn Bijlage 3. Beschermde soorten Provincie Noord- Brabant, ‘Andere soorten’ Bijlage 4. Vrijgestelde soorten

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

3

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Initiatiefnemers zijn voornemens om de locatie Diesdonkerweg 21 in Ommel te herontwikkelen. Hiervoor wordt het geldende bestemmingsplan herzien. Crijns rentmeesters te Asten begeleidt de initiatiefnemers tijdens de te doorlopen planologische procedure. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing dient een Quickscan Flora en fauna (een verkennende natuurtoets) uitgevoerd te worden. Aan Lomans Ecoworks is door de initiatiefnemers opdracht verleend tot het uitvoeren van deze quickscan.

1.2

Kader van het onderzoek

Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming: o Soortenbescherming o Gebiedsbescherming o Houtopstanden

1.3

• o

Provinciale verordening: Natuurnetwerk Nederland (NNN)

• o

Gemeentelijke regelgeving: APV bomenkap

Doelstelling van het onderzoek

Middels dit verkennende onderzoek wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. En op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Indien de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten, leidt de quickscan tot aanbeveling voor vervolgstappen om te voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

4

2.

BESCHRIJVING PLANGEBIED

2.1

Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied Diesdonkerweg 21 ligt ten westen van de kern Ommel in het buitengebied van de gemeente Asten. Het betreft gedeelten van de kadastrale percelen bekend als gemeente Asten sectie M, nummer 1675 en 1676 met een totale oppervlakte van 6297 m². De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door (half)open agrarisch landschap. Ten noordoosten bevindt zich de bosrijke natuur van de Oostappense heide gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant.

Figuur 1. Begrenzing plangebied Diesdonkerweg 21 te Ommel (oranje) en ligging in de omgeving. Bron: Google earth.

Op de locatie is een intensieve varkenshouderij gevestigd. De bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning en twee stallen met een totale oppervlakte van 1500 m². De zuidgrens van het perceel is voorzien van een gemengde bomensingel,voornamelijk zwarte els. Aan de noordzijde wordt het zicht op de stallen onttrokken door een haag van zwarte els en ten westen aan de achterzijde van de stallen is een dubbele rij volwassen zomereiken aanwezig. Aan de oostzijde van de meest noordelijke stal bevindt zich een dierenweide. Rondom de bedrijfswoning ligt een tuin met gazon, sierheester, hagen en enkele solitaire bomen. Achter de bedrijfswoning, ten zuiden van de stallen ligt een raaigrasland. De inrit naar de stallen, het grondvlak tussen de stallen en de inrit naar de bedrijfswoning zijn verhard met betonklinkers.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

5 2.2

Huidig gebruik en beoogde ontwikkeling

De intensieve varkenshouderij is sinds enkele jaren beëindigd en de stallen zijn in gebruik als opslag. De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een agrarische bestemming naar een reguliere bedrijfsbestemming ten behoeve van een aannemersbedrijf en zorgverlening in de vorm van een zorgboerderij. Met de zorgboerderij wordt ingezet op dagbesteding voor mensen met een verstandelijke beperking, met mogelijkheden tot ondergeschikte detailhandel en ondersteunende horeca. De zuidelijke stal (800m²) wordt verbouwd en in gebruik genomen ten behoeve van het aannemersbedrijf en deels ten behoeve van de zorgverlening. De meest noordelijk gelegen stal (700m²) zal worden gesloopt. Met de herontwikkeling worden geen bomen gekapt. Het nieuwe plan wordt landschappelijk ingepast met streekeigen groen.

2.3

Foto- impressie plangebied

De directe omgeving Diesdonkerweg en zicht op de bomensingels rond het plangebied vanuit noord en vanuit zuidoost.

De bedrijfswoning gezien vanuit oost en zich op de te verbouwen stal, het grasland en de achterzijde van de bedrijfswoning vanuit west.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

6

Zicht op de voorzijde van de stallen (rechts de te slopen stal) vanuit de Diesdonkerweg en zicht op de achterzijde van de stallen.

Afgedichte ruimtes onder de golfplaten van beide stallen.

Een kijkje binnen de beide stallen.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

7

3.

WERKWIJZE

De quickscan bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en een biotoopgeschiktheidsbeoordeling. Bronnenonderzoek In het kader van de quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving en Voor het soortenonderzoek is o.a. gebruik gemaakt van actuele verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), diverse verspreidingsatlassen, soortspecifieke literatuur en kennisdocumenten. De bron van de NDFF gegevens die in deze rapportage worden vermeld betreft: ‘NDFF - quickscanhulp.nl 23 oktober 2023’. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (EHS). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Veldbezoek Er heeft een veldbezoek plaatsgevonden op 24 oktober in de namiddag. Het weer was zwaar bewolkt en regenachtig met een zwakke zuidwesten wind een temperatuur van 12°C. Daarbij zijn de aanwezige biotopen in het plangebied en directe omgeving opgenomen.

Bij de biotoopgeschiktheidsbeoordeling worden de aangetroffen biotopen tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF vergeleken met de habitatvereisten van beschermde soorten, waarop ingeschat kan worden welke soorten er potentieel voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. Opmerking: De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de plangebied en directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

8

4.

NATUURBESCHERMING IN NEDERLAND

Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming staat in het teken van verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in Soortenbescherming en Gebiedsbescherming.

4.1

SOORTENBESCHERMING

Beschermingsniveaus De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Europa in het wild levende vogels worden beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Soorten worden Europees beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Het derde beschermingsregime betreft: ‘Andere soorten,’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het zwaarste beschermingsregime geldt voor de Europees beschermde soorten welke vallen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en welke hier als strikt beschermd worden aangeduid. Voor nationaal beschermde soorten ‘Andere soorten’ geldt een zwakker beschermingsregime en kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Van de soorten die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. (met uitzondering van exoten die hier ook kunnen broeden).

Op alle vogels is het beschermingsregime van § 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De Europees beschermde soorten bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De ‘andere’ nationale soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10 en 3.11. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten (zie bijlage 3), is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

9 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Niet van toepassing

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun Natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Tabel 1. Overzicht beschermingsregime met verbodsbepalingen Wet natuurbescherming. Jaarrond beschermde verblijfplaatsen Naast soorten beschermt de Wet Natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. (zie bijlage 1 en 2) Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Ook hier zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek. In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover voor deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

10 Ontheffingsplicht en vrijstelling Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode, door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Toetsing Elke categorie beschermde soorten kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Voor de drie categorieën beschermde soorten moeten de effecten op populatieniveau worden getoetst. Daarbij dient de staat van instandhouding van de gehele populatie in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a.

beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna. Zorgplicht De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. Dit is de waarde die de plant of dier in zichzelf heeft. De waarde die wordt gehecht aan kwaliteiten van een soort, ongeacht de waarde die de soort heeft voor mensen. Artikel 1.11 van de Wnb stelt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om zodoende die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.

Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort nodig onder de Wet natuurbescherming. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

11

4.2

GEBIEDSBESCHERMING

De gebiedenbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden • •

Gebieden die op Europees niveau beschermd zijn en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands) en vallen onder de noemer Natura 2000- gebieden. Planologisch beschermde natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (EHS). In de provincie NoordBrabant geheten; Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Natura 2000 Natura 2000- gebieden betreffen gebieden van grote ecologische waarde. In Nederland zijn 164 Natura 2000- gebieden aangewezen. Per Natura 2000- gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Iedereen die vermoedt, of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000- gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000- doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend indien er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Natuurnetwerk Nederland De natuurgebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland vormen door hun onderlinge verbindingen een samenhangend ecologisch netwerk. Het Natuurnetwerk Nederland is de opvolging van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) waarvan de naam de EHS nog in de wetgeving verankerd is.

De beleidsmatige bescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Omgevingsvisie febr. 2020 vooruitlopend op de Omgevingswet). In de provincie Noord- Brabant (Natuurnetwerk Brabant) bestaat het Natuurnetwerk Nederland uit de Rijks EHS en de provinciale EHS. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen de Rijks- en de provinciale EHS. Provincies kunnen zelf bepalen welke gebieden beschermd worden via het provinciaal beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle mogelijke effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De bescherming van NNNgebieden verloopt via het ruimtelijk ordeningsrecht Barro (bestemmingsplannen) en niet via natuurwetgeving.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

12

4.3

BESCHERMING VAN HOUTOPSTANDEN

Bos valt onder de Wet natuurbescherming als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft, uit meer dan 20 bomen bestaat. Alleen als bos buiten de bebouwde kom ligt, valt het onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet. Bomen op erven en tuinen en een rij wilgen of populieren op of langs landbouwgronden zijn uitgezonderd van de meldingsplicht. Verder is in de Wet natuurbescherming ruimte gecreëerd voor vellen voor de productie van hout als biomassa. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd van de meld- en herplantplicht indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd. De uitzondering van de oude Boswet voor Italiaanse populieren, linden, paardenkastanjes en treurwilgen gaat onder de Wet natuurbescherming niet meer op. De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod.

De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Meldingsplicht Wanneer een boseigenaar voornemens is om een houtopstand die onder de Wet Natuurbescherming valt, te gaan vellen dan moet hij dit voornemen minstens een maand van te voren melden bij Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie. (art. 4.2 Wnb). Herplantplicht De eigenaar van grond waarop een houtopstand is geveld, of op andere wijze teniet is gegaan, is verplicht binnen drie jaar te herplanten. (art. 4.2 Wnb). Het is niet van belang hoe het bos is ontstaan of in welke staat het verkeerde. Wanneer de herplant niet aanslaat, moet binnen drie jaar daarna de herplant worden vervangen. Er geldt een algehele vrijstelling voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Kapverbod In uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten een kapverbod opleggen wanneer het natuurof landschapsschoon ernstig in gevaar is. In de praktijk gebeurt dat slechts af en toe, zoals in gevallen waarbij het om zeer oude bomen of buitengewoon waardevolle boomgemeenschappen gaat.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

13

5.

RESULTATEN ONDERZOEK SOORTENBESCHERMING

De aangetroffen soorten en het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied wordt beschreven. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving op basis van de NDFF, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.

5.1

FLORA

Het plangebied ligt in een landbouwgebied. De rondom liggende agrarische percelen zijn meest sterk bemest. Binnen het plangebied zijn gecultiveerde planten en heesters aanwezig in de tuin. Rondom de stallen zijn algemene soorten van voedselrijke, omgewerkte rond aangetroffen als ridderzuring, melganzenvoet, bijvoet en vogelmuur. Uit gegevens van het NDFF blijkt dat binnen een afstand van 5 kilometer van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde vaatplanten. Binnen het plangebied op stikstofrijke bodem zijn geen groeiplaatsen voor beschermde plantensoorten. Vaatplanten die op de lijsten vermeld staan van de strikt beschermde plantensoorten van de Habitatrichtlijn en provinciaal beschermde soorten worden niet verwacht. Voor dergelijke soorten, die veelal specifieke eisen stellen aan hun leefomgeving, ontbreken geschikte biotopen in het plangebied. Conclusie In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aanwezig. Gelet op de voedselrijke omgeving worden geen beschermde plantensoorten of overige flora met bijzondere botanische waarden verwacht.

5.2

VOGELS

In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’ (zie bijlage 1). Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. Voorkomen Categorie 1-4 vaste verblijfplaatsen in gebouwen Binnen een straal van één kilometer vermelden de NDFF gegevens vogels met jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen als gierzwaluw, huismus, steenuil, kerkuil, grote gele kwikstaart en slechtvalk. Op enige afstand van 1-5 kilometer zijn geen waarnemingen bekend. -Gierzwaluw en huismus De gierzwaluw bouwt nesten onder dakpannen, achter dakgootbetimmering en in spleten en nissen aan gebouwen in dorpen en steden. In Nederland broedt de gierzwaluw vrijwel nooit in het buitengebied en de te slopen en te verbouwen stallen met golfplaten dak (grotendeels afgedicht) zijn ongeschikt voor de gierzwaluw. Nesten van huismussen zijn in de regel te vinden in allerlei bebouwing onder dakpannen, achter regenpijpen, in kieren en spleten in muren, in nestkasten en een enkele keer in dichte struiken.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

14 Tijdens het veldbezoek is een huismus gehoord in de voortuin nabij de bedrijfswoning. De te slopen en de te verbouwen stal zijn onderzocht op aanwezigheid van huismussennesten. Hierbij is gelet op o.a. uitstekende droge grassprietjes en veertjes uit een mogelijke nestplaats of uitwerpselen tegen een gevel onder een mogelijke nestplek. In beide stallen zijn de ruimtes onder de golfplaten vrijwel geheel afgedicht waardoor nauwelijks mogelijkheden zijn om onder het dak te geraken. Er zijn geen aanwijzingen die duiden op aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van huismussen in de te slopen en de te verbouwen stal. -Steenuil en kerkuil De steenuil is een standvogel van kleinschalige agrarisch cultuurlandschap. Het territorium is vrij klein en het jachtgebied varieert in grootte afhankelijk van het voedselaanbod. Van de steenuil is niet alleen de vaste verblijfplaats (nest) beschermd maar ook de directe functionele omgeving waar op prooien gejaagd en gerust wordt. De kerkuil is een honkvaste vogel van (half)open landschappen die meestal een leven lang in de omgeving van de broedplaats verblijft en een voorkeur heeft voor complete duisternis. Het leefgebied is afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel. De kerkuil broedt hoog in donkere boerenschuren of in nestkasten.

Er is informatie opgevraagd bij de lokale steen- en kerkuilenwerkgroep Brabants Landschap met betrekking tot het voorkomen van steen- en kerkuil in de directe omgeving. De dichtstbijzijnde bekende locatie waar de steen- en de kerkuil broedt, ligt op 500 meter ten noordwesten. Op bijna 800 meter te noordwesten is een recent broedgeval van de steenuil bekend. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van de kerk- en steenuil zoals braakballen, ruiveren, krijtsporen tegen een gevel of uitwerpselen onder een mogelijke roestplek op het erf nabij de bebouwing. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. Ook een nestlocatie is niet aanwezig in de te slopen en de te verbouwen stal. -Grote gele kwikstaart en slechtvalk De grote gele kwikstaart leeft en broedt bij voorkeur bij stromend water in natuurlijke oevers en nestelt onder bruggen en aan gebouwen en de slechtvalk nestelt in hoge gebouwen als kerktorens en fabrieksgebouwen. Nesten van beide soorten binnen het plangebied zijn uitgesloten. In de te slopen stallen zijn geen jaarrond beschermde nesten van cat. 1-4 broedvogels aangetroffen. Het voorkomen van cat. 1-4 jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen kan worden uitgesloten.

Categorie 1-4 vaste verblijfplaatsen in bomen Volgens gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen op een afstand van minder dan één kilometer uit deze categorie boomvalk, buizerd, havik, roek, wespendief en sperwer voor. Op een afstand van 1-5 kilometer zijn waarnemingen bekend van bosuil, ransuil, raaf, zwarte wouw en ijsvogel. Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten uit deze categorie gespot. De boomsingels aan de randen van het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Er zijn geen grote nesten van roofvogels, ransuil of roestplekken van ransuil aangetroffen. Het merendeel van bovengenoemde vogels met jaarrond beschermde nesten vinden broed- en foerageerbiotoop in de directe omgeving in bos- en heidegebieden als de Oostappense bossen. Binnen het plangebied zelf omgeving ontbreken dit soort biotopen. In het plangebied zijn geen beschermde nesten uit categorie 1-4 in bomen aanwezig. Met de boogde herontwikkeling worden geen bomen gekapt, alle groen blijft gehandhaafd en wordt aanvullend landschappelijk ingepast. Vaste rust- en verblijfplaatsen categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. De nesten zijn buiten de broedtijd niet beschermd.

Het betreft hier voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai of makers van kleinesten in en aan bebouwing als boerenzwaluw en

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

15 huiszwaluw. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten die meestal ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid ter beschikking hebben. Tijdens het veldbezoek zijn koolmezen gezien uit deze categorie. Nesten of mogelijke nestholtes in bomen zijn niet aanwezig. Overige Vogelrichtlijnsoorten In de groene tuin en de bomensingels zijn volop mogelijkheden om te nestelen door overige algemene vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn, zoals houtduif, winterkoninkje, roodborst, merel en zanglijster. Tijdens het veldbezoek zijn en houtduiven gespot. Nesten van algemene vogelrichtlijnsoorten zijn niet aangetroffen. Conclusie Jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen In de te slopen en de te verbouwen varkensstal zijn geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels aangetroffen en worden ook niet verwacht vanwege de bouwstijl en het vrijwel geheel ontbreken van toegangsmogelijkheden voor vogels. Jaarrond beschermde verblijfplaatsen in bomen In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde cat. 1-4 nesten in bomen aangetroffen. Grote nesten van jaarrond beschermde soorten zijn niet aanwezig en geschikte holtes en gaten ontbreken. Alle bomen blijven behouden en in het toekomstige plan en wordt aanvullend landschappelijk ingepast.

Overige Vogelrichtlijnsoorten Tijdens het veldbezoek werden enkele soorten waargenomen uit deze categorie. Met de aanvullende landschappelijke inpassing in het nieuwe plan zullen nest- en foerageermogelijkheden voor een aantal algemene tuin,-bos- en struweelvogels toenemen. Bij de planning van de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot eind juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Het is verboden om nesten van broedende vogels te beschadigen of te vernietigen.

5.3

LANDZOOGDIEREN GRONDGEBONDEN

Voorkomen Jaarrond beschermde verblijfplaatsen Volgens bronnenonderzoek komen geen zoogdieren met jaarrond beschermde verblijfplaatsen voor binnen een afstand van 0-1 kilometer van het plangebied. Het NDFF vermeldt bever (§ 3.2 Wnb), eekhoorn, steenmarter, bunzing en das (§ 3.3 Wnb) op 1-5 km afstand. -Bever De bever leeft in moerassige delen nabij beken en rivieren omzoomd met broek- en ooibossen. Het voorkomen van de bever binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Eekhoorn De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. Binnen het plangebied zijn voedselmogelijkheden voor de eekhoorn. De eekhoorn zal vanuit het nabijgelegen bos het plangebied bezoeken om te foerageren. Beschermde nesten van de eekhoorn in bomen zijn niet waargenomen. -Steenmarter

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

16 De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort breidt zich de laatste jaren sterk uit komt met name voor aan de randen en binnen dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. Vaste verblijfplaatsen bevinden zich in o.a. woonhuizen tussen dakbeschot, schuurtjes, donkere hoekjes van agrarische bebouwing waar weinig menselijke activiteit is. De aanwezigheid van een vaste verblijfplek verraadt zich vaak door prooiresten, uitwerpselen en stank. De te slopen bebouwing is onderzocht op sporen van aanwezigheid of een vaste voortplantingsplek. Er zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen. -Kleine marterachtigen en das Het leefgebied van kleine marters (wezel, bunzing en hermelijn) bevindt zich voornamelijk in en nabij (agrarisch) cultuurlandschap. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing en hermelijn is water in de nabijheid van belang.

