Tekst - Bijlagen bij de toelichting - Vaststelling bestemmingsplan 'Chw Mooieweg t.h.v. 11, 13A en 31A'
Tekst van het document
Chw Mooieweg t.h.v. nummer 11, 13A en 31A
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Quickscan flora en fauna
Bijlage 2
Watertoetsresultaat
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek Mooieweg 11
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek Mooieweg 13a
Bijlage 5
Verkennend bodemonderzoek Mooieweg 31a
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek Mooieweg 11-13a
1 tgesteld)
"Chw Mooieweg t.h.v. nummer 11, 13A en 31A" (vas
Quickscan natuurwaardenonderzoek Mooieweg 11A, 13, 31A te Arnhem
Effectbeoordeling ten behoeve van woningbouw in het kader van soortbescherming, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Mooieweg 11A, 13, 31A te Arnhem
Effectbeoordeling ten behoeve van woningbouw in het kader van soortbescherming, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever:
BJZ
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 3855 versie 1.0 Ligging plangebied: Mooieweg 11A, 13 & 31A te Arnhem Auteur: Ing. P. Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 13-1-2022 Veldbezoek uitgevoerd door: Ing. P. Leemreise
1
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ................................................................................................................................................... 2 Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 6
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 8
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 9 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................. 10 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................. 10 Hoofdstuk 4
Toetsingskaders ...................................................................................................................... 11
4.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................. 11 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ..................................................................................... 11 4.4
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 12
Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 13
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 13 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ......................................................................... 13 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 14 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 16 Hoofdstuk 6
Soortenbescherming .............................................................................................................. 17
6.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 17 6.2 Methode ................................................................................................................................................. 17 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 18 6.3.1 Deelgebied Mooieweg 11A ............................................................................................................. 19 6.3.2 Deelgebied Mooieweg 13 ............................................................................................................... 19 6.3.3 Deelgebied Mooieweg 31A ............................................................................................................. 19 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 21 6.4.1 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep deelgebieden Mooieweg 11A en 13 .............. 21 6.4.2 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep deelgebieden Mooieweg 31A........................ 21 6.5 Historische gegevens en overige bronnen .............................................................................................
25 6.6 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 25 Hoofdstuk 7
Conclusies ............................................................................................................................... 26
2
SAMENVATTING Er zijn plannen voor de bouw van drie vrijstaande huizen op drie verschillende percelen aan de Mooieweg te Arnhem, te weten op de adressen Mooieweg 11A, 13 en 31A. Om de woningen te kunnen bouwen moet in een deel van de deelgebieden opgaande beplanting gerooid worden. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Gelders Natuurnetwerk in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 9 november 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied.
Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, omdat de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kennen. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van het bouwen en bewonen van de woningen wordt uitgesloten. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, effectbeoordeling of passende beoordeling is niet nodig. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming deelgebieden Mooieweg 11A en 13 De inrichting en het gevoerde beheer maken deze deelgebieden tot gebieden met een beperkte betekenis voor beschermde dieren. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde dieren gedood en geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde dieren negatief beïnvloed. Uitvoering van de werkzaamheden in deze deelgebieden leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming deelgebied Mooieweg 31A De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. 3
Wettelijke consequenties samengevat: Deelgebieden Mooieweg 11A en 13 • Geen;
Deelgebieden Mooieweg 31
• •
Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (verjagen, wegvangen of ontheffing aanvragen); Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels;
4
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn plannen voor de bouw van drie vrijstaande huizen op drie verschillende percelen aan de Mooieweg te Arnhem, te weten op de adressen Mooieweg 11A, 13 en 31A. Om de woningen te kunnen bouwen moet in een deel van de deelgebieden opgaande beplanting gerooid worden. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Gelders Natuurnetwerk in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het plangebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.
Er is in het plangebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland .
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden, te weten Mooieweg 11A, 13 en 31A. Alle drie deelgebieden liggen in de wijk Rijkerswoerd, onderdeel van de stad Arnhem. Deelgebied Mooieweg ligt ten westen van Mooiweg 11A, deelgebied Mooieweg 13 ligt ten noorden van Mooieweg 13 en deelgebied Mooieweg 31A ligt ten noorden van Mooieweg 31A. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Mooieweg 11A Mooieweg 13
Mooieweg 31A
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het deelgebieden wordt met de rode stip aangeduid (bron kaart: Kadaster.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit drie, afzonderlijke deelgebieden: Mooieweg 11A, 13 en 31A. In deze alinea worden de drie deelgebieden beschreven. Mooieweg 11A Deelgebied Mooieweg 11A bestaat volledig uit verruigd grasland. Het grenst aan de oostzijde aan een woonerf, aan de zuidzijde aan de Mooieweg en aan de west- en noordzijde aan opgaande beplanting in openbaar groen. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied weergegeven.
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijnen aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl). 6
Mooieweg 13 Deelgebied Mooieweg 13 bestaat uit een grazige vegetatie die jaarlijks vrij intensief gemaaid word. In het plangebied staan twee, redelijk afgetakelde solitaire hoogstamfruitbomen. Het grenst aan de westzijde aan een fietspad, aan de oost- en zuidzijde aan een woonerf en aan de noordzijde aan een houtsingel. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied weergegeven.
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijnen aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
Mooieweg 31A Deelgebied Mooieweg 31 vormt een deel van een achtertuin van een woning. Het bestaat uit verharding, opgaande houtige beplanting, struiken, sierplanten en sloot met slootoever. In het plangebied ligt een stenen zwembad. Het grenst aan de oostzijde aan een fietspad, aan de west- en zuidzijde aan woonerf en aan de noordzijde aan een perceel grasland. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied weergegeven.
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijnen aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
7
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen is een vrijstaande woning te bouwen in elk van de drie deelgebieden. Om de woning te kunnen bouwen in deelgebied Mooieweg 11A en 13 hoeft geen houtige beplanting gerooid te worden. Om de bouw van de woning in deelgebied Mooieweg 31A mogelijk te maken, dient de aanwezige beplanting gerooid te worden, de verharding (incl. zwembad) verwijderd te worden. Om de kavel te kunnen ontsluiten wordt een duiker geplaatst in een sloot. Op onderstaande afbeelding wordt een plattegrond van het wenselijk eindbeeld weergegeven van deelgebied Mooieweg 11A.
Terreinindeling van deelgebied Mooieweg 11A. Het onderzoeksgebied wordt met de rode lijn aangeduid.
Op onderstaande afbeelding wordt een plattegrond van het wenselijk eindbeeld weergegeven van deelgebied Mooieweg 31A.
8
Terreinindeling van deelgebied Mooieweg 31A. Het onderzoeksgebied wordt met de rode lijn aangeduid.
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming (alle drie deelgebieden): • Verwijderen beplanting en (erf)verharding (Mooieweg 31A) ; • Bouwrijp maken bouwplaats (alle deelgebieden); • Bouwen woningen (alle deelgebieden); • Plaatsen duiker (deelgebied Mooieweg 31A);
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
9
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals bouwwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenzen de deelgebieden aan openbare ruimte, opgaande beplanting (langs openbare ruimte) of woonerf. Het is niet aannemelijk dat beschermde waarden buiten het plangebied negatief beïnvloed worden door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. De invloedsfeer is lokaal. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
10
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
11
•
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland.
12
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk (voorheen EHS genoemd). 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.
De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Geen van de deelgebieden behoort tot het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.
GNN
GO
GNN
Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van de deelgebieden wordt met de gele stip aangeduid. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren worden aangeduid met de donkergroene kleur. Gronden die tot de Groene Ontwikkelingszone (GO) behoren, worden met de lichtgroene kleur aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
13
Beschermingsregime De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Toetsing aan beleid Er vinden geen activiteiten plaats op gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent, hoeft voorgenomen plan niet getoetst te worden aan regels voor de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland.
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
14
Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Geen van de deelgebieden liggen binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied. Mooieweg 11A ligt op minimaal 2,93 km afstand van Natura 2000-gebied, deelgebied 13 op 2,83 km en deelgebied Mooieweg 31A op minimaal 2,41 km afstand. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Natura 2000-gebied Rijntakken. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
2,93 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
2,83 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
2,41 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het deelgebieden wordt met de rode stip aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de groene arcering aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De deelgebieden zijn niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar, als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) De nieuwe woningen krijgen geen aansluiting op het aardgasnet. Met uitzondering van verkeer, zijn er geen andere stikstofbronnen. Gelet op de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen, als gevolg van het bewonen van de woningen, is het niet aannemelijk dat er sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied.
15
5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, omdat de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kennen. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van het bouwen en bewonen van de woningen wordt uitgesloten. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, effectbeoordeling of passende beoordeling is niet nodig.
16
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek & NDFF) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. De deelgebieden Mooieweg 11A en 13 bestaan uit een grazige vegetatie. Deelgebeid Mooieweg 31A bestaat uit bomen, struiken, sierplanten, slootoever en verharding. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoren de deelgebieden mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het plangebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het plangebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 9 november 2021 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het plangebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); • NDFF; Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora;
17
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Vogels hebben geen bezet nest meer gedurende deze tijd van het jaar. De zomergasten verblijven in de overwinteringsgebieden in deze tijd van het jaar. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden diersoorten hebben geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.
Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. De beplanting is specifiek beoordeeld als potentiële verblijfplaats voor egel en steenmarter. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats, terwijl de gewone dwergvleermuis soms de zomerverblijfplaats blijft bezetten in de wintermaanden, totdat de koude intreed en dan soms alsnog een winterverblijfplaats in de regio gaat opzoeken. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.
De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingswateren. Amfibieën bezetten de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek per deelgebied gepresenteerd. Alleen soorten die in het plangebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het plangebied voorkomen of soorten waarvan het plangebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. 18
6.3.1 Deelgebied Mooieweg 11A Dit deelgebied vormt functioneel leefgebied van verschillende soorten beschermde grondgebonden zoogdieren, vogels, amfibieën en vleermuizen. Deze dieren benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied; ze bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Mogelijk nestelen vogels in de beplanting naast het plangebied en bezetten sommige grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vleermuizen een rust- en/of voortplantingsplaats net buiten het plangebied. De functie van het plangebied als foerageergebied voor beschermde diersoorten is vrij beperkt. Dit wordt veroorzaak door de geringe oppervlakte, de gekozen inrichting en het gevoerde beheer. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood, wordt geen zwaar beschermd dier verstoord en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd of vernield. Als gevolg van het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten af.
6.3.2 Deelgebied Mooieweg 13 Dit deelgebied vormt functioneel leefgebied van verschillende soorten beschermde grondgebonden zoogdieren, vogels, amfibieën en vleermuizen. Deze dieren benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied. Mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in de hoogstam fruitbomen. Soorten die mogelijk in de fruitbomen nestelen zijn vink, houtduif en putter. Er nestelen geen holenbroeders in de bomen. Ook bezetten vleermuizen geen verblijfplaats in fruitbomen. Holen in de stam ontbreken en de bomen hebben geen losse schors. Mogelijk nestelen vogels in de beplanting naast het plangebied en bezetten sommige grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vleermuizen een rust- en/of voortplantingsplaats net buiten het plangebied. De functie van het plangebied als foerageergebied voor beschermde diersoorten is vrij beperkt. Dit wordt veroorzaak door de geringe oppervlakte, de gekozen inrichting en het gevoerde beheer. Aangenomen wordt dat de bomen in het plangebied behouden blijven en dat deze nestplaatsen behouden blijven. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood, wordt geen zwaar beschermd dier verstoord en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd of vernield.
Als gevolg van het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten af.
6.3.3 Deelgebied Mooieweg 31A Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in bomen, struiken, nestkastjes en dichte vegetatie. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, houtduif, koolmees, pimpelmees, vink, roodborst, heggenmus, winterkoning, tjiftjaf, zwartkop, Turkse tortel en zanglijster. Potentiële nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen ontbreken in het plangebied. Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels of uilen een nestplaats bezetten in het plangebied. Door het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet af. 19
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen beplanting tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, egel en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten bosmuizen en huisspitsmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder strooisel. Geschikte plekken voor egel en steenmarter, om een (vaste) rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreken in het plangebied. Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdieren gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van het uitvoeren van het bebouwen en verharden van het plangebied neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen strooisel.
Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals bomen met holen of losse bast, gebouwen, andere bouwwerken of vleermuiskasten ontbreken in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de beplanting. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige
20
elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Soorten als bruine kikker, kleine watersalamander, bastaardkikker en gewone pad benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder strooisel en bladeren. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Door het verwijderen van strooisel en bladeren en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen strooisel en bladeren; - Uitvoeren grondverzet;
6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep In deze alinea wordt ingegaan op de mogelijke wettelijke consequenties, als gevolg van de voorgenomen activiteiten. 6.4.1 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep deelgebieden Mooieweg 11A en 13 Het bouwen van een woning en aanleggen van tuin en erfverharding in de deelgebieden Mooieweg 11A en 13 leidt niet tot wettelijke consequenties. Er wordt geen beschermd dier gedood en geen vaste rust- of voortplantingsplaats negatief beïnvloed. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De afname van het de functie van de deelgebieden als foeragebied, leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling, omdat het plangebied voor geen enkel beschermd dier als essentieel foerageergebied wordt beschouwd.
6.4.2 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep deelgebieden Mooieweg 31A
Vogels Als gevolg van het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd.
21
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Verwijderen beplanting buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Er wordt echter geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield.
De in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat er beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze 1
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 22
weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen).
Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 19-12-2018).
Mits er geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en goedgekeurde gedragscode. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden; Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het plangebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel boven voor toepasbare vangmiddelen). Mits er geen amfibieën (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en goedgekeurde gedragscode.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden; Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. 23
24
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven (alle drie deelgebieden). Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren
Diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Art. 3.1 lid 2
Vogels
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Vogels
Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 1
Vleermuizen Vleermuizen
Verblijfplaats Foerageergebied
Niet aanwezig Diverse soorten
Vleermuizen Vleermuizen
Vliegroute Doden van dieren
Amfibieën
Foerageergebied
Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten
Niet van toepassing Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing
Amfibieën
Vaste rustplaats
Diverse soorten
Amfibieën Amfibieën Overige soorten
Voortplantingsplaats Doden van dieren Dieren en overige functies
Niet aanwezig Diverse soorten Niet aanwezig
Diverse soorten
Geen Geen dieren doden
Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Geen
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Art. 3.10 lid 1a Niet van toepassing
Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Geen Geen
Geen Geen Geen Geen Geen Geen dieren doden Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties.
Soortgroep
Vaste rust- Voortplanplaats tingsplaats
Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied
Wettelijke consequenties
Nader onderzoek vereist
Grondgebonden zoogdieren Vogels
Ja
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Vleermuizen
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Amfibieën
Ja
Nee
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Ontheffing vereist Nee, tenzij dieren gedood worden Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden Nee Nee, tenzij dieren gedood worden
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
6.5 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
25
HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ’opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, omdat de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kennen.
Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van het bouwen en bewonen van de woningen wordt uitgesloten. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, effectbeoordeling of passende beoordeling is niet nodig. Deelgebieden Mooieweg 11A en 13 De inrichting en het gevoerde beheer maken deze deelgebieden tot gebieden met een beperkte betekenis voor beschermde dieren. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde dieren gedood en geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde dieren negatief beïnvloed. Uitvoering van de werkzaamheden in deze deelgebieden leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Deelgebied Mooieweg 31A De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode.
26
Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: