Toelichting Bijlage 12 - Quick scan natuur
Tekst van het document
Quick scan natuur
Arnhem, woningbouw AKZO-terrein
Ontwikkelingscombinatie BDP/Klok
Datum: 15 december 2021 Projectnummer: 180299
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding Plangebied
3 3
2
Wettelijk kader
5
2.1 2.2 2.3
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden
7 8 8
3
Onderzoeksmethode
10
3.1 3.2
Deskundigheid Werkwijze
10 10
4
Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten
12
4.1 4.2 4.3
Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden
12 13 24
5
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject
25
5.1 5.2 5.3
Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden
25 25 29
6
Conclusie
30
Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Beeldhouwerstraat te Arnhem ligt het oude AKZO-terrein. Ontwikkelingscombinatie BPD/Klok is voornemens om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Het terrein wordt hiervoor volledig herontwikkeld. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Arnhem, provincie Gelderland. Arnhem ligt in de stadsregio Arnhem-Nijmegen en ligt aan de oevers van rivieren de Neder-Rijn en de IJssel en aan de Sint-Jansbeek. De Veluwe ligt direct ten noorden van Arnhem. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen; voornamelijk rijwoningen en appartementen. Het plangebied ligt direct ten noorden van een spoorlijn, ten westen van de Beeldhouwerstraat en ten zuiden van de Novalaan. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.
3
Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.
Op 2 december 2021 is een veldbezoek uitgevoerd. Het gebied bestaat uit twee delen. Het oostelijke deel betreft een voormalig fabrieksterrein. Het westelijke deel van het terrein is ingericht als parkeerterrein. Beide delen worden gescheiden door een kleine dijk waarlangs bomen staan. Op het fabrieksterrein is de oude verharding nog aanwezig in de vorm van betonplaten en straatstenen. Aan de oostrand van het terrein staan twee gebouwen, één in de noordoostelijke hoek en één in de zuidoostelijke hoek. Beide bestaan uit een enkele bouwlaag en hebben een plat dak. 4
Langs de randen rond het gehele fabrieksterrein staan bomen en struiken van verschillende soorten. Het terrein zelf is grotendeels verruigd. Planten groeien hier door en langs de oude verharding heen. Op verschillende plekken zijn gaten in de fundering aanwezig, waaronder een ondergrondse ruimte aanwezig is. Op het gedeelte van het parkeerterrein staan geen gebouwen. Wel zijn hier een aantal bomen aanwezig. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.
Het gebouw in de zuidoostelijke hoek;
Het gebouw in de noordoostelijke hoek;
De fabrieksterrein;
Eén van de bomenrijen;
De parkeerplaats;
1.2.2
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd. Het huidige plan voorziet in de realisatie van totaal 240 woningen bestaande uit een mix van appartementen, rug-aan rug woningen, rijwoningen en villa’s. De ontwikkeling wordt in
5
twee fases gerealiseerd. Navolgende afbeelding geeft een impressie van het huidige stedenbouwkundige plan.
De toekomstige situatie van het plangebied. Bron: BPD & Klokgroep.
6
2
Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.
2.1
Gebiedsbescherming
2.1.1
Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.
2.1.2
Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal.
De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren.
7
De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. Ook zijn weidevogelgebieden aangewezen. De provincie wil hier een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO en voor het overige deel in het GNN.
2.2
Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.
Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.
2.3
Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vier-
8
kante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.
9
3 3.1
Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.
3.2
Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.
3.3
Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 22 november 2021, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 2 december 2021, bij droog, bewolkt weer en een temperatuur van circa 1 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.
Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden.
10
Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.
11
4
Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.
4.1
Ligging beschermde gebieden
4.1.1
Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Veluwe” en “Rijntakken” in de directe omgeving van Arnhem. Deze liggen respectievelijk 2,1 en 2,5 kilometer van het plangebied verwijderd.
Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: PDOK.
4.1.2
Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). De dichtstbijzijnde hiertoe aangewezen gebieden liggen buiten de kern van Arnhem, op 1,7 kilometer ten noorden en ten westen van het plangebied. Ten westen liggen ook de dichtstbijzijnde Groene ontwikkelingszones. Ganzenfoerageergebied ligt op 2 kilometer ten zuiden en Weidevogelgebied ligt op 3 kilometer ten zuiden van het plangebied.
12
Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen. Bron: Provincie Gelderland.
4.2
Aanwezigheid beschermde soorten
4.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied zijn gebouwen aanwezig en ook is groen aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.
4.2.2 4.2.2.1
Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het plangebied tot broeden komen. In het plangebied zijn daarnaast een eksternest en een duivennest waargenomen.
13
Het eksternest.
4.2.2.2
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017a). De gebouwen in het plangebied hebben een plat dak. Dergelijke daken zijn niet geschikt als broedlocatie voor de huismus. Ook werden er geen geschikte kieren in de bebouwing gevonden. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen huismussen of sporen van huismussen in het plangebied waargenomen.
Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Het feit dat de soort tijdens geschikte weersomstandigheden niet is aangetroffen, duidt erop dat zich geen nesten in het plangebied bevinden. Aangezien er geen duidelijke nestlocaties voor de huismus in het plangebied aanwezig zijn, en huismussen of sporen van de
14
soort niet zijn waargenomen, is het onwaarschijnlijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van deze soort. Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). De gebouwen in het plangebied hebben platte daken die niet geschikt zijn als broedlocatie voor gierzwaluwen. Andere kieren zijn ook niet in de gebouwen aangetroffen. Gierzwaluwen zijn daarom uit te sluiten in het plangebied. Roofvogels (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw, boomvalk, ransuil) Verschillende roofvogels en uilen broeden in hoge bomen in bos en boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw, boomvalk, ransuil).
Enkele hiervan gebruiken hiervoor oude nesten van kraaien of andere roofvogels (boomvalk, ransuil). De ransuil doet dit vrijwel uitsluitend in naaldbomen. De bomenrijen zijn gecontroleerd op grote nesten die door één van deze soorten zou kunnen worden gebruikt. Dit kon goed gecontroleerd worden omdat er geen bladeren aan de bomen aanwezig waren ten tijde van het veldbezoek. Binnen het plangebied werd één eksternest aangetroffen. Dit nest is nog in gebruik door eksters, wat onder meer te zien was aan het dakje boven het aanwezig nest en aanwezig individuen rondom het nest. Andere grotere nesten werden niet in het plangebied aangetroffen. Daarom is ook niet te verwachten dat bij de ontwikkelingen in het plangebied een nest van één van deze soorten zal worden verstoord of vernietigd zal worden. Nader onderzoek is niet nodig. Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig.
Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. 4.2.3
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalk-
15
graslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). Het plangebied bestaat grotendeels uit verruigd terrein. Soorten die werden aangetroffen zijn onder anderen braam, Jakobs kruiskruid, akkerdistel, smalle weegbree, schapenzuring en paardenbloem. Dit zijn soorten die kenmerkend zijn voor een voedselrijke bodem. Daarnaast ligt het plangebied in een stedelijke omgeving. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht en werden ook niet waargenomen. 4.2.4
Grondgebonden zoogdieren
4.2.4.1
Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.
4.2.4.2
Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas komen de bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, otter, steenmarter en wezel in de omgeving van het plangebied voor. Bever en otter In of in de directe omgeving van het plangebied komt geen waterlichaam voor. Voor de bever en otter is dit noodzakelijk voor hun overleving. Het voorkomen van de bever en otter kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. Boommarter De boommarter heeft een voorkeur voor oud (loof-)bos, maar is ook in andere typen bos te vinden. De soort komt soms ook in meer open terreinen voor, mits er voldoende bosjes en lijnvormige elementen in de omgeving zijn, zoals heggen en houtwallen.
16
De boommarter komt slechts incidenteel voor in de nabijheid van gebouwen. Boommarters kiezen een rustplaats in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten worden vaak in oude spechten- of eekhoornholen of inrottingsholen gemaakt (www.zoogdiervereniging.nl). Leefgebied van de boommarter, zoals hiervoor beschreven, komt niet voor in of in de omgeving van het plangebied. Holtes werden niet aangetroffen in de bomen. Het voorkomen van de boommarter kan op voorhand worden uitgesloten. Bunzing De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017). In het plangebied is geen optimaal leefgebied voor de bunzing aanwezig. De soort kan echter voorkomen in stedelijk gebied en is er struweel in het plangebied aanwezig. Het plangebied is braakliggend en er is weinig verstoring aanwezig. Er zijn verschillende bomen aanwezig en in het zuidelijke gedeelte is verruiging van onder andere bramen aanwezig. Ook werd er een steenhoop gevonden, welke mogelijk een geschikte schuilplaats biedt voor de bunzing.
Het voorkomen van de bunzing in het plangebied kan dan ook niet op voorhand worden uitgesloten. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Leefgebied van de das moet voldoende dekking bieden, met weinig verstoring, een groot voedselaanbod, een bodem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand lager dan 1,5m onder het maaiveld. De das is een omnivoor. Het belangrijkste voedsel voor de das zijn regenwormen. Daarnaast eten ze vruchten, noten, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken en insecten. Leefgebied van de das is niet aanwezig in en rondom het plangebied, omdat weiland en vergraafbare grond ontbreekt. Het voorkomen van de das kan dan ook uitgesloten worden. Eekhoorn De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal 5 meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl). Rond het plangebied staan een groot aantal bomen.
Daarnaast staan er meerdere soorten bomen in het plangebied die voedsel voor de eekhoorn kunnen bieden zoals fijnspar, Amerikaanse eik, hazelaar en verschillende bessen dragende struiken. De bomen in het plangebied konden goed onderzocht worden op de aanwezigheid van nesten van de eekhoorn, omdat er geen blad aan de bomen aanwezig was ten tijde van het veldbezoek. Tijdens het veldbezoek werden er geen nesten van de eekhoorn aangetroffen in het plangebied. Het voorkomen van de eekhoorn in het plangebied kan dan ook worden uitgesloten.
17
Hermelijn De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten. Leefgebied van de hermelijn is niet aanwezig in het plangebied. Water en kleinschalig landschap ontbreekt en het plangebied bevindt zich binnen stedelijk gebied. Het voorkomen van de hermelijn kan dan ook uitgesloten worden. Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). In het plangebied is ideaal leefgebied voor de steenmarter aanwezig. Er is enig groen en er zijn vele schuilplaatsen aanwezig.
Zo is er een steenhoop aanwezig waar de steenmarter een verblijfplaats kan hebben en er zijn ondergrondse ruimtes aanwezig die bereikbaar zijn via gaten in de fundering. Hier zou een verblijfplaats voor de steenmarter aanwezig kunnen zijn. Het voorkomen van de steenmarter in het plangebied kan dan ook niet worden uitgesloten. Wezel De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017). In het plangebied is geen optimaal leefgebied voor de wezel aanwezig. De soort voorkomen in stedelijk gebied en is er struweel in het plangebied aanwezig. Het plangebied is braakliggend en er is weinig verstoring aanwezig. Er zijn verschillende bomen aanwezig en in het zuidelijke gedeelte is verruiging van onder andere bramen aanwezig. Ook werd er een steenhoop gevonden, welke mogelijk een geschikte schuilplaats biedt voor de wezel. Het voorkomen van de wezel in het plangebied kan dan ook niet op voorhand worden uitgesloten. 4.2.5
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas komen de baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook
18
onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). 4.2.5.1
Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017c, Dietz et al. 2011). In het plangebied staan twee gebouwen. Beide hebben een enkele bouwlaag en een plat dak. Open stootvoegen zijn niet in de gebouwen aanwezig. Enkel het gebouw in het zuidoosten bevat enkele zeer kleine kieren langs de raamposten en openingen langs de dakrand waarin enkel dwergvleermuizen een verblijfplaats zouden kunnen maken (zie navolgende afbeeldingen). Het voorkomen van gebouwbewonende vleermuizen kan dan ook niet op voorhand worden uitgesloten.
Impressie van (mogelijk) geschikte openingen voor dwergvleermuizen. Ruimte onder de dakrand en bij de ramen. Naast de gebouwen zijn er in het plangebied ook ondergrondse ruimtes aanwezig welke via gaten in de fundering bereikbaar zijn. Sommige vleermuizen kunnen gebruik maken ondergrondse kelders als winterverblijfplaats. Dit dient dan ook nader onderzocht te worden.
19
4.2.5.2
Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan verschillende bomen. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort
4.2.5.3
Kraamverblijf
Zomerverblijf
Paarverblijf
Winterverblijf
Gewone dwergvleermuis
x
x
x
Ruige dwergvleermuis
-
x
x
-
Laatvlieger
-
-
-
x
Meervleermuis
-
-
-
x
Gewone grootoorvleermuis
-
-
-
x
Watervleermuis
-
-
-
x
Baardvleermuis
-
-
-
x
Rosse vleermuis
-
-
-
-
-
Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. In het plangebied zijn groene structuren aanwezig. Dit vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Het is echter niet te verwachten dat het essentieel foerageergebied betreft. Dit omdat er in de directe omgeving, zoals direct ten zuiden van het plangebied, natuurlijke zones liggen waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Er zijn daarom voldoende alternatieve foerageergebieden voor vleermuizen aanwezig.
