CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Toelichting ‘Ommel Diesdonkerweg 21 2023’

Gemeenteraad 28 januari 2025, gemeente AstenBij agendapunt: Bestemmingsplan Ommel Diesdonkerweg 21 2023 (hamerstuk)18.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.2.2.3 Waterbeheerplan 2022-2027 Op 19 november 2021 is het waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

3.

en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede

-

ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

5.2.2.4 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het plangebied is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart behorende bij de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ weer, waarbij het plangebied met een blauwe cirkel is aangeduid .

Figuur 10: Uitsnede kaart behorende bij de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.2.2.5 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m².

Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat

5.2.2.6 Uitgangspunten weging van het waterbelang Het waterschap toets ruimtelijke plannen op acht onderwerpen, de ‘weging van het waterbelang’, om te beoordelen of in het plan voldoende rekening is gehouden met de waterbelangen: 1.

Voorkomen van vervuiling Bouw en renovatie belasten het milieu. Als waterschap streven we ernaar om verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Het voorkomen van vervuiling is dan ook een randvoorwaarde voor de weging van het waterbelang.

2.

Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoek je naar een plek die hoog en droog genoeg is. Mocht dit niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zul je moeten compenseren. Je neemt daarbij maatregelen om het gebied voldoende tegen wateroverlast te beschermen.

3.

Hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO) We hanteren het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Dit betekent dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag je de grondwaterstand niet verlagen. Bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied mag je de oorspronkelijke landelijke afvoer niet overschrijden. Het waterpeil moet aansluiten bij de optimale grondwaterstanden. In poldergebieden staan we seizoensfluctuaties toe.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

4.

Vuil water en hemelwater scheiden Vuil water hoort thuis in het riool. Schoon hemelwater voer je af naar de bodem of watergang. Soms is dit door ruimtegebrek niet mogelijk. Bij bebouwd gebied accepteren we daarom vaak een compromis: het gescheiden aanbieden van waterstromen aan het reeds aanwezige gemengde rioolstelsel. We gaan niet akkoord met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels.

5.

Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer Bij de afvoer van schoon hemelwater hanteer je de stappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Hergebruik van regenwater is interessant bij grootschalige voorzieningen als scholen en kantoorgebouwen. Het verzamelde regenwater kan gebruikt worden voor het spoelen van de toiletten, voor de tuin of voor wasmachines. Bij kleinere percelen is infiltratie in de bodem de beste oplossing. Dit kan bijvoorbeeld via de natuurlijke weg bij heel grof zand en een lage grondwaterstand, via kiezels of een infiltratiesysteem. Als dit geen optie is, kies je voor de buffering van het water in een waterberging, om overstroming tijdens zware regenval te vermijden. Een laatste mogelijkheid is het vertraagd afvoeren van een neerslagpiek naar een leggerwatergang.

6.

Waterschapsbelangen Bij je bouwproject kunnen verschillende waterschapsbelangen spelen: - Ruimteclaims voor waterberging - Ruimteclaims voor de aanleg van natte ecologische verbindingszones en beekherstel

- Aanwezigheid en ligging watersysteem - Aanwezigheid en ligging waterkeringen - Aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims voor de afvalwaterketen die in ons -

beheer is Spelen deze belangen een rol in je plan? Dan benoem je dit in de planregels, de plankaart (verbeelding) en de plantoelichting.

7.

Meervoudig ruimtegebruik Gebruiksfuncties kunnen worden gecombineerd. Bijvoorbeeld: een wadi kan bovengronds ook worden ingericht en beheerd als speelterrein voor kinderen.

8.

Water als kans Water wordt soms gezien als probleem. Water kan echter ook een meerwaarde geven aan je plan. Je kunt gebruik maken van de belevingswaarde van water. Veel mensen waarderen immers een mooie waterpartij met bijbehorend groen.

De beoogde herontwikkeling vindt plaats op een bestaande locatie in het buitengebied. De locatie is hoog en droog gelegen waardoor er sprake is van wateroverlastvrij bestemmen. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. De grondwaterstand zal niet verlaagd worden. Per saldo zal de oppervlakte aan verharding afnemen. Vuil- en hemelwater zullen in de toekomstige situatie gescheiden blijven. Het hemelwater zal lokaal geïnfiltreerd worden. Dit kan bijvoorbeeld in de parallel gelegen groenstrook.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.2.2.7 GRP gemeente Asten 2021-2025 De gemeenteraad van de gemeente Asten heeft op 8 december 2020 het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan gemeente Asten 2021-2025’ (GRP) vastgesteld. Dit plan bevat zowel het riolerings- als het waterbeleid omdat dit niet los van elkaar kan worden gezien. De gemeente geeft in dit plan aandacht aan 9 speerpunten: 1. Duurzame waterketen 2. Klimaatbestendige waterketen 3. Grondwaterhuishouding in balans 4. Een klimaatbestendig watersysteem 5. Schoon en gezond water 6. Water als ordenend principe 7. Beleefbaar water 8. Verder professionaliseren waterketen 9. Samen werken aan water Om de strategie bij speerpunt 2 te concretiseren is een handreiking hemelwaterbeleid opgesteld. De handreiking geeft duidelijkheid over te hanteren normen ten aanzien van waterberging. In de handreiking zijn 5 categorieën opgenomen: 1. Bestaand (ongewijzigd): Geen extra waterberging wordt vereist. 2. Drukriool buitengebied: Hier geldt een algeheel verbod om hemelwater af te voeren op de drukriolering. Afgedwongen kan worden dat regenwater niet op de drukriolering mag worden geloosd. 3. Nieuwbouw (uitbreiding, inbreiding en bijgebouwen > 40 m², herbouw, aanbouw van 90 m² of meer: Er dient te worden voorzien in een gescheiden afvoer / verwerking van schoon hemelwater en afvalwater. Voor nieuwbouw vereist de gemeente een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak.

Ook bij herbouw dient eveneens een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³. 4. Verbouw, aanbouw (tot 90 m²), vrijstaande bijgebouwen (tot 40 m²) bij bestaande gebouwen en woonunits op bouwlocaties: Flexibiliteit wordt gegeven om ruimte voor wateropvang te creëren. De gemeente stimuleert initiatieven van particulieren, bedrijven en instellingen voor duurzame omgang met water. 5. Aanleg van gescheiden riolering: Bio rioolverzwaring of rioolvervanging legt de gemeente een separaat hemelwaterriool aan of wordt het hemelwater ter plaatse geborgen en geïnfiltreerd of geloosd op oppervlaktewater.

5.2.3

Waterafvoer

5.2.3.1 Huidige situatie Het hemelwater dat valt op de daken van de bedrijfsgebouwen wordt in de huidige situatie lokaal geïnfiltreerd. Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op de drukriolering.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.2.3.2 Toekomstige situatie 5.2.3.2.1

Hemelwater

Als gevolg van de beoogde ontwikkeling vindt sloop van 700 m² bebouwing plaats. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht binnen het plangebied. Wel zullen parkeerplaatsen worden aangelegd, zoals omschreven in paragraaf 3.5.2. Het hemelwater dat valt op deze parkeerplaatsen zal afvloeien op de omliggende gronden, in eigendom van initiatiefnemer, en aldaar infiltreren. De Gemiddelde Hoogste Waterstand (GHG) ter plaatse is gelegen tussen 140-250 cm-mv. Dat maakt de locatie uitermate geschikt voor hemelwaterinfiltratie. Ook de bodem, Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand, is geschikt voor infiltratie. De wijze van hemelwaterafvoer van de daken wijzigt dan ook niet ten opzichte van de huidige situatie. 5.2.3.2.2

Afvalwater

De locatie is thans in gebruik als intensieve veehouderijlocatie, waarbij een minicamping is toegestaan. Na herontwikkeling zal er sprake zijn van een maatschappelijke bestemming ten behoeve van opslag voor een aannemersbedrijf en zorgverlening in de vorm van een zorgboerderij. De minicamping is ook in de toekomstige situatie toegestaan. Op basis van het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan gemeente Asten 2021-2025’ mag elke bestaande aansluiting op de drukriolering maximaal 0,5 m³ per uur afvalwater op de drukriolering lozen. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verbruikte Nederland in 2022 gemiddeld 129 liter water per dag per persoon. Dit water wordt gebruikt voor: Doorspoelen toilet: 35% Douchen: 22% Wasmachine: 19% Afwassen: 12%

-

Koken: 2% Overig: 10%

Cliënten van de zorgboerderij zullen ter plaatse niet douchen (22%) of de wasmachine (19%) gebruiken. Ook zijn zij slechts gedurende de dagperiode op de locatie en is het waterverbruik als gevolg van toiletgebruik dus lager dan gemiddeld. Aangenomen kan worden dat cliënten gemiddeld per dag gemiddeld 55 liter water per dag verbruiken. Uitgaande van maximaal 30 cliënten betekent dit 1.650 liter per dag. Daarmee zal de norm van maximaal 0,5 m³ per uur afvalwater niet overschreden worden.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.3

Cultuurhistorie

Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het plangebied is op de CHW aangeduid als ‘Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)’. Dit betreft de regio ‘Peelrand’. De Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen. De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied. Het oude zandlandschap rond Stiphout met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen is een voorbeeld van dergelijke oude ontginningen. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. In de loop van de afgelopen 1000 jaar werd er vanuit deze dorpen steeds verder geknabbeld aan de randen van het veen. Tussen de oude dorpen en het Peelgebied liggen jonge ontginningen en boscomplexen uit de negentiende en twintigste eeuw. Het plangebied is op de CHW tevens aangeduid als ‘Archeologisch landschap (provinciaal cultuurhistorisch belang)’. Dit betreft het landschap ‘Dekzandeiland Asten-Deurne’.

Dit landschap bestaat uit de met oude bouwlanden en stuifduinen bedekte dekzandeilanden van Asten, Deurne, Vlierden en Milheeze. De eilanden worden van elkaar gescheiden door de beken de Astensche Aa, Oude Aa en Kaweische loop. In het noorden wordt de grens gevormd door het beekdal van de Esperloop, in het zuiden door het beekdal van de Aa. De genoemde beekdalen ontspringen op de oostelijker gelegen Peelhorst. In het zuidoosten vallen een randzone van dit plateau en een deel van het hierop gelegen hoogveengebied de Peel binnen de grenzen van dit landschap. Aan het plangebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend. De te slopen bebouwing aan Diesdonkerweg 21 kent geen cultuurhistorische waarde. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.4

Archeologie

5.4.1

Inleiding

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet betreft één integrale wet die betrekking heeft op archeologie (op het land en onder water), museale objecten, musea en monumenten. Het uitgangspunt van de Erfgoedwet is een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie staat hierin het verdrag van Malta (Valetta) en de uitwerking hiervan in de voormalige Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) centraal. Met de invoering van de Wamz in 2007 hebben gemeenten veel meer bevoegdheden gekregen inzake beheer en behoud van archeologische (rijks)monumenten en overige archeologische (verwachtings)waarden, deze bevoegdheden zijn in de Erfgoedwet behouden. Om een goede uitvoering te geven aan deze bevoegdheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden hebben de meeste gemeenten archeologiebeleid ontwikkeld.

5.4.2

Archeologiebeleid gemeente Asten

Het archeologisch beleid van de gemeente Asten is vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Asten 2016’. Op basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Asten 2016’ kent het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 0,4 meter én een verstoringsoppervlak van meer dan 250 m². Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en vindt geen nieuwe verstoring van de bodem plaats. Een stal welke in gebruik was ten behoeve van de intensieve veehouderij zal worden gesloopt. Onder de stal zijn putten aanwezig. De bodem is derhalve bij de bouw van de stal reeds verstoord. Ten behoeve van de ontwikkeling zal geen nieuwe verharding worden aangelegd. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.5

Flora en fauna

5.5.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

5.5.2

Gebiedsbescherming

5.5.2.1 Inleiding In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming Het dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft het natuurgebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’. Dit natuurgebied is gelegen op circa 4,5 kilometer ten westen van het plangebied. De Strabrechtse Heide bestaat grotendeels uit glooiend dekzandlandschap, met daarnaast een deel stuifzandlandschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van droge stukken met heide (deels op voormalig stuifzand), kleine stuifzanden en laagtes met natte heide en vennen. In het oosten van het gebied ligt het Beuven, het grootste ven van ons land.

Hier is één van de eerste venherstelprojecten uitgevoerd, wat geleid heeft tot de terugkeer van zeldzame soorten. In dit ven wordt water uit de Peelrijt via een bezinkingsbekken ingelaten. Een aantal vennen worden deels gevoed door lokale kwel. De omringende bossen van het gebied bestaan vooral uit grove dennen. Aan de noordwestkant van het gebied ligt het beekdal van de Kleine Dommel, met alluviale bossen, wilgenstruweel, moerasruigten en vochtige schraallanden. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.5.2.2 Potentiële externe effecten, niet zijnde stikstof Het plangebied is thans bestemd ten behoeve van de intensieve veehouderij. Derhalve zal de omzetting in een maatschappelijke bestemming niet leiden tot oppervlakteverlies, verontreiniging, optische verstoringen, geluids- en lichtverstoring of mechanische effecten op het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’.

5.5.2.3 Stikstof In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Met Aerius Calculator wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling berekend. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met Aerius Calculator een Aerius-berekening uitgevoerd voor de gebruiks- en bouwfase. De toelichtende memo met bijlagen d.d. 19 december 2023 is als separate bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Navolgend is de conclusie uit de memo weergegeven: “In dit onderzoek zijn de stikstofeffecten in beeld gebracht van de sloop van (stal)bebouwing enerzijds en realisatie en het gebruik van een aannemersbedrijf, zorgverlening en minicamping anderzijds aan de Diesdonkerweg 21 te Ommel.

Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt in de gecombineerde sloop- en gebruiksfase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de ruimtelijke procedure.” Het aspect ‘gebiedsbescherming’ vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5.3

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan flora en fauna d.d. 29 oktober 2023 met rapportnummer 2341 is als separate bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Navolgend is de eindconclusie uit de rapportage weergegeven: • “Met de beoogde herontwikkeling van de locatie Diesdonkerweg 21 te Ommel worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden mits opruimwerkzaamheden op het achtererf met gestapelde tegels, dakpannen, hout etc. plaatsvindt buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen. De werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden tussen september en februari. • Een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag is niet aan de orde. • De voorzorgsmaatregelen voor ‘Vogels algemeen’ en ‘Toepassing van de algemene zorgplicht voor vrijgestelde soorten’ (hoofdstuk 8. Blz.

24) dienen te worden opgevolgd.” Het aspect ‘soortenbescherming’ vormt, met inachtneming van de voorwaarden uit de eindconclusie, dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.6

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt binnen geluidzones langs wegen in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige objecten. De bescherming binnen geluidzones langs wegen is van toepassing bij (art. 73 Wgh): de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen (via een ruimtelijk besluit) in de zone van een weg (dus ook hoofdwegen én geen 30 km/u-wegen); aanleg/wijziging van een weg (al dan niet in combinatie met een ruimtelijk besluit) die niet op de geluidplafondkaart staat (en ook geen 30 km/u-weg is); saneringswoningen langs een weg die niet op de geluidplafondkaart staat. De Wet geluidhinder is niet van toepassing op wegen die liggen binnen een woonerf en voor 30 km/uwegen, omdat er geen zones gelden. De begrippen stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn van belang in verband met de normstelling voor wegverkeerslawaai. In artikel 1 van de Wet geluidhinder zijn de definities opgenomen: Stedelijk gebied: het gebied in de zone van een weg binnen de bebouwde kom, met uitzondering van het gebied langs een autosnelweg of een autoweg.

-

Buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor toepassing van de hoofdstukken VI en VII, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersgegevens en verkeerstekens 1990.

Een zone van een auto(snel)weg is altijd buitenstedelijk ongeacht of de zone binnen of buiten de bebouwde kom ligt. In artikel 74 Wgh zijn de geluidzones van wegen gedefinieerd. De geluidzone van een weg is gerelateerd aan het aantal rijstroken van de weg en het type weg (stedelijk of buitenstedelijk). De geluidzones zijn te beschouwen als aandachtsgebieden of onderzoeksgebieden. In navolgende tabel worden de breedten van de geluidzone van alle typen wegen weergegeven.

Bij een vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst te worden. De bedrijfswoning betreft een bestaand geluidgevoelig object. De situatie ten aanzien van deze woning wijzigt niet en hoeft dan ook niet getoetst te worden.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

Onderdeel van de beoogde herontwikkeling is de omzetting van een stal ten behoeve van de intensieve veehouderij in een zorgboerderij. Deze stal is gelegen binnen de geluidzone van de Diesdonkerweg. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de Atlas Leefomgeving betreffende geluid van wegverkeer.

Figuur 11: Uitsnede van de Atlas Leefomgeving geluid van wegverkeer

Zoals te zien in bovenstaande figuur is de rijksweg A67 bepalend voor de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied. De Diesdonkerweg heeft maar een zeer beperkende geluidsbelasting op de omgeving. Het plangebied is echter buiten de geluidzone van de A67 gelegen. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.7

Bedrijven en milieuzonering

5.7.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is.

5.7.2

Bedrijven in omgeving plangebied, niet zijnde veehouderij

In de omgeving van het plangebied zijn een tweetal bedrijfslocatie gelegen. In onderstaande tabel zijn deze bedrijfsbestemming geïnventariseerd. Adres

Soort bedrijf

Categorie

Aan te houden afstand

Werkelijke afstand

Diesdonkerweg 6

Glastuinbouw

2

30 meter

55 meter

Diesdonkerweg 15

Glastuinbouw

2

30 meter

85 meter

De bedrijfsbestemmingen in de omgeving vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7.3

Bedrijven binnen plangebied, niet zijnde veehouderij

Binnen het plangebied wordt een tweetal nieuwe bedrijfsactiviteiten beoogd en daarbij de bestaande nevenfunctie in de vorm van een mini-camping in stand gehouden. In onderstaande tabel zijn de nieuwe bedrijfsactiviteiten weergegeven. Soort bedrijf

Omschrijving lijst VNG

Categorie

Aan te houden afstand

Opslag

Opslaggebouwen

1

10 meter

Zorgboerderij

Verpleeghuizen/Kinderopvang

2

30 meter

De activiteit ‘zorgboerderij’ kent geen eigen milieucategorie in de VNG-brochure. Daarom is de milieubelasting van een zorgboerderij vergeleken met andere bedrijfsfuncties die wel in de VNG-lijst voor richtafstanden staan genoemd. De beoogde zorgboerderij is qua milieubelasting vergelijkbaar met een ‘kinderdagopvang’ of ‘verpleegtehuizen’. Het is daarmee aannemelijk dat de milieubelasting van de zorgboerderij ook onder deze milieucategorie zal vallen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

Binnen een straal van 30 meter rondom het plangebied zijn geen woningen gelegen, dan wel planologisch mogelijk. De beoogde herontwikkeling is derhalve in het kader van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen bezwaar. Bovendien is in de huidige situatie ter plaatse een intensieve varkenshouderij vergund. Dergelijke bedrijvigheid valt op basis van de VNG-brochure in milieucategorie 4.1, met een richtafstand van 200 meter. Ten opzichte van de huidige situatie zal in de toekomstige situatie de uitstraling van de bedrijvigheid ter plaatse richting de omgeving slechts in positieve zin wijzigen. De functies zullen onderling geen hinder van elkaar ondervinden. De toegestane opslag ter plaatse heeft een omvang van maximaal 200 m², en zal derhalve geen hinderlijk uitstraling richting de zorgboerderij hebben. De opslagruimte zal gebruikt worden voor de opslag van materialen van een aannemersbedrijf. Het aannemersbedrijf zal een beperkte verkeersgeneratie tot gevolg hebben en zal slechts bestaan uit het vertrekken in de ochtend en terugkomst in de avond met incidenteel een extra vervoersbeweging per dag. De levering van de materialen vindt op de bouwplaats elders plaats.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.8

Agrarische bedrijvigheid

5.8.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object); Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). De omzetting van de stal ten behoeve van de intensieve veehouderij in een zorgboerderij waar overdag mensen verblijven, betreft de toevoeging van een nieuw geurgevoelig object.

5.8.2

Beleidskader

5.8.2.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.

5.8.2.2 Gemeentelijke verordening Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Asten heeft op 9 maart 2021 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2021’ vastgesteld. Met deze verordening stelt de gemeente andere normen vast voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Asten. In het buitengebied geldt volgens de geurgebiedsvisie een norm van 10 oue/m³. Ook worden in de verordening andere waarden voor de aan te houden afstand tussen een (melk)rundveehouderij en pelsdierhouderijen en gevoelige objecten. Deze normen gelden voornamelijk bij vergunningverlening bij veehouderijbedrijven. Andersom kan dit eveneens van belang zijn bij het toekennen van nieuwe geurgevoelige objecten in de nabijheid van veehouderijen.

5.8.2.3 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Bij herbestemming dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de voorgrondbelasting, achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

Voorgrondbelasting

Achtergrondbelasting

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

≤1

≤3

<5

Zeer goed

1-3

3–7

5 - 10

Goed

4-6

7 – 13

10 - 15

Redelijk goed

7-9

13 – 20

15 - 20

Matig

10 - 13

20 – 28

20 - 25

Tamelijk slecht

14 - 18

28 - 38

25 - 30

Slecht

19 - 24

38 -50

30 - 35

Zeer slecht

≥ 25

≥ 50

35 - 40

Extreem slecht

Figuur 12: Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7

5.8.3

Veehouderijen in de omgeving

In de omgeving van het plangebied zijn een zestal veehouderijbedrijven gelegen, te weten: Adres

Type

Geuremissie

Afstand

Diesdonk 33

Rundvee

0 oue/m³

260 meter

Diesdonkerweg 27

Varkens

17.285 oue/m³

280 meter

Diesdonkerweg 20

Paarden

0 oue/m³

280 meter

Diesdonkerweg 22B

Pluimvee

35.228 oue/m³

400 meter

Diesdonkerweg 24

Paarden

0 oue/m³

510 meter

Diesdonk 45

Varkens

99.522 oue/m³

590 meter

Op de veehouderijen gelegen aan Diesdonk 33, Diesdonkerweg 20 en Diesdonkerweg 24 worden dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriele regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Derhalve dient ten aanzien van deze veehouderijbedrijven een vaste afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter tot een geurgevoelig object. Het plangebied is op grotere afstand dan 50 meter tot deze veehouderijbedrijven gelegen. De beoogde herontwikkeling is in het kader van de vaste afstanden ten aanzien van de veehouderijen derhalve geen bezwaar.

5.8.4

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

5.8.4.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

5.8.4.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

Met behulp van het programma V-Stacks Vergunning is de voorgrondbelasting van de veehouderijen in de omgeving op het plangebied berekend. De resultaten van deze berekeningen zijn navolgend weergegeven:

Uit de berekeningen blijkt dat de veehouderij aan Diesdonk 45 de dominante veehouderij betreft. Op basis van een maximale voorgrondbelasting van 4,3 oue/m³ is ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘redelijk goed’ woon- een leefklimaat.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.8.4.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de achtergrondbelasting (peildatum juni 2023) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het plangebied met een paarse cirkel is aangegeven.

Figuur 13: Achtergrondbelasting omgeving Diesdonkerweg 21 te Ommel (situatie juni 2023)

Op bovenstaande kaart is de geuremissie vanaf het plangebied ook meegenomen. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling zal deze komen te vervallen door sanering van de intensieve veehouderij. Gelet op de ligging van de geurcontouren in de omgeving, kan worden gesteld dat na herontwikkeling op basis van de achtergrondbelasting sprake zal zijn van een ‘redelijk goed’ tot ‘goed’ woon- en leefklimaat (7-13 oue/m³).

5.8.4.4 Conclusie Ter plaatse van het plangebied is sprake van een maximale voorgrondbelasting van 4,3 oue/m³ en een achtergrondbelasting van 7-13 oue/m³. Op basis van zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting is ter plaatse sprake van minimaal een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van het woon- en leefklimaat dan ook geen bezwaar. Bovendien heeft de beoogde ontwikkeling de sanering van een intensieve veehouderij tot gevolg. Deze sanering zal leiden tot een beter woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.8.5

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven

De beoogde ontwikkelingen mogen de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. De veehouderijen in de omgeving van het plangebied worden reeds belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door geurgevoelige objecten welke gelegen zijn tussen het plangebied en de veehouderijen dan wel door geurgevoelige objecten die op kortere afstand tot de veehouderijen gelegen zijn dan het plangebied.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.9

Gezondheid

5.9.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De gemeente Asten heeft een kaart op laten stellen met daarop de indicatieve endotoxine risicocontouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze gemeentelijke kaart, waarop het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.

Figuur 14: Uitsnede gemeentelijke kaart indicatieve endotoxine risicocontouren Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

Het plangebied ligt niet in een endotoxine contour. Het aspect ‘endotoxinen’ is dan ook geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling.

5.9.2

Geitenhouderijen

Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Binnen de gemeente Asten worden op een tweetal locaties geiten gehouden, te weten aan:

-

Meijelseweg 47 Heusden Polderweg 53 Heusden

Deze geitenhouderijen zijn allen op grotere afstand dan 2 kilometer van het plangebied gelegen. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van geitenhouderijen dan ook geen bezwaar.

5.9.3

Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het gebied waar de bestrijdingsmiddelen worden toegepast terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij de toevoeging van een nieuwe gevoelige functies een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit rechtspraak volgt dat dit een locatie-specifiek onderzoek moet zijn.

Tevens volgt uit de rechtspraak dat met bijvoorbeeld een afschermende beplanting en afschermende bebouwing een kleinere afstand gemotiveerd kan worden. Naast omstandigheden zoals een afschermende beplanting en afschermende bebouwing, blijkt uit de jurisprudentie dat ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen bij het bepalen van de afstand voor de spuitzone. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het soort gewas dat wordt geteeld/gekweekt, wijze en frequentie van bespuiten, gehinderden (beperkt of kort van duur) en de heersende windrichting en de aanwezigheid van een sloot of watergang. Bovendien is per 1 januari Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

2018 het Activiteitenbesluit aangescherpt en moet, waar dan ook, minimaal 75% drift-arm gespoten worden. Door Plant Research International (PRI), onderdeel van Wageningen UR, is wetenschappelijk onderzoek gedaan naar driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard. Het wetenschappelijk rapport 609 ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’ (mei 2015) van PRI geeft op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten een inschatting van de mate van driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard. In het PRI rapport zijn voor 12 praktijksituaties de vaste afstanden vanaf de rand van het gewas bepaald. Op grond daarvan is de huidblootstelling, de inhalatieblootstelling en de secundaire blootstelling voor diverse veelgebruikte werkzame stoffen in de open teelt beoordeeld. Daaruit volgde dat de werkzame stof Captan, die in fruitboomgaarden veelvuldig wordt gebruikt, de zwaarste beperkingen oplegt en daarmee meest kritisch is. Uit de publicatie ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’ (mei 2015) blijkt dat wanneer minimaal 75% drift-arm gespoten wordt, een afstand van 25 meter aangehouden dient te worden. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, in de directe nabijheid van agrarische landbouwgronden. De beoogde ontwikkeling leidt echter niet tot de oprichting van nieuwe bebouwing.

De bestaande bebouwing welke deels in gebruik zal worden genomen ten behoeve van zorgverlenende functie, is rondom op een minimale afstand van 25 meter tot de eigendomsgrenzen gelegen. Daarmee is zekergesteld dat binnen een zone van 25 meter rondom het bedrijfsgebouw het gebruik van gewasbescherming ten behoeve van fruitteelt door derden is uitgesloten. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van spuitzones dan ook geen bezwaar.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.

5.10.2 Risico’s Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

5.10.3 Beleidskader 5.10.3.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.10.3.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.

5.10.3.3 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

5.10.4 Beoordeling plangebied 5.10.4.1 Bedrijven Het plangebied is op de EV-signaleringskaart niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de EV-signaleringskaart waarop het plangebied met een roze cirkel is aangeduid.

Figuur 15: Uitsnede EV-signaleringskaart stationaire bronnen

Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de risicocontour van een bedrijf.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

55

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.10.4.2 Transport Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de autosnelweg A67 en de provinciale weg N279. De A67 is op een afstand van circa 450 meter ten zuiden van het plangebied gelegen. De N279 is op ruim 1.800 meter ten noordwesten van het plangebied gelegen. Plaatsgebonden risico In het Bevt wordt voor het plaatsgebonden risico van een weg een veiligheidszone gehanteerd. Dit is een zone langs een weg waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 10-6/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient ter plaatse van het plangebied een veiligheidsafstand van 29 meter te worden aangehouden. Het plangebied ligt buiten deze veiligheidszone. Voor de provinciale weg N279 geldt geen veiligheidsafstand. Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen.

Het plangebied ligt buiten de zone van 200 meter van de A67. Ook ligt het groepsrisico van de rijksweg A67 en de provinciale weg N279 ruim beneden de oriëntatiewaarde. Invloedsgebied Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien het plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van de A67. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor de A67 zijn dit vloeibare toxische stoffen (LT1, LT2 en LT3). De A67 kent dan ook een invloedsgebied van 4.000 meter. Het plangebied is dan ook gelegen in het invloedsgebied van de A67. Specifiek voor vloeibare toxische stoffen kan in het kader van de (beperkte) verantwoording van het groepsrisico gebruik worden gemaakt van het standaard advies van de veiligheidsregio: Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. -

-

Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

56

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

Vervoer over het water Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbindingen waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. Buisleidingen Aan de westzijde van de gemeente Asten, parallel aan de gemeentegrens met Someren, bevindt zich een gasleiding. Het plangebied is op een afstand van circa 1,1 kilometer van deze buisleiding gelegen. Deze aardgasleiding Z-540-01 heeft een diameter van 368 mm en een gasdruk van maximaal 40,0 bar. De aardgasleiding heeft een invloedsgebied (1% letaal) van 180 meter. Het plangebied is buiten dit invloedsgebied gelegen. De buisleiding vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10.4.3 Hoogspanningslijnen Aan de westzijde van de gemeente Asten, parallel aan de gemeentegrens met Someren, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn betreft een 380 kV-verbinding en bevindt zich op een afstand van circa 1,1 kilometer van het plangebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

57

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).

5.11.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Plannen die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit hoeven niet afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Dat staat in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn regels gesteld. In dit Besluit is aangegeven wanneer sprake is van een NIBM bijdrage. Een project is niet in betekenende mate als de bijdrage van het project maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2) is. In de praktijk vertaalt dit naar een jaargemiddelde bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeft geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. De ontwikkelingen die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt, vallen niet direct onder een categorie uit de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. Aan de hand van berekeningen moet aangetoond worden dat de bijdrage van de beoogde ontwikkeling NIBM is. Ten behoeve van dergelijke berekeningen heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld: de NIBM-tool. Hiermee kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of er sprake is van een NIBM bijdrage. In de NIBM-tool dient alleen het extra aantal voertuigbewegingen als gevolg van een ontwikkeling te worden ingevoerd. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot extra voertuigbewegingen. In paragraaf 3.5.1 van onderhavige toelichting is dit nader gemotiveerd. De beoogde ontwikkeling van dan ook onder het begrip ‘niet in betekende mate’ en is in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

58

Bestemmingsplan – Ommel Diesdonkerweg 21 2023 - gemeente Asten - toelichting

5.11.3 Blootstelling aan verontreiniging 5.11.3.1 Inleiding Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide.

5.11.3.2 Fijnstof In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.

-

de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 17,3 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving, jaar 2021). De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 10,1 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving, jaar 2021). De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is.

5.11.3.3 Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 14,7 µg/m³ (bron: Atlas Leefomgeving, jaar 2020). Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=563b74f2-5466-4b4f-8853-b45e1c5eeee4