CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

AZC22.06A.07D Artikelsgewijze toelichting.pdf

Raadscommissie Samenleving en Bestuur 23 juni 2022, gemeente AstenBij agendapunt: Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Asten 2017 (adviserend)4.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notitie ZAAKNUMMER : 2021076234 VAN

: Team L.H.V., mr. M.E.W.M. (Miranda) Pals-Reiniers

DATUM

: 21 december 2021

ONDERWERP

: Artikelsgewijze toelichting wijzigingen Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Asten 2017, derde wijziging

A Artikel 1:1

Definities

In dit artikel zijn de definities van de begrippen ‘bromfiets’; ‘motorvoertuig’, ‘parkeren’ en ‘voertuig’ toegevoegd. Deze begrippen werden voorheen gedefinieerd in de artikelen 5:1 en 5:31a, maar de begrippen komen ook elders in de APV voor. Als gevolg van deze wijziging zijn de artikelen 5:1 en 5:31a komen te vervallen. Tevens is het begrip ‘college’ toegevoegd. B Artikel 1:7

Termijnen

Artikel 1:7 bepaalt dat een vergunning of ontheffing krachtens APV in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Aan dit artikel is een tweede lid toegevoegd, dat een nadere uitwerking is van het eerste lid en bepaalt dat een vergunning of ontheffing niet voor onbepaalde tijd geldt als het aantal vergunningen of ontheffingen beperkt is en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Daarmee wordt voldaan aan het bepaalde in de Dienstenrichtlijn, waarin schaarse vergunningen zijn uitgesloten van het beginsel van een geldingsduur voor onbepaalde tijd. C Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

In het eerste lid is toegevoegd dat onder een betoging ook wordt begrepen, een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties (Wom). Bedoeld artikel uit de Wom bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vast stelt met betrekking tot de gevallen waarin voor samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.

D Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg

In lid 4 van dit artikel is het woord ‘zoals’ toegevoegd, om te verduidelijken dat een ontheffing van het verbod in het eerste lid kan worden verleend ook ten behoeve van andere situaties dan oplaadpaal/-infrastructuur voor het opladen van elektrische voertuigen. Voorts is aan dit artikel een lid 5 toegevoegd, dat bepaalt dat de ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning als het gebruik van de weg een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo (opslag roerende zaken). Aan het zesde lid is onderdeel c toegevoegd, dat het verbod van lid 1 niet van toepassing is op overige gevallen waarin een vergunning voor gebruik van de weg is verleend.

E Artikel 2:24

Definities (evenementen)

Aan dit artikel is in het eerste lid onder g toegevoegd dat onder een evenement niet wordt verstaan, sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f. In het tweede lid onder f is opgenomen dat onder evenement tevens wordt verstaan, vechtsportwedstrijden in competitieverband georganiseerd door een sportorganisatie van een bij de NOC*NSF aangesloten bond of koepelorganisatie, die worden gehouden of gespeeld in of op accommodaties waarover de sportorganisatie vast de beschikking heeft. Aan het tweede lid onder e zijn ook ‘straatfeest’ en ‘buurtbarbecue’ toegevoegd als voorbeelden van een evenement als bedoeld in dit artikel.

F Artikel 2:25

Evenementenvergunning

In het tweede lid is toegevoegd dat gegevens als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen moet worden aangeleverd voor zover er voor het evenement een gebruiksmelding als bedoeld in dat besluit zou moeten worden gedaan.

