Bijlage 2 - Onderzoeken voorontwerp wijziging omgevingsplan Asten Biesvelden 1
Tekst van het document
Asten Biesvelden fase 1 Onderzoeken wijziging Omgevingsplan Gemeente Asten
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
8 januari 2026, projectnummer 230268.03
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave Bijlage 1: Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: M.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Quick scan luchtkwaliteit Bijlage 6: Quick scan omgevingsveiligheid Bijlage 7: Weging van het waterbelang Bijlage 8: Quick scan natuur Bijlage 9: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 10: Nader soortenonderzoek Bijlage 11: Archeologische bureau en verkennend booronderzoek Bijlage 12: Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten Bijlage 13: Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan
Bijlage 1: Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
3
Asten, Biesvelden fase 1 Ladder voor duurzame verstedelijking Gemeente Asten
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
12 november 2025, projectnummer 230268.03
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Het project
4
1.3
Leeswijzer
6
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
7
2.1
Stedelijke ontwikkeling
7
2.2
Verzorgingsgebied
7
2.3
Behoefte
9
2.4
Bestaand stedelijk gebied
16
Conclusie
18
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Sinds 2012 maakt de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ onderdeel uit van het ruimtelijk beleid vanuit de Rijksoverheid. Het doel van de Ladder is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien. De Ladder is in de Omgevingswet terug te vinden in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het artikel luidt als volgt: 1 Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
2 Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4 Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3
De Ladder is opgenomen als een instructieregel voor het omgevingsplan, specifiek gericht op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed.
1.2
Het project Het projectgebied is gelegen aan de oostkant van de kern Asten, ten zuiden van de recente uitbreiding Loverbosch fase 3. Het gaat grofweg om het gebied gelegen tussen de N279, de bestaande woningen van de kern Asten en Loverbosch fase 3. Navolgende afbeelding toont de ligging en begrenzing van de beoogde nieuwe woonwijk.
Ligging en begrenzing van de nieuwe woonwijk Biesvelden fase 1, aangeduid met rood kader (Bron: PDOK Viewer, bewerkt door SAB).
Het woningbouwprogramma voor Biesvelden 1 bestaat in totaal uit 226 woningen. De woningtypen zijn zeer uiteenlopend qua grootte en prijsklasse. Zo komen er verdeeld over het plangebied: vrijstaande woningen, levensloopbestendige patiowoningen, twee-onder-één-kapwoningen, rijwoningen en starterswoningen. Daarnaast bevinden zich op een aantal markante locaties in het plangebied accenten in de vorm van appartementen of bijzondere woningtypen, zoals bij de entree bij de Beekerloop en aan de centrale ruimte in het westelijke deel van het plan. Ook zijn er enkele woonwagenstandplaatsen in het plan opgenomen. In totaal voorziet het plan in 76 woningen in de vrije sector, 83 woningen in de betaalbare prijsklasse en 67 woningen in de sociale huurklasse. Navolgende tabel toont het woonprogramma uitgesplitst per woningtype en prijscategorie en de navolgende afbeelding toont de toekomstige inrichting van het gebied, met daarbij de verdeling van het woonprogramma.
4
Woningbouwprogramma, uitgesplitst per woningtype en prijscategorie (Bron: SAB).
Toekomstige inrichting van het ontwikkelgebied, met daarbij het beoogde woonprogramma (Bron: SAB).
5
De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het (tijdelijk) omgevingsplan. Om die reden wordt een procedure doorlopen om het omgevingsplan te kunnen wijzigen. Bij het wijzigen van het omgevingsplan geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conform artikel 5.129g Bkl maakt een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking hier onderdeel vanuit. Deze toets vindt in dit rapport plaats.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst ingegaan worden of en waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toets of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.
6
2 Toets Ladder voor duurzame verstedelijking 2.1
Stedelijke ontwikkeling
2.1.1
Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
2.1.2
Toetsing Het voornemen bestaat om in totaal 226 nieuwe woningen te realiseren op gronden die momenteel onbebouwd zijn en een agrarische functie kennen. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het project, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte de ontwikkeling maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit jurisprudentie1 blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwproject dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling2. Gelet op het woningbouwprogramma van het voorliggende project met 226 nieuwe woningen, wordt gesteld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
2.1.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is de beoogde ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk. Deze toets vindt in dit document plaats.
2.2
Verzorgingsgebied
2.2.1
Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte 1 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). 2 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).
7
dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie. 2.2.2
Toetsing Inleiding De gemeente Asten vormt samen met de gemeenten Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre de woonregio Zuidoost-Brabant (zie navolgende afbeelding).
Indeling woonregio’s in de provincie Noord-Brabant, met regio Zuidoost-Brabant in groen (Bron: Ontwikkelperspectief Stedelijk Brabant 2040).
Verhuisbewegingen De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het verzorgingsgebied. Het verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de verzorgingsregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende gemeente. Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Asten worden geanalyseerd, blijkt uit de meest actuele gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (2023) dat bijna de helft van alle gevestigde personen in de gemeente Asten uit de gemeente zelf afkomstig is. Het aandeel gevestigde personen vanuit andere gemeenten in Nederland ligt op iets meer dan 40% en het aandeel verhuisbewegingen vanuit het buitenland ligt op net iets meer dan 15%.