Alle drie de soorten hebben een zwervend gedrag waarbij ze grote afstanden afleggen en wisselende rustplaatsen gebruiken. Kleine marterachtigen zullen de boomsingels aan de randen van het plangebied benutten om zich te verplaatsen in het landschap en te foerageren. Deze landschappelijke elementen blijven behouden. Op het achtererf is opslag aanwezig van bouwmaterialen, stapels dakpannen, houtstapels en stenen. Kleine marterachtigen schuilen graag onder dit soort elementen. Het plangebied, zover dit functioneel is voor kleine marterachtigen voldoet niet aan de afmetingen van minimaal 1 hectare die overheidsuitgave ‘Handreiking voor kleine marterachtigen’ (BIJ12) stelt om een nader onderzoek te vereisen. Mocht deze opslag in de toekomst in zijn geheel worden verwijderd, dan moet wel rekening worden gehouden met aanwezigheid van kleine marterachtigen. De opruimwerkzaamheden dienen buiten de kwetsbare voortplantingsperiode te worden uitgevoerd. De kwetsbare voortplantingsperiode van kleine marterachtigen ligt tussen maart en augustus. De opruimwerkzaamheden kunnen dus uitgevoerd worden in de periode september- eind februari. Voor de das, die een voorkeur heeft voor kleinschalig cultuurlandschap met bos en voldoende dekking ontbreken verblijfsmogelijkheden binnen het plangebied.

Vrijgestelde soorten Er worden enkele zoogdieren verwacht die gebruik maken van het plangebied uit de categorie ‘Vrijgestelde soorten’ zoals egel, konijn, haas en enkele algemene woel- en spitsmuizen. Voor soorten uit deze categorie geldt bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Echter de algemene zorgplicht is altijd van kracht.

Conclusie Binnen het plangebied zijn potentiële schuilplekken voor kleine marterachtigen aanwezig welke met opruimwerkzaamheden verloren kunnen gaan. Een nader onderzoek is niet nodig vanwege een beperkt oppervlak (kleiner dan 1 ha.) aan functionaliteit voor kleine marterachtigen. Met het opruimen van de pallets met tegels, de big bags, stapels dakpannen en stenen moet wel rekening te worden gehouden met aanwezigheid van kleine marters. De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (maart- augustus). Dus opruimen van de materialen tussen september en eind februari. Verder kan op basis van het veldbezoek het voorkomen van beschermde vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen van landgebonden zoogdieren binnen de te slopen en de verbouwen stal worden uitgesloten. De bomensingels aan de randen van het plangebied zullen door steenmarter en kleine marterachtigen worden benut om te foerageren en zich te verplaatsen in het landschap. Deze landschappelijke elementen blijven behouden en worden versterkt in het toekomstige plan.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

17 Het plangebied biedt verder leefgebied voor een aantal landgebonden zoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Echter de zorgplicht is wel altijd van kracht. Voor toepassing van de zorgplicht zie hoofdstuk 8 ‘Voorzorgsmaatregelen’ op pagina 24.

5.4

VLEERMUIZEN

Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in de Europese Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb). Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voorkomen In dit deel van het land kunnen o.a. de volgende soorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone,- en grijze grootoorvleermuis en watervleermuis. Belangrijke vliegroutes en foerageergebied Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen, rietkragen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. Binnen het plangebied zijn geen aanééngesloten lijnvormige groenstructuren aanwezig welke mogelijk fungeren als vaste vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen. De bomensingels en groene delen van het plangebied omvatten foerageerhabitat van goede kwaliteit. Alle bomen blijven behouden in het nieuwe plan.

De sloop van 700m² agrarische bebouwing en de aanvullende landschappelijke inpassing in het toekomstige plan zal leiden tot versterking van de biodiversiteit ter plaatse waar de vleermuizen zeker van zullen profiteren. Verblijfplaatsen Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden, soorten die in gebouwen verblijven en enkele soorten die zowel in bebouwing als in bomen verblijfplaatsen hebben. De bedrijfswoning met pannendak heeft potenties voor vleermuisverblijfplaatsen. De bedrijfswoning blijft in de huidige vorm behouden. De te slopen varkensstal en te verbouwen varkensstal zijn onderzocht en beoordeeld op potentiële vleermuisverblijfplaatsen. De stallen zijn opgetrokken uit bakstenen gevels met enkelsteens muren of dichte spouwmuren. De daken zijn van asbesthoudende golfplaten met kaal golfplaten dak of aan de onderzijde bekleed met isolatiepanelen. In beide stallen zijn de ruimtes tussen de golfplaten en de gevels grotendeels afgedicht met vogelschroot. De beide stallen zijn ongeschikt bevonden voor vleermuizen om te verblijven. Toegang tot de stallen is vrijwel onmogelijk. Ruimtes tussen de isolatieplaten en de golfplaten zijn ongeschikt vanwege grote temperatuurschommelingen. Er zijn in de stallen geen gebufferde plekjes met een stabiel (micro)klimaat te vinden waarin vleermuizen kunnen wegkruipen.

In de bomensingels zijn geen bomen aangetroffen met rottingsgaten, holtes of (stam)spleten en loshangende schors waarin zich vleermuisverblijfplaatsen kunnen bevinden. Alle bomen en groenstructuren blijven gehandhaafd in het nieuwe plan. Conclusie Belangrijke vliegroutes en foerageergebied Lijnvormige aanééngesloten groenstructuren welke mogelijk benut worden als essentiële vliegroute zijn niet aanwezig. Het plangebied vormt foerageerhabitat van goede kwaliteit. Alle groenstructuren

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

18 blijven behouden en worden uitgebreid in het nieuwe plan. De aanvullende landschappelijke inpassing in de toekomst zal leiden tot een versterking van jaagmogelijkheden voor vleermuizen. Verblijfplaatsen Door het type bebouwing en gebruikte materialen kunnen vleermuisverblijfplaatsen in beide varkensstallen redelijkerwijs worden uitgesloten. In de bomensingels zijn geen exemplaren met holtes, gaten of stamspleten aanwezig waardoor vaste verblijfplekken in bomen eveneens kunnen worden uitgesloten. Negatieve effecten op vleermuizen worden niet verwacht.

5.5

ONGEWERVELDEN

Voorkomen Vlinders en libellen Tijdens het veldbezoek met regenachtig weer eind oktober zijn geen vlinders en libellen gezien. De NDFF vermeldt binnen een afstand van 1 kilometer het plangebied geen waarnemingen van beschermde vlinders en libellen. Op een afstand van 1-5 kilometer komen teunisbloempijlstaart (§ 3.2 Wnb), grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, grote vos, spiegeldikkopje, beekrombout en bosbeekjuffer (§ 3.3 Wnb) voor. Het plangebied ligt in een agrarische omgeving. Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze meestal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Het is uitgesloten dat er binnen het agrarische plangebied geschikt habitat aanwezig is voor een populatie van een beschermde vlindersoort. Binnen het plangebied worden enkel algemene vlindersoorten verwacht als atalanta, citroenvlinder, dagpauwoog en bont zandoogje. Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Binnen het plangebied ontbreekt oppervlaktewater. De aanwezigheid van beschermde libellen kan worden uitgesloten.

Overige soorten ongewervelden Overige beschermde soorten insecten, hout- en waterkevers zoals de vermiljoenkever, vliegend hert of gestreepte waterroofkever zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders en libellen gespot. Binnen het plangebied en directe omgeving ontbreken specifieke biotopen voor beschermde dagvlinders en voortplantingswater voor libellen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan worden uitgesloten. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt in de huidige situatie uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

19 5.6

VISSEN, REPTIELEN EN AMFIBIEËN

Voorkomen Vissen Binnen het plangebied ontbreekt oppervlaktewater. Het voorkomen van (beschermde) vissen kan uitgesloten worden. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen waarnemingen bekend van beschermde vissoorten. Reptielen en amfibieën Volgens gegevens uit het NDFF komen geen beschermde reptielen en amfibieën voor binnen een afstand van 0 tot 1 kilometer tot het plangebied. Op enige afstand van 1-5 kilometer zijn waarnemingen bekend van de knoflookpad, rugstreeppad, heikikker, poelkikker, zandhagedis (§ 3.2), alpenwatersalamander en levendbarende hagedis (§ 3.3). Voor bovengenoemde beschermde amfibieën en reptielen op een afstand van 1-5 kilometer ontbreken geschikte biotopen binnen het plangebied zoals specifiek voortplantingswater, vergraafbaar zand, ruige extensieve graslandjes met holletjes en struwelen, hoogveen en vochtige en droge heideterreinen. Deze soorten vinden leefgebied in Natura 2000-gebied Strabrechtse heide & Beuven op een ruime 4 kilometer afstand van het plangebied. Conclusie Het voorkomen van beschermde vissen en reptielen en amfibieën kan worden uitgesloten door het ontbreken van oppervlaktewater en specifiek landhabitat. Het is zeer aannemelijk dat algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad overwinteren in het plangebied.

Bruine kikker en gewone pad behoren tot de ‘Vrijgestelde soorten’ waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling geen verbodsbepalingen gelden. Echter de algemene zorgplicht (zie blz. 11) is altijd van kracht. Voor toepassing van de zorgplicht zie hoofdstuk 8 ‘Voorzorgsmaatregelen’ op pagina 24.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

20

6.

RESULTATEN ONDERZOEK GEBIEDSBESCHERMING

6.1

Natura 2000

Uit gegevens van het Natuurbeheerplan van de provincie Brabant blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van 4,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Het betreft Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Strabrechtse heide en Beuven’, met o.a. natte en droge heiden, stuifzanden en het grootste natuurlijke ven van Nederland met zeldzame zachtwaterflora.

Figuur 3. Ligging plangebied (blauwe cirkel) t.o.v. Natura 2000- gebieden (rood gearceerd). Bron: https://noord-brabant.maps.arcgis.com

In de Wet natuurbescherming is het uitgangspunt dat activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Stikstofdepositie De beoogde herbestemming van agrarisch naar een reguliere bedrijfsbestemming ten behoeve van een aannemersbedrijf, een zorgboerderij en de sloop van een varkensstal van 700 m² zal leiden tot een forse afname van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een beperkte toename van verkeersbewegingen, cliënten worden opgehaald en gebracht waarbij op efficiëntie zal worden ingezet. Levering van materialen voor het aannemersbedrijf vindt plaats op de bouwplaats elders. Daarentegen vallen uitstoot van ammoniak en verkeersbewegingen van zwaar (landbouw) verkeer geheel weg. Om inzicht te verkrijgen in de stikstofdepositie in het nieuwe plan wordt met behulp van de Aerius calculator een berekening gemaakt. Natura 2000- overige effecten (licht, geluid, trillingen) Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en het effectbereik t.o.v. Natura 2000gebieden zijn negatieve effecten door licht, geluid en trillingen uit te sluiten.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

21 6.2

Natuurnetwerk Brabant / Ecologische Hoofdstructuur

Op het onderstaande uitsnede uit het Natuurbeheerplan van de provincie Brabant is te zien dat het dichtst bijzijnde gebied welke begrensd is als Natuurnetwerk Brabant, ligt op een afstand van ca. 30 meter ten noordoosten van het plangebied. Het betreft een bosperceel aan de rand van de Oostappense heide aangeduid met natuurbeheertype N16.02 ‘Droog bos met productie’.

Figuur 4. Ligging plangebied (blauwe cirkel) t.o.v. Natuur Netwerk Brabant (groen gearceerd). Bron: https://noord-brabant.maps.arcgis.com

In of in de directe nabijheid van een NNB-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. De Interim omgevingsverordening NB stelt in § 3.23 art. 3.16 lid 1 en 3, dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuurnetwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht en water, negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. Het plangebied ligt op korte afstand van een NNB-gebied. De herbestemming van ‘agrararisch’naar een reguliere bedrijfsbestemming ten behoeve van een aannemersbedrijf, de realisatie van een zorgboerderij en de sloop van een varkensstal van 700m² zullen niet leiden tot aantasting van de kernwaarden van het NNB-gebied.

6.3

Houtopstanden

Met de beoogde bestemmingswijziging worden geen bomen gekapt. Art. 4.2 Wet natuurbescherming of regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening zijn niet van toepassing.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

22

7.

SAMENVATTING EN CONCLUSIE (Toetsing aan de Wet natuurbescherming)

BESCHERMDE SOORTEN Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels cat. 1-4 jaarrond beschermde nesten in de te slopen en te verbouwen stallen en in bomen aanwezig. Ook zijn geen nesten, of geschikte holtebomen voor cat. 5 beschermde vogelsoorten aanwezig. Overtreding van art. 3.1 lid 2,4 en 5 van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Overige vogelrichtlijnsoorten Het plangebied en directe omgeving vormt geschikt foerageergebied en nestgelegenheid voor een aantal algemene vogelrichtlijnsoorten. Met de aanvullende landschappelijke inpassing in het toekomstige plan worden groenstructuren uitgebreid waardoor nest- en foerageergelegenheid voor een aantal bos- en struweelvogels zullen toenemen. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Vleermuizen: vliegroutes en foerageergebied Binnen het plangebied zijn geen aanééngesloten lijnvormige groenstructuren aanwezig welke mogelijk fungeren als vaste vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen. Het plangebied vormt foerageergebied van goede kwaliteit. Met de aanvullende landschappelijke inpassing zullen jachtmogelijkheden voor vleermuizen versterkt worden in het nieuwe plan.

Vleermuizen: verblijfplaatsen Gelet op de constructie en de gebruikte materialen kan de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in de te slopen en de te verbouwen stal redelijkerwijs uitgesloten worden. Het woonhuis biedt potenties voor vleermuizenverblijfplaatsen. De woning blijft in de huidige vorm gehandhaafd. Ook zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in bomen. Negatieve effecten op vleermuizen zijn niet aan de orde. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Het is niet uitgesloten dat kleine marterachtige schuilgelegenheid vinden in en onder bouwmaterialen, stapels dakpannen, houtstapels en stenen op het achtererf. Nader onderzoek naar kleine marters is niet nodig. Mocht deze opslag in de toekomst in zijn geheel worden verwijderd, dan moet wel rekening worden gehouden met aanwezigheid van kleine marterachtigen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen (zorgvuldig handelen) en overtreding van verbodsbepalingen Wnb te voorkomen dient het opruimen plaats vinden buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen (maart- augustus). De opruimwerkzaamheden kunnen uitgevoerd worden in de periode september- februari. Vrijgestelde soorten Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor een aantal landzoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling.

Er worden soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals konijn, haas, egel, bruine kikker, gewone pad en enkele algemene spits- en woelmuizen. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht (zie blz. 11) is altijd van kracht. Voor toepassing van de zorgplicht zie hoofdstuk 8 pagina 24.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

23

BESCHERMDE GEBIEDEN Natura 2000- gebied Stikstofdepositie Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ligt op een afstand van 4,5 kilometer. De herbestemming van agrarisch naar een reguliere bedrijfsbestemming ten behoeve van een aannemersbedrijf, een zorgboerderij en de sloop van een varkensstal van 700 m² met aanvullende landschappelijke inpassing zullen enkel een positieve invloed hebben op stikstofgevoelige natuur. Met de uit te voeren Aeriusberekening kan hier duidelijkheid in worden verkregen. Natura 2000- overige effecten (licht, geluid, trillingen) Gezien de aard, de omvang, het effectbereik en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000gebied zijn negatieve overige effecten uit te sluiten. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt op een afstand van 30 meter van een NNB-bosgebied met beheertype N16.02 ‘Droog bos met productie’. Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van aantasting van kernwaarden van het NNB-gebied. Houtopstanden Met de herbestemming worden geen bomen gekapt. Art. 4.2 Wnb is niet van toepassing.

Eindconclusie: • Met de beoogde herontwikkeling van de locatie Diesdonkerweg 21 te Ommel worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden mits; - opruimwerkzaamheden op het achtererf met gestapelde tegels, dakpannen, hout etc. plaatsvindt buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen. De werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden tussen september en februari. • Een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag is niet aan de orde. • De voorzorgsmaatregelen voor ‘Vogels algemeen’ en ‘Toepassing van de algemene zorgplicht voor vrijgestelde soorten’ (hoofdstuk 8. Blz. 24) dienen te worden opgevolgd.

Lomans Ecoworks

Quickscan Flora en fauna Diesdonkerweg 21 Ommel

24

8.

VOORZORGSMAATREGELEN

Vogels algemeen Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Het is verboden om nesten van broedende vogels te beschadigen of te vernietigen. Wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen opgestart worden en doorlopen tot in het broedseizoen, kan verstoring worden voorkomen door continu door te werken en de werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stil te leggen. Op deze manier wordt voorkomen dat vogels tot broeden komen in, of in de naaste omgeving waar gewerkt wordt. Als aanbeveling geldt om met zekerheid schade aan broedgevallen uit te sluiten, de werkzaamheden geheel buiten de broedtijd van vogels uit te voeren. Toepassing Algemene zorgplicht voor vrijgestelde soorten Het plangebied vormt leefgebied voor enkele landzoogdieren en amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Echter de zorgplicht is wel altijd van kracht. Voor toepassing van de zorgplicht zijn onderstaande maatregelen van belang; • De werkrichting tijdens de sloopwerkzaamheden is richting een rustige/natuurlijke locatie zodat dieren daarheen kunnen vluchten. In dit geval in (noord)oostelijke richting.

• Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren die tijdens werkzaamheden worden aangetroffen om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

Tips voor beperking verlichting Aanbevolen wordt om de verlichting in de nieuwe situatie tot een minimum te beperken. Verlichting zorgt voor verstoring van vleermuizen en nachtvogels als uilen welke gebruik maken van tegenoverliggend NNB- bosgebied. De effecten van de verlichting kunnen op een aantal manieren worden beperkt. Hieronder een overzicht van de mogelijke maatregelen. In veel gevallen zal een combinatie van een aantal maatregelen de beste uitkomst geven. Enkele veel gebruikte methoden om de effecten van lichthinder te beperken zijn: •

niet uitstralende armaturen

• •

lagere armaturen (dan zijn er wel meer nodig) verlichting met een lagere lichtintensiteit

•

gebruik van amberkleurige, vleermuisvriendelijke verlichting

•

plaatsen van afschermende beplanting

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=d333f2d7-0d7b-4bff-803a-f8ab6bcde7c3