G Artikel 2:27

Definitie

De term ‘horecabedrijf’ is vervangen door ‘openbare inrichting’. Aan dit artikel is het waterpijpcafé aan de definitie toegevoegd. Het roken van een waterpijp wordt steeds populairder in Nederland, met name in de grote- en middelgrote steden. Het roken van waterpijpen is niet zonder brandgevaar en het levert ook de nodige (stank)overlast voor de omgeving op. Bij het omvallen van een waterpijp kunnen brandende kooltjes een ontstekingsbron vormen voor het interieur van de inrichting met rookontwikkeling of brand tot gevolg. ‘Shisha lounges’ en soortgelijke inrichtingen

die het roken van waterpijp aanbieden, stralen daarnaast een bepaalde aantrekkingskracht uit op jongeren. In dit soort inrichtingen wordt naast de waterpijpactiviteiten ook vaak gedeald of illegaal gegokt en is vaak sprake van vernielingen, geluids- en parkeeroverlast, bedreiging en mishandeling. Tot slot kunnen er ook banden zijn met criminele organisaties of netwerken. Gelet op de genoemde gevaren en risico’s voor de omgeving van een dergelijke inrichting, die direct ingrijpen in de openbare orde en veiligheid, vallen dit soort inrichtingen altijd onder het vergunningstelsel. Zaken waar etenswaren worden verkocht of bereid die direct voor consumptie geschikt zijn maar waarin het niet mogelijk is om die etenswaren ter plekke te consumeren, vallen niet onder de definitie van ‘openbare inrichting’ in artikel 2:27, eerste lid. Het gaat bijvoorbeeld om traiteurs, pizzabakkers, sushi- of shoarmazaken die louter maaltijden op bestelling thuis afleveren of waar de maaltijden kunnen worden afgehaald. Dergelijke bedrijven vallen onder de Winkeltijdenwet en de lokale Winkeltijdenverordening. Voor deze zaken is dus geen horeca-exploitatievergunning nodig. Wel is het afhankelijk van de lokale Winkeltijdenverordening of ze op zon- en feestdagen open kunnen zijn en of ze op doordeweekse dagen om 22.00 uur moeten sluiten.

H Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

In dit artikel is de term ‘horecabedrijf’ is vervangen door ‘openbare inrichting’. Tweede lid, onderdeel a Als het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of voorbereidingsbesluit vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wro is geen sprake. Hieraan is toegevoegd, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Derde lid Als weigeringsgrond voor een exploitatievergunning is in het derde lid toegevoegd dat de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is.

Om discussie over strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn te voorkomen, is het wenselijk dat de burgemeester bij het toepassen van de weigeringsgrond ‘slecht levensgedrag’ beleidsregels vaststelt. In die beleidsregels wordt opgenomen wat onder slecht levensgedrag wordt verstaan en welke feiten en omstandigheden worden meegewogen.

3/14

Aan het derde lid is een derde onderdeel toegevoegd. Hierin is expliciet opgenomen dat de burgemeester een exploitatievergunning kan weigeren als er een negatief BIBOB-advies is uitgebracht ten aanzien van de exploitatievergunning. Het vijfde artikellid ziet op ‘droge horeca’, dus waar geen alcohol wordt geschonken. Wordt wel alcohol geschonken dan moet uiteraard aan de verplichtingen van de Alcoholwet worden voldaan. Zesde lid Onderdeel c is toegevoegd. Hiermee wordt gerealiseerd dat geen vergunning op grond van artikel 2:28 benodigd is als er ook een vergunning benodigd is op basis van artikel 2:38a en er sprake is van dezelfde exploitant. Deze koppeling is noodzakelijk om te voorkomen dat de eigenaar/exploitant van een camping of recreatiepark twee exploitatievergunningen moet aanvragen. De artikelen 2:29 tot en met 2:33 blijven in dat geval wel onverkort van toepassing op de openbare inrichting (bijvoorbeeld het restaurant) op de camping of het recreatiepark. I Artikel 2:28a Aanvraag vergunning In dit artikel is de term ‘horecabedrijf’ vervangen door ‘openbare inrichting’. J Artikel 2:29 Sluitingstijd In dit artikel is de term ‘horecabedrijf’ vervangen door ‘openbare inrichting’ en ‘Drank- en horecawet’ vervangen door ‘Alcoholwet’. K; L; M; N; In de artikelen 2:30, 2:31, 2:32, 2:33 is de term ‘horecabedrijf’ vervangen door ‘openbare inrichting’.

O Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan In dit artikel is de term ‘inrichting’ vervangen door ‘voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf’, conform gebruikte terminologie in artikel 174 Gemeentewet.

P Artikel 2:34a Schenktijden paracommerciële rechtspersonen De titel van Afdeling 8A wordt gewijzigd in ‘bijzondere bepalingen over paracommerciële rechtspersonen’. Aan artikel 2:34a is een lid 3 toegevoegd. De definities uit de Alcoholwet werken door in de op de Alcoholwet gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen.

Q Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie In dit artikel is de term ‘het houden’ vervangen door ‘de exploitatie of feitelijke leiding’.

R Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister In dit artikel zijn als te verstrekken gegevens geschrapt: adres, geboortedatum, geboorteplaats en betrekking, zodat de bepaling in overeenstemming is met de AVG.

S Afdeling 9A Toezicht op campings en recreatieparken – artikelen 2:38a t/m 2:38h

Met het invoegen van deze afdeling wordt een exploitatievergunning voor het exploiteren van een camping of recreatiepark van meer dan 25 recreatieverblijfplaatsen verplicht. Hiermee kan beter toezicht worden uitgeoefend op eventuele verstoringen van de openbare orde en het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten. Gemeenten, politie en RIEC (Regionaal Informatie- en Expertise Centrum) zien een verschuiving ontstaan van ondermijnende criminaliteit richting campings en recreatieparken. Met de artikelen 2:38a t/m 2:38h zijn campings en recreatieparken van meer dan 25 recreatieverblijfplaatsen vergunningplichtig. Dit biedt de burgemeester voldoende mogelijkheden om handhavend op te treden in geval van ondermijnende criminaliteit. Artikel 2:38a Definities In dit artikel zijn de begrippen ‘camping of recreatiepark’; ‘exploitant’; ‘beheerder/leidinggevende’ en ‘recreatieverblijfplaatsen’ gedefinieerd. Artikel 2:38b Vergunningplicht Met dit artikel wordt in de APV een verbod opgenomen tot het exploiteren van een camping of recreatiepark van meer dan 25 recreatieverblijfplaatsen tenzij daarvoor een exploitatievergunning is verkregen. Met lid 3 is geregeld dat als ook een vergunning op basis van artikel 2:28 APV benodigd is, er dan maar één vergunning (alleen de vergunning als bedoeld in deze afdeling 9A) verleend wordt.

De bepalingen van 2:292:33 blijven onverkort van toepassing op de openbare inrichting op de camping of het recreatiepark. Artikel 2:38c Gedragseisen In lid b is de gedragseis opgenomen dat exploitant en beheerder/leidinggevende niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag zijn. Hiermee wordt aangesloten bij de eisen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit van 1 juli 2021.

5/14

Artikel 2:38d Weigeringsgronden In dit artikel zijn de gronden opgenomen waarop een aanvraag om een exploitatievergunning als bedoeld in deze afdeling wordt geweigerd of kan worden geweigerd. Een van de gronden waarop een vergunning kan worden geweigerd is dat ten aanzien van de aangevraagde vergunning een negatief BIBOB advies is ontvangen. Artikel 2:38e Sluiting Dit artikel bepaalt wanneer de burgemeester kan besluiten tot sluiting van een camping of recreatiepark en hoe dit in zijn werk gaat. Artikel 2:38f aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark In dit artikel is bepaald dat het verboden is een gesloten camping of recreatiepark te (laten) betreden. Artikel 2:38g Intrekking vergunning Dit artikel regelt de gronden voor intrekking van de vergunning, naast de algemene intrekkingsgronden van artikel 1:6 APV. Onderdeel c betreft de intrekking vanwege een negatief BIBOB advies ten aanzien van de exploitant of beheerder/leidinggevende. Artikel 2:38h Overgangsbepaling Met deze overgangsbepaling wordt bewerkstelligd dat de verboden van Afdeling 9A pas gelden 12 weken na inwerkingtreding van de gewijzigde APV, en tevens daarna indien binnen deze termijn een exploitatievergunning is aangevraagd, totdat onherroepelijk op de aanvraag is beslist.

Voor campings en recreatieparken als bedoeld in 2:38b die op moment van inwerkingtreding van deze afdeling reeds bestaan geldt, dat zij kosteloos een vergunning van rechtswege ontvangen, tenzij er sprake is van een situatie als beschreven in het tweede artikellid. Het bepaalde in artikel 2:38h, tweede lid, laat uiteraard onverlet dat voor bestaande campings en recreatieparken vervolgens de verplichtingen en bepalingen van afdeling 9A onverkort gelden.

T Artikel 2:39 Speelgelegenheden In het tweede lid van dit artikel is de omschrijving van gevallen waarin het verbod van lid 1 niet van toepassing is gewijzigd van een opsomming naar ‘situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen’. Hiermee wordt de formulering van de model APV van de VNG gevolgd. Een speelautomaat in de zin van de Wok is altijd of een behendigheidsautomaat of een kansspelautomaat. Een behendigheidsautomaat dat geen kansspel is, maar waarbij je wel de kans om te winnen kunt vergroten, wordt toch gereguleerd onder de Wok om te voorkomen dat ze worden misbruikt als kansspelautomaat. Een exploitatievergunning voor een speelautomaat, is een vergunning op grond van de Wok. Een vergunning ogv 2:39 APV is een ‘aanwezigheidsvergunning’: die is alleen nodig voor speelautomaten die niet onder de Wok vallen (er is dus maar een heel beperkte reikwijdte). Aldus: op grond van de APV is geen vergunning nodig voor een speelautomaat, niet zijnde een kansspelautomaat. Omdat dit nu niet voldoende helder volgt uit artikel 2:39 lid 2 onder c, is de formulering van de model APV van de VNG gevolgd op dit punt.

U Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke Aan dit artikel is een vierde lid toegevoegd waarin is opgenomen dat het verbod van dit artikel niet van toepassing is voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

V Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik en openlijk drugsgebruik In artikel 2:48 wordt in het tweede lid onder a en b ‘horecabedrijf’ vervangen door ‘openbare inrichting’. In het tweede lid onder b wordt ‘Drank- en horecawet’ vervangen door ‘Alcoholwet’.

W Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat).

Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid).

7/14

X Artikel 2:57

Loslopende honden

Het eerste lid, onder c, maakt het mogelijk om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar honden moeten worden aangelijnd, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen.

Y Artikel 2:65

Bedelarij

Het bedelverbod voor aangewezen plaatsen op de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw is vervangen door het begrip ‘openbare plaatsen’ waardoor het verbod ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen gaat gelden. Een voor het publiek toegankelijk gebouw, voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is ook een openbare plaats.

Z Artikel 2:71 Definitie In dit artikel is een definitie van de begrippen ‘carbid’ en ‘carbidschieten’ toegevoegd evenals een nummering a-c.

AA Artikel 2:73a Schieten met carbid of soortgelijke stoffen Er wordt een nieuw artikel toegevoegd dat ziet op het verbod tot carbid schieten. Carbid valt niet onder het Vuurwerkbesluit. Om het carbid schieten te kunnen verbieden binnen de bebouwde kom is artikel 2:73a toegevoegd. De bepaling geeft de bevoegdheid aan het college om een aanwijzingsbesluit te nemen voor een plaats of deel van de gemeente buiten de bebouwde kom waar het verboden is. AB Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Dit artikel is aangepast zodanig dat de zorgplicht voor verhuurders voortaan voor het gedrag van alle huurders geldt en niet meer alleen huurders die niet-ingezetene zijn (Wet toeristische verhuur van woonruimte). Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Het artikel is hiermee in overeenstemming met artikel 151d van de Gemeentewet zoals dat sinds 1 januari 2021 luidt.

AC Artikel 2:81 Aan dit artikel is een lid toegevoegd, dat paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig besluiten) niet van toepassing verklaart. In bedoelde paragraaf wordt uitgegaan van een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen. Dit betekent dat indien niet tijdig op een aanvraag exploitatievergunning wordt beslist, de aanvraag van rechtswege zou zijn verleend. Dit is niet wenselijk. Door deze paragraaf niet van toepassing te verklaren moet het college altijd een besluit op exploitatievergunning nemen voordat deze ook daadwerkelijk verleend kan zijn.

AD Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

In het eerste lid is de verwijzing naar het Activiteitenbesluit milieubeheer aangepast aan de huidige wetgeving. AE 4:9a Verbod oplaten ballonnen Ballonnen die los de lucht in gaan en in de natuur terechtkomen, brengen ernstige schade toe aan natuur en milieu. Er is geen wettelijk verbod op het oplaten van ballonnen. Het verbod in het nieuwe artikel 5:34a houdt in dat geen ballonnen mogen worden opgelaten, daaronder wordt niet verstaan een heteluchtballon (luchtvaartuig). AF Artikel 4:10 Definities (bewaren van houtopstanden) In dit artikel is de definitie van ‘bebouwde kom’ aangepast. Met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 is de Boswet komen te vervallen. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de bebouwde kom ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Het gaat hier niet om de grens van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet, aangezien die bebouwde kom met een ander oogmerk wordt vastgesteld. Zolang de gemeente nog geen komgrens op grond van de Wet natuurbescherming heeft vastgesteld, bepaalt artikel 9.9 van de Wet natuurbescherming dat de komgrens zoals vastgesteld onder de Boswet dient te worden gehanteerd. AG Artikel 4:11 1.

Omgevingsvergunning vellen houtopstanden

In artikel 15 lid 3 van de Boswet was vastgelegd dat gemeenten buiten de bebouwde kom geen aanvullende regels (bovenop de Boswet) mochten stellen aan bij het Bosschap geregistreerde bedrijven. Het Bosschap was een publiekrechtelijke organisatie, dit is per 1

9/14

januari 2015 opgeheven. Ingevolge artikel 4.2 Wet natuurbescherming geldt voor bepaalde houtopstanden een verbod tot (doen) vellen zonder voorafgaande melding daarvan bij Gedeputeerde Staten. Artikel 4:11 tweede lid, onder f is hier op aangepast. 2.

Vanwege de inwerkingtreding van de nieuwe Plantgezondheidswet per 1 maart 2021 is de Plantenziektewet komen te vervallen. Artikel 4:11 tweede lid onder g is hier op aangepast.

AH Artikel 4:12 Afstand bomen tot de erfgrens Door toevoeging van dit artikel wordt geregeld dat de afstand van bomen en heesters op openbaar terrein tot de erfgrens nihil mag zijn. In artikel 5:42 lid 1 BW (Burgerlijk Wetboek) staat dat de afstand van bomen tot de perceelgrens 2.00 meter hoort te zijn en voor heesters en heggen geldt een afstand van 0,50 meter. Gemeentebomen, heggen en heesters staan soms dichterbij percelen van particulieren. Reden hiervoor is dat de openbare ruimte vaak smal is en in deze beperkte ruimte veel functies ingepast moeten worden. Gemeenten hebben daarom op grond van artikel 5:42 lid 2 BW het recht deze afstand in hun regelgeving aan te passen in de Algemene Plaatselijke Verordening. Regel je dit als gemeente niet in je APV dan moet je per melding/incident aantonen dat dit binnen de gemeente gebruikelijk is. Dit is arbeidsintensief. In lijn met bijna alle gemeenten in Nederland willen we dit daarom in Asten goed regelen in de APV. Deze grens zien wij graag verkleind tot nihil voor bomen heesters en heggen, wat betekend dat gemeentebomen gerechtvaardigd dichter dan 2 meter van de perceelgrens mogen staan. In Asten zijn veel bomen door een beperkte openbare ruimte op minder dan 2 meter van de erfgrens geplant. Het verwijderen van deze bomen zou een kaalslag betekenen omdat er simpelweg geen bomen kunnen worden terug geplant in deze beperkte ruimte.

Andere oplossingen zijn onevenredig kostbaar. Bij herinrichting (nieuwe situaties en renovaties) wordt zoveel mogelijk wel de afstand van 2m aan te houden. AI Artikel 5:6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

Lid 1 onder a van dit artikel is aangepast conform de alternatieve formulering in de model APV van de VNG, waardoor het parkeren van bijvoorbeeld caravans of aanhangers op de weg binnen de bebouwde kom langer dan 3 dagen, verboden is. Hiervoor is geen aanwijzingsbesluit van het college nodig. AJ Artikel 5:10a Parkeren anders dan op de rijbaan Door toevoeging van dit artikel beschikt de gemeente over een grondslag om (ook) een parkeer- of stopverbod in te stellen voor andere weggedeelten dan de rijbaan, zoals voor bermen. Artikel 2a van de WVW 1994 maakt dit mogelijk. Op grond van dit artikel kunnen gemeenten bij verordening verkeersregels stellen voor zover:

1. deze niet in strijd zijn met de WVW 1994; en 2. verkeerstekens krachtens die wet zich daar niet toe lenen. Aan deze voorwaarden wordt voldaan als de gemeente een parkeerverbod wil instellen voor andere weggedeelten dan de rijbaan. Artikel 5:10a voorziet in de grondslag voor een besluit met die strekking (geen verkeersbesluit, maar een APV-besluit). Door het gebruik van de formulering “niet tot de rijbaan behorend weggedeelte” is ook de afbakening met artikel 5:11 (Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen) geregeld, nu die verbodsbepaling niet van toepassing is op de ‘weg’ (artikel 5:11, tweede lid, aanhef en onder a). Het verbod geldt niet voor voertuigen die worden gebruikt voor wegwerkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam (tweede lid). Voor het ter plaatse kenbaar maken van een parkeerverbod dient de gemeente een zelf ontworpen verbodsbord te plaatsen. AK Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving Aan het eerste lid van dit artikel is toegevoegd ‘dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd’. Hiermee wordt verduidelijkt dat er alleen sprake is van een inzameling of werving als hier bedoeld, als dit voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel is.

In principe worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Er is sprake van venten of colporteren als voor goederen een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. Naast de klassieke inzamelingsacties (de collectes) worden tegenwoordig ook activiteiten verricht ter werving van donateurs of leden (‘direct dialogue’), waarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de uiteindelijke opbrengst geheel of ten dele bestemd is voor een liefdadig of een ideëel doel. Het publiek wordt door een bepaalde instelling (doorgaans in opdracht van een andere organisatie of goed doel) aangesproken met de vraag om lid of donateur te worden van de opdrachtgevende organisatie. Naast het werven van donateurs of leden op plaatsen waar veel publiek komt, bijvoorbeeld winkelgebieden of stations, wordt deze vorm ook huis-aan-huis toegepast.

Het publiek geeft hierbij een machtiging af, waardoor een overeenkomst tussen de persoon en de opdrachtgevende organisatie tot stand komt. Deze wervingsactiviteiten onderscheiden zich dus van inzamelingsactiviteiten door het feit dat er geen geld of goederen worden ingezameld en geen intekenlijsten worden ingevuld. In plaats daarvan werft de betreffende instelling (in opdracht van andere organisaties) leden of donateurs. In de praktijk bestaat onduidelijkheid over de vraag of voor deze wervingsactiviteiten nu wel of geen vergunning moet worden aangevraagd en zo ja wat voor soort vergunning daarvoor precies benodigd is. Deze onduidelijkheid wordt door zowel de gemeenten als de betrokken organisaties als onwenselijk ervaren. Om die reden worden wervingsacties thans expliciet geregeld in dit artikel.

11/14

Dit geldt ook voor de goede-doelenloterijen die langs de deuren gaan om loten te verkopen. Een deel van de opbrengst van het meespelen in een dergelijke loterij gaat naar goede doelen. Dat is de reden dat de huis-aan-huiswerving van de goede-doelenloterijen onder de collecteregels valt.

AL en AM In de artikelen 5:14 en 5:17 is in het tweede lid de verwijzing naar het juiste artikellid van de Gemeentewet aangepast (onder g in plaats van onder h).

AN Artikel 5:18

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

Aan dit artikel is in het tweede lid toegevoegd dat het college een vergunning weigert wegens strijd met een geldende beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. AO Artikel 5:22 Definitie In lid 2 van dit artikel is de verwijzing naar de Gemeentewet aangepast aan de nieuwe nummering van de Gemeentewet (onder g in plaats van onder h).

AP Artikel 5:23 organiseren van een snuffelmarkt Aan dit artikel is in het derde lid toegevoegd dat het college een vergunning weigert wegens strijd met een geldende beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

AQ, AR, AS, AT, AU Artikelen 5:24; 5:25; 5:26; 5:28, 5:30 van Afdeling 6. Openbaar water In deze afdeling zijn de artikelen waar nodig aangepast op nieuwe of vervallen wet- en regelgeving.

AV 5:31a Definities Dit artikel is vervallen omdat de begrippen bromfiets en motorvoertuig zijn verplaatst naar artikel 1:1.

AW 5:32

Crossterreinen

Aan lid 1 van dit artikel is toegevoegd dat het verbod ook geldt buiten wedstrijdverband.

AX 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Lid 2 van dit artikel bepaalt wanneer het verbod van het eerste lid niet van toepassing is. Hieraan is de voorwaarde toegevoegd ‘mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving’, conform de model APV van de VNG.

AY 5:36 Verboden plaatsen Aan het tweede lid, onder b, is toegevoegd ‘crematoriumterreinen’ als locatie waar incidentele asverstrooiing niet mag plaatsvinden. Als het college een vergunning heeft verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria wat betreft mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.

AZ Artikel 6:1

Sanctiebepaling

In lid 2 van dit artikel is de duiding op welke overtredingen van bepalingen uit de verordening artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing is gewijzigd door geen artikelnummers te noemen maar te veralgemeniseren: ‘bepalingen uit deze verordening die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo)’. Voorts wordt een derde lid toegevoegd. Dit betreft de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen ter handhaving van de regels gesteld krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s. De hoogte van deze boete is maximaal gelijk aan een geldboete van de derde categorie. Het verdient aanbeveling beleidsregels te hebben over de hoogte van de boete. Voorheen was de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete opgenomen in artikel 8 van de VNG Model Brandbeveiligingsverordening 2012. Met het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen wordt in het onderwerp van de in de Brandbeveiligingsverordening neergelegde regels voorzien. De raad is ingevolge artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s nog steeds bevoegd om bij verordening te

13/14

bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s. Doordat de VNG Model Brandbeveiligingsverordening 2012 is vervallen, is de bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van de krachtens artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels ondergebracht in de APV.

BA Artikel 6:2 Toezichthouders Dit artikel is geactualiseerd en technisch gewijzigd in combinatie met artikel 6:2a dat is vervallen. BB Artikel 6:2a Toezichthouders Prostitutie Controle Team Dit artikel is vervallen als gevolg van de technische wijziging van artikel 6:2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=6f91c284-421d-415e-ab87-0477da325ef8