Raadsvoorstel 'Wijzigen verordeningen in verband met Omgevingswet'
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad Zaaknummer
Onderwerp:
3961198
Wijzigen verordeningen in verband met Omgevingswet
Kernboodschap Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het nodig om verwijzingen naar regelgeving die per 1 januari 2024 vervalt te wijzigen in twee verordeningen en om één verordening in te trekken. Voorstel 1. Vast te stellen de verordening tot wijziging van de APV; 2. Vast te stellen de verordening tot wijziging van de Erfgoedverordening; 3. In te trekken de Verordening Bodembescherming. Inleiding Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt 26 verschillende wetten uit het fysieke domein naar één wet en moderniseert de regelgeving. Door inwerkingtreding van de Omgevingswet zal een aantal wetten en besluiten vervallen en worden opgenomen in de Omgevingswet (denk aan: de Wet algemene bepalingen omgevingswet, de Wet ruimtelijke ordening, delen van de Wet milieubeheer, het Bouwbesluit). In een aantal verordeningen van de gemeente is verwezen naar deze vervallende wetten en besluiten. Het is van belang de verwijzingen te actualiseren naar de bepalingen in de Omgevingswet. Daarnaast kan één verordening (Verordening Bodembescherming) ingetrokken worden omdat op andere wijze wordt voorzien in die regelgeving. Beoogd effect Beschikken over actuele gemeentelijke regelgeving zodat huidig beleid kan worden gecontinueerd. onder de Omgevingswet.
Argumenten 1.1 Verordeningen moeten worden aangepast omdat er verwijzingen in zijn opgenomen naar wetten en besluiten die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer bestaan.
De Wet milieubeheer wordt grotendeels overgeheveld naar de Omgevingswet. Er blijft echter nog een deel bestaan. Daarom is het mogelijk dat de Wet milieubeheer op sommige plaatsen in de APV nog wel wordt genoemd. In andere gevallen wordt de Omgevingswet genoemd. De gemeentelijke bouwverordening vervalt van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bouwverordening heeft namelijk als grondslag artikel 8 Woningwet, welk artikel komt te vervallen (artikel 2.55 Invoeringswet Omgevingswet). De Bouwverordening gemeente Arnhem 2003 behelst op dit moment alleen nog regels over bodemverontreiniging en stedenbouwkundige bepalingen. De regels over bodemverontreiniging worden via het Aanvullingsbesluit bodem als instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen. De stedenbouwkundige voorschriften worden vanaf inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 al in het bestemmingsplan geregeld. De Bouwverordening zal om die reden per 1-1-2024 op overheid.nl worden beëindigd. 1.2 De wijzigingen zijn louter technisch van aard. De wijzigingen betreffen aanpassingen van terminologie en verwijzingen. De verordeningen worden niet inhoudelijk gewijzigd 3.1 Het voortbestaan van de Verordening Bodembescherming heeft geen noodzaak Het stelsel van bodembescherming zal er door de Omgevingswet op een heel andere manier uitzien.
Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet worden de regels voor bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de huidige regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. De Verordening Bodembescherming, die is gebaseerd op de Wet bodembescherming en op het oude stelsel, verliest noodzaak en kan dan ook ingetrokken worden. Kanttekeningen en risico's 1.1
Als verwijzingen in gemeentelijke regelgeving niet overeenkomen met de juiste wet- en regelgeving, kan onduidelijkheid ontstaan over te nemen beschikkingen op grond van deze verordeningen. De VNG heeft gemeenten het dringende advies gegeven regelgeving aan te passen. Het voorkomen van onduidelijkheden is een aanbevelenswaardige actie. De invoering van een nieuwe wet zorgt op zichzelf al voor veel onduidelijkheden; juiste gemeentelijke regelgeving is dan ook wenselijk. De nu voorliggende wijzigingsvoorstellen zien op verordeningen waarin een vergunningsstelsel is opgenomen. De verordeningen zijn dan ook basis voor besluiten waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Om juridisch risico uit te sluiten, worden grondslagen en verwijzingen nu, voorafgaande aan inwerkingtreding van de Omgevingswet, in
deze verordeningen aangepast. Direct ná inwerkingtreding van de Omgevingswet zal overige gemeentelijke regelgeving (waaronder ook beleid) tegen het licht worden gehouden om te bepalen of actualisatie nodig is. Er wordt geen enkel risico verwacht om dit op korte termijn na 1 januari 2024 te doen. Voor de Verordening doelgroepen woningbouw Arnhem is in de Invoeringswet Omgevingswet specifiek overgangsrecht opgenomen; de verordening kan in deze vorm tot 2032 in stand blijven. Participatie Voor dit onderwerp is participatie niet aan de orde. Financiën Dit raadsvoorstel heeft geen financiële gevolgen. Uitvoering Na vaststelling van de wijzigingsverordeningen en de besluiten tot intrekking van verordeningen zullen de besluiten worden gepubliceerd in het digitale gemeenteblad om in werking te kunnen treden. In de wettenbank zullen de wijzigingen worden doorgevoerd zodat er een geconsolideerde versie ontstaat. De Bouwverordening zal worden beëindigd op 1-1-2024 in de lokale wettenbank. Communicatie Door bekendmaking op overheid.nl Bijlagen Stukken voor gemeenteraad − Concept wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem; − Concept wijzigingsverordening Erfgoedverordening 2017; − Concept besluit intrekking Verordening Bodembescherming; − Bijlages bij de wijzigingsverordeningen: was-wordt tabellen.
Besluit van Zaaknummer
3961198
DE RAAD VAN DE GEMEENTE ARNHEM; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 november 2023, nummer: 3961198; overwegende dat: - de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking treedt; - in de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem verwijzingen naar bepalingen in wetten zijn opgenomen die vanaf 1 januari 2024 niet meer (geheel) bestaan; - er noodzaak bestaat om de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem te actualiseren; gelet op de artikel 149 van de Gemeentewet, de Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet, besluit: 1.
vast te stellen verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem - Omgevingswet; I. Wijzigingen in de artikelen A. In artikel 1.1 wordt In de alfabetische rangschikking ingevoegd: beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; B. In artikel 1.1. komen de definities van ‘bevoegd gezag’, ‘bouwwerk’ en ‘gebouw’ te luiden: bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; C. Artikel 1.2, vierde lid, komt te luiden: 4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. D. Aan artikel 1.3 wordt een nieuw (derde) lid toegevoegd, dat luidt als volgt: 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
E. Vóór de bestaande tekst van artikel 1.4 wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst. Toegevoegd wordt een nieuw (tweede)) lid, dat luidt als volgt: 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. F. Vóór de bestaande tekst van artikel 1.5 wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst. Toegevoegd wordt een nieuw (tweede) lid, dat luidt als volgt: 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. G. Artikel 2.1.5.1, vijfde lid vervalt. H. Artikel 2.1.5.1, zesde lid komt als volgt te luiden: 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening, op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 5.7.2, van een terras als bedoeld in artikel 2.3.1.13 of een standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3. I.
In artikel 2.1.5.2, tweede lid, onder a wordt ‘een bestemmingsplan, beheersverordening’ vervangen door ‘het omgevingsplan’.
J.
Artikel 2.1.5.2, vijfde lid komt als volgt te luiden: 5. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschap verordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
K. In artikel 2.1.5.3, vierde lid wordt ‘geldende bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’. L. Artikel 2.1.5.3, vijfde lid komt als volgt te luiden: 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. M. Artikel 2.1.6.2, tweede lid komt als volgt te luiden: 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. N. Artikel 2.1.6.9, derde lid komt als volgt te luiden: 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk
10 van de Omgevingswet. O. In artikel 2.1.6.12, derde lid wordt ‘het Provinciaal Waterreglement Gelderland’ vervangen door ‘de provinciale omgevingsverordening’. P. In artikel 2.3.1.6, onder a wordt ‘een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan’ vervangen door ‘het omgevingsplan’. Q. In artikel 2.3.1.13, zesde lid wordt ‘Omgevingsverordening Gelderland’ vervangen door ‘provinciale omgevingsverordening’. R. In artikel 2.3.1.15, achtste lid worden de woorden ‘het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt’ vervangen door ‘bij of krachtens de Omgevingswet zijn gesteld’ S. Artikel 2.3.1.15, veertiende lid wordt ‘Wet milieubeheer’ vervangen door ‘Omgevingswet’. T. In artikel 2.3.3.1, derde lid, onder b wordt ‘een geldend bestemmingsplan’ vervangen door ‘het omgevingsplan’. U. In artikel 2.3.5.3, tweede lid, onder g wordt ‘een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening’ vervangen door ‘het omgevingsplan’ en wordt na ‘Wet milieubeheer’ ingevoegd: ‘,zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’. V.
In artikel 2.3.5.5, onder j wordt ‘een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening’ vervangen door ‘het omgevingsplan’ en wordt na ‘Wet milieubeheer’ ingevoegd: ‘,zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’. W. Artikel 2.4.9, derde lid komt als volgt te luiden: 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. X. In artikel 2.4.23, eerste en tweede lid wordt achter ‘Wet Milieubeheer’ ingevoegd: ‘zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet,’ Y. Artikel 2.6.1, onder a komt als volgt te luiden: a. vuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik; Z. In artikel 3.2.3, vierde lid wordt ‘Wet Milieubeheer’ vervangen door ‘Omgevingswet’.
AA. In artikel 3.3.2, eerste lid, onder b worden de woorden ‘een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening’ vervangen door ‘het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan;’. BB. In artikel 3.3.2, eerste lid, onder c vervalt de zinsnede ‘in de zin van de Bouwverordening’ en wordt ‘de Brandbeveiligingsverordening’ vervangen door ‘het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen’. CC. In artikel 3.3.2, eerste lid, onder c worden de woorden ‘in de zin van de Bouwverordening ‘ vervangen door ‘als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet’ en ‘Brandbeveiligingsverordening’ door ‘Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen;’. DD. Aan artikel 4.1.1, onder 1 wordt na ‘Activiteitenbesluit milieubeheer’ ingevoegd: ‘, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;’ EE. In artikel 4.1.5, eerste lid wordt na ‘Wet Milieubeheer’ ingevoegd: ‘, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’. FF. Artikel 4.1.5, tweede lid onder b komt als volgt te luiden: ‘op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.’ GG.
Aan artikel 4.2.2.2, eerste lid, onder b wordt na ‘Wet milieubeheer’ ingevoegd ‘, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’. HH.
Aan artikel 4.2.4.5 wordt na ‘Wet milieubeheer’ ingevoegd ‘, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’.
II. Artikel 4.5.1, onder h vervalt. JJ. In artikel 4.5.3, vierde lid, onder d wordt ‘een geldend bestemmingsplan’ vervangen door ’het omgevingsplan’. KK. In artikel 4.6.2, derde lid, onder c wordt ‘Natuurbeschermingswet’ vervangen door ‘Omgevingswet’. LL. In artikel 4.6.5, derde lid wordt na ‘Wet Milieubeheer’ ingevoegd: ‘, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet,’ MM. Aan artikel 4.7.1, eerste lid, aanhef, wordt na ‘Wet milieubeheer,’ ingevoegd: ‘zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet,’. NN. Artikel 4.7.1, vierde lid komt als volgt te luiden: ‘Het in dit artikel bepaalde ziet niet op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het Besluit activiteiten leefomgeving of de provinciale omgevingsverordening.’ OO. In artikel 4.7.2, derde lid wordt ‘Monumentenwet, de Provinciale landschapsverordening, de gemeentelijke monumentenverordening’ vervangen door ‘Omgevingswet, de gemeentelijke Erfgoedverordening’. PP. Aan artikel 4.8.1, onder g wordt na ‘Wet milieubeheer,’ ingevoegd: ‘,zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’. QQ. 2.
Artikel 5.1.4, tweede lid komt als volgt te luiden: Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of het Besluit activiteiten leefomgeving. .
RR. Artikel 5.1.5, derde lid komt als volgt te luiden: 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. SS. In artikel 5.1.9, tweede lid wordt na ‘Wet milieubeheer’ ingevoegd ‘of het Besluit activiteiten leefomgeving’. TT. Artikel 5.2.3, vijfde lid komt als volgt te luiden: 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Omgevingswet, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale omgevingsverordening van toepassing is. UU. In artikel 5.2.3, zesde lid, onder f wordt ‘een geldend bestemmingsplan’ vervangen door ‘het omgevingsplan’. VV. In artikel 5.2.3, zevende lid wordt ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ vervangen door ‘Omgevingswet’. WW. 4.
Artikel 5.3.2, vierde lid komt als volgt te luiden: Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet of het Binnenvaartpolitiereglement.‘
XX. In artikel 5.3.4, tweede lid wordt na ‘Wetboek van Strafrecht’ toegevoegd: ‘of de provinciale omgevingsverordening.’
YY. Artikel 5.3.6, tweede lid komt als volgt te luiden: 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. ZZ. Artikel 5.3a.3, derde lid komt als volgt te luiden: 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of het Binnenvaartpolitiereglement. AAA. 4.
Artikel 5.4.1, vierde lid komt als volgt te luiden: Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
BBB. In artikel 5.4.2, vierde lid onder c wordt 'Verordening stiltegebieden’ vervangen door ‘omgevingsverordening’. CCC. In artikel 5.5.1, eerste lid en zesde lid onder a wordt na de woorden ‘Wet Milieubeheer’ ingevoegd: ‘, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet,’. DDD. In artikel 5.5.1, zesde lid, onder b wordt ‘Omgevingsverordening Gelderland’ vervangen door ‘provinciale omgevingsverordening’. EEE. b.
Artikel 5.8.1, eerste lid, onder b komt als volgt te luiden: kampeermiddel: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig dat bestemd is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
FFF.
In artikel 5.8.1, tweede lid vervalt ‘in de zin van de Woningwet’.
GGG.
In artikel 5.8.3 wordt ‘bij bestemmingsplan’ vervangen door ‘in het omgevingsplan’
II.
