CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

AZC21.09.03A 19 ZBijlage 1 Eindrapportage - samenvatting.pdf

Commissie Algemene Zaken en Control 23 september 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Ingekomen stukken, gericht aan de raad: Voor kennisgeving aannemen9.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

METROPOOLREGIO EINDHOVEN EN BREDE WELVAART Van economie naar duurzaamheid en kwaliteit van leven

Harry Lintsen, Jan-Pieter Smits, Frank Veraart met bijdragen van Bo Hoogerwerf, Janine Glas en Jolie Teigeler

Stichting Historie der Techniek – Technische Universiteit Eindhoven Juni 2021

1

INHOUD

Ter introductie

3

Een nieuwe krachtsinspanning

3

DE ‘FOTO’: ‘Wat heeft de regionale monitor brede welvaart te melden?

7

-

Economie en brede welvaart

-

Verdeling van brede welvaart

-

Woon- en leefkwaliteit

-

Klimaat en energie

DE ‘FILM’: Wat kunnen we leren van lange-termijn-processen in de regio? -

De eerste en tweede ‘grote overgang’

-

MRE en de energietransitie

-

MRE en de inclusieve samenleving

-

MRE en het landelijk gebied

12

HET ‘BELEID’: Wat betekenen deze analyses voor het MRE beleid?

21

Kader: Inventarisatie van suggesties ter bespreking in het MRE bestuur

24

Bijlage 1: Vier verdiepende studies Bijlage 2: Monitor brede welvaart van MRE 2020 Bijlage 3: Groei bevolking van de gemeenten in Zuidoost-Brabant 1840-2020 Bijlage 4: Data en ranking Brede Welvaart 2020 21 gemeenten Zuidoost-Brabant

25 26 28 31

Leeswijzer: Bullet points in de tekst hebben te maken met suggesties ter bespreking in het MRE bestuur. Aan het einde van het document zijn deze in een apart kader geïnventariseerd (pag. 24) Ten behoeve van de discussie zijn in de tekst 12 stellingen geformuleerd. Voor de bronnen die aan dit rapport ten grondslag liggen, verwijzen we naar bijlage 1: Vier verdiepende studies.

2

Ter introductie Zuidoost-Brabant bevindt zich op een kantelpunt. Ooit was de streek dunbevolkt en leidde de bevolking een moeizaam bestaan op de arme zandgronden. De inwoners zijn er echter in geslaagd om Zuidoost-Brabant om te vormen tot een van de economische trekpaarden van Nederland en tot een regio waar het goed toeven is. Nu staat de regio voor de uitdaging om een duurzaam bestaan op te bouwen op een wijze die recht doet aan ‘brede welvaart voor iedereen’. De Metropoolregio Eindhoven (MRE) heeft ons als onderzoekers de mogelijkheid gegeven om de ontwikkelingen in de regio te analyseren door de bril van brede welvaart. We gebruiken daarbij als uitgangspunt de regionale monitor brede welvaart van het Centraal Bureau voor de Statistiek, zoals die in het najaar van 2020 voor het eerst werd gepubliceerd. In de onderzoeksopzet hebben we gekozen voor een aanpak die historie, heden en toekomst met elkaar verbindt. De vraagstukken waar de regio voor staat, liggen verankerd in het verleden. Met de historische inzichten pogen we meer greep te krijgen op de huidige uitdaging van brede welvaart. Op basis daarvan formuleren we suggesties voor beleid gericht op de toekomst. Daarbij spreken we de regio aan met name als MRE, een verzamelnaam van de 21 samenwerkende gemeenten in Zuidoost-Brabant. Aan MRE en de 21 gemeenten de vraag hoe deze suggesties op te pakken.

Een nieuwe krachtsinspanning Alles wijst erop dat de panelen in de regio gaan verschuiven. In de afgelopen drie decennia, te beginnen bij Operatie Centurion van Philips en het faillissement van DAF in de jaren negentig, hebben MRE en andere toonaangevende spelers in de regio ingezet op een hernieuwing van de economische structuur. En met succes. Met vereende krachten is indertijd de economische crisis bezworen. Er is toen een proces opgang gekomen, dat geleid heeft tot Brainport, een regio die zijn welvaart en welzijn ontleent aan onderzoek, innovaties en een hightech maakindustrie. Het probleem is dat stevige maatschappelijke opgaven zijn blijven liggen. In de nota Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied uit 2020 somt MRE een serie vraagstukken op, waaronder ‘verrommeling en versnippering’ van het landschap, ‘ernstige droogte of hevige neerslag’ door klimaatverandering, de ‘stikstofproblematiek’ en het negatief effect van de ‘intensieve manier van de voedselproductie … op het landschap, de natuur, de bodemkwaliteit en biodiversiteit, het milieu en de volksgezondheid’. De Omgevingsagenda Zuidoost-Brabant gepubliceerd in 2020 voegt daar nog andere 3

vraagstukken aan toe.1 Bereikbaarheid van de regio is een knelpunt en de mobiliteit wordt gedomineerd door de auto. In het stedelijk gebied van Eindhoven zijn tot 2040 47.500 tot 62.000 nieuwe woningen nodig. Ook verwacht men een groei aan arbeidsplaatsen van 50.000 tot 75.000. Een ingrijpende verstedelijkingsstrategie is noodzakelijk. Wie beide nota’s goed bestudeert, leest de opgave van de regio als een krachtsinspanning vergelijkbaar met die van de jaren negentig tijdens de economische crisis. Het onderzoek ‘MRE en Brede Welvaart’, waarvan dit rapport het samenvattende verslag is, bevestigt dit beeld.2 In het eerste deel van het onderzoek is een zogenaamde ‘foto’ genomen (een ‘diagnose’) van Zuidoost-Brabant met behulp van de regionale monitor brede welvaart van het CBS. De ‘foto’ geeft de huidige kwaliteit van leven in de regio en de gemeenten, inventariseert de bronnen die de regio achterlaat voor toekomstige generaties en laat het effect zien van de regionale economie op de kwaliteit van leven elders in de wereld. Het is momenteel goed toeven in Zuidoost-Brabant, zo luidt de conclusie van de ‘foto’, maar de ‘foto’ signaleert ook grote uitdagingen. Die uitdagingen vinden hun oorsprong in het verleden en worden in het tweede deel van het onderzoek dan ook in een lange-termijn-perspectief geplaatst.

De geschiedenis van ZuidoostBrabant vanaf 1850 is daartoe in twee tijdperken gesplitst: de eerste ‘grote overgang’ van 1850 tot 1970 (industrialisatie en modernisering) en de tweede ‘grote overgang’ vanaf 1970, die zal duren tot diep in de 21ste eeuw (hightech en brede welvaart).

Stelling 1: Veel van de problemen waarmee de regio nu worstelt en die samenhangen met de verstedelijking, de energievoorziening, het landbouwsysteem, het milieu en de biodiversiteit, stammen uit de eerste ‘grote overgang’. Reeds aan het begin van de tweede ‘grote overgang’ (rond 1970) werden zij aan de orde gesteld en bediscussieerd. Na een halve eeuw moet geconstateerd worden, dat op sommige vlakken (onder andere lucht- en waterkwaliteit) vooruitgang is geboekt, maar dat in het algemeen de situatie nog steeds problematisch is.

1 Het gaat hier niet om een beleidsnota van MRE. De Omgevingsagenda Zuidoost-Brabant is vastgesteld op een

bestuurlijke bijeenkomst van gemeenten, waterschappen en provincie in 2020. De totstandkoming ervan werd gefaciliteerd door MRE. 2 Aan dit samenvattende verslag liggen vier verdiepende studies ten grondslag (bijlage 1): (1) MRE en brede welvaart. De ‘Foto’ (verdiepende studie, Eindhoven 2020); (2) MRE en de regionale energiestrategie (verdiepende studie, Eindhoven 2020); (3) MRE en de inclusieve samenleving(werkdocument (verdiepende studie, Eindhoven 2021); (4) MRE en het landelijk gebied (verdiepende studie, Eindhoven 2021)

4

Waarom zijn de problemen afkomstig van de eerste ‘grote overgang’ zo hardnekkig? Naast deze problemen zijn er nieuwe vraagstellingen bij gekomen. Hoe moeten we omgaan met klimaatverandering? Profiteert iedereen van de welvaart in Zuidoost-Brabant? Waar is er ruimte voor de groeiende woonbehoefte? Hoe moet de regio een voorspelde bevolkingsgroei opvangen?

Stelling 2: Wat de lange-termijn ontwikkeling ook laat zien, is dat de regio op een kantelpunt is aanbeland. De eerste ‘grote overgang’ begon met een aanloopfase waarin de industrialisatie werd voorbereid en waarin het zoeken was naar richtinggevende kaders op sociaaleconomisch gebied. Rond 1900 was die fase afgerond en begon de opbouw van de moderne, industriële samenleving. De aanloopfase van de tweede ‘grote overgang’ begon in de jaren zeventig en was gericht op het zoeken naar richtinggevende kaders voor hightech en duurzaamheid. Die fase is naar onze indruk achter de rug. De richtinggevende kaders zijn duidelijk. Nu is de opbouw van een duurzame, hightech samenleving daadwerkelijk begonnen.

De nota Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied is een mooie illustratie van het kantelpunt. Zij formuleert ‘streefbeelden’ en ‘richtinggevende uitspraken’. Zo zet MRE in op de transitie naar een ‘duurzaam en vitaal, natuur-inclusief landbouw en voedselsysteem, gebaseerd op gesloten kringlopen’. De verbinding tussen stad en platteland moet versterkt worden door ‘het verbinden van groenstructuren, het versterken van recreatieve netwerken, en nieuwe bedrijvigheid aan te moedigen’. Weliswaar is de nota een mooie illustratie van het kantelpunt waarin de regio verkeert. Zij heeft echter ook een belangrijk nadeel: haar bestuurskracht is beperkt.3 Streefbeelden en richtinggevende uitspraken moeten bestuurders, ondernemers en burgers de ruimte bieden om hieraan een eigen invulling te geven, maar moeten ook duidelijk zijn in de doelstellingen die op termijn gehaald moeten worden. Dat laatste is niet het geval. Gesloten kringlopen in de landbouw: hoe zien die eruit? Voorkomen van versnippering van het landschap: waar in de 3

De nota Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied is geen beleidsnota in de zin dat er MRE beleid wordt beoogd. De nota heeft tot doel om de gemeenschappelijke problematiek en het gemeenschappelijk streven van de 21 gemeenten vast te stellen. Die vaststelling door 21 gemeenten is inmiddels gebeurd. Het is echter belangrijk dat de 21 gemeenten hun bereik, rollen, taken en verantwoordelijkheden als individuele gemeenten maar ook ten opzichte van elkaar scherp hebben, en vanuit het streefbeeld-perspectief opnieuw tegen het licht houden. MRE zou dat proces kunnen faciliteren en de resultaten ervan kunnen monitoren. In deze opzichten is de bestuurskracht van de nota beperkt.

5

regio en hoe te voorkomen? Nieuwe bedrijvigheid: welk type bedrijvigheid wordt bedoeld? Et cetera. In deze eindrapportage trachten we de resultaten van de ‘foto’ en ‘film’ zoveel mogelijk te vertalen naar handvaten voor het formuleren van concreter beleid. Wat heeft de regionale monitor brede welvaart te melden over de maatschappelijke opgaven waarvoor ZuidoostBrabant en MRE staan? Hoe moeten die opgaven in een lange-termijn perspectief geplaatst worden? Valt er iets te leren van de geschiedenis? Welke historisch gegroeide knelpunten staan oplossingen in de weg? In deze samenvattende rapportage formuleren we een aantal suggesties voor beleid, die een rol kunnen spelen bij het maken van een nieuw samenwerkingsakkoord voor MRE of die opgepakt kunnen worden door het MRE bestuur, de gemeenten, de organisaties en de instellingen binnen het MRE netwerk. De suggesties worden in de tekst aangegeven met bullet points. We beginnen met de ‘foto’, de diagnose van de regio.

6

DE ‘FOTO’: ‘Wat heeft de regionale monitor brede welvaart te melden? De ‘foto’ heeft betrekking op de jaren vóór de corona crisis, omdat alle data van vóór 2020 zijn. Dat heeft als nadeel dat er nog niets te melden valt over deze bijzondere periode. Het voordeel is wel dat de crisis in een volgende versie van de ‘foto’ scherp in beeld kan worden gebracht.

Economie en brede welvaart Nederland is een welvarend land. Zuidoost-Brabant deelt in de welvaart, zo blijkt uit de ‘foto’, en draagt er volop aan bij (bijlage 2). De bevolking levert een boven gemiddelde bijdrage aan de Nederlandse economie in vergelijking met de 40 regio’s, die Nederland rijk is. Het bruto binnenlands product (bbp) per inwoner staat bovenin de rangorde van de 40 regio’s.4 Gemiddeld gezien nemen meer inwoners deel aan het arbeidsproces. Deze maken meer uren en zijn hoger opgeleid. In deze opzichten maakt de regio zijn ideaal van ‘Brainport’ waar. ‘Brainport’ staat voor een economisch krachtige regio, waarin ‘brains’ een belangrijke motor zijn. Uit de monitor blijkt ook de veerkracht van de regio. De economie heeft zich na de financiële crisis rond 2010 snel hersteld met in sommige jaren de hoogste economische groei van Nederland. Uit de ‘foto’ komen wat betreft de economie drie suggesties voor beleid ter bespreking in het MRE bestuur naar voren: •

Kwetsbaarheid: er is veel aandacht voor ASML en de afhankelijkheid van de regionale economie van dit bedrijf. Maar de kwetsbaarheid gaat verder. Zuidoost-Brabant is stevig verankerd in de globale economie. Enerzijds heeft dat de regio veel profijt gebracht. Anderzijds is de regio ook sterk afhankelijk geworden van grondstoffen, materialen en producten van ‘elders’ (afhankelijk van het type grondstof kan 64% tot 100% worden toegerekend aan landen buiten de regio). Bovendien is het wereldwijde, economische netwerk complex. Strubbelingen in het netwerk zoals tijdens de coronacrisis het geval was, werken door tot bedrijven in de regio. Het lijkt raadzaam de kwetsbaarheid met betrekking tot basisbehoeften in beeld te brengen.

•

Circulaire economie: een groot deel van de grondstoffen en materialen wordt verbrand (met name fossiele grondstoffen), gedowncycled (onder andere metalen) of verdwijnt in het milieu (onder andere door overbemesting). Hoogwaardige circulariteit zou niet alleen

4 ‘Bovenin’ betekent in de monitor brede welvaart van het CBS: behorend tot het hoogste kwart van de

rangorde. Zuidoost-Brabant staat op de derde plaats in de rangorde van 40 regio’s m.b.t. het bbp per inwoner na Amsterdam en Utrecht.

7

een bijdrage aan grondstoffenschaarste, milieu en klimaat leveren, maar ook de afhankelijkheid van het buitenland verminderen. Circulariteit of gesloten kringloop wordt in MRE nota’s als thema genoemd en vraagt om verdere uitwerking. •

Voetafdruk: de ‘foto’ laat de voetafdruk van de regionale economie zien in landen en continenten voor grondstoffen, broeikasgassen, werkgelegenheid en toegevoegde waarde. Een verdere analyse moet vaststellen in hoeverre in de productieketens sprake is van uitputting van grondstoffen, milieuproblemen en slechte arbeidsomstandigheden.

Verdeling van brede welvaart ‘Iedereen moet delen in het succes Brainport, maar deelt ook iedereen hierin?', is een vraag die leeft onder ondernemers en bestuurders van MRE. De nationale monitor brede welvaart 2019 van het CBS brengt gedetailleerd in beeld hoe brede welvaart ‘hier en nu’ over verschillende bevolkingsgroepen in Nederland is verdeeld. Brede welvaart blijkt het sterkst samen te hangen met het onderwijsniveau.5 Zij is voor hoogopgeleiden beduidend hoger dan voor laagopgeleiden, terwijl de middelbaar opgeleiden veelal rond het Nederlandse gemiddelde scoren. Hoogopgeleiden hebben op twaalf van de twintig indicatoren een significant hogere score, bijvoorbeeld voor tevredenheid met het leven, ervaren gezondheid, netto arbeidsparticipatie en vertrouwen in mensen. Een dergelijk onderzoek is voor Zuidoost-Brabant met de data van de huidige regionale monitor brede welvaart niet mogelijk. Wel laten de data van de 40 regio’s duidelijke correlaties zien tussen bepaalde indicatoren. Zo is ‘opleiding’ evenals bij de nationale monitor een belangrijke indicator. Hoogopgeleiden hebben minder last van overgewicht, leven langer en hebben een groter vertrouwen in instituties en mensen, maar zijn ontevredener over hun vrije tijd. Dergelijke correlaties zullen specifiek voor ZuidoostBrabant niet veel anders liggen.6

5

Het CBS hanteert de volgende definities: Laag: Dit omvat onderwijs op het niveau van basisonderwijs, het vmbo, de eerste 3 leerjaren van havo/vwo of de assistentenopleiding (mbo-1). Middelbaar: Dit omvat de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo-2), de vakopleiding (mbo3) en de middenkader- en specialistenopleidingen (mbo-4). Hoog: Dit omvat onderwijs op het niveau van hbo of wo. 6 Andere correlaties die uit de data van de regionale monitor brekend kunnen worden, zijn: De indicator ‘besteedbaar inkomen’ hangt in negatieve zin samen met werkloosheid en in positieve zin met netto arbeidsparticipatie en vertrouwen in mensen. Een belangrijke rol is weggelegd voor de factor arbeid. Wie werkt is tevredener met het leven dan wie werkloos is. En een hogere bruto arbeidsparticipatie hangt samen met een hogere levensverwachting onder de bevolking in een regio, met minder overgewicht, minder langdurige ziekten, een betere gezondheidservaring en meer vertrouwen in mensen en instituties.

8

Stelling 3: Brede welvaart binnen MRE is ongelijk verdeeld, maar hoe dat precies voor verschillende bevolkingsgroepen ligt, is niet duidelijk. Vermoedelijk behoren de laagopgeleiden tot de meest kwetsbaren.

Stelling 4: Wat wel in beeld is te brengen, zijn verschillen tussen gemeenten. Uit het onderzoek blijkt, dat de 21 gemeenten van MRE op basis van brede welvaart en de geschiedenis van de regio in vijf clusters zijn onder te verdelen: Het stedelijk cluster (Eindhoven en Helmond) en vier clusters in het landelijk gebied (tabel 1 en bijlage 4). Tabel 1: Vijf categorieën MRE-gemeenten op basis van brede welvaart ‘hier en nu’

Landelijk gebied

Stad

De voormalig

De laat ontsloten

De voormalig industrie

De voormalig

De grote steden

agrarische

Kempen + effect

gemeenten.

industrie

voorsteden + effect

Philips, TU/e en

West-kant + effect

gemeenten.

Philips en TU/e

ASML

Philips, TU/e en ASML

Oost/zuid-kant

Waalre

Reusel-De Mierden

Best

Geldrop-Mierlo

Eindhoven

Heeze-Leende

Eersel

Veldhoven

Gemert-Bakel

Helmond

Nuenen e.a.

Bladel

Oirschot

Laarbeek

Son en Breugel

Bergeijk

Asten Deurne Someren Cranendonck Valkenswaard

Hoge brede welvaart

Hoge brede welvaart

Hoge/middelmatige brede welvaart

Alle hoge ranking: materiële welvaart

Alle hoge ranking: materiële welvaart

Alle hoge ranking: materiële welvaart

Middelmatige brede welvaart

Lage brede welvaart Hoge ranking: Publieke voorzieningen Lage ranking: materiële welv. Veiligheid

Wat opvalt is de verhouding tussen het stedelijk en landelijk gebied. Eindhoven en Helmond staan het laagst in de ranking van brede welvaart en hebben te maken met lage scores voor bijvoorbeeld materiële welvaart en veiligheid (criminaliteit). Op een thema scoren zij hoog, namelijk het niveau van de publieke voorzieningen (onder andere voor wonen, cultuur en 9

uitgaan). Dat is ook de aantrekkingskracht van de steden op de regio voor alle lagen van de bevolking. Het heeft een zekere afruil tot gevolg tussen stad en landelijk gebied, bijvoorbeeld dat de aantrekkingskracht van de stad meer criminaliteit met zich mee brengt. Het landelijk gebied kent vier clusters ieder met een eigen voorgeschiedenis. Zo zijn Waalre, Heeze-Leende, Nuenen en Son en Breugel voorsteden van Eindhoven, die tot ver in de twintigste een agrarisch karakter bezaten en pas na de Tweede Wereldoorlog sterk beïnvloed werden door de aanwezigheid van Philips en de komst van de Technische Universiteit Eindhoven. Zij hebben een hoge ranking voor brede welvaart en voor materiële welvaart. Het is echter niet zo, dat ieder cluster zijn specifieke problemen heeft met betrekking tot brede welvaart. Iedere gemeente kent zijn sterke en zwakke punten wat betreft kwaliteit van leven. Vaak zijn de verschillen tussen gemeenten niet groot. We bekijken deze problematiek verder in de paragraaf ‘MRE en de inclusieve samenleving’.

Woon- en leefkwaliteit Het is goed wonen en leven in Zuidoost-Brabant, zo is de eerste indruk van de ‘foto’. Zo’n 80 á 90% van de bewoners is tevreden over de woning en woonomgeving. De regio steekt gunstig af ten opzichte van andere regio’s wat betreft publieke voorzieningen (bijvoorbeeld de afstand tot sportterreinen, horeca, et cetera). Bovendien blijkt de regio in vergelijking met andere regio’s een groene regio te zijn. De omvang van het natuur- en bosgebied ligt voor16 van de 21 gemeenten tussen 19% en 49% van het gemeente-oppervlak. Deze gemeenten eindigen daarmee boven in de Nederlandse gemeentelijke rangorde. Zij behoren alle tot het landelijk gebied. Natuur- en bosgebied is een belangrijk kapitaal van MRE en zijn gemeenten. Toch blijkt bij nader inzien dat woon- en leefkwaliteit onder druk staan. Vergeleken met tien jaar geleden is de tevredenheid over het wonen en de omgeving gedaald. Is de afstand tot sportterreinen, basisscholen, cafés en dergelijke toegenomen, hetgeen wijst op een achteruitgang van publieke voorzieningen. De luchtkwaliteit in termen van fijnstof is weliswaar verbeterd, maar de regio scoort nog steeds slecht en diverse gemeenten voldoen niet aan de vastgestelde normen. Verder is de omvang van natuurgebieden per inwoner afgenomen en neemt de druk op natuurgebieden toe door een toenemende behoefte aan bebouwd terrein.

Ook zegt de monitor niets over de kwaliteit van natuur en bos.

10

Stelling 5: Woon- en leefklimaat is een van de thema’s, waarover de MRE en de gemeenten zich zorgen moeten maken, óók met het oog op het vestigingsklimaat voor bedrijven en het kapitaal dat de regio nalaat voor latere generaties. Zie voor verdere ondersteuning van de stelling: ‘MRE en het landelijk gebied’.

Klimaat en energie De regionale monitor heeft twee indicatoren die specifiek betrekking hebben op klimaat en energie, namelijk broeikasgasemissies per inwoner en het opgesteld vermogen van particuliere zonnepanelen. Voor broeikasgassen bestaat een landelijke norm voor 2020. Twaalf gemeenten voldoen aan die norm, negen gemeenten niet. Is dat een probleem? Zuidoost-Brabant als regio voldoet wel aan de norm. Men kan de verschillen tussen gemeenten accepteren. Er is dan sprake van uitruil tussen gemeenten. De norm is voor 2030 aangescherpt. In dat geval is er voor de MRE en de gemeenten werk aan de winkel. De prognose is dat de omvang van de broeikasgassen boven de nieuwe norm komt te liggen.

Verder laat de monitor zien dat de plaatsing van zonnepanelen groeiende is, maar dat die groei ver achter blijft bij de doelstelling die MRE voor 2030 nastreeft.7 De problematiek van duurzame energie staat centraal in de Regionale Energiestrategie (RES), waarmee alle regio’s bezig zijn en waarvan een concept door het MRE is uitgewerkt en momenteel onderwerp is van overleg in de regio.8 We komen hierop terug in ‘MRE en de regionale energiestrategie’.

In de regionale monitor brede welvaart van het CBS is een indicator ‘woningen met zonnepanelen’ opgenomen. De groei heeft dus betrekking op particuliere huishoudens en zegt dus niks over het vermogen van zonnepanelen bij bedrijven of commercieel aangelegde zonneparken. Ook als die categorie wordt meegenomen, dan nog is de groeitrend van het afgelopen decennium onvoldoende. 8 De RES is een landelijk opgelegde taak voor de regio’s vanuit het klimaatakkoord en niet het initiatief van de regio’s. Deze notie is belangrijk in verband met de rol en uitvoering van de RES. 7

11

DE ‘FILM’: Wat kunnen we leren van lange-termijn-processen in de regio? De eerste en tweede ‘grote overgang’ Een deel van de problemen die in de ‘foto’ aan de orde zijn gekomen, is verder uitgewerkt in drie thema’s: de energietransitie, de inclusieve samenleving en het landelijk gebied. Langetermijnprocessen staan daarin centraal. Hoe zijn deze vraagstukken historisch gegroeid? Historisch onderzoek toont wat de kansen en belemmeringen zijn om de energietransitie te bevorderen, de maatschappelijke ongelijkheid te verminderen en een vitaal landelijk gebied te creëren. De historische processen vormen een ‘film’ op basis waarvan een aantal beredeneerde beleidsinterventies zijn te benoemen. Daartoe bekijken we de geschiedenis van Zuidoost-Brabant vanaf 1850.

Stelling 6: De geschiedenis van Zuidoost-Brabant is in twee diepe transities in te delen: de eerste ‘grote overgang’ tussen 1850 en 1970 en de tweede ‘grote overgang’, die men kan laten starten rond 1970 en die nog gaande is.

Rond 1850 werd de regio gekenmerkt door kleinschalige landbouw en gemengd bedrijf, ambacht en huisnijverheid, zelfvoorziening en kleinschalige gemeenschappen. Vanaf 1850 - tijdens de eerste ‘grote overgang’ - kwam de oriëntatie te liggen op innovatie en economische groei, fabriek en gemechaniseerde productie, grootschalige landbouw en gespecialiseerd boerenbedrijf. De tweede ‘grote overgang’ kondigde zich aan rond 1970 met een nieuwe generatie, die aandacht eiste voor de maatschappelijke ongelijkheid, het slechte milieu en de energieproblemen. Tegelijkertijd voltrok zich in economie en technologie een verandering met de opkomst van onderzoeksorganisaties, een hightech maakindustrie en de dienstensector. De oriëntaties verschoven naar brede welvaart en duurzaamheid. We vullen de verschillende periodes verder in voor de drie thema’s: energie, inclusieve samenleving en landelijk gebied.9

9 Zie de drie verdiepende studies: (1) MRE en de regionale energiestrategie (werkdocument Eindhoven 2020);

(2) MRE en de inclusieve samenleving (werkdocument Eindhoven 2021); (3) MRE en het landelijk gebied (werkdocument Eindhoven 2021)

12

MRE en de energietransitie MRE staat voor de opdracht om in 2030 een substantieel deel duurzame elektriciteit en warmte op te wekken. In dat kader publiceerde zij in 2020 de nota Concept Regionale Energiestrategie (RES) Metropoolregio Eindhoven. De doelstelling voor duurzame elektriciteit is het meest concreet, namelijk het opwekken van 2 TWh met windmolens en zonnepanelen in 2030. Dat betekent jaarlijks een groei van duurzame elektriciteit van 11% vanaf 2020.

Stelling 7: De transitie naar duurzame energie heeft een kantelpunt bereikt, zo laten de lange-termijn trends zien. Na fases van onderzoeken, experimenteren en innoveren staan we nu voor de fase van diffusie met als vraag: In hoeverre zal de transitie naar een duurzame energievoorziening in Zuidoost-Brabant doorzetten?

Diffusie van duurzame energietechnologie is geen uitgemaakte zaak. RES en MRE gemeenten vervullen in deze fase een cruciale rol. Zuidoost-Brabant was een eeuw geleden wat betreft energie zelfvoorzienend. Tegenwoordig zijn de regio en de gemeenten grotendeels afhankelijk van buitenlandse energiebronnen en daardoor kwetsbaar in hun energievoorziening. Zelfvoorziening zou naast klimaat een belangrijk motief moeten zijn voor de energietransitie. Gemeenten zijn de afgelopen eeuw de regie over de lokale energievoorziening kwijt geraakt eerst aan publieke, later aan private elektriciteitsmaatschappijen. Alle expertise, routines en instituties zijn verdwenen. Het opbouwen ervan vergt een niet te onderschatten inspanning (zie de casus Laarbeek in de verdiepende studie).

Stelling 8: RES is voor gemeenten de belangrijkste opgave op het gebied van de energievoorziening sinds een eeuw, maar het gemeentelijk bestuur, het gemeentelijk apparaat en de bewoners zijn daar niet op ingesteld.

De belangrijkste uitdagingen voor gemeenten zijn: (1) Het zorgvuldig inpassen van windmolens en zonneparken in het landschap, (2) het creëren van draagvlak onder de bevolking en (3) het oplossen van het vraagstuk van het lokaal eigenaarschap en de 13

projectontwikkelaars. Het onderzoek levert de volgende suggesties op voor beleid ter bespreking in het MRE bestuur: •

De wijze waarop gemeenten bij de opbouw van hun expertise, routines en instituties gesteund kunnen worden.

•

RES van MRE heeft als streefdoel 50% lokaal eigendom van de nieuwe zonnen- en windparken. In verband met het maatschappelijk draagvlak zou 50% niet zozeer als een streefdoel, maar als een minimum moeten worden gezien.

•

De mogelijkheden van een regeling nagaan dat 50% lokaal eigendom ook betekent 50% lokale of regionale zelfbeschikking over duurzame energie. Immers, de regio is kwetsbaar wat betreft zijn energievoorziening. Meer zelfbeschikking (zoals een eeuw geleden) zou wenselijk zijn.

MRE en de inclusieve samenleving Een inclusieve samenleving omschrijven we hier als een samenleving die ernaar streeft om iedereen mee te laten te doen en mee te laten profiteren van brede welvaart. De aandacht gaat daarbij uit naar die groepen die het minst profiteren van brede welvaart. Het doel is om hun positie te versterken en hun toegang tot welvaartsbronnen te verbeteren. De vraag: Indien we voor Zuidoost-Brabant een inclusieve samenleving nastreven, wat leren we van de geschiedenis, wat zijn de belangrijke beleidsthema’s, en wat betekenen die voor het MREbeleid? Tijdens de eerste ‘grote overgang’ raakte Zuidoost-Brabant ontwricht door de opkomst van het fabriekswezen, het ontstaan van een arbeidersklasse en een volksverhuizing in Nederland. De lokale gemeenschappen in de regio kregen een toestroom van ‘immigranten’ te verwerken: buitenstaanders uit andere regio’s (Drenthe, Friesland, et cetera) of landen (België, Duitsland) veelal met een protestantse, socialistische of vrijzinnige achtergrond.

De maatschappelijke ontwrichting zouden we nu het thema van de inclusieve samenleving noemen. Men noemde die toen de ‘sociale kwestie’, d.w.z. het treurige lot van het proletariaat. Het antwoord was toentertijd het ‘beschavingsoffensief’ met talrijke initiatieven van onderop (ondernemers o.a. Philips, artsen, arbeiders, burgers, etc.) en initiatieven op een breed terrein (armoedebestrijding, hygiënische maatregelen, sociale woningbouw, etc.). Het is ook de periode van coöperaties, boerenbonden en boerenleenbanken om de positie van de boerenstand te verbeteren, en een stortvloed van verenigingen (muziek, toneel, zang,

14

recreatie) om de cohesie in de lokale gemeenschappen te herstellen. En het is de periode van de verzuiling.

Stelling 9: De Katholiek zuil vervulde in Zuidoost-Brabant een essentiële functie in het creëren van stabiliteit, het coördineren van initiatieven tussen burgers en overheden en het coördineren van beleid tussen gemeenten en het rijk (via politieke en publieke instituties). Nederland was in de jaren vijftig van de vorige eeuw door de verzuiling nog nooit zo ‘inclusief’ geweest onder andere gekenmerkt door het laagste niveau in 19de en 20ste eeuw van inkomensongelijkheid, criminaliteit, alcoholgebruik en zelfdoding. De huidige problematiek van de inclusieve samenleving hoort bij de tweede ‘grote overgang’ en vindt zijn oorsprong in het proces van ontzuiling, de opkomst van hightech (en van de hooggeschoolden), de globalisering (en daarmee gepaard gaande onzekerheden) en de liberalisering (en de terugtrekkende rijksoverheid). De kwetsbaren hebben veelal een lage scholing, zijn werkloos of hebben een onzeker bestaan als zelfstandige of met tijdelijke banen. Tot de kwetsbaren behoren vaak ook eenoudergezinnen in de bijstand en ouderen levend van de AOW. De problematiek is divers: armoede en schulden, fysieke en psychische problemen, isolement en eenzaamheid, kinderen uit arme gezinnen en schoolverlaters; daklozen en onmaatschappelijken.

Stelling 10: Met het wegvallen van de zuilen is de overheid de belangrijkste instantie geworden voor de problemen van de kwetsbaren. In feite is de overheid nog de enig overgebleven ‘zuil’.

Laaggeschoolden hebben vaker met overheden te maken dan hooggeschoolden en hun omgang met de overheidsbureaucratie is moeizamer. Het is een van de redenen dat hun vertrouwen in overheden (ofwel publieke instituties) aanzienlijk minder is. Een aantal publieke en private initiatieven kunnen gezien worden als een aanvulling op een (deels gebrekkig functionerend) verzorgingsstaat. De problematiek van de inclusieve samenleving verschilt tussen MRE-gemeenten. De verschillen zijn deels terug te voeren op ontwikkelingen tijdens de eerste ‘grote overgang’. De problematiek is het meest zichtbaar in Helmond en Eindhoven. De volgende suggesties dienen zich ter bespreking in het MRE bestuur aan: 15

•

De problematiek van de inclusieve samenleving is veelzijdig en mogelijk een nieuw algemeen beleidsthema voor MRE of een terugkerend thema op de Metropoolconferentie

•

MRE zou zich speciaal kunnen buigen over de lacunes in het coördinatie mechanisme. Met de ontzuiling is een belangrijk mechanisme voor kennisuitwisseling, overleg, afstemming en uitvoering verdwenen. Bovendien zijn met de overdracht van rijkstaken naar gemeenten voor zorg en welzijn gaten gevallen in de nog bestaande mechanismen. De gevolgen zijn bijvoorbeeld zichtbaar in de jeugdzorg (plaatsing van jongeren met complexe problematiek), overgewicht (ontwikkelen van programma’s voor preventie) en het testen en vaccineren tijdens de coronacrisis (het functioneren van de GGD’s).

MRE en het landelijk gebied De Metropoolregio Eindhoven publiceerde onlangs de nota Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied. Wie de geschiedenis van de regio goed kent, ziet in deze nota een opsomming van problemen die bestuurders en planologen al vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw benoemden, zoals de problemen rond verstedelijking, de intensieve veehouderij en het milieu. Waarom lukt het bestuurders niet om daarop greep te krijgen? Een analyse van lange-termijn-ontwikkelingen in Zuidoost-Brabant geeft meer inzicht. De problemen vinden hun oorsprong in de eerste ‘grote overgang’, het agenderen ervan hoort bij de tweede ‘grote overgang’. Rond 1850 - aan het begin van de eerste ‘grote overgang’- was Zuidoost-Brabant een leeg en dunbevolkt gebied met omvangrijke heidevelden, beekdalen, plukjes bos, kleine akkers en boeren die er een moeizaam levensbestaan opbouwden. De Zuid-Willemsvaart (1825) en het Eindhovens Kanaal (1845) waren de belangrijkste ingrepen in het landschap geweest. Een belangrijk kantelpunt was de aanleg van twee spoorwegverbindingen rond 1870, een met het westen van Nederland (Den Haag en Rotterdam) en een met het noorden (Amsterdam en Utrecht). Daarna volgden ‘secundaire’ lokaalspoorwegen en interlokale tramwegen, en aan het begin van de 20ste eeuw verharde, interlokale wegen.

Die verbetering van de infrastructuur was een belangrijke voorwaarde voor de industrialisatie van Zuidoost-Brabant. Eindhoven en Helmond werden de industriële centra, maar de industrie verspreidde zich vanaf 1900 als een olievlek vooral nabij infrastructurele knooppunten: Geldrop-Mierlo (textiel), Oirschot (meubels), Asten (voeding, klokken), Someren (textiel en voeding), Gemert (textiel), Lieshout (bier), Valkenswaard (schoenen,

16

sigaren), Dommelen (bier) en Budel (bier, metaal). Alle 21 gemeenten hadden tussen 1900 en 1930 groeipercentages van minimaal 10% per decennium met uitschieters van 40 tot 70%. Tussen 1930 en 1970 lag de groei voor de meeste gemeenten zelfs boven de 20% per decennium (bijlage 3). Bovendien veranderde het grondgebruik in deze periode ingrijpend. Cijfers voor NoordBrabant laten zien, dat tussen 1910 en 1972 een halvering plaatsvindt van de natuurgebieden, met name ten koste van de heidevelden. Het bebouwd terrein verdubbelt, terwijl de landbouwgrond met 21% toeneemt. Mogelijk dat de verschuiving in Zuidoost-Brabant minder rigoureus is in vergelijking met de provincie. De regio heeft in 1972 relatief meer natuurgebied dan Noord-Brabant (26% tegen 17%) en minder landbouwgrond (62% tegen 71%). De ontginningen vóór de Tweede Wereldoorlog en de ruilverkavelingen daarná hebben het landschap van Zuidoost-Brabant compleet veranderd. Met de ontginningen verdwijnt een groot deel van de uitgestrekte heidevelden en met de ruilverkaveling ontwikkelt zich de grootschalige landbouw. Tegelijkertijd komt de intensieve en gespecialiseerde veehouderij op en eindigt het tijdperk van het gemengde boerenbedrijf. Ook het grondbezit heeft zich sindsdien gewijzigd. De heidevelden waren doorgaans in bezit van de gemeenten en werden verkocht.

Gemeenten kregen daarmee de middelen om te investeren in wegen, riolering, onderwijs et cetera. Tegenwoordig bezitten gemeenten nog 11% van de grond en particulieren (vooral boeren) 57%. De rest is eigendom van het rijk, de provincie en publieke organisaties (5%), natuur- of recreatieorganisaties (13%) en overige rechtspersonen (14%) De tweede ‘grote overgang’ begon rond 1970 met een cultuuromslag, waardoor de inrichting van de ruimte meer dan ooit werd betwist. De visie op de natuur onder de bevolking verschoof steeds meer van ‘benutten’ en ‘gebruiken’ naar ‘bewonderen’ en ‘genieten’, tegelijkertijd deden de sterke welvaartsgroei, de industrialisatie en de intensivering van de landbouw een zwaar beslag op de natuur en het milieu. De aanleg van nieuwe wegen was noodzakelijk voor economische ontwikkeling en mobiliteit, maar kon ook natuurgebieden doorkruisen en het landschap versnipperen. Een groeiende bevolking had weliswaar behoefte aan woningen, maar de leefbaarheid van Brabant zou bedreigd worden door de verstedelijking, de bebouwing van eenvormige signatuur en het missen van de aansluiting op de natuurlijke structuur die de oude steden en dorpen kenmerkte.

17

Het zijn problemen die nog steeds genoemd worden - soms in wat andere bewoording - in de huidige nota van MRE Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied. Streekplannen met name van het provinciaal bestuur hadden een beperkt effect en wel om drie redenen: (1) Er was te weinig greep op de regionale dynamiek. Het provinciaal bestuur gaf te kennen dat het niet bij machte was om de ontwikkelingen ‘in juiste planologische banen te leiden.’ (2) Het gebrekkige planningsinstrumentarium. De wettelijke middelen waarover provinciale bestuurders en planologen beschikten, bleven ver achter bij de pretenties en aspiraties. (3) Ontbrekende consensus. Visies en belangen van provincie, gemeenten, boerenorganisaties, waterschappen en organisaties zoals het Brabants Landschap liepen teveel uiteen.

Ook de voorlopers van MRE zijn met ruimtelijke plannen voor de regio aan de gang gegaan. De centrale vraagstelling van die plannen was echter een economische: ‘Hoe kunnen wij Brainport met ruimtelijke maatregelen verder ontwikkelen en versterken?’ De winst van de nota Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied in vergelijking met de vorige nota’s zit in de verschuiving van economie naar maatschappelijke opgaven voor de ruimtelijke ontwikkeling (landbouw natuur, klimaat, energie, etc).

Stelling 11: Het probleem van Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied is echter haar beperkte bestuurskracht.10 Om aan bestuurskracht te winnen zou de nota in drie opzichten kunnen worden uitgebouwd: (1) het vervolgtraject dient geconcretiseerd te worden en van termijnen te worden voorzien. Alle 21 gemeenten hebben zich achter het streefbeeld gesteld. Wat zijn de vervolgacties, op welke termijn en met welke consequenties? (2) De streefbeelden verdienen het om geconcretiseerd te worden. Minder geur, fijnstof, stikstof, ammoniak, et cetera: hoeveel minder? Natuur- en landschapsstructuren versterken: Meer bos en heide? Zo ja, hoeveel meer? (3) De huidige valkuilen bij het maken van streekplannen zouden geïnventariseerd moeten worden. Het verleden laat veel valkuilen zien. Deze moeten vermeden worden. Wat is de regionale dynamiek? Welk instrumentarium is beschikbaar? Hoe om te gaan met de debatten?

10

Bij de status van de nota Regionaal streefbeeld van ons landelijk gebied hoort een kanttekening. Zie voetnoot 3 op pagina 5

18

Drie suggesties voor beleid ter bespreking in het MRE bestuur worden hier voorgesteld: •

Monitoring is een centraal thema van het project ‘MRE en Brede Welvaart’. Is er iets te doen aan de monitoring van de streefbeelden die MRE nastreeft? Het Plan Bureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft voor de Nationale Omgevingsvisie een monitor ontwikkeld met 101 indicatoren. Het voorstel is om daaruit 15 kernindicatoren te selecteren, die het MRE streefbeeld representeren. Deze selectie zou dan kunnen dienen als de Monitor MRE Streefbeeld Landelijk Gebied. Een voorbeeld voor zo’n selectie geeft bijgaande tabel. De gekozen selectie van indicatoren maakt het mogelijk om het beleid te evalueren vanuit het landelijke perspectief (dat wil zeggen vanuit de Nationale Omgevingsvisie) en vanuit het perspectief van brede welvaart van MRE (door het gebruik van een aantal van dezelfde kernindicatoren). Voor overheden is het een belangrijke taak om bij de gekozen indicatoren ook eigen reikwijdte, rollen, taken en verantwoordelijkheden naast de meetlat van deze indicatoren te leggen. Naast een visie op wat de gemeenten met elkaar willen bereiken is ook een zelfanalyse nodig van betrokken partijen wat er aanvullend nodig is op kennis en gedrag om daadwerkelijk in beweging te komen. Monitoring op de indicatoren dient zo ingericht te worden dat het integrale bereik van doelen voorop staat. Voor gebieden waar vraagstukken cumuleren, is een integrale gebiedsontwikkeling een geschikt instrument.

In dit verband is een sterkere ruimtelijke samenwerking of afstemming in het MRE gebied aan de orde.

•

De ontwikkeling van het landelijk gebied in Zuidoost-Brabant zal krachtiger zijn wanneer deze ingebed is in een visie op de ontwikkeling van de gehele regio. De regionale inzet op de transitie in het landelijk gebied zal in een betere strategische balans moeten worden gebracht ten opzichte van de Brainport strategie. Het landelijk gebied heeft een functie voor het stedelijk gebied en vice versa.

•

Indien MRE haar streefbeelden concretiseert, is een monitor een goed startpunt voor een kritische evaluatie van haar beleid. Hier is de vraag of MRE voldoende zicht heeft op de regionale dynamiek, het beschikbare instrumentarium en de maatschappelijke verhoudingen. Is de huidige institutionele structuur wel toereikend om de vragen rondom het landelijk gebied aan te pakken? MRE kan vooral een rol spelen in het doorlichten van de huidige institutionele structuur en voorstellen doen om deze aan te passen zodat de beleidsvragen van dit moment adequaat kunnen worden aangepakt.

19

Tabel 2: Monitor MRE Streefbeeld Landelijk Gebied, een selectie van 15 indicatoren (voorbeeld) Thema

Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied

Klimaatadaptatie en energietransitie Sterke en gezonde steden

Indicator

Huidige situatie MRE

1

Bodemvocht

?

Evaluatie landelijk PBL*

2

Nutriëntenoverschotten

?

Evaluatie landelijk PBL*

3

Stikstofdepositie

?

Evaluatie landelijk PBL*

4

Vogel- en habitat richtlijnen

?

Evaluatie landelijk PBL*

5

Bosareaal

26,2% (2015)

6

Ruimtelijke samenhang natuur

?

7

Areaal biologische landbouw

8

Zelfvoorzieningsgraad veevoer en mestafzet Emissies broeikasgassen

15% varkens 5% kippen 6,9 ton/inw.

10

Opgesteld vermogen van windturbines en zonnepanelen

max. 06TWh

11

Ruimtelijke samenhang groen in en buiten de stad Dichtheid en functiemenging

?

?

?

?

Fijnstof

5,1 x106

9

12 13

Ontwikkeling Langjarig

Ontwikkeling laatste 2 jaar

?

Beleidsopgave (2030)

29% (?)

Beleidsopgave 2050

33 (?)

Opmerkingen

MRE doel nog onbekend** Evaluatie landelijk PBL*

10% (?)

20% (?)

MRE doel nog onbekend**

30% (?) 25% (?) ?

100% (?) 100% (?) 0%

MRE doel nog onbekend Evaluatie landelijk PBL* Landelijke doelstelling

2,0 TWh

5,6TWh

MRE doelstelling

?

?

?

Indicator nog in ontwikkeling

?

?

?

Indicator nog in ontwikkeling

?

Duurzaam Regionaal welbevinden 14 87,8% ? economisch 15 Voetafdruk grondstoffen 29.900 kton ? ? ? ? groeipotentieel * Cijfers en trends voor Zuidoost-Brabant ontbreken. In deze rijen zijn de kleuren overgenomen van de Monitor Nationale Omgevingsvisie 2020 ** Europese Unie zet in op aanzienlijke uitbreiding bosgebieden en 20% biologische landbouw in EU in 2050

Landelijke doelstelling MRE doel nog onbekend Beleid en doel nog te bepalen

20

HET ‘BELEID’: Wat betekenen deze analyses voor het MRE beleid? De samenleving staat momenteel voor een enorme opgave, indien zij de transitie naar duurzaamheid goed vorm wil geven. Dat geldt ook voor Zuidoost-Brabant. Historische studies laten zien dat de institutionele context van het transitieproces van eminent belang is. Instituties kunnen een succesvolle transitie zowel maken als breken. Dit onderzoek naar ‘MRE en brede welvaart’ laat dat duidelijk zien. Het succes van de eerste ‘grote overgang’ - de transitie van de regio naar industrialisatie en modernisering tussen 1850 en 1970 - hing samen met de typische institutionele context van Zuidoost-Brabant: een multinational die de economie domineerde, een provinciaal elektriciteitsbedrijf die de regio in alle uithoeken van elektriciteit voorzag en de katholieke zuil die cohesie schiep in turbulente periodes. Het ging hier om grootschalige instituties, die de regio uit het tijdperk van armoede haalde en het tijdperk van welvaart binnen leidde. Hoeveel goeds de eerste ‘grote overgang’ voor de bevolking ook heeft gebracht, zij bracht ook grote maatschappelijke vraagstukken met zich mee, onder andere die van grondstoffen, energie, milieu, klimaat, verstedelijking, landbouw en de inclusieve samenleving. Bovendien staat de historisch gegroeide, institutionele context de oplossingen voor deze vraagstukken in de weg.

Zo kon de overgang naar de huidige, hightech economie - een economie die hoort bij de tweede ‘grote overgang’ pas plaatsvinden nadat de economische structuur rond Philips werd vervangen door netwerken, waarin bedrijven, overheden en kennisinstellingen samenwerken (het zogenaamde triple helix model).

Als we kijken naar de institutionele omgeving van de huidige transitie, dan constateren we dat deze herhaaldelijk piept en kraakt en nog lang niet is afgestemd op de omvangrijke transitie-problematiek. Het Rijk is voor de energietransitie afgestapt van een centralistische aanpak. Het heeft nu nadrukkelijk taken bij regio’s neergelegd. Bij de thematiek van het landelijk gebied zien we dat Rijk en provincie er niet in slagen om de planologische problemen in Zuidoost-Brabant op te lossen en is MRE aan de slag gegaan. Wat betreft de thematiek van de inclusieve samenleving heeft de Rijksoverheid vitale taken overgeheveld naar gemeentes, waaronder zorg en armoedebestrijding. Deze overheveling heeft niet altijd goed uitgepakt. Het is momenteel zoeken naar een goed schaalniveau waarop transitie-opgaves kunnen worden vormgegeven. Een meer gemeentelijke aanpak, bijvoorbeeld, heeft het voordeel dat de afstand tot de burger zo klein mogelijk is, waardoor maatwerk kan worden geboden. Het nadeel is dat vooral kleine gemeenten soms te gering van omvang zijn om bepaalde taken op 21

een goede manier te kunnen uitvoeren. Bij het zoeken naar het goede schaalniveau is het zaak om het beste van twee werelden te integreren: de schaalvoordelen van de conventionele aansturing vanaf het niveau van de Rijksoverheid versus de gemeentelijke aanpak, die dichterbij de burgers staat.

Stelling 12: De regio vormt tussen rijk/provincie en gemeenten een interessante ‘tussenlaag’ in het streven naar een samenleving die is gestoeld op de principes van een duurzame brede welvaart. Het maakt dat er voor MRE potentieel een rol is weggelegd. Bijvoorbeeld in situaties, die iedereen belangrijk vindt, maar waarbij het maken van keuzes moeilijk is, zoals in het geval van de intensieve veehouderij. In situaties waarbij niemand het gevoel heeft echt als eerste aan zet te zijn of als ‘probleem-eigenaar’ op te moeten treden zoals in het geval van overgewicht en andere gezondheidsproblemen. Of in situaties waarbij er kleine, soms verbrokkelde initiatieven zijn en coördinatie nodig, zoals in het geval van de circulaire economie en de zorg voor de kwetsbaren.

Mogelijk is de regio, en daarmee MRE, het optimale niveau voor de agenda van de brede welvaart.11 In dat geval zijn er twee vragen. Allereerst is de vraag in hoeverre een dergelijke rol in de doelstellingen van MRE past? MRE heeft als doel ‘… het behoud en verstevigen van de internationale concurrentie positie van de gemeenten’ (zie de gemeenschappelijke regeling) en richt zich op vier thema’s (economie, mobiliteit, energie en landelijk gebied). De thema’s van brede welvaart zijn ruimer. Wat betekent dat voor de doelstellingen? Verder is er de vraag: Welke rol kan MRE spelen in brede welvaart? Veel actoren spelen een rol in het transitieproces. Uiteenlopende belangen moeten worden gewogen, keuzes moeten worden gemaakt en ‘vangnetten’ voor gedupeerden ontwikkeld. MRE kan het platform bij

11

MRE bestaat op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) van 1984. De wet maakte aanvankelijk zogenaamde ‘plusregio’s’ mogelijk. Zeven stedelijke regio’s waaronder Zuidoost Brabant kregen in 2006 die status met taken op het gebied van wonen, werkgelegenheid, zorg, recreatie, natuur, milieu en verkeer en vervoer. Naast ruimtelijke afstemming hadden de plusregio’s ook wettelijke bevoegdheden op het gebied van economische ontwikkeling. Op 1 januari 2015 kwamen die wettelijke bevoegdheden te vervallen en gold ook de verplichte samenwerking niet meer. Aanvankelijk ging de MRE wel door met ongeveer hetzelfde takenpakket, maar na een evaluatie in 2017-2018 is in 2019 ervoor gekozen te focussen op 4 thema’s (economie, mobiliteit, transitie landelijk gebied en energie) en de samenwerking op andere thema’s over te laten aan andere verbanden op regionaal niveau (Omgevingsdienst - ontstaan uit de MRE - en GGD) of op subregionaal niveau. MRE kan niet eenzijdig haar takenpakket uitbreiden (Wgr art 10, lid 2). Dat vereist eerst een unaniem besluit van alle 21 colleges en gemeenteraden.

22

uitstek worden waarin de relevante actoren bij elkaar kunnen komen om mogelijk nog onbenutte synergiën tussen verschillende (beleids-)initiatieven te identificeren. Ook kan dit MRE platform helpen om de regio bewust te maken van situaties waarin partijen elkaar vaak onbewust en ongewild - in de weg zitten, waardoor de transitie bemoeilijkt wordt. Voor alles is MRE met de Stichting Brainport op dit moment een platform, waar overheden, onderwijsinstellingen en bedrijven bij elkaar komen. De transitie vraagt echter om diverse typen platformen. In zekere zin kan MRE als ‘smeerolie’ optreden door partijen bij elkaar te brengen en ervoor te zorgen dat verschillende initiatieven zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Niet MRE zelf als uitvoerend orgaan, maar wel faciliterend. Bij deze institutionele afstemming kan vooral worden gekeken naar: (1) Rijk versus gemeenten: zijn de beleidsvoornemens van Rijk en gemeenten goed op elkaar afgestemd? Versterken ze elkaar over en weer? (2) Gemeenten: voeren de gemeenten een min of meer ‘synchroon’ beleid? Versterkt het gemeentelijk beleid de brede welvaart niet alleen in de eigen gemeente, maar is er ook sprake van een positief effect op de rest van de regio? Of is er soms - ongewild en onbewust sprake van conflicterende beleidsdoelen? (3) Burgers: burgerparticipatie is van groot belang om het transitieproces goed vorm te geven.

Niet alleen om het maatschappelijk draagvlak voor die transitie te creëren, maar ook om kennis te nemen van de ideeën en ervaringen van burgers hoe het transitieproces vorm te geven. Dit mag verder gaan dan de gebruikelijke, soms wat vrijblijvende stakeholder gesprekken achteraf. Het is zaak om burgers en groepen van burgers (door middel van het maatschappelijk middenveld) in een vroeg stadium van besluitvormingsprocessen te consulteren. Het gaat immers om hun brede welvaart. (4) Bedrijfsleven: het bedrijfsleven speelt een steeds grotere rol in de verduurzaming van de samenleving en het streven naar inclusieve groei. Dat blijkt alleen al uit de grote mate waarin het bedrijfsleven betrokkenheid toont bij Brede Welvaart en de Sustainable Development Goals (SDG). Het is van groot belang het bedrijfsleven goed te betrekken, en dan niet alleen voor wat betreft de klassieke thema’s als technologie, economie en werkgelegenheid, maar ook op het vlak van brede welvaart en duurzaamheid.

23

Kader: Inventarisatie van suggesties ter bespreking in het MRE bestuur In de hoofdtekst zijn de suggesties voor beleid ter bespreking in het MRE bestuur aangegeven met bullet points en geordend naar de thema’s economie, energie, inclusieve samenleving en landelijk gebied. In dit kader inventariseren we de thema’s naar type actie passend binnen de MRE mogelijkheden: Het al of niet opnemen van het thema in de MRE agenda: •

Economie: Kwetsbaarheid door globalisering: het in beeld brengen van kwetsbaarheid met betrekking tot basisbehoeften.

•

Economie: Circulaire economie: verdere uitwerking van het thema circulaire economie

•

Economie: Voetafdruk: ketenanalyse van regionale economie met betrekking tot grondstoffen schaarste, milieuproblemen en slechte arbeidsomstandigheden elders in de wereld.

•

Inclusieve samenleving: een nieuw algemeen beleidsthema voor MRE of een terugkerend thema op de Metropoolconferentie.

•

Landelijk gebied: Inbedding van de visie op het landelijk gebeid in een visie op de gehele regio met een betere strategische balans ten opzichte van de Brainport strategie.

De concretisering van MRE beleidsdoelstellingen: •

Energie: Vaststelling minimaal 50% lokaal eigendom wind/zon in verband met maatschappelijk draagvlak.

•

Energie: Het regelen dat 50% lokaal eigendom ook betekent 50% lokale of regionale zelfbeschikking over duurzame energie. Dit in verband met matschappelijk draagvlak en regionale zelfvoorziening.

•

Landelijk gebied: ontwikkelen Monitor MRE Streefbeeld Landelijk Gebied.

Ondersteuning en onderzoek: •

Energie: Het ondersteunen van gemeenten bij de opbouw van hun expertise, routines en instituties.

•

Landelijk gebied: onderzoek naar de regionale dynamiek, het beschikbare instrumentarium en de maatschappelijke verhoudingen in relatie tot de ruimtelijke orde.

Institutionele structuur van regio: •

Inclusieve samenleving: het opsporen van lacunes in het coördinatie mechanisme m.b.t. (onderdelen) van zorg en welzijn voor kwetsbaren.

•

Landelijk gebied: het doorlichten van de huidige institutionele structuur m.b.t. sturing van de regionale ruimtelijke ontwikkeling.

24

BIJLAGE 1: VIER VERDIEPENDE STUDIES

Aan dit samenvattende verslag liggen vier verdiepende studies ten grondslag: (1) De Metropoolregio Eindhoven en brede welvaart. De ‘Foto’ (verdiepende studie,

Eindhoven 2021) (2) De Metropoolregio Eindhoven en de regionale energiestrategie (verdiepende studie, Eindhoven 2021) (3) De Metropoolregio Eindhoven en de inclusieve samenleving (verdiepende studie, Eindhoven 2021) (4) De Metropoolregio Eindhoven en het landelijk gebied (verdiepende studie, Eindhoven 2021)

Voor de bronnen die in dit rapport gebruikt zijn, verwijzen we naar deze vier studies.

25

BIJLAGE 2: MONITOR BREDE WELVAART VAN MRE 2020 Brede Welvaart ‘hier en nu’ van MRE 2020 (‘Groen’ is een positieve trend vanuit bredewelvaart-perspectief. ‘Rood’ is een ‘negatieve’ trend) MEEST MEEST RECENTE RECENTE DATUM CIJFER Welzijn Tevredenheid met het leven 2019 87,8% Tevredenheid met vrije tijd 2019 76,4% Materiële welvaart Mediaan besteedbaar inkomen 2018 26300€ Bruto binnenlands product 2019 50600€ Gezondheid Overgewicht 2016 47,3% Ervaren gezondheid 2016 74% Levensverwachting mannen 2016 80,4 jr. Levensverwachting vrouwen 2016 83,7 jr Personen met een of meer langdurige ziekten 2016 31,4 % Arbeid Tevredenheid reistijd woon-werkverkeer 2019 84% Hoogopgeleide bevolking 2019 33,1% Netto arbeidsparticipatie 2019 70,1% Werkloosheid 2019 3,3% Bruto arbeidsparticipatie 2019 72,5% Wonen Tevredenheid woning 2018 86% Tevredenheid woonomgeving 2018 84,8% Afstand tot sportterrein 2015 0,9 km Afstand tot basisschool 2019 0,7 km Afstand tot café e.d.

2019 1 km Samenleving Contact met familie, vrienden of buren 2019 71,4% Vrijwilligerswerk 2019 46,2% Vertrouwen in instituties 2019 64,6% Vertrouwen in mensen 2019 64,4% Veiligheid Geregistreerde misdrijven 2019 36/1000inw Milieu Natuur- en bosgebieden 2015 26,2% 0,5x106 kg Emissies van fijnstof » lucht 2018 PM2,5/km2 Kwaliteit van zwemwater binnenwateren 2019 4 Broeikasgasemissies per 6,9 kg CO2inwoner 2018 equiv./m2 Afstand tot openbaar groen 2015 0,4 km Natuurgebied per inwoner 2015 50 m2/inw. THEMA EN INDICATOREN 1 2

3 4 5 6 7 8 9

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19

20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30

MEEST RECENTE TREND

VERSCHIL EERSTE METING

RANGORDE 40 REGIO’S

Geen verschil Geen verschil

Stijgend Stijgend

13 8

Geen verschil Geen verschil

Stijgend Stijgend

11 3

Geen verschil Dalend

Dalend Dalend

9 32

Geen data

Geen data

14

Geen data

Geen data

18

Geen data

Geen data

4

Geen verschil Geen verschil Geen verschil Geen verschil Geen verschil

Stijgend Stijgend Stijgend Dalend Stijgend

17 10 11 24 7

Geen verschil

Dalend

24

Dalend Geen verschil Geen verschil Geen verschil

Dalend Stijgend Stijgend Stijgend

18 6 12 10

Geen verschil Geen verschil Geen verschil Geen verschil

Dalend Dalend Stijgend Stijgend

37 28 9 12

Geen data

Dalend

27

Geen verschil

Stijgend

5

Geen data

Dalend

32

Geen verschil

Stijgend

1

Dalend Geen verschil Geen verschil

Dalend Dalend Dalend

10 3 11

26

Brede Welvaart ‘later’ van MRE 2020 (‘Groen’ is een positieve trend vanuit bredewelvaart-perspectief. ‘Rood’ is een ‘negatieve’ trend) Ned. Gem

1 2 3 4 5 6 7 8 9

10 11

MRE MEEST RECENTE DATUM

MRE MEEST RECENTE CIJFER

MRE MEEST RECENTE TREND

VERSCHIL MET EERSTE METING

2016 2016 2016 2019 2018

74 80,4 83,7 33,1 27,8

Dalend Geen data Geen data Geen verschil Geen verschil

Dalend Geen data Geen data Stijgend Stijgend

32 14 18 10 8

2015 2018 2015 2018

26,2 5,1 x106 13,2 412

Geen verschil Geen data Geen verschil Geen data

Stijgend Dalend Stijgend Stijgend

5 32 25 19

2018 2018

60800 118200

Geen verschil Geen verschil

Dalend Stijgend

THEMA EN INDICATOREN Menselijk kapitaal 75,6 Ervaren gezondheid 79,8 Levensverwachting mannen 83,2 Levensverwachting vrouwen 32,5 Hoogopgeleide bevolking 27,5 Arbeidsduur per week Natuurlijk kapitaal 14,8 Natuur- en bosgebieden 3,5 x106 Emissies van fijnstof naar lucht 10,7 Bebouwd terrein 290 Particuliere zonne-energie Economisch kapitaal Mediaan vermogen van 38400 huishoudens 109200 Gemiddelde schuld per huishouden Sociaal Kapitaal Geen indicatoren beschikbaar

RANGORDE 40 REG.

16 30

Brede Welvaart ‘elders’ van MRE 2020: De voetafdruk van de regionale economie in landen en continenten voor grondstoffen, broeikasgassen, werkgelegenheid en toegevoegde waarde (Zie studie: Metropoolregio Eindhoven en brede welvaart. De ‘Foto’)

27

BIJLAGE 3: GROEI BEVOLKING VAN DE GEMEENTEN IN ZUIDOOST-BRABANT 1840-2020 Omvang bevolking huidige 21 MRE-gemeenten (inclusief de voormalig zelfstandige gemeenten op het huidige grondgebied), 1840-2020 Jaar

1840

1899

1930

50

50

38

35

34

34

34

22

21

21

Eindhoven

11717

22211

96010

169649

194069

194561

191596

201728

213809

234394

Veldhoven

2663

2904

6838

18187

26853

33209

38832

42003

43243

45466

Best Son en Breugel

1843 1216

2494 1203

4253 2282

10367 5064

16488 9790

18097 14677

22125 14526

25944 14717

28953 15543

29988 17322

Nuenen, Gerwen en Nederwetten

2379

2403

3988

6958

10034

17592

21030

23783

22213

23383

Geldrop-Mierlo

3974

4914

11592

20193

28488

35466

35393

37746

38117

39726

Waalre

1352

1586

4338

9071

10876

14324

15174

16260

16533

17456

Valkenswaard

2013

3221

8829

18757

23245

27449

30000

31089

30725

31193

Heeze-Leende Cranendonck

3357 3442

3192 4179

5471 7259

8521 12041

11637 14908

13725 18518

14748 19312

15324 20278

15260 20343

16152 21138

Bergeijk

3684

3870

5541

10336

13271

16019

17006

17906

18061

18635

Eersel

2719

2736

4310

8131

12419

16069

17384

18301

18157

19313

Oirschot

4971

4870

6281

11022

13680

14949

16183

17683

17750

18714

Bladel

2592

2883

4803

9009

12986

17148

18236

18997

19177

20390

Reusel-De Mierden Helmond

2172 5989

2534 13491

4145 29573

7805 50658

9161 58209

10561 61856

11850 68660

12434 80098

12555 88291

13112 92423

Laarbeek

3635

4557

7617

12697

15326

19069

20949

21536

21581

22523

Gemert-Bakel

6017

5939

9037

17246

20164

23701

25492

27499

28763

30723

Deurne

3858

6906

10537

18940

23994

27774

29584

32028

31526

32471

Asten

2882

3501

5628

9330

11160

13676

15026

15779

16335

16721

Someren

3729

3853

5748

11185

14026

15813

17148

18277

18229

19368

Zuidoost-Brabant

76204

103447

244080

445167

550783

624252

660254

709410

735164

780611

Aantal Gemeenten

1960

1970

1980

1990

2000

2010

2020

Huidige gemeente (inclusief vorige gemeenten op grondgebied

Bron: R. Miesen, Bewerking CBS Statistieken en volkstellingen van bevolking, huisvesting en opleiding in Zuidoost-Brabant 1840-2020 (werkdocument)

28

Bevolkingsgroei van de huidige 21 MRE-gemeenten (inclusief de voormalig zelfstandige gemeenten op het huidige grondgebied) tussen 1840 en 1970 18401899 11% 1%

18991930 63% 33%

19301960 21% 39%

19601970 14% 48%

Best Son en Breugel Geldrop-Mierlo Nuenen ca Valkenswaard Waalre

5% 0% 4% 0% 8% 3%

19% 24% 33% 18% 40% 40%

35% 30% 20% 20% 29% 28%

59% 93% 41% 44% 24% 20%

Cranendonck Heeze-Leende Bladel Eersel Reusel-De Mierden Bergeijk

3% -1% 2% 0% 3% 1%

20% 20% 19% 16% 18% 13%

17% 16% 23% 24% 23% 23%

24% 37% 44% 53% 17% 28%

Oirschot Helmond Deurne Laarbeek Asten Someren

0% 14% 10% 4% 3% 1%

9% 30% 15% 19% 17% 14%

21% 20% 22% 19% 18% 25%

24% 15% 27% 21% 20% 25%

Gemert-Bakel

0%

15%

24%

17%

Huidige gemeente Eindhoven Veldhoven

Gemiddelde groei per decennium Meer dan 70%

4070%

3040%

2030%

1020%

010%

Zuidoost-Brabant 5% 33% 22% 24% Bron: R. Miesen, Bewerking CBS Statistieken en volkstellingen van bevolking, huisvesting en opleiding in Zuidoost-Brabant 1840-2020 (werkdocument)

29

Negatief

Bevolkingsgroei van de huidige 21 MRE-gemeenten (inclusief de voormalig zelfstandige gemeenten op het huidige grondgebied) tussen 1960 en 2020 Huidige gemeente Eindhoven Veldhoven Best Son en Breugel Geldrop-Mierlo Nuenen ca Valkenswaard Waalre Cranendonck Heeze-Leende Bladel Eersel Reusel-De Mierden Bergeijk Oirschot Helmond Deurne Laarbeek Asten Someren Gemert-Bakel Zuidoost-Brabant

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=a379dc5e-255b-4ff5-a6e3-b36b79986c31