Raadsvoorstel "Wijziging van de APV Hoofdstuk 1, en afdelingen openbare inrichtingen en nachtverblijven"
Tekst van het document
Onder cultureel uitgaanscentrum wordt in dit artikel verstaan een openbare inrichting geëxploiteerd door een instelling waarvan de kernactiviteiten in de culturele sfeer zijn gelegen en die de beschikking heeft over een concert-, dans- en/of theaterzaal. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.1.15, eerste lid, is het de exploitant van een openbare inrichting toegestaan éénmaal per kwartaal zijn openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben buiten de reguliere sluitingstijden en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het voornemen tot de langere openstelling moet tenminste één week van tevoren schriftelijk aan de burgemeester worden gemeld; b. voor de openbare inrichting dient een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet te zijn verleend; c. de openbare inrichting is niet gelegen in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 2.3.1.15, zesde lid. 3. De burgemeester kan besluiten de langere openstelling als bedoeld in het tweede lid te verbieden in het belang van de openbare orde en veiligheid of de aantasting van het woon- en leefklimaat. 4.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.1.15, eerste lid, is het de exploitant van een cultureel uitgaanscentrum toegestaan zijn openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben buiten de reguliere sluitingstijden en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
a. de langere openstelling wordt tenminste drie weken van tevoren schriftelijk gemeld bij de burgemeester; b. bij de melding wordt duidelijk omschreven welke activiteit het betreft; c. de onder b genoemde activiteit is een activiteit in de culturele sfeer en sector waar het cultureel uitgaanscentrum zich op richt. 5. De burgemeester kan besluiten de langere openstelling als bedoeld in het vierde lid te verbieden in het belang van de openbare orde en veiligheid of de aantasting van het woon- en leefklimaat. 6. Van een besluit als bedoeld in het vijfde lid wordt uiterlijk twee weken na ontvangst van de melding schriftelijk mededeling gedaan. Artikel 2.3.1.16 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen, tijdelijk andere sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b Opiumwet voorziet.
Artikel 2.3.1.17 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2.3.1.18 Ordeverstoring Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of zich te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn krachtens artikel 2.3.1.15 of op grond van een besluit krachtens 2.3.1.16; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 2.3.1.19 Toegang ambtenaren van politie 1. De exploitant en beheerder van een openbare inrichting zijn verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerde toegang hebben tot de inrichting: a. gedurende de tijd dat de openbare inrichting voor bezoekers geopend is, dan wel; b. gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2.3.1.20 Bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college met betrekking tot uitoefening van de in deze paragraaf toegekende bevoegdheden op als bevoegd bestuursorgaan." Toelichting
"Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf 1 Toezicht op openbare inrichtingen Op openbare inrichtingen zijn velerlei landelijke regels van toepassing. Vanaf 1 juli 2021 is de gewijzigde Drank- en horeca wet - nu Alcoholwet - inwerking getreden. Verder zijn er nog het Alcoholbesluit, de
Alcoholregeling, de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit milieubeheer op dergelijke inrichtingen van toepassing. Bij de herziening van de APV in 2021 is deze paragraaf voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de model APV van de VNG. Voor wat betreft de inrichtingseisen is het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet met inwerkingtreding van de Alcoholwet komen te vervallen en geldt het Bouwbesluit. Wel blijven de minimale oppervlakte eisen voor een openbare inrichting (35 m2) en slijtlokalilteiten (15 m2) bestaan. In de Alcoholwet is verder geregeld dat de slijtlokaliteit met andere bedrijfsactiviteiten door een verbindingsruimte gescheiden dient te zijn. Op grond van artikel 149 van de Gemeentewet zijn daarnaast autonome gemeentelijke regels vastgesteld ten aanzien van openbare inrichtingen, welke zijn samengebracht in Paragraaf 2.3.1. Deze paragraaf kent in de eerste plaats een vergunningstelsel voor de exploitatie van openbare inrichtingen. Door deze vergunningplicht kan de komst van een openbare inrichting preventief worden getoetst en desgewenst worden tegengehouden. Het belang van de openbare orde en van de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting – aspecten die behoren tot de ‘huishouding van de gemeente’ zoals bedoeld in artikel 124 van de Grondwet – zijn hiermee sterk gediend.
Ook een coffeeshop is een vergunningsplichtige openbare inrichting in de zin van paragraaf 2.3.1. De vergunning ziet overigens op de exploitatie als droge openbare inrichting; het verkopen van softdrugs – immers in strijd met de Opiumwet – wordt niet vergund, maar gedoogd. In het kader van het weedexperiment heeft een coffeeshop - naast een exploitatievergunning - een toestemmingsverklaring van de burgemeester nodig. De bijzondere verantwoordelijkheid van de beheerder voor de gang van zaken in de openbare inrichting komt expliciet tot uitdrukking in de aanwezigheidsplicht van artikel 2.3.1.11. Artikel 2.3.1.13 bevat een regeling voor terrasvergunningen. Het tweede lid bepaalt dat bij een afhaalcentrum geen terras is toegestaan; het plaatsen van een terras is niet te rijmen met het karakter van een afhaalcentrum als openbare inrichting waar bezoekers slechts een korte tijd verblijven en geen etenswaren ter plekke kunnen en mogen gebruiken. In het vierde lid, onder d, is bepaald dat een aantal in artikel 2.3.1.6 genoemde weigeringsgronden ter zake van de exploitatievergunning ook een zelfstandige weigeringsgrond voor een terrasvergunning vormt.
Zo zal een terrasvergunning voor een terras bij een bestaand café kunnen worden geweigerd, indien de aanwezigheid van het beoogde terras het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving van het café op ontoelaatbare wijze zou beïnvloeden (artikel 2.3.1.13, derde lid, aanhef en sub d, jo. artikel 2.3.1.6, aanhef en sub b). Tevens zijn er intrekkingsgronden toegevoegd, zodat terrasvergunningen niet alleen geweigerd, maar ook in bepaalde situaties kunnen worden ingetrokken. Een voorbeeld hiervan is de situatie waarbij de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven, zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Zowel artikel 2.3.1.14 als 2.3.1.16 geven de burgemeester de bevoegdheid een openbare inrichting te sluiten. Een sluiting op grond van artikel 2.3.1.16 is per definitie tijdelijk. Tevens kan een dergelijk besluit betrekking hebben op meerdere openbare inrichtingen. Een sluiting op grond van artikel 2.3.1.14 kan ook voor onbepaalde tijd geschieden en zal per definitie betrekking hebben op een specifieke openbare inrichting die structureel vergunningvoorwaarden overtreedt of zonder vergunning geëxploiteerd wordt.
Op grond van artikel 2.3.1.16 kan de burgemeester daarnaast voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingsuren vaststellen. Artikel 2.3.1.15 bevat een regeling van het sluitingsuur. De burgemeester kan hiervan ontheffing verlenen.
Artikel 2.3.1.17 Handel binnen openbare inrichtingen Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed wordt verhandeld. In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2.3.17 sluit aan op het in artikel 14 DHW neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen. Omdat artikel 2.3.1.17 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 van het WvSr. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 van de Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 van de Gemeentewet."
Artikel III:
Wijzigen van Hoofdstuk 2, Afdeling 3, paragraaf 1a van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem
Hoofdstuk 2, Afdeling 3, paragraaf 1a van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (APV) wordt als volgt gewijzigd en de bijbehorende toelichting wordt als volgt vastgesteld:
"Paragraaf 1a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Artikel 2.3.1a.1 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf - zwak- alcoholhoudende drank; dat wat wordt verstaan in de Alcoholwet. 2. Onder binnenstad wordt verstaan het gebied dat begrensd wordt door de Rijnkade, Roermondsplein, Nieuwe Plein, Willemsplein, Jansbinnensingel, Velperbuitensingel, Eusebiusbuitensingel en Ooststraat, alsmede de Steenstraat (tot het spoor), de Spijkerlaan en de Spijkerstraat (vanaf de Spijkerlaan), met inbegrip van het horecaconcentratiegebied zoals omschreven in artikel 2.3.1.15, zesde lid. Artikel 2.3.1a.2 Verbod tot het verstrekken van sterke drank in inrichtingen van een bepaalde aard 1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in inrichtingen van de volgende aard: a. waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten e.d. worden verkocht voor gebruik ter plaatse en elders dan ter plaatse; b. welke deel uitmaakt van een gebouw waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt gegeven; c.
welke deel uitmaakt van een gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of –instellingen; d. welke deel uitmaakt van een gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen;
e. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar middel van vervoer; f. die gelegen is op of nabij een kampeer- of caravanterrein; g. die in gebruik is als foyer van een bioscoop of een schouwburg. 2. De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank. Artikel 2.3.1a.3 Ontheffing De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van een op grond van artikel 2.3.1a.2, geldend verbod om in een inrichting sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken. Artikel 2.3.1a.4 Tijdelijke verboden tot het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse en/of elders dan ter plaatse 1. Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in een in de binnenstad gelegen inrichting bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken. 2. Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in de binnenstad bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse. 3.
Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in de binnenstad bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken Artikel 2.3.1a.5 Aanwijzing 1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.1.a.4, eerste of tweede lid, kan worden gegeven in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid 2. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.1a.4, derde lid, wordt eerst gegeven indien het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid dringend tot het geven van een dergelijke aanwijzing vordert. Artikel 2.3.1a.6 Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen kunnen onverminderd het bepaalde in het artikel 2.3.1.15 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één (1) uur voor de aanvang, tijdens en tot uiterlijk één (1) uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. 2. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 3. De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid geldende verbod.
Artikel 2.3.1a.7 Inperking prijsacties Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd."
Artikel IV: Wijzigen van Hoofdstuk 2, Afdeling 3, paragraaf 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem
Hoofdstuk 2, Afdeling 3, paragraaf 2van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (APV) wordt als volgt gewijzigd en de bijbehorende toelichting wordt als volgt vastgesteld:
" Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2.3.2.1 Definitie In deze paragraaf wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2.3.2.3 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken." Toelichting: "Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Afdeling 6.
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2.3.1 Definitie Inrichting Het begrip ’inrichting’ als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 van het WvSr, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen en dergelijke (tweede lid). Artikel 2.3.2.2. Kennisgeving exploitatie Artikel 2.3.2.2 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen. Artikel 2.3.2.3 Verschaffing gegevens nachtregister Op grond van artikel 438 van het WvSr is een ondernemer die een hotel of pension drijft, verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de APV komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het WvSr bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht (HR 10-04-1979, NJ 1979, 442). Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension.
De sinds 25 mei 2018 geldende AVG heeft, net als de daarvoor geldende Wbp, als uitgangspunt dat er niet meer wordt uitgevraagd dan nodig. Er worden alleen de gegevens uitgevraagd die artikel 438 van het WvSr noemt."
Artikel V:
Overige wijzigingen
1. De artikelen in de Algemene plaatselijke verordening, met uitzondering van hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 Afdeling 3, paragraven 1, 1a en 2 als volgt te wijzigen: a. daar waar in artikelen wordt verwezen naar "artikel 1.4", deze wordt vervangen door "artikel 1.3"; b. daar waar in artikelen wordt verwezen naar "artikel 1.5", deze wordt vervangen door "artikel 1.4"; c. daar waar in artikelen wordt verwezen naar "artikel 1.6", deze wordt vervangen door "artikel 1.5" 2. Artikel 2.5.5 en de bijbehorende toelichting komen te vervallen.
Artikel VI:
Inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt in werking op de dag nadat dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: "Wijziging van de APV Hoofdstuk 1, openbare inrichtingen en nachtverblijven"
De griffier,
De voorzitter,