Wijzigingen in de toelichting
A. In de toelichting bij artikel 1.1 komt de alinea onder “Bevoegd gezag”, als volgt te luiden: Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de omschrijving van dit begrip aangepast. Een aantal vergunningplichten en ontheffingsplichten in deze verordening waarop voorheen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing was, vallen nu onder de Omgevingswet. In de artikelen 22.8 Omgevingswet en 2.1a van het Omgevingsbesluit staat het overgangsrecht opgenomen. Zolang deze bepalingen nog niet zijn opgenomen in het omgevingsplan, wordt de bepaling van het voorheen geldende artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voortgezet. Een vergunning die gebaseerd is op die bepaling wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow (omgevingsplanactiviteit). B. In de toelichting bij artikel 1.1 komt de alinea onder ‘Bouwwerk’ als volgt te luiden: In de APV wordt nu verwezen naar de begripsbepaling zoals opgenomen in de bijlage onder A, bij de Omgevingswet.
Daar staat vermeld dat een bouwwerk een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal is, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart. C. In de toelichting bij artikel 1.1 komt de alinea onder “Gebouw” als volgt te luiden: Per 1 januari 2024 is de definitie van het begrip gebouw opgenomen in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarin wordt het begrip als volgt omschreven: een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. D. In de toelichting bij artikel 1.4 vervalt de alinea “Een zuiver ….. weigeringsgrond zijn”. E.
In de tweede zin van de toelichting bij artikel 2.1.5.1 wordt “Wet milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement en de Omgevingsverordening Gelderland” vervangen door “Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening, de waterschapsverordening, en situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 5.7.2, van een terras als bedoeld in artikel 2.3.1.13 of een standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3. F. In de eerste zin van de derde alinea van de toelichting bij artikel 2.1.5.1 wordt ‘Woningwet’ vervangen door ‘Omgevingswet’. G. In de toelichting bij artikel 2.1.5.3 wordt ‘een geldend bestemmingsplan’ vervangen door ‘het omgevingsplan’. In de tweede zin wordt ‘bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’.
H. In de toelichting bij artikel 2.1.6.2 wordt “Wet milieubeheer’ vervangen door ‘Omgevingswet’ en wordt ‘milieuvergunning’ vervangen door ‘omgevingsvergunning’. I.
In de eerste alinea van de toelichting bij artikel 2.1.6.11 wordt ‘bestemmingsplannen’ vervangen door ‘omgevingsplan’. In de eerste zin van de slotalinea wordt ‘een bestemmingsplan’ vervangen door ‘een omgevingsplan’. In de eerste zin van de tweede alinea wordt ‘Belemmeringenwet privaatrecht’ vervangen door ‘Omgevingswet” en in de tweede zin van de tweede alinea wordt ‘Belemmeringenwet’ vervangen door ‘Omgevingswet’. In de slotzin van de derde alinea wordt ‘bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’.
J.
In de eerste alinea van de toelichting bij Hoofdstuk 2, afdeling 3, paragraaf 1 wordt “Wet milieubeheer vervangen door “Omgevingswet” en vervalt ‘en het Activiteitenbesluit’.
K. De toelichting onder artikel 2.6.1 komt als volgt te luiden: In artikel 5.43 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet staat dat het Vuurwerkbesluit gewijzigd. De definitie van consumentenvuurwerk vervalt. Daar waar consumentenvuurwerk staat wordt dit in het Vuurwerkbesluit vervangen door ‘vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik’. L. In de toelichting bij artikel 3.2.3, vierde lid wordt de ‘Wet Milieubeheer’ zes maal vervangen door ‘Omgevingswet’ en vervalt de zinsnede ‘of vallen onder het Besluit horeca-, sport- en recreatie inrichtingen milieubeheer (Stb. 1998, 322)’. M. In de toelichting bij artikel 3.3.2, eerste lid, onder b, wordt drie keer het woord ‘bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’. N. In de toelichting bij artikel 3.3.2, eerste lid, onder c, worden de woorden ‘Woningwet zijn het Bouwbesluit en de Bouwverordening’ vervangen door ‘Omgevingswet is het besluit bouwwerken leefomgeving’ en worden de woorden ‘eisen stellen’ vervangen door ‘eisen stelt’. O. In de toelichting bij artikel 4.1.5 worden twee keer de woorden ‘Wet milieubeheer’ vervangen door ‘Omgevingswet’ en vervalt ‘Wet geluidhinder’. P. In de toelichting bij artikel 4.2.4.1 wordt ‘Wet bodembescherming of het Bouwstoffenbesluit’ vervangen door ‘Omgevingswet’.
