AZC22.06A.07C Geconsolideerde tekst Algemene Plaatselijke Verordening Asten 2017, derde wijziging.pdf
Tekst van het document
WAAR
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Asten 2017 (APV), derde wijziging
Geconsolideerde tekst
Inhoud Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ...................................................... 14 Artikel 1:1 Definities ............................................................................ 14 Artikel 1:2 Beslistermijn ....................................................................... 15 Artikel 1:3 (Vervallen) .......................................................................... 15 Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen .............................................. 15 Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing ................ 15 Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing ............. 16 Artikel 1:7 Termijnen ........................................................................... 16 Artikel 1:8 Weigeringsgronden ............................................................. 16 Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu ... 18
Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden ......................................... 18 Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden ..................................... 18 Artikel 2:2 (Vervallen) .......................................................................... 19
Afdeling 2 Betoging ............................................................................. 19 Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen .................... 19 Artikel 2:4 (Vervallen) .......................................................................... 20 Artikel 2:5 (Vervallen) .......................................................................... 20
Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken ....................................... 20 Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 20
Afdeling 4 (Vervallen) .......................................................................... 20 2
Afdeling 5 . Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen ...................................................................................... 20 Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg ............................................ 20 Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg ............................................................... 22 Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg .................................. 22
Afdeling 6 Veiligheid van de weg .......................................................... 23 Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid ................................................. 23 Artikel 2:14 Winkelwagentjes ............................................................... 24 Artikel 2:15 (vervallen) ......................................................................... 24 Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke ..................................... 24 Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke ............................................. 24 Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen ........................... 24 Artikel 2:19 (Vervallen) gevaarlijke voorwerpen ..................................... 25 Artikel 2:20 Vallende voorwerpen ......................................................... 25 Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting .......................... 25 Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn ..................................... 26 Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs .......................................................... 26
Afdeling 7. Evenementen ...................................................................... 27 Artikel 2:24 Definities .......................................................................... 27 Artikel 2:25 Evenementenvergunning .................................................... 28 Artikel 2:26 Ordeverstoring .................................................................. 29
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen ...................................... 29 3
Artikel 2:27 Definitie ........................................................................... 29 Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting .......................................... 30 Artikel 2:28a Aanvraag vergunning ...................................................... 31 Artikel 2:28b Beslistermijn .................................................................. 32 Artikel 2:29 Sluitingstijd ...................................................................... 32 Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting ............................. 33 Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting ................... 33 Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen ................................. 34 Artikel 2:32a Glazen en drinkgerei ....................................................... 34 Artikel 2:33 Ordeverstoring .................................................................. 34 Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan ............................. 34
Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over paracommerciële rechtspersonen 34 Artikel 2:34a Schenktijden paracommerciële rechtspersonen .................. 34
Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf 37 Artikel 2:35 Definitie ........................................................................... 37 Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie .................................................... 37 Artikel 2:37 Nachtregister .................................................................... 38 Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister .................................. 38
Afdeling 9A. Toezicht op campings en recreatieparken .......................... 38 Artikel 2:38a Definities ........................................................................ 38 Artikel 2:38b Vergunningplicht ............................................................. 38 Artikel 2:38c Gedragseisen................................................................... 39 4
Artikel 2:38d Weigeringsgronden .......................................................... 39 Artikel 2:38e Sluiting ........................................................................... 40 Artikel 2:38f Aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark ........... 41 Artikel 2:38g Intrekking vergunning ..................................................... 41 Artikel 2:38h Overgangsbepaling .......................................................... 41
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden ......................................... 42 Artikel 2:39 Speelgelegenheden ........................................................... 42 Artikel 2:40 Speelautomaten ................................................................ 42
Afdeling 11. Maatregelen ter voorkoming van overlast of baldadigheid ... 43 Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal .................................... 43 Artikel 2:42 Plakken en kladden ........................................................... 44 Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke ............................... 44 Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen ............................................. 45 Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen (rooftassen) ................ 45 Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke .............................. 45 Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke ....................................... 46 Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen ............................. 46 Artikel 2:47a Uitjouwen, naschreeuwen, vechten etc. ............................ 46 Artikel 2:47b Verplichte route ............................................................. 47 Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik en openlijk drugsgebruik ............... 47 Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik ................................................. 47 Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen .................................. 48 5
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten 48 Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen ................................ 48 Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein en dergelijke .................................................................................... 49 Artikel 2:53 Bespieden van personen .................................................... 49 Artikel 2:54 (Vervallen) ........................................................................ 49 Artikel 2:55 (Vervallen) ........................................................................ 49 Artikel 2:56 (Vervallen) ........................................................................ 49 Artikel 2:57 Loslopende honden ........................................................... 49 Artikel 2:58 Verontreiniging door honden ............................................. 50 Artikel 2:59 Gevaarlijke honden ............................................................ 50 Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren ...................... 51 Artikel 2:61 Overlast van dieren .......................................................... 52 Artikel 2:62 Loslopend vee .................................................................. 52 Artikel 2:63 Vernietiging van rupsen en rupsennesten ..........................
52 Artikel 2:64 Bijen ................................................................................. 52 Artikel 2:65 Bedelarij ........................................................................... 53
Afdeling 12. Bestrijding van heling van goederen .................................. 53 Artikel 2:66 Definitie ........................................................................... 53 Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister ........ 54 Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht .................................................................................... 54 Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen ........... 55 6
Artikel 2:70 (Vervallen) ........................................................................ 55
Afdeling 13. Consumentenvuurwerk ..................................................... 55 Artikel 2:71 Definitie ........................................................................... 55 Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen .............................................................................. 56 Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling ... 56 Artikel 2:73a Schieten met carbid of soortgelijke stoffen ....................... 57
Afdeling 14. Drugsoverlast ................................................................... 57 Artikel 2:74 Drugshandel op straat ....................................................... 57 Artikel 2:74a Openlijk gebruik van harddrugs ........................................ 58
Afdeling 15. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester ................. 58 Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding ...................................................... 58 Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden .................................................. 58 Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen ................................ 58 Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen ........................................................ 59 Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet ....... 59
Afdeling 16 Huisvesting arbeidsmigranten ............................................ 60 Artikel 2:80 Definitie ........................................................................... 60 Artikel 2:81 Exploitatievergunning huisvestingsvoorziening arbeidsmigranten ................................................................................................... 60 Artikel 2:82 Gedragseisen exploitant en beheerder ................................ 61 Artikel 2:83 Weigeringsgronden ........................................................... 62 Artikel 2:84 Verschaffing gegevens nachtregister .................................. 62 7
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen ................................................................................ 62 Afdeling 1. Begripsbepalingen .............................................................. 62 Artikel 3:1 Begripsbepalingen ............................................................... 62 Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan...................................................... 64 Artikel 3:3 Nadere regels ..................................................................... 64
Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke . 64 Artikel 3:4 Seksinrichtingen ................................................................. 64 Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder .................................. 65 Artikel 3:6 Sluitingstijden ..................................................................... 67 Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting ............... 67 Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder .. 68 Artikel 3:9 Straatprostitutie .................................................................. 68 Artikel 3:9a Ontuchtige handelingen ..................................................... 69 Artikel 3:10 Sekswinkels ...................................................................... 69 Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke ..................... 70
Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden ................................. 70 Artikel 3:12 Beslissingstermijn ............................................................. 70 Artikel 3:13 Weigeringsgronden ........................................................... 70
Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer .............................. 71 Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie ...................................................... 71 Artikel 3:15 Wijziging beheer ............................................................... 72 8
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente ........................................... 72
Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting ................................................................................................... 72 Artikel 4:1 Definities ............................................................................ 72 Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten ....................................... 73 Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten ................................... 74 Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten ....................................... 75 Artikel 4:5 Onversterkte muziek ........................................................... 75 Artikel 4:6 Overige geluidhinder ........................................................... 76
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging ............................... 77 Artikel 4:7 Straatvegen ........................................................................ 77 Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen ................................................... 77 Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen ............................................................... 77 Artikel 4:9a (Wens)ballonnen ................................................................ 77
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden .......................................... 78 Artikel 4:10 Definities .......................................................................... 78 Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden ... 78 Artikel 4:11a Aanvraag vergunning ...................................................... 80 Artikel 4:11b Weigeringsgronden......................................................... 80 Artikel 4:11c Bijzondere vergunningsvoorschriften ............................... 80 Artikel 4:11d Herplant-/instandhoudingsplicht .................................... 81 9
Artikel 4:11e Schadevergoeding .......................................................... 82 Artikel 4:11f Bestrijding iepziekte ........................................................ 82 Artikel 4:12 Afstand bomen tot de erfgrens ........................................... 83
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast ..................... 83 Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke ................................................................................................... 83 Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen ....................... 83 Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame ........................... 84 Artikel 4:15a
Aanschrijving ................................................................ 86
Artikel 4:16 (Vervallen) ........................................................................ 87
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen ..................................... 87 Artikel 4:17 Definitie ........................................................................... 87 Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen................. 87 Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen .............................................. 88 Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente .................................................................................... 88
Afdeling 1. Parkeerexcessen ................................................................. 88 Artikel 5:1 (vervallen)........................................................................... 88 Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke ........... 88 Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen ....................................... 89 Artikel 5:4 Defecte voertuigen .............................................................. 89 Artikel 5:5 Voertuigwrakken ................................................................. 89 Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen ............................... 90 10
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen ........................................... 90 Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen ............................................. 90 Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen .................... 91 Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen ...... 92 Artikel 5:10a Parkeren anders dan op de rijbaan .................................... 92 Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen ................... 92 Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen .................................... 93
Afdeling 2. Collecteren ........................................................................ 93 Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen ........................................ 93
Afdeling 3. Venten ............................................................................... 94 Artikel 5:14 Definitie ........................................................................... 94 Artikel 5:15 Ventvergunning................................................................. 94 Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting ................................................ 95
Afdeling 4. Standplaatsen .................................................................... 95 Artikel 5:17 Definitie ........................................................................... 95 Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden ..................... 96 Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende ............................................. 96 Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen ..................................................... 96 Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht ............................................................ 96
Afdeling 5. Snuffelmarkten ................................................................... 97 Artikel 5:22 Definitie ........................................................................... 97 Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt ...................................... 97 11
Afdeling 6. Openbaar water .................................................................. 98 Artikel 5:24 Voorwerpen op of aan openbaar water ................................ 98 Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen ..................... 98 Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats ....................................................... 99 Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats .................................................. 99 Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers .................. 100 Artikel 5:29 Reddingsmiddelen ........................................................... 100 Artikel 5:30 Veiligheid op het water .................................................... 100 Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen ................................................... 100
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden .......................................................................... 101 Artikel 5:31a Definities (vervallen) ...................................................... 101 Artikel 5:32 Crossterreinen ................................................................ 101 Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden ............................... 101
Afdeling 8. Verbod vuur te stoken ...................................................... 103 Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken ........................................................... 103
Afdeling 9. Verstrooiing ..................................................................... 104 Artikel 5:35 Definitie ......................................................................... 104 Artikel 5:36 Verboden plaatsen .......................................................... 104 Artikel 5:37 Hinder of overlast ........................................................... 104 Artikel 5:38 Tijdvak voor begraven e.d. .............................................. 105 Artikel 5:39 Onbetamelijk gedrag op een begraafplaats ...................... 105 12
Artikel 5:40 Aanwijzingen ................................................................. 105
Afdeling 10 Straatnaamborden, huisnummering e.d. ........................... 105 Artikel 5:41 Gedoogplicht aanduidingen ............................................ 105 HOOFDSTUK 6
SANCTIE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN ............. 107
Artikel 6:1 Sanctiebepaling................................................................. 107 Artikel 6:2 Toezichthouders ............................................................... 107 Artikel 6:2a Toezichthouders Prostitutie Controle Team ....................... 108 Artikel 6:3 Binnentreden woningen ..................................................... 108 Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening .... 108 Artikel 6:5 Overgangsbepaling ........................................................... 108 Artikel 6:6 Citeertitel ......................................................................... 108
13
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Bouwverordening;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
-
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
-
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
14
-
rechthebbende: een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
-
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
-
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.
Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, 2:12, 4:11 en 4:15.
Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
15
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid;
16
d. de bescherming van het milieu. 2.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor buiten de door het college vastgestelde termijn voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
17
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats: a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
18
Artikel 2:2 (Vervallen)
Afdeling 2 Betoging
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b. het doel van de betoging; c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
19
Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen)
Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
2.
Het college kan de werking van het verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan te duiden bepaalde dagen en uren.
3.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 4 (Vervallen)
Afdeling 5. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
20
a.
schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; of
b. op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten op voetpaden voor voetgangers en op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
3.
Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woonen leefomgeving nadere regels en/of beleidsregels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen, tijdelijke aankondigingsborden en spandoeken, en overige objecten op of aan de weg.
4.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, zoals ten behoeve van het plaatsen van een oplaadpaal/-infrastructuur voor het opladen van elektrische voertuigen..
5.
De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
6.
Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
7.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale wegenverordening.
21
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
De vergunning wordt verleend a.
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
b.
door het college in de overige gevallen
3.
Het verbod geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening Gemeente Asten.
5.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
22
a.
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c.
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant.
Afdeling 6 Veiligheid van de weg
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid 1.
Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod ten behoeve van het als ijsbaan onder water zetten van parkeerterreinen, pleinen en open plaatsen.
4.
Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
23
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.
Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a.
te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en
b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2.
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:15 (vervallen) Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1.
Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 24
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 (Vervallen) gevaarlijke voorwerpen 1.
Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel 2:20 Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
25
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1.
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3.
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
4.
Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a.
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of het Provinciaal Vaarwegenreglement Noord-Brabant.
26
Afdeling 7. Evenementen
Artikel 2:24 Definities 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;
g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b. een braderie; c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e.
een circus of kermis, straatfeest of buurtbarbecue;
f.
vechtsportwedstrijden in competitieverband georganiseerd door een sportorganisatie van een bij de NOC*NSF aangesloten bond of
27
koepelorganisatie, die worden gehouden of gespeeld in of op accommodaties waarover de sportorganisatie vast de beschikking heeft. 3. Onder een groot evenement wordt verstaan een evenement waarbij meer dan 500 mensen gelijktijdig aanwezig zijn.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
3.
Geen vergunning is vereist voor kleinschalige activiteiten, indien: -
de activiteit een barbecue, (straat)feest, muzikale rondwandelingen, buitenoptredens van toneelgezelschappen, fietstochten, muziek en of doorkomsten van wielerwedstrijden in de open lucht e.d. betreft;
-
de activiteit plaatsvindt:
1. op zondag, Goede Vrijdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste of tweede Kerstdag tussen 13.00 en 0.00 uur; 2. op een doordeweekse dag tussen 10.00 en 0.00 uur; 3. op vrijdag en zaterdag tussen 10.00 en 00.30 uur;
-
de activiteit niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
28
-
het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 150 personen; en
-
de organisator de burgemeester ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan de activiteit in kennis stelt door middel van een melding.
Indien er geen onoverkomelijke bezwaren zijn en er geen aanvullende besluiten genomen hoeven te worden, ontvangt de organisator na ontvangst van het meldingsformulier een akkoord kennisgeving. 4.
Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor feest, muziek of wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
5.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definitie 1.
Onder openbare inrichting wordt in deze afdeling verstaan: de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis.
2.
Onder openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een bij deze inrichting behorend terras en de andere aanhorigheden.
29
3.
Onder houder wordt in deze afdeling verstaan: degene die een openbare inrichting exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:28.
4.
Onder leidinggevenden wordt in deze afdeling verstaan: degene(n) die algemene en/of onmiddellijke leiding geeft/geven aan de exploitatie van een openbare inrichting, dan wel hetgeen daar onder in de Alcoholwet wordt verstaan en als zodanig doorgaans gedurende de openingstijden in de inrichting aanwezig dient te zijn.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a.
de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of c.
als er ten behoeve van de exploitatievergunning een negatief BIBOB advies is uitgebracht.
4.
Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal gelegen zijn, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
30
5.
Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. Voor zowel de winkel als de activiteiten van de openbare inrichting gelden dezelfde sluitingstijden van de Winkeltijdenwet.
6.
Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting in: a. zorginstellingen; b. musea; c. camping of een recreatiepark als bedoeld in artikel 2:38a, onder a, APV, waarop de vergunningplicht uit artikel 2:38b, eerste lid, APV van toepassing is, voor zover er sprake is van eenzelfde exploitant. Artikelen 2:29 tot en met 2:33 zijn onverkort op de openbare inrichting op de camping of het recreatiepark van toepassing. op de camping of het recreatiepark van toepassing.
7.
Een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, vervalt indien de leidinggevende van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet.
8.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28a Aanvraag vergunning 1.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend volgens een door de burgemeester vastgesteld formulier.
2.
Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste: a
opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de leidinggevende(n);
b
opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de houder voor zover hij een natuurlijk persoon is en van de zetel en het adres ingeval de houder een
31
rechtspersoon is; c
opgaaf gedaan van het adres en de aard van de openbare inrichting;
d
een nauwkeurige omschrijving van de ruimte waarvoor de vergunning moet gelden, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de openbare inrichting.
3.
De vergunning wordt schriftelijk aangevraagd door de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening de exploitatie van de openbare inrichting geschiedt.
4.
De vergunning is niet overdraagbaar.
Artikel 2:28b Beslistermijn 1.
De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden zijn ontvangen.
2.
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Het is de houder van een openbare inrichting, waarvoor op grond van de Alcoholwet een vergunning is vereist, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 05.00 uur.
2.
Het is de houder van een openbare inrichting, waarvoor op grond van de Alcoholwet geen vergunning is vereist, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
32
op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 05.00 uur.
3.
Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.4 kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijke openbare inrichting of voor een daartoe behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen.
4.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 en 2 stelt het college gedifferentieerde sluitingstijden vast voor categorieën van openbare inrichtingen, waaraan op grond van artikel 4 Alcoholwet beperkende voorwaarden zijn opgelegd en welke uitsluitend of mede dienst doen voor sportactiviteiten, dan wel gelegen zijn op een terrein dat dienst doet of bestemd is voor sportactiviteiten.
5.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.
6.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in lid 1, 2 en 4 van dit artikel vervatte verboden.
7.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is.
Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. 33
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2.
De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:32a
Glazen en drinkgerei
De houder van een openbare inrichting is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn inrichting geen glas of flessen buiten de inrichting brengen Artikel 2:33 Ordeverstoring Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.
Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2:28 tot en met 2:30.
Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over paracommerciële rechtspersonen
Artikel 2:34a Schenktijden paracommerciële rechtspersonen
1.
Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank onder de volgende voorwaarden:
34
Voor de sportkantines gelden de volgende schenktijden: voor alle kantines van voetbalverenigingen: Deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden: * op maandag t/m woensdag tussen 09.00 en 23.00 uur; * op donderdag tussen 09.00 en 01.00 uur van de daaropvolgende dag; * op vrijdag en zaterdag tussen 09.00 en 22.00 uur; * op zondag tussen 09.00 en 21.00 uur.
voor de kantine van de hockeyvereniging: Deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden: * op maandag t/m donderdag tussen 09.00 en 23.00 uur; * op vrijdag tussen 09.00 en 01.00 uur van de daaropvolgende dag; * op zaterdag tussen 09.00 en 22.00 uur; * op zondag tussen 09.00 en 21.00 uur.
voor de kantine van de korfbalvereniging: Deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt
35
verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden: * op maandag tussen 09.00 en 23.00 uur; * op dinsdag tussen 09.00 uur en 00.00 uur van de daaropvolgende dag; * op woensdag tussen 09.00 uur en 23.00 uur; * op donderdag tussen 09.00 uur en 00.00 uur van de daaropvolgende dag; * op vrijdag tussen 09.00 en 01.00 uur van de daaropvolgende dag; * op zaterdag tussen 09.00 en 20.00 uur; * op zondag tussen 09.00 en 19.00 uur.
voor de kantine van tennisvereniging De Meijvink: Deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden: * op maandag tot en met donderdag tussen 09.00 uur en 01.00 uur van de daaropvolgende dag; * op vrijdag tot en met zondag tussen 09.00 uur en 23.00 uur.
Voor tennisvereniging het Root, petanque- en handboogverenigingen: deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden: * op maandag t/m zondag tussen 09.00 en 00.00 uur van de daaropvolgende dag. 36
De schenktijden van de diverse kantines zijn vastgesteld op basis van de hoofdactiviteiten van de desbetreffende verenigingen.
2.
Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 1 uur na beëindiging van de georganiseerde activiteiten, welke vallen binnen de statutaire doelen c.q. de toegestane activiteiten van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.
3.
In deze afdeling wordt verstaan onder ‘alcoholhoudende drank’, ‘paracommerciële rechtspersoon’, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder: 1.
Inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;
2.
Houder: degene die een inrichting exploiteert, danwel daarin de feitelijke leiding heeft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
37
Artikel 2:37 Nachtregister 1.
De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.
2.
De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 9A. Toezicht op campings en recreatieparken
Artikel 2:38a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
camping of recreatiepark: (kampeer-)terrein waarvan het gebruik ten behoeve van het verschaffen van tijdelijk recreatief nachtverblijf planologisch is toegestaan;
b.
exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2:38b;
c.
beheerder/leidinggevende: de natuurlijke of rechtspersoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen;
d.
Recreatieverblijfplaats: kampeerplaats; kampeervak, kampeerunit, (sta-)caravan, chalet en vergelijkbare accommodaties ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
Artikel 2:38b Vergunningplicht 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark van meer dan 25 recreatieverblijfplaatsen te exploiteren;
38
2.
De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier;
3.
Voor zover voor de exploitatie van de camping of het recreatiepark ook een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 APV benodigd is, en er sprake is van eenzelfde eigenaar en beheerder/leidinggevende, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 2:28 lid 6 onder e APV, één exploitatievergunning verleend.
4.
In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant, en b. de persoonsgegevens van de beheerder/leidinggevende.
5.
Op de aanvraag is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:38c Gedragseisen De exploitant en de beheerder/leidinggevende: a.
staan niet onder curatele;
b.
zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag, en
c.
hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 2:38d Weigeringsgronden 1.
De burgemeester weigert de vergunning als: a.
de exploitant of beheerder/leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:38c gestelde eisen.
b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien: a. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark of de openbare orde door de exploitatie van de camping of het recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed;
39
b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen; c. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; d. ten aanzien van de te verlenen vergunning een negatief BIBOB-advies is ontvangen. Artikel 2:38e Sluiting 1.