4.2.5.4
Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënte20
ren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. De bomenrijen die rondom het parkeerterrein staan en het gebied in tweeën splits zou als vliegroute kunnen worden gebruikt. Daarnaast ligt er een potentiele vliegroute aan de zuidzijde van het spoor op enkele meters van de zuidgrens van het plangebied. Mogelijk betreffen deze bomenrijen een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Door de geplande ruimtelijke ontwikkeling en de lichtvervuiling die hiermee gepaard gaat, kunnen deze vliegroutes verdwijnen. Dit moet dan ook nader onderzocht worden. 4.2.6
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Geschikt biotoop voor reptielen is niet aanwezig in het plangebied. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis in de buurt van het plangebied voor. Het plangebied ligt te midden van stedelijk gebied en het plangebied zelf is volledig versteend. Reptielen komen niet voor in een dergelijk plangebied.
4.2.7
Amfibieën
4.2.7.1
Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.
4.2.7.2
Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad in de buurt van het plangebied voor.
21
In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen watervoerende elementen aanwezig. Geschikt voortplantingswater voor beschermde amfibieën ontbreekt dus. Amfibieën maken daarnaast ook gebruik van overwinterings- en landhabitat. Dit overwinterings- en landhabitat is altijd gelegen nabij geschikte voortplantingswateren. Omdat dit voortplantingswater in de omgeving ontbreekt, kan ook het voorkomen van overwinterings- en landhabitat in het besluitgebied voor deze soorten uitgesloten worden. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het besluitgebied voorkomt omdat open, zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Deze soort is echter zeer mobiel. Als het besluitgebied in een later stadium uit braakliggend terrein zal bestaan, met bijvoorbeeld zandhopen of ondiepe plassen, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het besluitgebied kan vestigen. 4.2.8
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten.
4.2.9
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). Volgens de gegevens van NDFF komen de gevlekte witsnuitlibel, bosbeekjuffer, grote vos, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart in de omgeving van het plangebied voor.
Gevlekte witsnuitlibel De gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (www.vlinderstichting.nl). Dergelijk gebied is niet aanwezig in het plangebied of in de directe omgeving hiervan.
22
Bosbeekjuffer De bosbeekjuffer komt voor bij de bovenlopen van beschaduwde, koele, zuurstofrijke beken. De beken zijn grotendeels beschaduwd en zijn arm aan waterplanten. De oevers zijn begroeid met bomen, struiken en ruigtekruiden die door de soort als zitplaats worden gebruikt (www.vlinderstichting.nl). Dergelijk gebied is niet aanwezig in het plangebied of in de directe omgeving hiervan.
Grote vos De waardplanten van deze soort zijn voornamelijk iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Het habitat is vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout (vlinderstichting.nl). Leefgebied van de grote vos, zoals hierboven beschreven, en waardplanten komen niet voor in het plangebied. Het voorkomen van de grote vos kan dan ook uitgesloten worden. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder leeft in vochtige gemengde bossen of loofbossen. Wilde kamperfoelie vormt de waardplant voor de soort. De soort leeft vooral hoog in bomen maar komt ’s morgens ook naar beneden om te drinken. Leefgebied van de kleine ijsvogelvlinder en de waardplant komt niet voor in het plangebied. Het voorkomen van de kleine ijsvogelvlinder kan dan ook worden uitgesloten. Sleedoornpage De sleedoornpage leeft langs sleedoornstruwelen, houtwallen en bosranden. Het leefgebied van de soort lijkt zich steeds meer naar tuinen en parken in stedelijk gebied te verplaatsen. De soort gebruikt de sleedoorn en andere Prunus als waardplant. Sleedoornpage heeft een vliegtijd van juli tot eind september.
De soort overwintert als ei op de waardplant. De rups is van april tot juli op de waardplant aanwezig (www.vlinderstichting.nl). Arnhem is voor de sleedoornpage een belangrijk kerngebied. De soort komt op meerdere plaatsen binnen de stad voor. In 2018 zijn direct langs het spoor, net buiten het plangebied meerdere eitjes van de sleedoornpage aangetroffen, zo blijkt uit de gegevens van NDFF. Na inspectie van het plangebied blijkt dat ook hier enkele sleedoornstruiken staan. Daarom is niet uit te sluiten dat ook in het plangebied door de soort eitjes worden gelegd. Daarnaast staan er veel bloemdragende bomen en struiken in het gebied waar de volwassen sleedoornpage voedsel kan vinden. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of de struiken in het plangebied door de soort worden gebruikt. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is een warmteminnende nachtvlinder die te vinden is op open plekken in vochtige bossen, bosranden en andere warme plaatsen waar de waardplanten groeien, zoals uiterwaarden en ruderale, braakliggende terreinen. Met het opwarmen van het klimaat wordt de soort steeds algemener in ons land. De vlinders van deze soort vliegen in mei en juni, waarbij eitjes worden afgezet op waardplanten. Dit zijn vooral teunisbloemen, maar ook (harig-) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart zijn waardplanten voor deze soort.
De rupsen eten in de periode juni tot
23
september van de waardplant, waarna ze in de strooisellaag verpoppen en overwinteren (Vlinderstichting.nl, Van Dijk 2018 en 2021). In het plangebied is braakliggend terrein aanwezig en zijn mogelijk teunisbloemen aangetroffen. Vanwege de periode van het jaar kan niet met zekerheid gezegd worden om hoeveel teunisbloemen het gaat. Leefgebied en mogelijk waardplanten zijn dus aanwezig in het plangebied. Om deze redenen kan het voorkomen van de teunisbloempijlstaart niet op voorhand worden uitgesloten.
4.3
Aanwezigheid houtopstanden In het plangebied is een houtopstand aanwezig. De bomen en struiken die aanwezig zijn, zijn onderdeel van een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat.
24
5
Effectbeoordeling en advies vervolgtraject
5.1
Mogelijke effecten op beschermde gebieden
5.1.1
Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken in de buurt van het plangebied liggen. Binnen deze Natura 2000-gebieden zijn vegetaties aanwezig die gevoelig zijn voor stikstof. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. In de toekomstige situatie zullen er meer verkeersbewegingen van motorvoertuigen richting het plangebied plaats vinden. Motorvoertuigen stoten stikstof uit. Een stikstofberekening zal dan ook uitgevoerd moeten worden. Andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling zijn op voorhand uit te sluiten, zoals verstoring van instandhoudingsdoelstellingen door geluid. Dit vanwege de stedelijke ligging van het plangebied en de aanzienlijke afstand tot de Natura 2000-gebieden.
5.1.2
Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 1,7 kilometer ten westen van het plangebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in de GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.2
Mogelijke effecten op beschermde soorten
5.2.1
Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.
25
Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.
5.2.2
Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het plangebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen.
5.2.2.1
Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.
5.2.2.2
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Van verschillende vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd. Met het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat er een eksternest aanwezig is in het plangebied De ekster is alleen jaarrond beschermd wanneer zwaarwegende ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling gaat dit eksternest verloren. In de omgeving van het plangebied is er echter voldoende ruimte voor de ekster om een nieuw nest te maken en daarnaast zijn ekster heel goed zelf in staat om nieuwe nesten te maken. Er zijn dan ook geen zwaarwegende ecologische omstandigheden die ertoe zouden kunnen leiden dat dit nest beschermd is. Negatieve effecten op deze soort zijn van de ontwikkeling dan ook niet te verwachten. Nader onderzoek naar deze soort is niet nodig en de bescherming van deze soort staat de ontwikkeling niet in de weg. Andere beschermde soorten zijn niet aanwezig in het plangebied.
26
5.2.3
Overige beschermde soorten
5.2.3.1
Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht.
5.2.3.2
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis), steenmarter, bunzing en wezel. Mogelijk is ook voortplantingsgebied van de sleedoornpage en teunisbloempijlstaart aanwezig in het plangebied. Vleermuizen en teunisbloempijlstaart zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Steenmarter, bunzing, wezel en sleedoornpage vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’, waarvoor de verboden van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. Met de geplande werkzaamheden gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden.
Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het plangebied voorkomt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Als het plangebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het plangebied zal vestigen. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig.
5.2.4
Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen.
27
5.2.4.1
Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Voor het onderzoek naar verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis stelt het vleermuisprotocol vast dat vier veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Twee daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden, ook met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vier veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.
Voor het vaststellen van aanwezige winterverblijfplaatsen in de ondergrondse ruimtes, stelt het vleermuisprotocol dat in de periode van december tot en met februari (in de winterrust periode van vleermuizen) de ruimtes onderzocht kunnen worden op de aanwezigheid van individuen of sporen. Het is echter nog onduidelijk of de kelders veilig zijn om te betreden. Wanneer dit onveilig wordt geacht, dient in het najaar onderzoek gedaan te worden naar zwermgedrag van vleermuizen bij de gaten in de fundering.
5.2.4.2
Steenmarter Voor de steenmarter is geen soortenstandaard opgesteld. Om aan- of afwezigheid vast te stellen wordt tijdens andere veldbezoeken in de periode van februari tot en met oktober gelet op sporen en individuen van deze soort. Daarnaast zullen er ook cameravallen geplaatst moeten worden en wanneer het veilig is kunnen de kelders onderzocht worden op sporen. Ook wordt extra navraag gedaan bij gebruikers van het plangebied of omwonenden.
5.2.4.3
Kleine marterachtigen (bunzing en wezel) De aanwezigheid van kleine marterachtigen kan worden vastgesteld door het gebruik van de ‘struikrover’; een buis met wildcamera waarmee kleine marters kunnen worden waargenomen (zoogdiervereniging.nl). Ook kan voor het waarnemen van kleine marterachtigen een combinatie van verschillende methoden worden gebruikt (zie ook onderstaande tabel). Dit zijn het gebruik van cameravallen, marterboxen, sporenbuizen en nestkasten. Wanneer onderzoek in de actieve periode (maart tot en met augustus) van de dieren wordt gedaan, dan dienen de onderzoeksinstrumenten minimaal 6 weken op de onderzoekslocatie te worden geplaatst. Buiten de actieve periode van de dieren is er minder trefkans. Daarom is dan een dubbele hoeveelheid instrumenten nodig en dient er minimaal 12 weken onderzoek te worden gedaan (Bouwens 2017).
5.2.4.4
Sleedoornpage Voor onderzoek naar de sleedoornpage zijn geen onderzoeksprotocollen opgesteld. De soort is het makkelijkst vast te stellen in de winter wanneer de eitjes van de soort
28
in de struiken zijn te vinden. Doormiddel van één veldbezoek in de geschikte periode kan worden vastgesteld of de soort aanwezig is en kan een inschatting worden gedaan van de aanwezige populatie. 5.2.4.5
Teunisbloempijlstaart Voor deze soort bestaat geen onderzoeksprotocol. Het onderzoek werd opgezet volgens de aanwijzingen voor de monitoring van deze soort (Van Dijk 2021). Daarbij werd gezocht naar voorplantingsplaatsen van deze soort, door het zoeken naar rupsen op de waardplant. Deze rupsen zijn aanwezig in de periode juni – september, waarbij de grootste kans om rupsen waar te nemen ligt in de periode eind juni tot eind juli. Jonge groene rupsen hebben een goede schutkleur, maar zijn toch te vinden door hun vraat en uitwerpselen (Van Dijk 2021). Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Soortgroep
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Vleermuizen gewone en ruige dwergvleermuis Vleermuizen, winterverblijfplaatsen Steenmarter Bunzing en wezel Sleedoornpage Teunisbloempijlstaart
5.3
Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden In het plangebied is een houtopstand aanwezig en als onderdeel van het plan worden bomen of struiken van deze houtopstand geveld. Op deze velling is het beschermingsregime voor houtopstanden van de Wet natuurbescherming echter niet van toepassing, want de houtopstand die wordt geveld ligt binnen de grenzen van de bebouwde kom met betrekking tot de bescherming van houtopstanden van de gemeente.
29
6
Conclusie Aan de Beeldhouwerstraat te Arnhem ligt het oude AKZO-terrein. Ontwikkelingscombinatie BPD/Klok is voornemens om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Het terrein wordt hiervoor volledig herontwikkeld. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied.
6.1
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken liggen in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe en Rijntakken is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening is daarom noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
6.2
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen, steenmarter, bunzing en wezel en voortplantingsgebied van sleedoornpage en teunisbloempijlstaart aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortge-