Technische vragen & beantwoording van de fractie VVD
Tekst van het document
Technische vragen jaarstukken 2021 Fractie VVD Arnhem Vraag 1 De uitstroom uit de bijstand is 1972 mensen, wat is de instroom? We hebben 181 mensen meer laten uitstromen dan landelijk gemiddeld. Is dat over het afgelopen jaar? Het doel was 500 mensen boven op het landelijk gemiddelde. In hoeverre hebben we dat doel gehaald? Ik kan het niet uit de bestuursrapportage halen. Antwoord: Het resultaat op ‘de landelijke lijn +500’ blijkt onder meer uit de volume-ontwikkeling van bijstandsuitkeringen. (Dit geeft een beter beeld dan het verschil tussen instroom- en uitstroomcijfers, dat heeft administratieve redenen). Eerst een toelichting op de volume-ontwikkeling in het jaar 2021: In 2022 is het aantal uitkeringsdossiers afgenomen met 520. (Januari 2021 was de stand 7723 dossiers, januari 2022 was de stand 7207 dossiers).
In de laatste volledige maand in 2022 is de stand 7.097 (met een voorbehoud vanwege administratieve verwerkingen die nog met terugwerkende kracht kunnen plaatsvinden). De benchmark waarmee we meten hoe we het doen t.o.v. het landelijk gemiddelde loopt al vanaf het begin van de collegeperiode (begin 2019). Inmiddels hebben we over die periode tot en met april 2022 236 meer uitkeringen verminderd dan vergelijkbare gemeenten.
Het doel van 500 meer dan de landelijke lijn is gesteld op eind 2022: we denken niet dat we dat volledig halen. De verwachting is dat als we de huidige trend vasthouden we uitkomen op 300. Overigens is er naast resultaat in de vorm van volledig beëindigde uitkeringen ook financieel resultaat in de vorm van bijvoorbeeld meer inkomsten uit werk of meer inwoners die aan het werk zijn gegaan met een loonkostensubsidie (en dus lagere uitkeringsdruk, maar niet altijd met een volledig beëindigde uitkering). Daarom hebben we ook met de raad afgesproken dat we uiteindelijk financieel de eindbalans opmaken, dat doen we dus in 2023 bij de afronding van 2022. Voor meer informatie verwijzen we u graag naar de laatste bestuursrapportage Doorbraak naar Werk (raadsbrief 655048).
Vraag 2 In de raadsbrief bij 1.3 Begrotingswijziging 2022 inzake resultaatbestemming 2021, staat dat het voordeel op de grondexploitatie aan de BR grondexploitatie wordt toegevoegd tbv de verstedelijkingsopgave. Kunt u de behoefte onderbouwen? En waar wordt dit geld aan besteed? Gaat dat naar corporaties, naar ontwikkelaars? Antwoord: Arnhem staat de komende jaren voor een grote verstedelijkingsopgave die veel inzet en geld kost. Van de ca. 16.000 toe te voegen woningen tot 2040 wordt minimaal 50% gebouwd in de categorie betaalbaar, waarvan minimaal 30% sociale corporatiehuur. Het college wil deze woningen bouwen in de bestaande stad, bij voorkeur in de buurt van maatschappelijke voorzieningen en OV-locaties, waarbij kansen die er zijn om groen toe te voegen maximaal worden benut. Van nieuwbouw wordt vereist dat het natuurinclusief, klimaatadaptief en bij voorkeur energiepositief is. Het college streeft naar levendige wijken met een divers woningaanbod en uitnodigende openbare ruimte, waarin mensen van verschillende achtergronden met elkaar samenleven. Om woningbouw op de gewenste locaties, met het gewenste programma en omgevingskwaliteit en in het gewenste tempo te realiseren, is het noodzakelijk om een budget voor publieke cofinanciering te hebben. Bij gebiedsontwikkelingen, zeker in stedelijk gebied, dekt de nieuwe grondwaarde vrijwel nooit de kosten.
De tekorten nemen door de sterk stijgende bouwkosten toe en worden niet door de markt gedragen. Het deel van het tekort dat toe te rekenen is aan woningbouw en niet wordt terugverdiend uit opbrengsten van een gemeentelijke grondexploitatie of uit kostenverhaalafspraken met private partijen heet de “publieke onrendabele top” (PORT). Ter illustratie van de omvang: Uitgaande van een PORT van gemiddeld €15.000 per woning vraagt dit in Arnhem om een publieke financiering van €12 miljoen per jaar over een periode van 20 jaar. Uitgaande van 50% cofinanciering door het Rijk gaat het dan om het reserveren van een bedrag van zo’n 6 miljoen per jaar door de gemeente. Door een bestemmingsreserve voor stadsontwikkeling te vormen kan deze PORT worden afgedekt. Daarmee kunnen projecten sneller worden uitgevoerd en wordt voorkomen dat projecten stilvallen in tijden van crisis of stijgende bouwkosten. Op voorhand is niet te zeggen waar deze middelen aan worden besteed. Dat is afhankelijk van gebiedsafhankelijke factoren, externe ontwikkelingen en keuzes die gemaakt worden in de planuitwerking per project. Het is aan de Raad om al dan niet in te stemmen met de planuitwerking en de eventueel daarbij voorgestelde dekking van de PORT. Vraag 3 Als het gaat om Jeugdzorg wordt genoemd dat er minder trajecten maar wel langere trajecten zijn.
De reden die gegeven wordt is dat kinderen langer in behandeling zijn en door corona. Welke invloed heeft het op de wachtlijst staan op het traject en in hoeverre heeft het terugbrengen van het aantal aanbieders hier invloed op? Antwoord: De zorgaanbieders en het Sociaal Wijkteam signaleren dat de problematiek de afgelopen periode zwaarder is geworden, waardoor kinderen langer in behandeling zijn en minder snel uitstromen. Corona heeft invloed gehad op de zwaarte van de problematiek. Als gevolg hiervan zijn de wachtlijsten de afgelopen periode toegenomen. Bij plaatsing op de wachtlijst wordt gekeken naar de ernst van de situatie; kinderen met ernstige problematiek komen bovenaan de wachtlijst. Bovendien heeft de zorgaanbieder een zorgplicht als kinderen op de wachtlijst staan. Dat betekent dat contact kan worden opgenomen met de zorgaanbieder voor ondersteuning als er gedurende de wachtlijstperiode iets gebeurt of de situatie verslechtert. Voor de wachtlijsten bestaan verschillende oorzaken: een tekort aan personeel voor de (jeugd) GGZ, wachtlijsten bij andere zorgaanbieders, de ernst van
de zorgvraag waardoor kinderen sneller in behandeling komen bij de GGZ en minder snel uitstromen uit zorg. De wachtlijsten worden niet veroorzaakt door het terugbrengen van het aantal aanbieders. Het aantal jeugdzorg aanbieders binnen de GGZ is namelijk niet teruggebracht. Wel is het aantal jeugdzorg aanbieders voor begeleiding teruggebracht, maar hiervoor is voldoende aanbod en bestaan geen (lange) wachtlijsten. Bovendien is bij de gecontracteerde aanbieders slechts een klein aantal specialistische aanbieders die een wachtlijst hebben, een groot aantal aanbieders heeft geen of slechts een beperkte wachtlijst. Met ingang van 1 februari 2022 is de zorg-accounthouder gestart om te bemiddelen in de zorgvraag van het kind om zo het snelst beschikbare, best passende zorgaanbod in te kunnen zetten. Het doel is om de wachtlijsten te beperken en te kijken bij welke aanbieder kinderen eerder kunnen starten met hun behandeling. De eerste effecten hiervan zijn positief.
Vraag 4 - Pagina 24: verbetering sociaal-economische situatie gezinnen „Om verschillende redenen heeft het project vertraging opgelopen.” Welke redenen zijn dat? Antwoord: Uit de evaluatie (door en met partijen zelf) is naar voren gekomen: • De regie op het project had te lijden omdat er bij W&I veel tijd en aandacht aan de uitvoering van de TOZO moest worden besteed; • Daarbij kwam ook gelijktijdig het vertrek van de teamleider/bestuurder van het Sociaal wijkteam; • Inhoudelijk waren er ook knelpunten omdat niet bij alle partijen de beschikbare voorzieningen voldoende in beeld waren. Vraag 5 - Pagina 35: meer Presikhavers zijn zelfredzaam in de NL taal Niet-uitkeringsgerechtigden kunnen gebruik maken van dit aanbod? Hoeveel zijn dat? Antwoord: Er zijn 6 taalgroepen en 24 deelnemers zonder uitkering. Vraag 6 - Pagina 36: Onderzoek……niet opgepakt? Wat is het verschil tussen geïnitieerd en opgepakt? Antwoord: Door het openen van de afvalcontainers is het bijplaatsen van restafval verminderd. Er is geen nader onderzoek verricht naar de reden waarom een aantal bewoners weigert met behulp van hun afvalpas de container te openen en afval in de container te gooien.
Vraag 7 - Pagina 137: Aanpak terugdringing dakloosheid: afbouw van capaciteit heeft nog niet kunnen plaatsvinden: Om hoeveel plekken gaat het nu en naar hoeveel moet het worden afgeschaald ? Antwoord: In 2021 waren er 86 reguliere plekken nachtopvang, waarbij de ambitie en het streven was om dit aantal te reduceren naar 46 plekken, begin 2022.
Deze afbouw van de capaciteit heeft nog niet kunnen plaatsvinden, omdat er onvoldoende woonplekken beschikbaar zijn, door krapte op de woningmarkt. Dit heeft als gevolg dat de maatschappelijke opvang niet kan worden afgebouwd. Immers niemand verblijft onvrijwillig op straat. Daarbij hebben de wooncrisis en de coronacrisis geleid tot een toename in de instroom van de Maatschappelijke opvang, hierdoor is er sprake van een tijdelijk uitbreiding van de opvang. Het aantal reguliere plekken is dan ook met 0 plekken gereduceerd.