8
Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Asten in 2023
Verhuisbewegingen Asten
Aantal
Aandeel (%)
Binnen gemeente Asten
643
43,8%
Vanuit andere gemeenten
603
41,1%
Vanuit het buitenland
222
15,1%
1.468
100%
Totaal aantal verhuizingen Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Het aandeel verhuisbewegingen vanuit andere gemeenten is aanzienlijk. Daarom is gekeken of er gemeenten zijn die een sterke verhuisrelatie hebben met de gemeente Asten. Indien gekeken wordt naar verhuisbewegingen vanuit andere gemeenten in Nederland zijn er voornamelijk verhuisrelaties met de nabijgelegen gemeenten Someren, Helmond, Eindhoven en Deurne. Onderstaande tabel laat dit zien. Tabel: Verhuisbewegingen naar Asten naar herkomst in 2023
Gemeente
Aantal
Aandeel (%)
Asten
643
43,8%
Someren
96
6,5%
Helmond
83
5,7%
Eindhoven
73
5,0%
Deurne
61
4,2%
Gemert-Bakel
21
1,4%
Elders
491
33,4%
Totaal
1.468
100%
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.
2.2.3
Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het verzorgingsgebied zich primair richt op de gemeente Asten en in mindere mate op de woonregio ZuidoostBrabant. Het voorliggende project ziet niet toe op de toevoeging van bijzondere woningtypes, waarvan een dusdanige aantrekkingskracht uit gaat, dat dit een substantiële hoeveelheid kopers en huurders van buiten de regio zal trekken. Mede op basis van de kenmerken van het project is daarom met betrekking tot het verzorgingsgebied ook geen grotere reikwijdte te verwachten dan de regio Zuidoost-Brabant.
2.3
Behoefte
2.3.1
Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.
9
2.3.2
Kwantitatieve behoefte Kwantitatieve bevolkings- en huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de bevolkingsontwikkeling en de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Uit de Primos prognose3 blijkt dat het aantal inwoners en huishoudens in de gemeente Asten de komende jaren/decennia toeneemt. Navolgende grafieken tonen respectievelijk de bevolkings- en huishoudensontwikkeling in de periode 2030-2050 (om onduidelijke redenen zijn de gegevens voor 2025 niet beschikbaar) voor de gemeente Asten.
Huishoudensprognose 2030-2050 gemeente Asten (bron: ABF Primos).
Huishoudensprognose 2030-2050 gemeente Asten (bron: ABF Primos).
De verwachting is dat het aantal inwoners in de gemeente Asten toeneemt van 17.900 in 2030 naar 18.610 bewoners in 2050. Dat is een toename van meer dan 700 inwoners. Ondanks dat de gegevens voor 2025 niet beschikbaar te zijn, lijkt aangenomen te kunnen worden dat er ook sprake is van groei gedurende de
3
https://primos.datawonen.nl/ geraadpleegd op 16 juli 2025.
10
periode 2025-2030. De verwachte groei tussen 2025 en 2050 zal daarom in werkelijkheid nog groter zijn. Indien gekeken wordt naar de geprognosticeerde huishoudensontwikkeling, dan is te zien dat het aantal huishoudens toeneemt van 7.890 in 2030 naar 8.230 huishoudens in 2050: een toename van 340 huishoudens. Ook hier geldt dat aannemelijk is dat de groei vanaf 2025 nóg groter is. Als er wordt uitgezoomd en de gehele woonregio Zuidoost-Brabant in ogenschouw wordt genomen, dan blijkt er de komende jaren een verwachte toename van het aantal huishoudens te zijn van meer dan 50.000 huishoudens (van 401.050 in 2030 naar 541.610 in 2050).
Huishoudensprognose 2030-2050 woonregio Zuidoost-Brabant (bron: ABF Primos).
Woondeals provincie Noord-Brabant De vier Brabantse Woondeals moeten voorzien in de bouw van in totaal 130.600 nieuwe woningen in de provincie Noord-Brabant in de periode tot en met 2030. In de vier Brabantse Woondeals is concreet vastgelegd hoeveel woningen er bij komen in iedere regio en gemeente. Van de vier woonregio’s is regio Zuidoost-Brabant de regio met de grootste woningbouwopgave, namelijk 45.130 woningen. Woondeal regio Zuidoost-Brabant 2022-2030 In de regionale woondeal is opgenomen dat elke gemeente een fair share neemt van de regionale opgave. Daarom zijn er regionale afspraken gemaakt over de minimale opgave per gemeente. Voor Asten is de woningbouwopgave 690 woningen (=bruto, netto is het 640). Vervolgens is in 2023 een nieuwe landelijke en een provinciale woningbehoefteprognose uitgekomen. Hieruit blijkt dat de opgave voor nieuw te realiseren woningen groter is dan eerder geraamd. Daarnaast is het Convenant Beethoven opgesteld, waarin staat dat de bouw van 17.000 woningen en 2.280 onzelfstandige studenteneenheden wordt versneld. De plannen waren oorspronkelijk gepland voor de periode 2030-2040, maar worden naar voren gehaald (start bouw uiterlijk in 2030). Tevens is in de zomer van 2023 op de regionale Ontwikkeldag de regionale 11
Ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant vastgesteld met daarin de ambitie om tot 2040 100.000 woningen aan de regio toe te voegen. Daarom is besloten de Woondeal uit 2023 te actualiseren. De nieuwe en grotere woningbouwopgave is in december 2024 vastgesteld. Daarin is Biesvelden 1 als sleutelproject opgenomen. Onderstaande tabel toont een overzicht van de woningbouwopgave, waarin is aangegeven wat de realisatie is geweest in de afgelopen jaren en wat dat betekent voor de opgave en gemiddelde jaarlijkse productie in de resterende periode.
Bron: Regionale woondeal, bewerkt door SAB.
Programma Wonen gemeente Asten 2024-2030 In het gemeentelijk woonprogramma wordt de ambitie uitgesproken om in de periode tot en met 2026 500 woningen te bouwen, en in de periode daarna (20262030) nog eens zeker 500 woningen erbij. De gemeente signaleert dat in de afgelopen jaren er een erg grote druk op de regionale en lokale woningmarkt is ontstaan. De Metropoolregio Eindhoven is een krachtige economische motor die niet alleen zorgt voor een grote groei van de werkgelegenheid, maar ook zorgt voor een grote trek van mensen naar Eindhoven en omliggende gemeenten. Woningbouw heeft in de afgelopen jaren de toename van de woningvraag niet kunnen bijhouden. Daarom moet er de komende jaren flink worden bijgebouwd. Conclusie Gelet op de positieve bevolkings- en huishoudensontwikkeling binnen de gemeenten Asten en vooral ook de regio Zuidoost-Brabant, de kwantitatieve woonopgave van de gemeente en de hoge druk op de woningmarkt in de regio Zuidoost-Brabant, wordt geconcludeerd dat het toevoegen van 226 woningen past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het verzorgingsgebied. 2.3.3
Kwalitatieve behoefte Kwalitatieve huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de huishoudensopbouw qua leeftijd en samenstelling.
12
In de eerder genoemde Primos Prognose zijn de huishoudensprognoses voor de Metropoolregio Eindhoven (komt overeen met de eerdergenoemde regio ZuidoostBrabant) tevens onderverdeeld op basis van leeftijdscategorieën en huishoudenssamenstellingen (zie navolgende grafieken). Ten aanzien van de leeftijd valt op dat de groepen ’75 jaar en ouder’, ’30-44 jaar’ en ’45-64 jaar’ de komende jaren zullen toenemen. De groepen ‘29 jaar en jonger’ blijft redelijk constant gedurende de periode 2025-2050 en de groep ’65-74 jaar’ neemt de komende tien jaar toe, om vervolgens weer af te nemen tot bijna hetzelfde aantal als nu (2025). Indien gekeken wordt naar de huishoudingsamenstelling, dan valt op dat alle groepen te maken hebben met een stijging. De groep alleenstaanden neemt fors het meeste toe. Er is een redelijk constante toename te verwachten van het aantal ‘paar zonder thuiswonende kinderen’ en ‘éénouderhuishoudens’. De groep ‘paar met thuiswondende kinderen neemt de komende tien jaar eerst forst toe, maar de groei stagneert enigszins na 2035.
Huishoudensontwikkeling Metropoolregio Eindhoven per leeftijdscategorie (Bron: Primos Prognose).
Huishoudensontwikkeling Metropoolregio Eindhoven per type huishoudenssamenstelling (Bron: Primos Prognose).
Programma Wonen gemeente Asten 2024-2030 In dit gemeentelijk programma is gekeken naar de woningbehoefte binnen de gemeente Asten. Daarbij is per huishoudenstype gekeken naar de ontwikkeling op 13
basis van de lokale trendprognose (zie navolgende afbeelding). Hieruit blijkt dat er vooral een groei is als gevolg van het ouder worden van de bevolking. Voor een deel van de ouderen zijn straks andere woningen nodig. Als die er niet komen, dan komen er onvoldoende woningen vrij voor jongeren, doorstromende huishoudens en vestigers van buitenaf. Uit de trendprognose valt bovendien op dat het aantal (jonge) alleenstaanden en stellen wat daalt. Er dient gezorgd te worden dat ook woningen voor jonge mensen en voor de groeiende vraag uit de regio bijgebouwd wordt.
Bron: Programma Wonen gemeente Asten 2024-20304
Vanuit de doorrekeningen van de trendprognose en de door Companen ingeschatte verwachte verhuisdynamiek is een kwalitatieve woningbehoefte berekend. Hieruit komt naar voren dat er tot 2030 vooral tekorten zijn in de volgende segmenten: − Goedkope en betaalbare grondgebonden koopwoningen +215 − (waarvan goedkoop: + 65) − Particuliere huur/middenhuur (levensloopgeschikte) appartementen +95 − Sociale huur (levensloopgeschikte) appartementen: +70 − Betaalbare koopappartementen +60 − (waarvan goedkoop: +40) − Duurdere koopappartementen: +15 Naast de woningbehoefte vanuit de verwachte (trendmatige) huishoudensontwikkelingen voorziet de gemeente op korte termijn (2024 – 2026) ook een aanvullende behoefte aan woningen vanuit de opgelopen tekorten van de voorbije jaren (inhaalvraag) en van een piek in de huisvestingsvraag van migrantengroepen in Asten. De uiteindelijke kwalitatieve woningbehoefte voor de gemeente Asten richting 2040 (trendraming) is weergegeven in onderstaande grafiek. Hieruit blijkt dat er een tekort is aan het merendeel van de woningtypen. Ook de woningtypen waar op het
4
De gegevens uit het Programma Wonen gemeente Asten 2024-2040 zijn inmiddels niet meer actueel. Voor actuele begrippen en prijscategorieën wordt verwezen naar https://static.metropoolregioeindhoven.nl/downloads/Themas/Wonen/2025-Regionale-Begrippenlijst-Wonen.pdf.
14
moment van onderzoek een overschot van lijkt, zal op termijn door substitutie en marktwerking op een positieve manier van invloed kunnen zijn op de tekorten in andere segmenten (zie bijlage 1 bij het gemeentelijk woonprogramma).
Bron: Programma Wonen gemeente Asten 2024-2030.
Conclusie Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling, met bijbehorende woonwensen, kan gesteld worden dat het project aansluit bij de demografische ontwikkelingen en wensen in de Metropoolregio Eindhoven, alsook de gemeente Asten specifiek. Uit de prognoses blijkt dat er met name een toename is van het aantal ouderen. Maar over het algemeen is er een stijging te zien in meerdere type huishoudens, zowel qua samenstelling als leeftijd. Dit wordt bevestigd, doordat in het Programma wonen de Woonvisie gemeente Asten wordt aangegeven dat er behoefte is aan vrijwel alle type woningen, waarbij betaalbaarheid een centrale rol speelt. Het programma uit voorliggend project is erg divers, met een mix tussen grondgebonden en gestapelde woningen. Conform de Woondeal regio Zuidoost-Brabant bestaat het woningbouwprogramma van Biesvelden fase 1 uit ten minste tweederde betaalbare woningen (sociale huur, middenhuur en betaalbare koop) en 30% sociale huur. De woningen in het sociale huursegment bestaan uit grondgebonden woningen, appartementen en woonwagens. In de categorie betaalbaar vallen een deel van de patiowoningen, rijwoningen en rug-aan-rugwoningen. De vrije sector-woningen bestaan uit tweekappers, zelfbouwkavels (tweekappers en vrijstaand), hoekwoningen en patiowoningen. Op die manier is een mooie mix beoogd in Biesvelden 1 die aansluit bij de kwalitatieve behoeften. 15
2.3.4
Conclusie De beoogde woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte van het verzorgingsgebied. Met voorliggend project wordt geanticipeerd op de demografische ontwikkeling binnen de gemeente Asten, alsook de regio Zuidoost-Brabant (of Metropoolregio Eindhoven), door in te zetten op een grote verscheidenheid aan woningen, zowel qua prijsklasse als woningtype. Zo wordt het woonprogramma voor 2/3e betaalbaar, waarvan 30% sociale huur, en voorziet het in grondgebonden woningen en appartementen. Hierdoor krijgen starters, ouderen, gezinnen en doorstromers allen een plek in deze nieuwe woonwijk. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit bij het ruimtelijk beleid van de gemeente en de regio. Dit maakt dat de ontwikkeling van het projectgebied voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte van het verzorgingsgebied.
2.4
Bestaand stedelijk gebied
2.4.1
Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Het Bkl definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moeten de geldende planologische mogelijkheden ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied.
2.4.2
Toetsing Het plangebied bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom van Asten en kan daarmee getypeerd worden als overgangsgebied van een landelijk-dorps woonmilieu naar het buitengebied. De gronden van het plangebied kennen momenteel grotendeels een agrarische bestemming en zijn ook nog zodanig in gebruik. Op basis van de ter plaatse toegestane functies kan worden geconcludeerd dat het plangebied buiten het bestaand stedelijk gebied ligt. Op de digitale kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Noord-Brabant (versie 20-09-205) valt het plangebied binnen het ‘Landelijk gebied’. Aan de andere kant is het zo dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied en het feit dat het daadwerkelijke buitengebied ten oosten van de provinciale weg ligt, dat het plangebied ook kan worden beoordeeld als bebouwde kom. Desalniettemin wordt in deze paragraaf beoordeeld of de beoogde ontwikkeling niet volledig binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Biesvelden fase 1 heeft een groen en ruim opgezet karakter, waarbij de aanwezige groenstructuren ingepast worden, zodat het leefgebied van diverse aanwezige diersoorten behouden en versterkt wordt. Het plan Biesvelden fase 1 bestaat in totaal uit 226 woningen, met een grote diversiteit aan woningen in het 16
woningbouwprogramma. Een ontwikkeling met een dergelijke omvang en grote diversiteit aan woningen maakt dat sprake is van een woningbouwontwikkeling met een groot aantal kenmerken, waarvan gesteld wordt dat er onvoldoende potentiële inbreidingslocaties met voldoende capaciteit en dezelfde kwalitatieve kenmerken (tijdig) voorhanden zijn. De keuze om het plangebied tot ontwikkeling te brengen als buitenstedelijke woningbouwontwikkeling is dan ook te rechtvaardigen. Bovendien zijn Loverbosch fase 1 t/m 3 zijn (recent) al getransformeerd van agrarisch gebied tot woonlocatie of zijn momenteel in ontwikkeling. Biesvelden fase 1 is wat dat betreft een logische uitbreiding van bestaand woongebied. 2.4.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in een gebied dat niet wordt gezien als bestaand stedelijk gebied. Aangezien de geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, is het gerechtvaardigd dat de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd
17
3 Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. De buiten bestaand stedelijk gebied gelegen ontwikkeling is daarmee gerechtvaardigd. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar wordt geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking
18
oefte die niet binnen stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. De buiten stedelijk gebied gelegen ontwikkeling is daarmee gerechtvaardigd. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar wordt geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.
19
Bijlage 2: M.e.r.-beoordeling
Asten, woningbouw Biesvelden fase 1 Mer-beoordeling Gemeente Asten
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
1 augustus 2025, projectnummer 230268.03
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
De mer-beoordeling
5
1.3
Leeswijzer
6
Kenmerken van het project
7
2.1
Inleiding
7
2.2
Beschrijving van het project
7
2.3
Omvang van het project
7
2.4
Overige kenmerken van het project
8
Plaats van het project
9
3.1
Inleiding
9
3.2
Het bestaande grondgebruik
9
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
10
Kenmerken van het potentiële effect
14
4.1
Inleiding
14
4.2
Natuur
15
4.3
Verkeer
17
4.4
Geluid
18
4.5
Luchtkwaliteit
18
4.6
Water
19
Conclusie
21
1 Inleiding 1.1
Aanleiding In Asten bestaat het voornemen een woningbouwuitbreiding te realiseren. Het initiatief is niet mogelijk binnen de kaders vanuit het geldende omgevingsplan; een wijziging van het omgevingsplan is benodigd. Het project voorziet de realisatie van circa 226 woningbouw op de Biesvelden (fase 1). De locatie ligt ten oosten van de kern Asten en ten zuiden van deelgebied Loverbosch fase 3. De directe omgeving wordt gekenmerkt door onder andere woningbouw en agrarisch gebied. Navolgende figuren geven de ligging van de ontwikkellocatie ten opzichte van de nabije omgeving en een luchtfoto van de ontwikkellocatie weer.
Topografische kaart met globale aanduiding ontwikkellocatie (in rood) (bron: openstreetmap)
3
Begrenzing van de nieuwe woonwijk Biesvelden fase 1, aangeduid met wit kader (Bron: PDOK Viewer, bewerkt door SAB). De ontwikkeling past niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Daarom wordt gebruikgemaakt van een procedure voor een wijziging. Voorliggende ontwikkeling vormt een project dat in bijlage V van het Omgevingsbesluit is opgenomen. Het is volgens artikel 16.36 noodzakelijk te beoordelen of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Uit paragraaf 1.2 volgt dat het project uitsluitend voorziet in kaders voor activiteiten waarvoor geen drempelwaarden gelden. Vanwege het feit dat drempelwaarden ontbreken is een mer-beoordeling nodig en is voorliggend document opgesteld. Ook dient op basis van het Omgevingsbesluit een mer-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag. Het bevoegd gezag besluit of, vanwege de aanzienlijke effecten die het voorgenomen project mogelijk voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden opgesteld. In het kader van voorgaande is voorliggende mer-beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie.
Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegd gezag de gevolgen beoordelen van het project en de beslissing nemen of er een milieueffectrapport noodzakelijk is in het kader van dit project.
4
1.2
De mer-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: mer) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wetgeving rond de mer is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In het Omgevingsbesluit (Bijlage V) staat wanneer een mer of mer-beoordeling aan de orde is. Het project dat mogelijk wordt gemaakt en de omvang ervan zijn daarbij bepalend. Bij een mer-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat zo is, moet een milieueffectrapport (hierna: MER) worden opgesteld. In artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit zijn de onderdelen opgenomen die in de mer-beoordeling moeten worden beschreven: −
het project, met in ieder geval een beschrijving van: − de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten; − de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn;
−
de mogelijke aanzienlijk milieueffecten van het project;
−
voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project als gevolg van: − de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en − het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten. Tot slot kan een beschrijving worden bijgevoegd van de kenmerken van het voorgenomen project en van de voorgenomen maatregelen om mogelijk aanzienlijke milieueffecten te vermijden. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken beoordelen of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en of een MER nodig is. Het bevoegd gezag kan de mer-beoordelingsbeslissing tegelijk met het ontwerpbesluit voor het project nemen. Toetsing aan het Omgevingsbesluit Onderhavig project betreft de herontwikkeling van een woonzorginstelling. Het gaat om een project zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit, namelijk ‘een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (nummer J11). Voor dit project geldt een merbeoordelingsplicht, aangezien sprake is van aanleg, wijziging of uitbreiding van een 5
stedelijk ontwikkelingsproject. Een directe mer-plicht is voor projecten onder nummer J11 niet van toepassing. Doel m.e.r-beoordeling Het doel van een mer-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van het voorgenomen project aan het bevoegd gezag. Er wordt in een mer-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van het project aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde mer-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een mer-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over de bijbehorende procedure voor het wijzigen van het (tijdelijk) omgevingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde project ingegaan, waarbij, conform artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: −
kenmerken van het project;
−
de locatie van het project;
−
de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en
−
het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige project en de eventuele milieugevolgen: er wordt ingegaan op de kenmerken van het project in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het project beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.
6
2 Kenmerken van het project 2.1
Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en de omvang van het project worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving van het project De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van in totaal ca. 226 woningen binnen deelgebied Biesvelden fase 1. Het projectgebied is circa 7,5 hectare groot.
2.3
Omvang van het project Het woonprogramma bestaat uit verschillende type woningen. Zo komen er verdeeld over het plangebied vrijstaande woningen, levensloopbestendige patiowoningen, twee-onder-één-kapwoningen, rijwoningen en starterswoningen. Daarnaast bevinden zich op een aantal markante locaties in het plangebied accenten in de vorm van appartementen of bijzondere woningtypen, zoals bij de entree bij de Beekerloop en aan de centrale ruimte in het westelijke deel van het plan. Ook zijn er enkele woonwagenstandplaatsen in het plan opgenomen. In totaal voorziet het plan in 76 woningen in de vrije sector, 83 woningen in de betaalbare prijsklasse en 67 woningen in de sociale huurklasse. Onderstaande figuur geeft het stedenbouwkundig ontwerp weer.
Stedenbouwkundig ontwerp (bron: SAB, 27 juni 2025)
Daarnaast biedt het initiatief ruimte voor groen, biodiversiteit, waterbergingen en voorziet in de aanleg van fietspaden en een nieuwe wegenstructuur. 7
2.4 2.4.1.1
Overige kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het besluitgebied.
2.4.1.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het besluitgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het project maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het besluitgebied. In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
2.4.1.3
Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid). Deze aspecten zullen in het navolgende onderzocht worden.
2.4.1.4
Risico van ongevallen De beoogde ontwikkeling maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. De omgeving zal ten gevolge van de ontwikkeling dan ook geen risico ondervinden.
8
3 Plaats van het project 3.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het besluitgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.
3.2
Het bestaande grondgebruik Het westelijk deel van het besluitgebied bestaat volledig uit maisakker. Langs de wegzijde ligt een greppel met water. Op de westelijke en zuidwestelijke grens bevinden zich enkele heesters. Het oostelijke deel bestaat voor 30% uit maisakker en 70% uit weiland. Het agrarische deel bevindt zich aan de straatzijde van het oostelijke deel. Op de oostelijke en noordelijke grens bevindt zich een sloot. Ook langs de Koestraat bevindt zich een afwateringssloot. Er zijn geen bomen aanwezig in het besluitgebied. Er staat enkel een bomenrij direct naast het besluitgebied, langs de Koestraat. Navolgende afbeeldingen geven een weergave van het besluitgebied;
Aanzicht straatzijde oostelijk deel
Aanzicht westelijk deel besluitgebied;
besluitgebied;
Aanzicht grasland oostelijk deel
Aanzicht aanwezige sloot in het oosten van
besluitgebied;
het oostelijke deel besluitgebied.
9
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze mer-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze mer-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze mer-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.
3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Wetlands
Conventie van
In of in de directe nabijheid van het
Ramsar
besluitgebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.
Kustgebieden
Het besluitgebied is niet gelegen in een kustgebied.
Berggebieden en bosgebieden
Omgevingswet
Het besluitgebied is niet gelegen in een berg- of bosgebied.
Reservaten en natuurparken:
Nationale Land-
Het besluitgebied ligt niet in een
−
Nationale Landschappen
schappen zijn be-
Nationaal Landschap en/of Natio-
−
Nationale Parken
noemd in de Nota
naal Park.
Ruimte; Nationale Parken zijn onderdeel van de NNN (voorheen EHS). Speciale beschermingszones, door
−
Omgevingswet
In de omgeving van het besluitge-
de lidstaten aangewezen krachtens
−
Besluit activitei-
bied liggen Natura 2000-gebieden
Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn)
ten leefomge-
(zie verder onder 1).
en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatricht-
ving
lijn) Gebieden waarin de bij communau-
Europese milieu-
taire wetgeving vastgestelde nor-
richtlijnen (o.a. ka-
men inzake milieukwaliteit reeds
derrichtlijn Lucht-
worden overschreden
kwaliteit,
Het besluitgebied ligt niet in gebieden waar op basis van communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden. Wel is de gemeente Asten in het Besluit
kaderrichtlijn Water)
10
kwaliteit Leefomgeving als
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit aandachtsgebied voor fijnstof (zie verder onder 2).
Gebieden met hoge bevolkingsdicht-
Het besluitgebied is niet gelegen
heid
in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.
Landschappen van:
−
Besluit kwaliteit
−
historisch belang
−
cultureel belang
−
Omgevingsplan
−
archeologisch belang
−
Gemeentelijk
leefomgeving
Het besluitgebied ligt deels in een zone met archeologische of cultuurhistorische waarden (zie verder onder 3)
landschapsontwikkelingsplan
1. Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het besluitgebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Groote Peel”, “Deurnsche Peel en Mariapeel” en “Strabrechtse Heide & Beuven” in de nabije omgeving van het besluitgebied. Deze liggen respectievelijk 5,6 en 7 kilometer van het besluitgebied verwijderd.
Globale ligging van het besluitgebied (blauwe cursor) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: Aerius).
11
Op voorhand kan niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op het Natura 2000-gebied. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect natuur. 2. Aandachtsgebied luchtkwaliteit Op grond van artikel 5.51 van het Besluit kwaliteit Leefomgeving en artikel 2.38 van de Omgevingsregeling maakt de gemeente Asten deel uit van een aandachtsgebied voor fijnstof. Lid 1 onder a van artikel 5.51 bepaalt dat dit aandachtsgebied van toepassing is op activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. 3. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het nietzichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. In het kader van voorliggende ontwikkeling is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek1 uitgevoerd.
Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de C-horizont zal worden vergraven als gevolg van de ingrepen die worden uitgevoerd in het kader van voorliggende woningbouwontwikkeling. De kans dat behoudenswaardige archeologische resten worden verstoord, wordt echter als klein ingeschat. Daarom adviseert Bureau voor Archeologie om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling en is nader onderzoek niet nodig. Het rapport is tevens getoetst door het bevoegde gezag en de beoordelaars kunnen zich vinden in dit advies. Daarom wordt er niet nader op ingegaan in hoofdstuk 4.
3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Natuurnetwerk Nederland (voor-
Provinciale verorde-
Het besluitgebied maakt geen deel
heen: Ecologische Hoofdstructuur)
ning
uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en ligt ook niet in de directe nabijheid van een dergelijk netwerk.
1
Bureau voor Archeologie (2025) Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Koestraat Asten. Rapportnummer: 1509, 28 januari 2025.
12
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Gebied geschikt voor beschermde
−
Omgevingswet
Het besluitgebied is mogelijk ge-
soorten
−
Besluit activitei-
schikt voor beschermde soorten (zie
ten leefomge-
verder onder 4).
ving Weidevogelgebied en ganzenfoera-
Provinciale verorde-
Het besluitgebied ligt niet in een be-
geergebied
ning
schermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.
Stiltegebied
Bodembeschermingsgebied
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verorde-
Het besluitgebied is niet gelegen in
ning
een stiltegebied.
Provinciale verorde-
Het besluitgebied is niet gelegen in
ning
een bodembeschermingsgebied.
Provinciale verorde-
Het besluitgebied is gelegen in een
ning
grondwaterbeschermingsgebied (zie verder onder 5).
4. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het besluitgebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 5. Grondwaterbeschermingsgebied Het besluitgebied is in een zone gesitueerd met restricties ten aanzien van grondwater. Het is verboden om onconventionele winning van koolwaterstoffen te verrichten. Het project voorziet in woningbouw. Er is geen sprake van aantasting van het grondwaterbeschermingsgebied.
13
4 Kenmerken van het potentiële effect 4.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het project de realisatie van een nieuw woongebied voorziet. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de mogelijke aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het besluitgebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. Er kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het besluitgebied aanwezig zijn. Ook liggen Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het besluitgebied. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: −
Natuur: de ontwikkeling kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. Ook wat betreft gebiedsbescherming (Natura 2000) zijn negatieve milieueffecten niet uit te sluiten. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve effecten op de natuurwaarden.
−
Verkeer: de nieuwe ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.
−
Geluid: de ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluid (door verkeer) op de omgeving.
−
Luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de gemeente Asten in een aandachtsgebied voor fijnstof gesitueerd.
−
Water: de ontwikkeling zorgt voor een toename van het verharde oppervlak. Er dient te worden nagegaan of deze toename voor significant negatieve milieueffecten zorgt
14
Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen: −
externe veiligheid: De functies in onderhavig project leiden niet tot externe veiligheidseffecten.
−
cultuurhistorie: De functies in onderhavig project leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden.
−
bodem: Onderhavig project bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.
−
geurhinder: De functies in onderhavig project leiden niet tot geurhinder.
−
archeologie: De locatie is deels aangewezen als een locatie met archeologische verwachting. Een archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de planlocatie volledig vrijgegeven kan worden.
De voorgaande aspecten worden daarom in deze mer-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de mer-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het programma.
4.2
Natuur
4.2.1
Huidige situatie Het westelijk deel van het besluitgebied bestaat volledig uit maisakker. Langs de wegzijde ligt een greppel met water. Op de westelijke en zuidwestelijke grens bevinden zich enkele heesters. Het oostelijke deel bestaat voor 30% uit maisakker en 70% uit weiland. Het agrarische deel bevindt zich aan de straatzijde van het oostelijke deel. Op de oostelijke en noordelijke grens bevindt zich een sloot. Ook langs de Koestraat bevindt zich een afwateringssloot. Er zijn geen bomen aanwezig in het besluitgebied. Er staat enkel een bomenrij direct naast het besluitgebied, langs de Koestraat.
4.2.2
Effecten ontwikkeling In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quick scan natuur 2 uitgevoerd. n deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk
2
SAB (2024) Quick scan natuur Asten Oost, Biesvelden. Projectnummer: 230268.03, 31 juli 2024.
15
negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden de bevindingen uit de quick scan uiteengezet. Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Er liggen Nederlandse Natura 2000-gebieden in de buurt van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. Daarom is in het kader van de planologische procedure een onderzoek stikstofdepositie benodigd. SAB heeft dit onderzoek uitgevoerd3. Daaruit blijkt dat er voor de aanlegfase de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j. Voor de gebruiksfase is een toename van 0,01 mol/ha/jaar op 0,13 ha waargenomen. Door fasering of tijdens de projectfase te opteren voor een vergunning Natura 2000-activiteit (ten behoeve van intern salderen) is het plan uitvoerbaar. Geconcludeerd wordt dat met de gehanteerde parameters milieueffecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.
Beschermde soorten Uit de quick scan blijkt dat de volgende vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen en kunnen nestelen: - Sperwer, boomvalk - Ransuil - Steenuil Indien de heesters op de westelijke grens van het besluitgebied worden verwijderd, dan is nader onderzoek naar huismus ook noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat de volgende streng beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn of niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’ in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen: - Vliegroute en foerageergebied vleermuizen Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen, nestplaatsen of andere essentiële elementen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een vergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Daarnaast wordt het oostelijke deel van het besluitgebied gebruikt als migratieroute van de das.
Daarom dienen preventieve maatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.5.1.2 van de quick scan natuur, getroffen te worden om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. 3
SAB (2025) Onderzoek stikstofdepositie, Biesvelden fase 1,1 augustus 2025, Projectnummer 230268.03
16
Uit de quick scan blijkt dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen komen. Derhalve dienen preventieve maatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 van de quick scan, getroffen te worden om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Ten tijde van deze mer-beoordeling is het nadere onderzoek nog niet uitgevoerd. 4.2.3
Conclusie Uitgaande van eventuele maatregelen of benodigde vergunningen voor een fauna en flora-activiteit zijn significant negatieve milieueffecten.
4.3
Verkeer
4.3.1
Huidige situatie In de huidige situatie heeft het besluitgebied grotendeels een agrarisch karakter en daardoor een beperkte bijdrage qua verkeersbewegingen op het omliggende wegennet.
4.3.2
Effecten ontwikkeling Aan de hand van CROW, Parkeerkencijfers 2024, d.d. augustus 2024, is de verkeersgeneratie bepaald. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2024) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Asten wordt geclassificeerd als ‘matig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Navolgende tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw waarbij het getal naar boven is afgerond. Zo wordt de worstcase situatie berekend. Berekening verkeersgeneratie per etmaal kenmerk
aantal
kencijfer
per
verkeersgeneratie gemiddeld
Koop , hoek/tussen
109
6,7
woning
730,3
Koop, twee-onder-een-kap
36
7,8
woning
280,8
Koop, vrijstaand
14
8,2
woning
114,8
Appartementen, sociale huur
47
2,3
woning
108,1
huur, huis
20
4,4
woning
88,0
totaal afgerond
226
1.322
Met dit plan wordt de wegenstructuur aangepast op de toekomstige verkeersgeneratie. Het plan voorziet in de aanleg van straten op buurtniveau een in erftoegangsweg; Daarnaast wordt de globale ontsluiting van het gebied Asten-Oost via de Koestraat heringericht om meer verkeer aan te kunnen. In dit kader is een verkeersstudie uitgevoerd4. Dit onderzoek beschrijft tevens de gevolgen voor de 4
Royal HaskoningDHV (17 januari 2025). Provincie Noord-Brabant. Referentie: BJ6647_M&I_RP2501171433
17
omliggende kruispunten (ook met de provinciale weg N279 nabij de snelweg A67). Het aspect ‘verkeer’ is derhalve voldoende in kaart gebracht en de wegensstructuur wordt waar nodig opgepakt en aangepast. 4.3.3
Conclusie Van significant negatieve milieueffecten vanwege verkeer is er geen sprake.
4.4
Geluid
4.4.1
Huidige situatie Het besluitgebied ligt aan de rand van de bebouwde kom van Asten. De Koestraat en de provinciale weg N279 zorgen voor een merkbaar geluidniveau op de plaats van de ontwikellocatie en in de omgeving
4.4.2
Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van circa 226 wooneenheden zorgt voor een totale toename van 1.322 verkeersbewegingen. Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidtoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat circa tweederde van het verkeer ontsloten wordt via de Mispel (erftoegangsweg Lovensbosch fase 3) en een derde via de Vlas 5 De toename kan op enkele gemeentewegen boven 40% toename uitkomen, maar uit het akoestisch onderzoek blijkt tevens dat de standaardwaarde vanwege de gemeentewegen op geen enkel beoogd bouwvlak wordt overschreden. In de nabije omgeving zal deze conclusie ook gelden vanwege de relatief lage intensiteiten. Er zal derhalve nog steeds sprake zijn van een acceptabel akoestisch klimaat als gevolg van voorliggende ontwikkeling.
4.4.3
Conclusie Van significant negatieve milieueffecten vanwege geluid is er geen sprake.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM10) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen zoals benoemd in de Omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit (§ 2.2.1.1 Bkl). Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in de huidige situatie ruim beneden de gestelde grenswaarden.