Bijlage 2 - Toelichting – Algemene subsidieverordening gemeente Asten 2026
Tekst van het document
TOELICHTING Algemene subsidieverordening gemeente Asten 2026 Zaaknummer 2024154971 Algemene toelichting De Algemene subsidieverordening gemeente Asten 2017 sluit niet meer aan bij de huidige wet- en regelgeving en beleidsontwikkelingen. Vandaar dat de verordening is geactualiseerd tot de nieuwe Algemene subsidieverordening gemeente Asten 2026. Deze is waar wenselijk in overeenstemming gebracht met de meest actuele versie van de modelverordening van de VNG uit 2013, gewijzigd in juni 2019. In deze toelichting wordt gesproken van de oude ASV, de nieuwe ASV en de modelverordening. De wijzigingen die zijn doorgevoerd hebben tot doel de verordening in overeenstemming te brengen met hogere regelgeving en beter uitvoerbaar te maken in de praktijk. Een grote wijziging ten opzichte van de oude ASV is dat de nieuwe ASV geen onderscheid meer maakt tussen incidentele en structurele subsidies. Het koppelen van benamingen aan subsidies komt de duidelijkheid niet ten goede en wordt daarom afgeraden. Juridisch is de betekenis van deze benamingen beperkt. Daarnaast wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen vrijwilligersorganisaties en professionele organisaties, waar dit in de oude ASV wel werd gedaan. Ook ondernemingen kunnen subsidies aanvragen, wat onder de oude ASV discutabel was.
De nieuwe ASV sluit aan bij de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de modelverordening door enkel onderscheid te maken tussen: - subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en overige subsidies; - subsidies in diverse categorieën bedragen (bijvoorbeeld tot en met € 5.000); - ondernemingen en overige subsidieaanvragers; - subsidies die direct worden vastgesteld of voorafgaand aan de vaststelling worden verleend. Hieronder wordt waar nodig nog per artikel een toelichting gegeven. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen In dit artikel zijn definities opgenomen. De definities gelden niet alleen voor de nieuwe ASV, maar ook voor de daarop te baseren regelingen (nadere regels). De definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende onderliggende regelingen opgenomen worden en afwijken daarvan is niet mogelijk. Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Awb. Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Overigens: ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen. Zie CBb 06-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:317 en CBb 01-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:237.
De begrippen Europees steunkader en de-minimissteun zijn wel gedefinieerd. Mocht het zo zijn dat een Europees steunkader, dan wel de-minimisverordening, wordt gewijzigd, aangepast of verlengd dan is het van belang dat de steun in overeenstemming is met de nieuwe bepalingen die daarin zijn
1/10
opgenomen. Waarschijnlijk zal dat dan moeten leiden tot aanpassen van de desbetreffende nadere regels. Bij het vervallen van een Europees steunkader, dan wel de-minimisverordening, kan er niet langer rechtmatig staatssteun worden verstrekt. Het is daarom raadzaam de looptijden van de Europese steunkaders in acht te nemen. Artikel 2. Reikwijdte Met het eerste lid krijgt het college van burgemeester en wethouders (hierna: “college”) de bevoegdheid overgedragen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de nieuwe ASV van toepassing is. De oude ASV was van toepassing op verschillende beleidsterreinen. Daardoor werden indirect ook beleidsterreinen uitgesloten. Hierdoor is een subsidie in het kader van onroerendezaakbelasting bijvoorbeeld niet mogelijk. Dit effect is ongewenst, waardoor in de nieuwe ASV geen opsomming van beleidsterreinen meer is opgenomen. De nieuwe ASV is – in tegenstelling tot de modelverordening – ook van toepassing op subsidies die op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag vereisen. Bij de toelichting van artikel 3 worden deze opgesomd. Alhoewel deze subsidies geen wettelijke grondslag vereisen, wordt er vrijwillig voor gekozen ook deze subsidies aan de nieuwe ASV te toetsten. Dit zorgt voor uniformiteit en rechtszekerheid. Daarnaast voorkomt het willekeur.
Daarin sluit de nieuwe ASV aan bij de oude ASV en de praktijk. Artikel 3. Nadere regels Het college kan bij nadere regels vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Dit is geen verplichting, maar een mogelijkheid. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald. Dit komt overeen met de oude ASV, maar de formulering is aangepast naar de formulering in de modelverordening. In de overige artikelen van de nieuwe ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de nadere regels: denk aan het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond. Voor zover het college geen gebruik maakt van de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen, is het slechts in beperkte mate mogelijk om subsidies te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. In de verordening worden geen activiteiten beschreven. Dat wordt in nadere regels gedaan. Op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb bestaan hierop maar vier uitzonderingen: a.
de spoedeisende subsidieverstrekking (tijdelijk, vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift); b. de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te vermelden); c. de incidentele subsidieverstrekking (voor uitzonderlijke gevallen, en als er in beginsel slechts eenmalig subsidie zal worden toegekend); d. de Europese subsidies (is voor gemeenten nauwelijks van belang). Dit zijn de enige subsidies die verstrekt kunnen worden zonder toepasselijke nadere regels. Deze worden door het toepassingsbereik uit artikel 2 wel altijd getoetst aan de nieuwe ASV. Artikel 4. Staatssteunregels
In artikel 4 staan staatssteunregels. In de oude ASV staat dat het college in nadere regels kan afwijken van de verordening en deze kan aanvullen voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is. Deze bepaling is verwerkt in het nieuwe artikel 4 lid 1. Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er in nadere regels afgeweken wordt van de verordening, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd. Daarnaast zijn er nog vier leden toegevoegd in de nieuwe ASV overeenkomstig de modelverordening. Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld. Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (vierde lid).
Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, kunnen ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (vijfde lid). Artikel 5. Subsidieplafonds en begrotingsvoorbehoud De raad was en blijft bevoegd om subsidieplafonds vast te stellen. In de nieuwe ASV is verder aansluiting gezocht bij de tweede variant van de modelverordening. Dit maakt dat niet meer de raad, maar het college bevoegd is om bij nadere regels de wijze van verdeling van de betrokken subsidies te bepalen. Dit sluit beter aan bij de praktijk. In de nieuwe ASV is overeenkomstig de modelverordening een mogelijkheid tot verlaging van het subsidieplafond opgenomen. De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan: 1. aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd; 2. verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting; en 3. de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond.
Om te waarborgen dat de raad alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt zijn het derde en vierde lid opgenomen. Een subsidieplafond kan alleen worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moesten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij de bekendmaking van het plafond. Artikel 6. Aanvraag In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, dan moet de aanvraag met gebruikmaking van dat formulier gedaan worden. Hiermee sluit de nieuwe ASV beter aan bij de praktijk, nu er niet altijd een aanvraagformulier beschikbaar is. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld. In het tweede en
3/10
derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; dit volgt uit de Algemene verordening gegevensbescherming en geldt ook voor de overige artikelen in de verordening. Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder een de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden. Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening.
Bij nadere regels kan het college besluiten hiervan af te wijken (vierde lid), bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen. Artikel 7. Aanvraagtermijn De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en andersoortige subsidies. Het oude onderscheid tussen structurele en incidentele subsidies is dus losgelaten, maar de termijnen zijn hetzelfde gebleven. Bij nadere regels kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid). De gemeente verstrekt geen subsidies per boekjaar. Daarom zijn de bepalingen uit de modelverordening die zien op subsidies per boekjaar voor de duidelijkheid niet overgenomen in de nieuwe ASV. De termijn voor het indienen van een aanvraag om een subsidie per kalenderjaar was in de oude ASV 1 april en wordt in de nieuwe ASV 1 mei. Hierdoor krijgt de subsidieaanvrager meer ruimte om alle gevraagde stukken op te stellen en te verzamelen. Artikel 8. Beslistermijn In dit artikel staan de termijnen waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en andere subsidies.
Bij nadere regels kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid). De termijnen komen overeen met de oude ASV. De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden. Artikel 9. Weigeringsgronden Wanneer een subsidie (gedeeltelijk) wordt geweigerd, is daarvoor altijd een weigeringsgrond nodig. Deze dient in de beschikking tot weigering te worden opgenomen. In het eerste lid zijn enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is
daartoe niet verplicht. Deze gelden in aanvulling op artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: “Wet Bibob”). Onderdelen a t/m j spreken voor zichzelf en komen uit de oude ASV. Onderdelen k, l en m komen uit de modelverordening en zijn nieuw ten opzichte van de ouder ASV. Onderdeel k maakt het mogelijk om de subsidie te weigeren als deze niet voldoet aan de regels die daarvoor zijn gesteld. Denk daarbij bijvoorbeeld aan regels uit de verordening of nadere regels. Dit werd voorheen al gedaan, maar hier is nu een specifieke weigeringsgrond voor opgenomen. Onderdeel l geeft het college de bevoegdheid bij nadere regels andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. Onder m is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun.
In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de standstill-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het tweede lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd. In het tweede lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden uit de Awb en de facultatieve gronden aangevuld met verplichte weigeringsgronden. Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het tweede lid, onder a).
Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het tweede lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de nieuwe ASV echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat). In het derde lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit
5/10
begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren (van de Europese Commissie) voor reddingsen herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart. Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit op grond van artikel 3 van de Wet terugvordering staatssteun. Een bepaling daarover in de nieuwe ASV is daarvoor niet nodig, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun voortvloeit. Een subsidie kan ook (geweigerd en) ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet. Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt.
Met ‘schriftelijk’ in het eerste lid is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. De melding kan ook digitaal worden gedaan als het college de digitale weg open heeft gesteld. Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb). Wat betreft het tweede en derde lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) van de Awb. In beginsel dient de nieuwe ASV hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking. Hiermee wordt dus voldaan aan de vereisten uit de Awb. Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren.
Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt, moet dat duidelijk gemotiveerd worden.
In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd. Het gaat daarbij om de volgende gevallen: - als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; - als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen; - als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; - als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd; of - de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden. Deze vergoedingsplicht geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of in nadere regels, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met het vierde lid krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen.
Artikel 13 Vorming van reserves Voor subsidieontvangers van periodieke subsidies kunnen financiële reserveringen voor toekomstige uitgaven of het opvangen van tegenvallers aan de orde zijn. Reserves worden opgebouwd uit het verschil tussen het gesubsidieerde bedrag en de kosten van de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd. Het kan in het belang van de subsidieverstrekker zijn dat deze reserves worden getroffen (tegengaan van schommelingen), maar de omvang daarvan en het toevoegen/onttrekken van subsidie daaraan moet wel beperkt worden. Daarnaast moet het controleerbaar en werkbaar zijn. Het college krijgt met dit artikel de mogelijkheid om bij de verleningsbeschikking te bepalen dat de subsidieontvanger reserves mag vormen (eerste lid). Op basis van de oude ASV konden alleen professionele organisaties reserves opbouwen. De nieuwe ASV maakt het voor alle rechtspersonen mogelijk om een reserve te vormen wanneer het college dat toestaat. In de oude ASV wordt gesproken over ‘algemene reserves’ zonder toe te lichten wat dit zijn en zonder te benoemen dat er ook nog bestemmingsreserves bestaan. Ook staat de oude bepaling een reserve in de vorm van een vast bedrag in de weg doordat is bepaald dat een reserve altijd een percentage moet zijn van de subsidie. De nieuwe ASV geeft meer ruimte aan het college om in nadere regels maatwerk toe te passen per beleidsterrein.
Het tweede lid maakt het voor het college namelijk mogelijk om nadere regels te stellen over de hoogte en de besteding van de reserves. Zo kan het college ervoor kiezen de hoogte van de subsidie en de daarmee samenhangende reserves bijvoorbeeld te koppelen aan de hoogte van het eigen vermogen. Daarnaast kan het college bijvoorbeeld onderscheid maken tussen algemene reserves en bestemmingsreserves (= reserves enkel voor een specifiek doel). De hoogte van de reserve kan een percentage zijn, maar ook een bedrag. De verhouding tussen het eerste en tweede lid is als volgt. Ook zonder nadere regels kan het college via de verleningsbeschikking toestaan om reserves op te bouwen. Deze bepaling is nodig nu subsidies in uitzonderlijke gevallen ook zonder specifieke nadere regels toegekend kunnen worden. Zie de voorbeelden genoemd bij artikel 3. Daarnaast is het niet altijd wenselijk om hier algemene regels over
7/10
te stellen, zodat maatwerk mogelijk blijft. In de verleningsbeschikking wordt dan opgenomen hoe hoog de reserves mogen zijn en waarvoor zij gebruikt mogen worden. Het college kan ervoor kiezen om nadere regels te stellen over reserves wanneer de toepasselijke subsidies zich hiervoor lenen. Hiermee wordt willekeur zo veel mogelijk voorkomen. Het college is daartoe niet verplicht. Artikel 14. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000 Subsidies tot en met € 5.000 kunnen op basis van vertrouwen worden verstrekt. Er wordt niet standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 11). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden in de vorm van een steekproef bij de subsidieontvanger (tweede lid). Als de subsidieontvanger al (positief) bekend is zal de subsidie bij een dergelijk klein bedrag meestal direct vastgesteld en uitbetaald kunnen worden (toepassing eerste lid). In andere gevallen kan toepassing worden gegeven aan het derde lid. In de verleningsbeschikking wordt de subsidieontvanger verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteit is verricht en is voldaan aan de verplichtingen. Na deze inlichting vindt de vaststelling ambtshalve plaats.
Er hoeft dus naast de inlichtingen geen losse aanvraag tot vaststelling meer te worden ingediend. Het belangrijk om in de verleningsbeschikking een termijn te stellen waarbinnen inlichting wordt verlangd. Als binnen deze termijn geen inlichtingen zijn gegeven, kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld (bijvoorbeeld op een lager bedrag of nul). In de oude ASV werd onderscheid gemaakt tussen incidentele subsidies en structurele subsidies. Bij incidentele subsidies lag de grens voor directe vaststelling op € 1.250 en bij structurele subsidies op € 5.000. In de nieuwe ASV bestaat dit onderscheid niet meer en is gekozen voor een uniform bedrag van € 5.000. Door aan te sluiten bij het hogere bedrag, wordt zowel voor de subsidieontvanger als de subsidieverstrekker de administratieve last verlaagd. Artikel 15. Eindverantwoording subsidies van meer dan €5.000 en ten hoogste €50.000 In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 aan het college dienen te verantwoorden. De subsidieontvanger moet een aanvraag tot vaststelling indienen (eerste lid). Deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (tweede lid).
Ingevolge artikel 10 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt. Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt. Denk daarbij aan bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring en andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie). Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in nadere regels aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag. Artikel 16. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000
Bij subsidies vanaf € 50.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Het derde lid biedt de basis om in nadere regels te bepalen dat er ook andere, waaronder meer of minder, gegevens gevraagd worden. Artikel 17. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 5.000 De artikelen 14, 15 en 16 zien op termijnen die worden gesteld aan de subsidieontvanger. Artikel 17 bevat termijnen voor het college. Het eerste lid bevat de termijn waarbinnen de beschikking tot vaststelling gegeven dient te worden met in het tweede lid een mogelijkheid tot verdagen. Het merendeel van de aanvragen kan binnen deze beslistermijn worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging op grond van het tweede lid is appellabel (dit in tegenstelling tot een mededeling op grond van artikel 4:14 van de Awb dat de – eventueel verdaagde – termijn niet gehaald wordt). Bij nadere regels kan het college andere termijnen voor zichzelf stellen op basis van het vierde lid. Het vijfde lid maakt het mogelijk om in nadere regels groepen aan te wijzen waarvoor ook subsidies boven de € 5.000 direct worden vastgesteld.
Dit is nieuw ten opzichte van de oude ASV. In de praktijk wordt daar op dit moment nog geen gebruik van gemaakt, maar deze mogelijkheid wordt overeenkomstig het model wel meegenomen in de nieuwe ASV. Artikel 15 en 16 bevatten termijnen waarbinnen de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indient. Als binnen deze termijn geen aanvraag tot vaststelling is ontvangen kan het college schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als ook binnen deze termijn geen aanvraag binnen is, kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling. Voor de subsidieontvanger bestaat dan het risico op ambtshalve vaststelling op een lager bedrag of zelfs nul. Artikel 18. Betaling en bevoorschotting Dit artikel is anders geformuleerd, nu de bedragen zijn gewijzigd en geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen incidentele en structurele subsidies. De strekking blijft hetzelfde als in de oude ASV. Artikel 19. Hardheidsclausule De hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan een termijn in de verordening of termijnen in de nadere regels wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen. Op grond van het eerste lid kan het college dan een andere termijn toepassen. Op grond van het tweede lid kan het college bovendien in nadere regels een hardheidsclausule opnemen die ziet op in die nadere regels aangegeven bepalingen.
De toepassing van de hardheidsclausule wordt gemotiveerd in de beschikking (derde lid). Toepassing van de hardheidsclausule creëert precedentwerking. Het kan als voorbeeld dienen voor vergelijkbare toekomstige gevallen en kan ertoe leiden dat anderen in soortgelijke situaties aanspraak maken op eenzelfde behandeling. Wanneer de hardheidsclausule te vaak/snel wordt toegepast of onvoldoende wordt gemotiveerd, kan precedentwerking ongewenst zijn. Vandaar dat het belangrijk is dat alleen in hoogstnoodzakelijke gevallen gebruik wordt gemaakt van de hardheidsclausule, de toepassing goed wordt gemotiveerd en overzichtelijk is wanneer dat in het verleden het geval is geweest. In de oude ASV kon met de hardheidsclausule van de gehele verordening worden afgeweken. Op basis van de nieuwe ASV is afwijking enkel mogelijk ten opzichte van termijnen. Het is namelijk niet
9/10
wenselijk dat het college kan afwijken van definities, delegatiebevoegdheden, weigeringsgronden, subsidieplafonds etc. Hiermee sluit de hardheidsclausule aan bij de modelverordening, met uitzondering van de bepaling uit de modelverordening die ziet op periodieke verslaglegging aan de raad. Het college kan de raad indien nodig informeren doormiddel van een raadsinformatiebrief. Daarnaast heeft de raad de mogelijkheid verantwoording op te vragen bij het college. Artikel 20. Intrekken oude verordening en overgangsrecht De oude ASV blijft van toepassing op subsidies die betrekking hebben op de periode voor 1 januari 2026 en subsidies die zijn aangevraagd voor 1 januari 2026. Hieronder een aantal voorbeelden: - Een subsidie die betrekking heeft op 2025 is aangevraagd in 2024 en wordt vastgesteld in 2026. Op deze subsidie, inclusief de vaststelling daarvan, blijft de oude ASV van toepassing; - Een subsidie die betrekking heeft op 2026 is aangevraagd in 2025 en wordt vastgesteld in 2027. Op deze subsidie, inclusief de uitbetaling en vaststelling daarvan, blijft de oude ASV van toepassing; - Een subsidie die betrekking heeft op 2027 wordt in 2026 aangevraagd en vastgesteld in 2028. Op deze subsidie is de nieuwe ASV van toepassing. Wanneer een verordening wordt ingetrokken, vervallen automatisch alle nadere regels die zijn opgesteld op basis van deze verordening.
Als daarover niets wordt geregeld, vervallen bij de intrekking van de oude ASV bijvoorbeeld automatisch de Nadere regel subsidie welzijn en participatie gemeente Asten 2022. Dit is niet wenselijk. Nieuwe nadere regels kunnen namelijk pas worden vastgesteld wanneer de nieuwe ASV inwerking is getreden. Dan ontstaat pas de bevoegdheid bij het college om nadere regels vast te stellen. Om een periode zonder geldige nadere regels te voorkomen, is het tweede lid in leven geroepen. Het tweede lid maakt dat de huidige nadere regels die opgesteld zijn op basis van de oude ASV vanaf inwerkintreding van de nieuwe ASV hun werking niet verliezen. De nadere regels worden gezien als nadere regels die zijn opgesteld op basis van de nieuwe ASV. Hierdoor heeft het college tijd om ook de nadere regels onder de loep te nemen zonder dat er een tijdelijk gat ontstaat in het subsidiebeleid. Bij strijdigheid tussen de oude nadere regels en de nieuwe ASV, gaat de nieuwe ASV voor.