Q. In artikel 4.2.4.1, tweede lid, onder d wordt ‘Wet bodembescherming’ vervangen door ‘Omgevingswet’. R. De toelichting bij artikel 4.5.1, onder h vervalt. S. De toelichting bij artikel 4.5.4 komt als volgt te luiden: ‘Aanvragers kunnen slechts zijn: eigenaren van of zakelijk gerechtigden tot een houtopstand. Zakelijk gerechtigden zijn in beginsel degenen die een notariële akte kunnen overleggen
inzake een recht van erfpacht, pacht, opstal, erfdienstbaarheid, vruchtgebruik of pootrecht betreffende de houtopstand. Huurders hebben een persoonlijk en geen zakelijk recht. Zij moeten dus de schriftelijke toestemming voor kapaanvraag van de verhuurder, die eigenaar van de houtopstand is, overleggen. De eigenaar van een houtopstand kan bij (huur)overeenkomst of bij machtiging zijn huurders het recht tot omgevingsvergunningaanvraag verlenen. Na ontbinding van de huurovereenkomst is de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand die altijd zaaksgebonden is, nog van toepassing op het project. Voorschriften van de omgevingsvergunning dienen dan door de eigenaar van het perceel nagekomen te worden. De indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning zijn in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling opgenomen: Artikel 7.3 (algemene aanvraagvereisten) Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f.
als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. als wordt gevraagd een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden over regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 van de wet: een beschrijving van het onderwerp van dat voorschrift; en h. als wordt gevraagd om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Artikel 22.284 van de Bruidsschat bevat een aantal specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid (zie Staatsblad 2020, nr. 400, p. 941). Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, lid 1 Awb (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de algemene aanvraagvereisten in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling. Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b.
de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit. 2. Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Buiten deze verplichte indieningsvereisten zijn in artikel 4.5.4 van deze verordening aanvullende indieningsvereisten gesteld. De indieningsvereisten tezamen maken dat alle informatie aanwezig is om een goede inschatting te maken ten aanzien van de omgevingsvergunningverlening. T. In de toelichting bij artikel 4.5.8 wordt ‘(art. 2.25 Wabo)’ vervangen door ‘(artikel 5.37, eerste lid Omgevingswet’), ‘een maand’ door ‘vier weken’ en na het woord ‘gedeeld’ wordt toegevoegd: ‘(artikel 5.37, tweede lid Omgevingswet)’. De passage vanaf ‘Dit onder vermelding van’ tot ‘persoon’ vervalt. U. In de toelichting bij artikel 4.7.1a vervallen de twee eerste zinnen. De derde zin komt als volgt te luiden: ‘In het Besluit gebruik meststoffen zijn regels gesteld in het belang van de bescherming van de bodem.’ V. De toelichting bij artikel 4.7.2 onder ‘4. Toetsingscriteria’ komt als volgt te luiden: ‘In het vierde lid van artikel 4.7.2 worden drie toetsingscriteria genoemd: welstand, verkeersveiligheid en voorkoming of beperking van overlast voor omwonenden.
Indien een reclameconstructie is aan te merken als 'bouwwerk', is voor het plaatsen ervan een omgevingsvergunning vereist. Het welstandsbelang wordt dan meegewogen bij de beslissing inzake de verlening van de omgevingsvergunning. Een reclameconstructie kan ook aangebracht worden op een bestaand gebouw zonder dat daarvoor een afzonderlijke omgevingsvergunning nodig is. Tegen ontsierende reclameconstructies aan gebouwen kan het college vervolgens optreden via bestuursdwang ex artikel 125 van de Gemeentewet. Hinder of gevaarsaspecten welke verbonden zijn aan reclameconstructies aan gebouwen worden geregeld krachtens artikel 4.7.2 APV. Voor het aanbrengen van reclame op een beschermd monument is omgevingsvergunning nodig. In de provinciale omgevingsverordening is voor het aanbrengen van opschriften langs wegen een omgevingsvergunning vereist. In het derde lid is daarom de werkingssfeer van artikel 4.7.2 ten opzichte van deze 'hogere' regelingen afgebakend. Indien een van deze hogere regelingen van toepassing is, is in zoverre het in artikel 4.7.2 gestelde verbod niet van toepassing. De door die regelingen beschermde belangen mogen dan niet worden meegewogen bij de beslissing inzake het al dan niet verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 4.7.2. Het plaatsen van reclameconstructies op de weg heeft reeds regeling gevonden in artikel 5.1.6 van deze verordening.’ W.
In de toelichting bij artikel 5.1.5, eerste lid, onder a, wordt ‘bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’.
X. In de toelichting bij artikel 5.2.3 wordt vier keer het woord ‘bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’ en wordt ‘Wet op de Ruimtelijke Ordening’ vervangen door ‘Omgevingswet’. Y. In de toelichting onder artikel 5.3a. 1 wordt ‘bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’. Z. In de toelichting bij artikel 5.3a.4 wordt ‘Woningwet’ vervangen door ‘Omgevingswet’. AA. In de eerste en tweede alinea van de toelichting bij artikel 5.4.1 wordt ‘Wet milieubeheer’ vervangen door ‘Omgevingswet’ en in de derde alinea worden twee keer de woorden ‘categorie 19.1 onder g, van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer’ vervangen door ‘het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren’. BB. In de toelichting bij Afdeling 8, van hoofdstuk 5, wordt ‘bestemmingsplannen’ vervangen door ‘omgevingsplan’ en wordt ‘bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’. CC. In de toelichting bij artikel 6.2 wordt ‘Woningwet’ vervangen door ‘Omgevingswet’.
III.
Slotbepaling 1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2024. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem - Omgevingswet
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van ..december 2023,
De griffier,
De voorzitter,
Besluit van Zaaknummer
3961198
DE RAAD VAN DE GEMEENTE ARNHEM; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 november 2023, nummer 3961198; Gelet op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1998; besluit: 2.
vast te stellen de Verordening tot wijziging van de Erfgoedverordening gemeente Arnhem 2017 -Omgevingswet;
I.
Wijzigingen in de artikelen
A. In artikel 1 wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: − gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid; − gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid; B. In artikel 1 komen de begripsbepalingen ‘gemeentelijk monument’, ‘minister’, ‘omgevingsvergunning’, en ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’ te luiden: − gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; − minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; −
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
−
gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18;
C. Artikel 2, eerste lid wordt komt als volgt te luiden: 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister) inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2 eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld.
D. Tussen artikel 2 en 3 wordt een titel vóór de volgende paragraaf ingevoegd: ‘§ 2. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling’
E. De daarop volgende paragrafen worden doorgenummerd. F. In de titel van artikel 3 wordt ‘beschermde gemeentelijke cultuurgoederen’ vervangen door gemeentelijk beschermd cultuurgoed’ en ‘beschermde gemeentelijke verzamelingen’ door ‘gemeentelijke beschermde verzameling’. G. In artikel 3, eerste lid en vierde lid wordt ‘beschermde gemeentelijke cultuurgoed’ vervangen door ‘gemeentelijk beschermd cultuurgoed’. H. In artikel 3, tweede lid en vierde lid wordt ‘beschermde gemeentelijke verzameling’ vervangen door ‘gemeentelijke beschermde verzameling’. I.
Aan artikel 3, vijfde lid, onder a wordt vóór ‘beschermde cultuurgoederen’ ingevoegd: ‘door de minister’.
J.
Aan artikel 3 wordt een zesde lid toegevoegd dat als volgt komt te luiden: 6.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
K. In de titel van artikel 4 wordt ‘beschermde gemeentelijke cultuurgoederen’ vervangen door gemeentelijk beschermd cultuurgoed’ en ‘beschermde gemeentelijke verzamelingen’ door ‘gemeentelijke beschermde verzameling’. L. In artikel 4, eerste lid wordt vóór cultuurgoed ‘gemeentelijk beschermd’ ingevoegd en wordt vóór verzameling ‘gemeentelijke beschermde’ ingevoegd. M. Aan artikel 4, tweede lid, onder a wordt vóór ‘beschermde cultuurgoed’ ingevoegd: ‘door de minister’. N. Artikel 4, derde lid komt als volgt te luiden: 3.
Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
O. In artikel 5, tweede lid, onder b wordt na ‘Erfgoedwet’ ingevoegd: ‘of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet’. P. In artikel 6, eerste lid wordt na ‘artikel 5,’ ingevoegd: ‘, eerste lid,’.
Q. In artikel 7, eerste lid wordt na ‘artikel 6,’ ingevoegd: ‘, eerste lid,’. R. In artikel 7, tweede lid vervalt de zin na ‘erfgoedregister.’. S. Artikel 8, eerste lid komt als volgt te luiden: 1.
Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening Adviescommissie op de Omgevingskwaliteit Arnhem.
T. Artikel 8, tweede lid komt als volgt te luiden: 2.
De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van monumentenzorg bij het advies.
U. Artikel 10, tweede lid komt als volgt te luiden: 2.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
V. In artikel 11, eerste lid vervalt: ‘ambtshalve’. W. In artikel 11, tweede lid wordt ‘paragraaf 2’ vervangen door ‘paragraaf 3’. X. In artikel 11, derde lid wordt na ‘Erfgoedwet’ ingevoegd: ‘of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 Omgevingswet’. Y. Artikel 13, tweede lid, onder b komt als volgt te luiden: b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. Z. Artikel 14, artikel 15 en artikel 17 vervallen. De opvolgende artikelen worden doorgenummerd. AA. In artikel 14 (na doornummering), tweede lid wordt na ‘kerkelijk monument’ ingevoegd: ‘als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet’. BB. In artikel 15 (na doornummering) wordt in de titel ‘beschermd gemeentelijk’ vervangen door ‘gemeentelijk beschermd’ en ‘stads- en dorpsgezichten’ wordt vervangen door ‘stads- of dorpsgezichten’. CC. In artikel 15 (na doornummering), eerste lid wordt ‘stads- en dorpsgezicht’ vervangen door ‘stads- of dorpsgezicht’ en wordt ‘beschermde gemeentelijke’ vervangen door ‘gemeentelijk beschermd’.
DD. Artikel 15 (na doornummering), vijfde lid komt als volgt te luiden: 5.
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan vast als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld .
EE. Artikel 15 (na doornummering), zesde lid komt als volgt te luiden: 6.
Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.
FF. Artikel 15 (na doornummering), zevende lid vervalt en de opvolgende leden worden doorgenummerd. GG. Artikel 15, zevende lid (na doornummering) komt als volgt te luiden: 7.
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
HH. In artikel 16 (na doornummering) wordt in de titel ‘beschermd gemeentelijk’ vervangen door ‘gemeentelijk beschermd’ en ‘stads- en dorpsgezichten’ wordt vervangen door ‘stads- of dorpsgezichten’. II. In artikel 16 (na doornummering), eerste lid wordt ‘stads- en dorpsgezichten’ vervangen door ‘stads- of dorpsgezichten’. JJ. Artikel 16 (na doornummering), tweede lid komt als volgt te luiden: 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet 3. Artikel 16 (na doornummering), derde lid komt als volgt te luiden: 3.
Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
4. In artikel 17 (na doornummering) wordt in de titel ‘vergunning’ vervangen door ‘omgevingsvergunning’.
5. In artikel 17 (na doornummering), eerste lid wordt ‘beschermd gemeentelijk’ vervangen door ‘gemeentelijk beschermd’ en vervalt de zinsnede ‘als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,’
6.
In artikel 17 (na doornummering), vierde lid wordt na ‘Woningwet’ ingevoegd: ‘of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving’.
7. In artikel 19 (na doornummering), eerste lid wordt ‘bestemmingsplan’ vervangen door ‘omgevingsplan’ en ‘artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening’ wordt vervangen door ‘artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving’. 8.
In artikel 19 (na doornummering), eerste lid en onder a wordt na ‘omgevingsrecht’ ingevoegd: ‘of artikel 5.1,eerste lid, onder a, van de Omgevingswet’.
9. In artikel 19 (na doornummering), eerste lid, onder b, aanhef wordt na ‘archeologisch monument’ ingevoegd: ‘, waarde’. 10. In artikel 23 (na doornummering), derde lid wordt ‘om vergunningen’ vervangen door ‘en bezwaren’. II.
Wijziging van de toelichting De gehele toelichting wordt vervangen door de volgende toelichting: ALGEMEEN Inleiding Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de invoering van de Omgevingswet (hierna: Ow) stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke Erfgoedverordening in vergelijking met de verordening vóór 1 juli 2016 zowel breder – het betreft nu monumenten én cultuurgoederen – als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de aanwijzing of bescherming van stads- en dorpsgezichten of archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Ow, het omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot een vereenvoudigde Erfgoedverordening. De erfgoedverordening is vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Ow.
De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Ow door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de
Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Ow. Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988. In de Ow wordt materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijk monumentencommissies, de aanwijzing van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gaan over naar de Ow. Reikwijdte Deze verordening ziet in beginsel niet meer toe op archeologie. Archeologische waarden moesten ook voor de Ow worden geborgd via het ruimtelijke spoor (lees: de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht.
Omdat er binnen de gemeente nog bestemmingsplannen zijn waarin de bescherming van archeologische monumenten niet is opgenomen die na de inwerkingtreding van de Ow deel uitmaken van het (tijdelijk) omgevingsplan, is in het overgangsrecht afzonderlijk in een vangnetbepaling voorzien (artikel 19). Wettelijke grondslag De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988. Na inwerkingtreding van de Ow zal in de Erfgoedwet (artikel 3.16, vierde lid) zijn opgenomen dat deze verordening geen regels bevat over de fysieke leefomgeving als bedoeld in artikel 2.4 van de Ow. Dit geldt met een geplande overgangstermijn tot en met 2029. ARTIKELSGEWIJS Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 1. Definities De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen.
Artikel 1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen “gemeentelijk beschermd cultuurgoed”, “gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht”, “gemeentelijk beschermde verzameling”, “gemeentelijk monument”, “minister”, “omgevingsvergunning” en "gemeentelijke adviescommissie" waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven.
Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk (beschermd) aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten, cultuurgoederen of verzamelingen. Gelet op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) dienen gemeenten uiterlijk op 1 januari 2021 hun publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken geregistreerd te hebben in de Basisregistratie kadaster publiekrechtelijke beperkingen (hierna: BRK-PB). Dit geldt ook voor gemeentelijke monumenten plus gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten. Beperkingen kunnen niet alleen meer op kadastrale percelen worden geregistreerd, maar ook op basis van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)-objecten (bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT)-objecten (bijvoorbeeld een brug) en vrije contouren (bijvoorbeeld een verontreinigingscontour). Na de inwerkingtreding van de Ow is het de bedoeling dat bestaande ruimtelijke beperkingen te zien zijn in het Digitaal Stelsel Omgevingswet – Landelijke Voorziening (DSO-LV), mogelijk per tranche. Dit geldt ook voor nog aan te wijzen nieuwe beperkingenbesluiten met name op basis van het omgevingsplan.
Levering aan de openbare registers en bijhouding in de BRKPB komt voor deze besluiten dan te vervallen. De beperkingen die vóór de inwerkingtreding Ow in de BRK-PB zijn opgenomen, komen tot en met 2029 te vervallen wanneer ze worden vervangen door nieuwe beperkingenbesluiten op basis van de Ow. Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijke beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet.
De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling.
De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen. Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren. Artikelen 4.
Wijziging, intrekken en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m. verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking door de minister op een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling. Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument.
De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument. Bij het aanwijzingsbesluit moeten de rechtstreekse belangen (waaronder het gebruik van het monument) ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen.
Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Voor belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. Artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ziet hierop toe. Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Ook zij moeten in de gelegenheid gesteld worden hun zienswijze in te brengen of bij aanwijzing bezwaar aan te tekenen. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb).
Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Ow en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 7. Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden.
De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeide uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Ow blijft gelden voor rijksmonumenten). De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Ow via de definities ‘voorbeschermd rijksmonument’ en ‘rijksmonumentenactiviteit’ en de
vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningplichtig en betreft gelet op de definitie ook voorbeschermde rijksmonumenten. In de definitie van ‘voorbeschermd rijksmonument’ staat wat er onder wordt verstaan. Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Ow. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de Arnhemse praktijk wordt de monumentencommisie, tot inwerkingtreding van de OW, gecombineerd met het team Welstand en Monumenten.
Onder de Ow zal op basis van artikel 17.9 een gemeentelijke adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Het gaat (onder de Ow) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. De Ow maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk. De gemeentelijke adviescommissie is geregeld in de Verordening op de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Arnhem. Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit De genoemde termijnen zijn termijnen van orde. Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid ook na het verstrijken alsnog tot aanwijzing te besluiten. Een belanghebbende kan, wanneer burgemeester en wethouders na het verstrijken van de (verlengde) termijn nog steeds geen beslissing heeft genomen, een bezwaarschrift indienen tegen het uitblijven van een beslissing: er is dan sprake van een fictieve weigering op grond van de Awb. Artikel 10.
Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook de toelichting bij artikel 6, eerste lid.
Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wkpb. Artikel 11. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale omgevingsverordening. Ook vervalt de aanwijzing als gemeentelijk monument zodra het door instorting of brand teniet is gegaan. Artikel 12. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Het verbod op beschadigingen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten wordt onder de Ow geregeld in artikel 13.12 van Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Artikel 13.
Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het overgangsrecht tot en met 2029 inhoudelijk zoveel mogelijk gelijk gebleven. Wel is een bepaling conform artikel 3.11 van het Bal onder andere handelend over rijksmonumentenactiviteiten bij begraafplaatsen en grafmonumenten toegevoegd. Ter beperking van de administratieve lasten voor de initiatiefnemer zijn in lid 2 de activiteiten benoemd waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist. Voor een nadere beschrijving van dit type werkzaamheden wordt verwezen naar de laatste versie van de door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uitgegeven brochure "Vergunningvrij - informatie voor professionals". Deze voor rijksmonumenten bedoelde informatie is van overeenkomstige toepassing op gemeentelijke monumenten. Op basis van deze informatie kan in eerste aanleg beoordeeld worden of er wel of geen sprake is van vergunningplicht. Artikel 14. Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo.
Dit geldt ook deels voor artikel 16.58 van de Ow, maar er is geen gebruik gemaakt van het eerste lid van dit artikel waarin wordt gesproken
over “overleg” en niet over “overeenstemming” omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft. Artikel 15. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan burgemeester en wethouders om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het omgevingsplan moeten worden beschermd. Het is mogelijk dat het tijdelijke omgevingsplan, onderdelen van het bestemmingsplan of de beheersverordening, als beschermend worden aangemerkt. Dit is vergelijkbaar met de tot inwerkingtreding van de Ow nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988 voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Daarna is het aanwijzen van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht gelden dan de artikelen 5.1 en 5.22 van de Ow en van gemeentelijke monumenten artikel 13 van deze verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van nieuwe stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Ow regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Voor bestaande rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten geldt artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet.