Raadsvoorstel 'Wijziging hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Deel 1 - thuissekswerk en seksinrichtingen'
Tekst van het document
Op het moment dat de vergunning niet meer in overeenstemming is met de werkelijkheid moet de exploitant de wijzigingen terstond melden aan de burgemeester.
Afdeling 3 Uitoefenen seksbedrijf Paragraaf 1 Regels voor alle seksbedrijven Artikel 3.3.1.1 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang De algemene sluitingstijden van het eerste lid gelden niet voor seksinrichtingen waarvan bij vergunning is bepaald dat daarvoor afwijkende sluitingstijden gelden. Dergelijke afwijkende sluitingstijden kunnen bij het verlenen van de vergunning daaraan verbonden worden, maar ook lopende de vergunning, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Afwijkende sluitingstijden kunnen zowel ruimer als beperkender zijn. De sluitingstijden zijn echter niet van toepassing op sekswinkels; daarop is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing. Het tweede lid richt zich niet tot de exploitant en beheerder, maar tot de bezoekers van de seksinrichting. Het begrip ‘bezoeker’ heeft een ruimere betekenis dan het in de APV gehanteerde begrip ‘klant’. Een klant is een afnemer van seksuele diensten; onder bezoekers vallen echter bijvoorbeeld ook de aanwezigen in een seksinrichting die (vooralsnog) slechts iets drinken, of een vertoning komen bekijken. Hoewel niet iedere bezoeker per definitie een klant is, is iedere klant per definitie wel een bezoeker. Personen die bijvoorbeeld professionele reparatie- of schoonmaakwerkzaamheden uitvoeren, zullen – als zij zich daartoe beperken – uiteraard niet als ‘bezoeker’ aangemerkt worden.
Het derde lid richt zich tot de sekswerker en heeft als doel te voorkomen dat seksinrichtingen gebruikt worden om te overnachten. Verder mogen personen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt, niet worden toegelaten in seksinrichtingen (vierde lid). Artikel 3.3.1.2 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
RAADSVOORSTEL
Eerste lid: Ten opzichte van artikel 3.3.1.1 (bij of krachtens welke bepaling is voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het reguliere sluitingstijdenregime is) biedt dit artikel de mogelijkheid om daarvan tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat: voor (een of meer) inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3.3.1.1 gesteld, of; van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen. Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3.2.4, vierde lid, sub c, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk van de APV. Het bevoegde bestuursorgaan kan daartoe overgaan, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid genoemd in artikel 3.3.1.1, tweede lid, die individueel gericht is. Sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.
In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegde bestuursorgaan een expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21 van de Awb (die door dit artikel onverlet wordt gelaten). Met toepassing van bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b, opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk bepaalde. Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang. Om een opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen, verdient het aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel ook (preventief) bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat er een klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding daadwerkelijk zal plaatsvinden. De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit. Ook seksbedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats gebleken.
Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is niet in strijd met deze formeelwettelijke regelingen omdat daaraan een ander oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld spelen zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben ook een uitstraling op de openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist dat de hier bedoelde overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben. Tweede lid: Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich doorgaans tot een of meer belanghebbenden – de betrokken exploitant(en) – en moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb. Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3.3.1.1, tweede lid) is in het tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid
RAADSVOORSTEL
genomen besluit, behalve aan de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Met name het zichtbaar aanplakken van de geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient daarbij aanbeveling. Artikel 3.3.1.3 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder seksbedrijf Onder meer vanwege de kwetsbaarheid van sekswerkers is het gewenst dat de exploitant van een seksbedrijf gedurende de uren dat het seksbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend aanwezig is om effectief toezicht te kunnen garanderen op al hetgeen zich voordoet in de uitoefening van zijn bedrijf en – voor zover die er zijn – in de seksinrichtingen waarvoor hem mede vergunning is verleend. Aangezien een dergelijke eis, in ieder geval in gevallen dat er sprake is van meerdere seksinrichtingen, niet na te leven is voor één persoon, kan het ook om de beheerder gaan: deze heeft immers grotendeels dezelfde verantwoordelijkheden als de exploitant en kan daar op aangesproken worden. In het tweede lid zijn voorts enkele verdere zorgplichten van de exploitant geformuleerd, onder andere met betrekking tot de te voeren bedrijfsadministratie. Daarnaast, onder e, is opgenomen de verplichting om ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting onverwijld bij de politie te melden. Richtinggevend hierbij is de Aanwijzing mensenhandel van het OM (Stcrt.
2013, 16816) en https://www.wegwijzermensenhandel.nl/. Artikel 3.3.1.4 Adverteren De verplichting in advertenties het nummer te vermelden van de vergunning die aan een seksbedrijf is verleend, en geen andere nummers, vergemakkelijkt het toezicht. Voor niet-vergunde bedrijven is het niet mogelijk op deze manier te adverteren. Paragraaf 2 Regels voor alle seksbedrijven en sekswerkers Artikel 3.3.2.1 Bedrijfsplan Ter versterking van de sociale positie van de sekswerker is het van belang dat er in een seksinrichting maatregelen worden getroffen op het gebied van hygiëne en van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de sekswerkers. Daartoe moet bij het aanvragen van een vergunning de exploitant een bedrijfsplan overleggen, zodat vooraf kan worden beoordeeld of de exploitant voor deze punten voldoende oog heeft, en zorg draagt voor goede arbeidsomstandigheden. Deze verplichting geldt voor alle seksbedrijven, dus ook voor escortbedrijven. Uiteraard volgt uit de aard van de werkzaamheden dat een bedrijfsplan van een escortbureau – op bepaalde punten – een andere uitwerking vereist dan een bedrijfsplan van een seksbedrijf van een andere aard. In het tweede lid, aanhef en onder a, is opgenomen dat de exploitant maatregelen treft om ervoor te zorgen dat de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden.
Het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid heeft in september 2013 de Hygiënerichtlijn voor Seksbedrijven (voorheen Hygiënerichtlijnen voor Seksinrichtingen) gepubliceerd. Deze richtlijn is geschreven voor exploitanten en eigenaren van seksbedrijven en wordt uitgegeven door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De branche zelf, vertegenwoordigd door de Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven en de Vereniging Legale Escortbedrijven, heeft aan het opstellen en bijwerken van deze richtlijn bijgedragen. In de richtlijn zijn zogenaamde hygiënenormen, dit zijn de minimale eisen aan een goed hygiënebeleid, opgenomen. Een exploitant van een seksbedrijf zal om
RAADSVOORSTEL
te voldoen aan de maatstaven voor een goede hygiëne zich ten minste aan deze normen moeten houden. Belangrijk doel van goede hygiëne in seksbedrijven is het voorkomen van (seksueel overdraagbare) ziektes. Dat is zowel voor de sekswerkers als de klanten van belang. Een goede hygiëne zorgt echter ook voor een veilige en prettige werkomgeving. Van de exploitant mag worden verwacht dat hij in het bedrijfsplan daarnaast inzichtelijk maakt hoe hij verder zorgdraagt voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor sekswerkers. Dit is opgenomen in het tweede lid, aanhef en onder a en b. De veiligheid en gezondheid van een sekswerker wordt ook gediend met aparte garanties voor de kwaliteit van de werkomstandigheden in de werkruimten. Een sekswerker moet daar altijd gebruik kunnen maken van een alarm waarmee diegene hulp van derden kan inroepen als er wat misgaat. De luchtventilatie die in het kader van de algemene luchtkwaliteit en hygiëne afdoende is, brengt nog niet met zich mee dat de sekswerker niet in een te koude of te warme werkruimte diens diensten moet verrichten. In het tweede lid, aanhef en onder d, wordt zodoende geëist dat de exploitant aangeeft welke maatregelen hij hiervoor treft.
De normen die worden geformuleerd over het gebruik van condooms en de mogelijkheid om je als sekswerker te laten controleren op seksueel overdraagbare aandoeningen waarborgen de gezondheid en het zelfbeschikkingsrecht van de sekswerker. Deze normen zijn opgenomen in het tweede lid, aanhef en onder c en e. De sekswerker mag niet verplicht worden zich geneeskundig te laten onderzoeken en heeft recht op een vrije artsenkeuze (tweede lid, aanhef en onder f). Bovendien moet de exploitant sekswerkers in de gelegenheid stellen zich regelmatig te laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen. Het moet niet zo zijn dat een sekswerker vanwege de openingstijden van de seksinrichting waar die werkzaam is, geen tijd heeft om zich bijvoorbeeld voor een SOAonderzoek bij de GGD te melden. De exploitant dient er zorg voor te dragen dat onder de in het seksbedrijf werkzame sekswerkers voldoende informatie- en voorlichtingsmateriaal in verschillende talen, waaronder in ieder geval in het Nederlands en Engels, wordt verspreid over de aan sekswerk verbonden gezondheidsrisico’s en over de aanwezigheid en bereikbaarheid van instellingen op het gebied van de gezondheidszorg en hulpverlening. De exploitant is daarnaast verplicht informatie over mogelijke uitstapprogramma’s aan de voor hem werkzame sekswerkers te verstrekken.
Een belangrijk aspect van het zelfbeschikkingsrecht is dat gewaarborgd is dat de sekswerker vrij is te bepalen aan welke klanten seksuele diensten worden verleend en welke diensten de sekswerker al dan niet wil verlenen. Dit is ook bij de escort bijzonder van belang. Hoewel in een arbeidsrelatie geldt dat een werknemer opdrachten van de werkgever met betrekking tot de overeengekomen arbeid in beginsel moet opvolgen, dient het grondwettelijk gewaarborgde recht op lichamelijke integriteit daarboven altijd voorrang te krijgen. Een exploitant dient inzichtelijk te maken hoe in het bedrijf met dergelijke zaken wordt omgegaan (tweede lid, aanhef en onder h). Vanwege de aard van de dienstverlening en de branche dient de exploitant er in ieder geval zorg voor te dragen dat degene die als beheerder werkzaam is, kan omgaan met agressieve klanten (tweede lid, aanhef en onder j). Het doel van hoofdstuk 3 ‘Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.’ is onder meer onvrijwillig sekswerk te bestrijden. Als een sekswerker nauwelijks zelfredzaam is, geen Nederlands of Engels spreekt of bijvoorbeeld niet makkelijk geld kan wisselen, omdat diegene niet kan rekenen, is moeilijk voor te stellen dat diegene vrijwillig voor sekswerk heeft gekozen. De exploitant kan zich met eenvoudige middelen hiervan een beeld vormen.
In het bedrijfsplan moet worden vastgelegd welke vereisten de exploitant minimaal stelt aan de zelfredzaamheid van de in het bedrijf werkzame
RAADSVOORSTEL
sekswerkers en hoe dit wordt gecontroleerd (tweede lid, aanhef en onder k). In dat kader is het ook onderdeel van een deugdelijke bedrijfsvoering om als exploitant periodiek een gesprek te voeren en daarbij vooral te letten op signalen van uitbuiting of onvrijwilligheid. Sekswerkers moeten in dat kader ook steeds over hun rechten geïnformeerd worden. Het is aan de exploitant om ook informatie van hulpverlenende instanties beschikbaar te stellen (tweede lid, aanhef en onder m). Ook informatie over de mogelijkheden om met het werk als sekswerker te stoppen moet door de exploitant beschikbaar worden gesteld (tweede lid, aanhef en onder n). Het bedrijfsplan dient bij de aanvraag om een vergunning overgelegd te worden, zodat het op dat moment getoetst kan worden (derde lid). Als een exploitant nadien een wijziging wenst door te voeren in zijn bedrijfsplan, dan dient deze ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegde bestuursorgaan (vierde lid). Paragraaf 3 Overige bepalingen Artikel 3.3.3.1 Raamsekswerk Raamsekswerk is – evenals straatsekswerk – gezien de specifieke omstandigheden waaronder sekswerkers werkzaam zijn in deze sector bij uitstek een vorm van sekswerk die nadere regulering behoeft. Ten aanzien van raamsekswerk gelden daarom aanvullende eisen.
Het is de sekswerker verboden die handelingen te verrichten die gewoonlijk worden geassocieerd met raamsekswerk (eerste lid), tenzij de sekswerker werkzaam is in een seksinrichting die valt onder een raamsekswerkbedrijf waarvoor een vergunning is verleend (tweede lid). Voor het raamsekswerkbedrijf geldt verder dat er ook voldaan dient te worden aan de regels die gesteld zijn met betrekking tot seksbedrijven. Artikel 3.3.3.2 Straatsekswerk Dit artikel bevat regels inzake straatsekswerk. Voorheen verbood dit artikel straatsekswerk, tenzij het plaatsvond op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college hiertoe had aangewezen. Bij een wijziging van dit artikel in juli 2003 werd een vergunningenstelsel geïntroduceerd. Slechts sekswerkers die in het bezit zijn van een daartoe geldende vergunning wordt toegestaan op de wegen/gebieden zoals hierboven genoemd hun beroep uit te oefenen. Het eerste lid van dit artikel geeft een omschrijving van het begrip straatsekswerk. Het bevat een verbod op gedragingen waarmee iemand in het openbaar tot prostitutie kan worden bewogen, uitgenodigd dan wel aangelokt. Volgens de tekst van het eerste lid in combinatie met het tweede lid is straatsekswerk toegestaan op door het college aangewezen wegen en gebieden gedurende door het college vastgestelde tijden indien de sekswerker beschikt over een vergunning van het college.
De vergunningplicht heeft ten doel het straatsekswerk op de tippelzone nader te reguleren teneinde overlast op en rondom de zone te bestrijden en de veiligheid voor een ieder die zich op of rondom de zone bevindt te bevorderen. In het vijfde lid worden de belangen genoemd die de grondslag vormen voor de uitoefening van de bevoegdheden die het college ter zake toekomen. Enerzijds vormen zij de basis op grond waarvan een vergunning kan worden geweigerd, anderzijds moeten zij worden beschouwd als de grondslag waarop beleid kan worden geformuleerd ter regulering, maximering en beheersing van het fenomeen straatsekswerk. In het beleid zal in ieder geval worden vastgelegd dat bij de invoering van deze bepaling met voorrang vergunningen zullen worden verleend aan sekswerkers die op een vooraf vastgestelde peildatum bij politie en de hulpverleningsinstanties bekend zijn als zijnde structureel
RAADSVOORSTEL
werkzaam op de tippelzone. Genoemde belangen kunnen tevens een grondslag vormen om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te verbinden. Artikel 3.3.3.3 Handhaving straatsekswerk Het eerste lid heeft betrekking op straatsekswerk buiten de daartoe aangewezen gebieden en tijden en geeft – ter handhaving van het verbod daarop – politieambtenaren en toezichthouders de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven. Het tweede tot en met vierde lid hebben betrekking op straatsekswerk binnen de daartoe aangewezen gebieden en tijden. Op grond van het tweede lid kan, bijvoorbeeld in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking van overlast ter plaatse, door politieambtenaren en toezichthouders een bevel tot onmiddellijke verwijdering worden gegeven aan straatsekswerkers, maar ook aan andere aldaar aanwezige personen. Als dit mondelinge bevel tot verwijdering geen soelaas blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke gebiedsontzegging van het derde lid worden gegrepen. Een gebiedsontzegging behelst een bevel om zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester niet te bevinden op de aangewezen wegen. Het vierde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om, wanneer hij dat noodzakelijk acht in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, het bevel te beperken.
Hierbij zal rekening gehouden worden met (de noodzaak) zich in het aangewezen gebied te bevinden in een middel van openbaar vervoer, het aldaar werkzaam en/of woonachtig zijn, een (ander) aantoonbaar redelijk belang om zich aldaar op te houden, staatkundige en religieuze vrijheid en familieleven. Artikel 172a, achtste en negende lid, van de Gemeentewet, voorzien in tijdelijke ontheffing op aanvraag of wijziging van het bevel ten gunste van de betrokkene als nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Overtreding van bevel tot onmiddellijke verwijdering of een gebiedsontzegging is een overtreding van een ambtelijk bevel (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht). Gevolg is dat de overtreder kan worden geconfronteerd met een gevangenisstraf tot drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 3.3.3.4 Sekswinkels De omschrijving van het begrip ‘sekswinkel’ is ontleend aan artikel 1 van de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen van erotischpornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt. Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing.
Een sekswinkel is geen ‘seksbedrijf’ als hierboven omschreven; de exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3.2.1, eerste lid. Indien het echter een sekswinkel betreft waar ook seksuele handelingen worden verricht, dient er een vergunning voor een seksbedrijf, ingevolge het bepaalde in deze paragraaf te worden aangevraagd. Artikel 3.3.3.5 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Dit voorschrift schept een verbod dat slechts in effect kracht heeft ten aanzien van nader door de burgemeester te bepalen rechthebbenden en voor zover de burgemeester aan die rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. Het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
RAADSVOORSTEL
afbeeldingen, voor zover die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet valt niet binnen de reikwijdte van het verbod. Hoewel denkbaar is dat dit voorschrift in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig; het kan dus ook gaan om erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de voorstellingen. Artikel 3.3.3.6 Beëindiging exploitatie Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd en/of heeft overgedragen aan een rechtsopvolger. In het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegde bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet worden kennisgegeven.
Artikel 3.3.3.7 Wijziging beheer Het bevoegde bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning. Denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de exploitant zelf. Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de betrokken beheerder(s) wenst te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegde bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 3.2.4 vierde lid, aanhef en onder e, de nieuwe beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.” II. Overgangsbepaling voor bestaande exploitanten 1.
Ten aanzien van een exploitant aan wie vóór inwerkingtreding van deze wijziging van de verordening reeds een vergunning was verleend, geldt dat na deze datum nog eenmalig een vergunning voor de duur van […] jaar wordt verleend. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als: a) de aanvraag niet voldoet aan de vóór de datum van inwerkingtreding van deze bepaling geldende eisen voor een vergunning en/of; b) sprake is van (één van de) vóór de datum van inwerkingtreding van deze bepaling geldende weigeringsgronden.” Ten aanzien van een exploitant aan wie voor inwerkingtreding van deze bepaling reeds een vergunning was verleend, geldt dat na deze datum nog eenmalig – mits de aanvraag voldoet aan de eisen voor een vergunning en zich geen weigeringsgronden voordoen die voor de datum van inwerkingtreding van deze bepaling golden – een vergunning voor de duur van acht jaar zal worden verleend.
RAADSVOORSTEL
III. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking op de dag na datum bekendmaking. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: “Wijziging hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem: Deel 1 - thuissekswerk en seksinrichtingen”.
De griffier,
De voorzitter,