CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 'Participatieverordening gemeente Arnhem'

Politieke Avond 25 februari 2026, gemeente ArnhemBij agendapunt: Vaststellen: Participatieverordening gemeente Arnhem5.353 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAADSVOORSTEL

Aan de gemeenteraad Zaaknummer

4694132

Onderwerp:

Participatieverordening gemeente Arnhem

Kernboodschap Sinds 1 januari 2025 geldt de Wet versterking participatie op decentraal niveau. Deze wet verplicht alle gemeenten om uiterlijk op 1 januari 2027 hun inspraakverordening te vervangen door een participatieverordening. Door nu een participatieverordening op te stellen, voldoen we als gemeente Arnhem aan deze verplichting. In de verordening leggen we vast hoe wij inwoners betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Zo zorgen we dat inwoners voorafgaand aan nieuwe projecten beter geïnformeerd zijn. De wet verankert ook het zogenoemde uitdaagrecht. Ook dit hebben we daarom verwerkt in de participatieverordening. Voorstel 1. De Participatieverordening gemeente Arnhem vast te stellen als vervanging van de huidige Inspraakverordening gemeente Arnhem 2006. Inleiding In Arnhem zijn inwoners betrokken bij de plannen en initiatieven voor onze stad. Dat is niet nieuw: we zijn dagelijks bezig met participatie, we hebben een rijke geschiedenis met wijkgericht werken en organiseren burgerberaden. Het gemeentebestuur wil continu in verbinding staan met Arnhemmers. De laatste jaren hebben we daar alleen maar meer op ingezet. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het vaststellen van de handreiking Betrek de buurt bij uw bouwplan in 2021. Deze handreiking helpt externe initiatiefnemers met bouwplannen om hun participatie vorm te geven.

Het blijkt ook uit het Arnhems Stappenplan Participatie. Dit is het beleidskader dat we sinds 2022 gebruiken om onze eigen participatietrajecten op te zetten. Bovendien zetten we op basis van dit beleid niet alleen vaker in op het betrekken van inwoners, maar betrekken we hen ook op een zo hoog mogelijk passend participatieniveau. De Wet versterking participatie op decentraal niveau zal onze inzet verder versterken. Deze wet geldt sinds 1 januari 2025 en is bedoeld om de betrokkenheid van inwoners bij lokaal beleid te vergroten. De wet legt onze inzet daarmee ook wettelijk vast. Als onderdeel van deze wet zijn alle gemeenten verplicht om uiterlijk op 1 januari 2027 een participatieverordening vast te stellen. De participatieverordening vervangt de bestaande inspraakverordening. De Arnhemse inspraakverordening is vastgesteld in 2006. Deze geeft duidelijkheid hoe inwoners hun mening kunnen geven over beleid voordat de gemeente dit vaststelt via inspraak. De participatieverordening is omvangrijker. Daarin legt de gemeente niet alleen vast

RAADSVOORSTEL hoe zij inwoners wil betrekken bij de voorbereiding van beleid, maar ook bij de uitvoering en evaluatie ervan. We gebruiken de inwerkingtreding van de wet dan ook om de Arnhemse inspraakverordening, die we al sinds 2006 hebben, uit te breiden tot onze eigen participatieverordening. Argument 2.1 geeft hier meer toelichting op. Dit biedt voorafgaand aan projecten meer duidelijkheid over de manier waarop participatie wordt vormgegeven. Daarom is ook de verhouding tussen deze verordening en participatie binnen de kaders van de Omgevingswet in de verordening opgenomen. Hier leest u meer over bij argument 1.3. Zo versterken we onze betrouwbaarheid als samenwerkingspartner. We hebben bovendien bewust gekozen voor een participatieverordening die bij onze organisatie past, in plaats van de modelverordening van de VNG. Op basis van onze ervaring met participatie, beleidsdocumenten zoals de handreiking Betrek de buurt bij uw bouwplan, het Arnhems Stappenplan Participatie en de Koersnota Van Wijken Weten, en een uitgebreid participatietraject hebben we een Arnhemse participatieverordening opgesteld die herkenbaar is voor onze stad. De Arnhemse identiteit van deze verordening is terug te zien op verschillende plekken.

Ten eerste is dit terug te zien in extra toegevoegde elementen zoals een inleidende tekst die onze visie op participatie bevat en hoofdstuk 5 waarin we specifiek vastleggen hoe we willen monitoren en evalueren. Ten tweede is het terug te zien in de invulling van specifieke hoofdstukken en artikelen. Bij argument 1.2 leest u hier meer over. In de participatieverordening gaan we specifiek in op inwonerparticipatie en overheidsparticipatie. •

Hoofdstuk 2 van de participatieverordening gaat in op inwonerparticipatie. Dit is participatie waarbij wij als gemeente het initiatief nemen om inwoners te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid. De artikelen in hoofdstuk 2 beschrijven de reikwijdte van deze participatie, hoe het proces eruitziet en wat we doen met de uitkomsten van onze participatietrajecten. Zo leggen we bijvoorbeeld vast welke onderdelen onze participatieplannen moeten bevatten, hoe we de uitkomsten van een participatietraject betrekken in onze besluitvorming en dat we na afloop van een participatietraject altijd een terugkoppeling delen.

•

Overheidsparticipatie wordt behandeld in hoofdstuk 3 van de verordening. Dat is het proces waarbij inwoners de gemeente betrekken. In dit hoofdstuk leggen we ook vast hoe we omgaan met het uitdaagrecht, als specifieke vorm van overheidsparticipatie. Met het uitdaagrecht kunnen inwoners hun overheid uitdagen om de uitvoering van bepaalde taken over te nemen, zoals het beheer of onderhoud van groen in de buurt of een buurthuis. We hebben hierin bijvoorbeeld ook vastgelegd aan welke voorwaarden aanvragen tot overheidsparticipatie moeten voldoen, zoals de vereiste onderdelen van een aanvraag. Ook is vastgelegd hoe we als gemeente met deze aanvragen omgaan, bijvoorbeeld wanneer we reageren en welke overwegingen we meenemen.

Om deze participatieverordening echt Arnhems te maken is zowel intern als extern een breed participatietraject doorlopen. In dit proces werden we ondersteund door het bureau Necker. Over dit proces en hoe de uitkomsten terugkomen in de participatieverordening is meer te lezen in de paragraaf participatie. Op basis van de input uit het genoemde participatieproces, relevante beleidskaders (zoals de Koersnota Van Wijken Weten, de Handreiking Betrek de buurt bij uw bouwplan en het Arnhems Stappenplan Participatie) en interne werksessies, is de Participatieverordening gemeente Arnhem opgesteld. Wij leggen de Participatieverordening gemeente Arnhem nu ter vaststelling aan de raad voor.

RAADSVOORSTEL Beoogd effect Duidelijke spelregels voor inwonerparticipatie en overheidsparticipatie (inclusief het uitdaagrecht) bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Argumenten 1.1

De gemeente Arnhem voldoet hiermee aan wettelijke vereisten. Door de participatieverordening nu vast te stellen, voldoet de gemeente Arnhem tijdig aan de vereisten van de Wet versterking participatie op decentraal niveau, die gemeenten verplicht om vóór 1 januari 2027 een participatieverordening vast te stellen. Daarmee vervult de gemeente Arnhem bovendien een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten in de regio.

1.2

De participatieverordening sluit aan bij de Arnhemse praktijk. In plaats van de modelverordening van de VNG over te nemen, kiest de gemeente Arnhem voor een verordening die past bij de lokale situatie. Dit is ten eerste zichtbaar in de elementen die we zelf toevoegden. Bijvoorbeeld een inleidende tekst die onze visie op participatie bevat. Daarin lichten we toe dat we het vooral belangrijk vinden om inwoners te betrekken als een plan hen direct raakt in hun leefwereld. Ook maken we in de inleiding bijvoorbeeld duidelijk dat we vinden dat participatie net zo laagdrempelig en toegankelijk moet zijn als de rest van onze dienstverlening, zodat iedereen betrokken kan zijn. Ook inwoners die bijvoorbeeld de Nederlandse taal niet zo goed machtig zijn of die minder goed ter been zijn. Ook voegden we zelf hoofdstuk 5 toe. Daarin leggen we specifiek vast hoe we losse participatietrajecten en de verordening evalueren en monitoren. Zo zorgen we dat we ons ook in de komende jaren blijven ontwikkelen. Daarnaast is het Arnhemse van deze participatieverordening terug te zien in de keuzes die we maakten voor de invulling van specifieke hoofdstukken en artikelen. Zo bevat artikel 2 onze eigen doelstellingen, en zijn onder andere artikelen 4 en 5 geschreven op basis van ons eigen beleid en de vragenlijst die inwoners invulden.

Zo is in artikel 4 de beslisboom uit ons beleidskader terug te zien, en sluit de wijze van terugkoppeling beschreven in artikel 5 aan bij de behoefte van inwoners. Ten slotte hebben we het uitdaagrecht zo opgenomen dat het aansluit bij onze praktijk, bestuurlijke visie en behoefte van inwoners. Want hoewel het nieuw is dat we het uitdaagrecht formeel vastleggen, nemen inwoners op basis van beleid zoals de Koersnota Van Wijken Weten en de groene buurtinitiatieven ook nu al taken van de gemeente over. De invulling van onze participatieverordening is daarmee gebaseerd op de bestaande praktijk, relevante beleidsstukken, het gesprek dat het college en de raad op 12 april 2025 aan de hand van de gespreksnotitie ‘Voorbereiding participatieverordening’ voerden en de uitkomsten van de inwonersconsultatie waarin 1.668 Arnhemmers meedachten. Over deze aanpak leest u meer in de inleiding en de paragraaf over participatie.

1.3

Het verschaft duidelijkheid over de spelregels van participatie. Zoals vastgelegd in onze dienstverleningsvisie is duidelijkheid een van onze belangrijkste waarden. De participatieverordening biedt heldere spelregels voor zowel de gemeente als

RAADSVOORSTEL inwoners. Door deze spelregels vast te leggen, wordt het voor alle betrokkenen duidelijk hoe participatie wordt vormgegeven en welke rol iedere partij speelt bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Daarmee werken we aan het vertrouwen van inwoners in het proces, weet iedereen wat zij van de gemeente kunnen verwachten en welke mogelijkheden er zijn voor invloed op beleidsbeslissingen. In dat kader zijn we ook duidelijk over hoe de participatieverordening zich verhoudt tot participatie binnen de kaders van de omgevingswet: 1. Bij instrumenten onder de Omgevingswet die de gemeente zelf opstelt (zoals de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en het Omgevingsplan) past de gemeente zoveel mogelijk deze participatieverordening toe. 2. Bij omgevingsvergunningen ligt de verantwoordelijkheid voor participatie bij de initiatiefnemer. De gemeente stelt hiervoor een handreiking (zie handreiking Betrek de buurt bij uw bouwplan) beschikbaar om dit proces te ondersteunen. De initiatiefnemer is niet gebonden aan de participatieverordening. Dit is juridisch verankerd in hoofdstuk 4, artikel 12 van de verordening en nader toegelicht in de bijbehorende toelichting. 1.4

Hiermee wordt de relatie tussen gemeente en inwoners door continue samenwerking versterkt. De participatieverordening biedt een basis voor actieve en continue samenwerking tussen de gemeente en haar inwoners. De verordening legt vast hoe, wanneer en op welke manier inwoners kunnen deelnemen, hetgeen uiteindelijk de betrokkenheid van zowel inwoners bij de gemeente als de gemeente bij haar inwoners vergroot. Dit versterkt de onderlinge samenwerking en zorgt ervoor dat inwoners zich meer gehoord en betrokken voelen bij beleidsbeslissingen. Dit is bovendien niet eenmalig: de participatieverordening creëert ruimte voor een langdurige, dynamische relatie waarin de gemeente en bewoners samen werken aan beleidsvorming.

2.1

De inspraakverordening is overbodig na vaststelling van de participatieverordening. De huidige inspraakverordening uit 2006 legt al regels vast voor de betrokkenheid van inwoners bij beleidsvorming. Deze geeft duidelijkheid hoe de gemeente omgaat met de participatievorm inspraak. Deze participatievorm houdt in dat inwoners hun mening kunnen geven over beleid dat de gemeente al heeft voorbereid, maar nog moet vaststellen. De participatieverordening is omvangrijker. Daarin legt de gemeente niet alleen vast hoe zij inwoners wil betrekken bij de voorbereiding van beleid dat al is voorbereid, maar ook bij het voorbereiden van het beleid zelf én bij de uitvoering en evaluatie van beleid. Ook legt de participatieverordening vast hoe de gemeente wil omgaan met alle vormen van participatie (inclusief inspraak), terwijl de inspraakverordening alleen ingaat op die vorm. Daarmee biedt de participatieverordening duidelijkheid voor alle vormen van participatie en alle momenten waarop dit kan plaatsvinden. De nieuwe verordening vervangt daarmee de inspraakverordening. Door de inspraakverordening in te trekken zorgt de gemeente voor duidelijkheid en voorkomt zij dubbele regelgeving. Dit maakt regelgeving eenvoudiger en meer consistent.

RAADSVOORSTEL

Kanttekeningen en risico's 1.1

Participatie vraagt maatwerk. De verordening biedt houvast, maar elk participatietraject vraagt om een afgewogen keuze voor het juiste niveau van participatie, de doelgroep en de bijpassende aanpak. Er is geen standaardroute: ambtenaren, bestuurders, raadsleden én inwoners moeten per traject keuzes maken en motiveren. Dit vraagt tijd, samenwerking en bewustwording. Om dit te ondersteunen, vergroten we de bekendheid van de verordening en lichten we toe wat deze in de praktijk betekent voor verschillende doelgroepen. Daarnaast stellen we handreikingen op. Die helpen de organisatie bij de uitvoering én geven inwoners praktische hulpmiddelen bij overheidsparticipatie of het uitdaagrecht.

1.2

Binnen de organisatie is blijvende aandacht voor participatievaardigheden noodzakelijk. De verordening stelt kaders, maar succesvolle uitvoering hangt af van vaardigheden van de medewerkers van onze gemeentelijke organisatie. Denk aan luisteren, samenvatten, omgaan met weerstand en inclusieve communicatie. Daarvoor stelt de gemeente nu al trainingen beschikbaar, maar het vraagt ook om structurele aandacht in de vorm van terugkerende trainingen, intervisie en ondersteuning bij participatievraagstukken. Daarom gaan we onze medewerkers doorlopend trainingen aanbieden en nemen we de mogelijkheid tot deze training standaard op in de onboarding van nieuwe medewerkers en kompasgesprekken van medewerkers die al langer in dienst zijn.

1.3

Het uitdaagrecht kan leiden tot discussie. De introductie van het uitdaagrecht, waarmee inwoners het recht krijgen om taken van de gemeente over te nemen, kan leiden tot discussie over de uitvoering en de haalbaarheid van dergelijke verzoeken. Daarom zijn in de participatieverordening heldere richtlijnen opgenomen over welke taken in aanmerking komen voor het uitdaagrecht en welke informatie de mogelijke uitdager moet aanleveren. Zo zorgen we dat verwachtingen realistisch blijven en voorkomen we onnodige conflicten.

1.4

Overgang naar de nieuwe verordening vraagt aandacht. Het intrekken van de inspraakverordening betekent dat medewerkers en inwoners voortaan werken met de participatieverordening. Dit vraagt om duidelijke communicatie over wat verandert en wat gelijk blijft. In de verordening is daarom opgenomen dat deze niet van toepassing is op participatietrajecten waarvan de startdatum vóór de inwerkingtreding ligt (zie de laatste pagina van de verordening). Deze uitzonderingsbepaling voorkomt dat al lopende participatieprocessen onnodig moeten worden aangepast.

Participatie Bij het opstellen van de participatieverordening is zowel interne als externe participatie georganiseerd. Bij het organiseren en uitvoeren van dit proces kregen we ondersteuning van het bureau Necker. De betrokken doelgroepen zijn inwoners, de raad en medewerkers van de gemeente. Hieronder leest u over deze aanpak en enkele voorbeelden van waar u de impact van de participatie terugziet in de participatieverordening.

RAADSVOORSTEL •

Met behulp van ons bestaande beleid (waaronder het Arnhems Stappenplan Participatie en de Koersnota van Wijken Weten) en gesprekken met de portefeuillehouder, griffier, burgemeester en projectgroep stelden we samen met Necker een vragenlijst op. Onderzoeksbureau Citisens, de zusteronderneming van Necker, voerde vervolgens een inwonersconsultatie uit. Arnhemmers konden de vragenlijst digitaal invullen vanaf 7 maart tot en met 2 april 2025. Inwoners die niet digitaal vaardig zijn of die dit liever wilden, konden een papieren versie van de vragenlijst aanvragen. Arnhemmers zijn over de vragenlijst geïnformeerd via een combinatie van schriftelijke, digitale en fysieke kanalen waaronder sociale media, de Arnhemse Koerier, veldwerkers en via partners uit de wijken. In totaal hebben 1.668 inwoners de vragenlijst ingevuld. De uitkomsten zijn gedeeld met geïnteresseerde inwoners via e-mail. De consultatie liet zien dat inwoners vooral betrokken willen worden bij vraagstukken die direct invloed hebben op hun leefomgeving, en dat zij daarbij verschillende voorkeuren hebben voor de manier van betrokkenheid. Deze uitgangspunten hebben wij daarom helder opgenomen in onze inleidende tekst en artikel 4 van de participatieverordening.

•

Aan de hand van de uitkomsten van de inwonersconsultatie voerden we op 12 april 2025 een gesprek met de raad over de raadsvisie op participatie. Onder begeleiding van Necker werden de resultaten van de inwonersconsultatie doorgenomen. Raadsleden gingen in op stellingen over participatie en gaven hun voorkeuren voor keuzes in de participatieverordening aan. De zienswijzen uit dit gesprek zijn gebruikt voor de formulering van de inleiding, de doelstellingen (artikel 2) en de randvoorwaarden voor participatie in hoofdstuk 2 en 3. Ook vormde dit gesprek een belangrijke bron bij het opstellen van de artikelen rondom het uitdaagrecht (zie de artikelen 9, 10 en 11).

•

Op basis van ons huidige beleid, de uitkomsten van de inwonersconsultatie, het gesprek met de raad en de wettelijke vereisten hebben we vervolgens de participatieverordening opgesteld. Om te beoordelen of deze aansluit bij onze werkpraktijk, hebben we de conceptverordening doorgenomen met vertegenwoordigers van de afdelingen die ermee gaan werken. Op basis daarvan is de verordening aangescherpt. Dit had bijvoorbeeld invloed op de hoofdstukken rondom monitoring en evaluatie en op de onderdelen die een participatieplan voor inwonerparticipatie moeten bevatten. Ook had het invloed op de tekst in de inleiding. Zo hebben we daar bijvoorbeeld toegevoegd dat we vinden dat participatie net zo laagdrempelig en toegankelijk moet zijn als de rest van onze dienstverlening, zodat iedereen betrokken kan zijn. Op die manier willen we zoveel mogelijk aansluiten bij de bestaande praktijk.

•

Op 2 juli is de raadswerkgroep Burgerparticipatie geïnformeerd over de stand van zaken. Dit betrof een informatieve sessie.

•

Tot slot informeren wij de inwoners die aangaven deze informatie te willen ontvangen over de behandeling van de verordening in de raad.

Financiën De kosten voor het voorbereiden van de participatieverordening (€ 34.180) zijn gedekt vanuit de bestemmingsreserve burgerparticipatie, zoals aangegeven in de begroting 2025. Daarnaast is in 2025 rekening gehouden met kosten voor het opmaken van een publieksversie van de

RAADSVOORSTEL participatieverordening (€ 2.750). Voor 2026 zijn er kosten voorzien voor de implementatie van de verordening. Deze worden ingeschat op maximaal € 10.000 en de bestaande bestemmingsreserve burgerparticipatie biedt hiervoor dekking. Uitvoering De participatieverordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking hiervan. Op datzelfde moment wordt de inspraakverordening ingetrokken. Zo voorkomen we overlap of verwarring tussen de geldende verordeningen. De vastgestelde verordening wordt gepubliceerd op overheid.nl. Vervolgens stellen we een publieksversie op, waarin de nadruk ligt op begrijpelijkheid en leesgemak. Deze schrijven we daarom op B1-taalniveau, met korte zinnen en begrijpelijke woorden. Zo krijgen inwoners gemakkelijk toegang tot de belangrijkste onderdelen van de verordening. We versterken dit met visuele elementen om de informatie nog toegankelijker te maken. Het doel is om transparantie te bevorderen en ervoor te zorgen dat inwoners weten hoe zij betrokken kunnen zijn bij de gemeente. Dit willen we nog in 2025 realiseren. In 2026 gaan we aan de slag met het uitwerken van de participatieverordening. We werken aan de bekendheid van de verordening door bij verschillende doelgroepen toe te lichten wat de verordening in de praktijk voor hen betekent.

Daarnaast stellen we handreikingen op die de gemeentelijke organisatie ondersteunen bij de uitvoering en inwoners helpen bij het gebruik van overheidsparticipatie of het uitdaagrecht. Om dit proces goed te coördineren, stellen we een centraal aanspreekpunt in waar inwoners of medewerkers terecht kunnen met vragen. Zo zorgen we ervoor dat iedereen de spelregels voor participatie begrijpt. Ten slotte zullen we, zoals beschreven in artikel 13, lid 3, de participatieverordening in de eerste drie jaar na vaststelling evalueren. Daarna zal deze evaluatie om de twee jaar plaatsvinden. Het college maakt hiervan een verslag en deelt dit met de raad Communicatie De vastgestelde verordening wordt gepubliceerd op overheid.nl. Daarnaast stellen we deze participatieverordening beschikbaar via de website van de gemeente. De publieksversie zal daar ook worden geplaatst zodra deze beschikbaar is. Specifieke doelgroepen worden gericht geïnformeerd over (de betekenis van) de participatieverordening: -

Inwoners die tijdens het invullen van de inwonersconsultatie aangaven dit te willen, informeren we per mail over de participatieverordening.

-

Bij ons bekende maatschappelijke organisaties (zoals wijkplatforms, buurtverenigingen en stichtingen) informeren we via mail en bieden we de mogelijkheid tot een aanvullend gesprek.

Ten slotte wijzen we actief op de mogelijkheid om verdere toelichting te krijgen in een gesprek met de bestuursadviseurs burgerparticipatie.

RAADSVOORSTEL

Bijlagen Stukken voor gemeenteraad  Participatieverordening gemeente Arnhem

Besluit van Zaaknummer

4694132

DE RAAD VAN DE GEMEENTE ARNHEM; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2025; gelet op artikel 149 en 150 van de Gemeentewet; besluit: De Participatieverordening gemeente Arnhem vast te stellen:

Hoofdstuk 1: algemene bepalingen Artikel 1: definities In deze verordening wordt verstaan onder: -

-

-

-

beleid: procedure, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren; bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is voor het te nemen besluit; afhankelijk van de inhoud is dat de raad, het college of de burgemeester; college: het college van burgemeester en wethouders; deelnemers: inwoners die actief meedoen aan een participatietraject; inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening over gemeentelijk beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet; inwoners: ingezetenen, als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet; inwonerparticipatie: het als bestuursorgaan betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, op initiatief van de gemeente; externe partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, ondernemers en andere organisaties die tot doel hebben impact te hebben op de leefwereld inwoners; overheidsparticipatie: het als bestuursorgaan ondersteunen van of deelnemen aan initiatieven van inwoners of externe partijen, op initiatief van deze inwoners of externe partijen; participatie: inwonerparticipatie en overheidsparticipatie, inclusief uitdaagrecht.

RAADSVOORSTEL -

uitdaagrecht: het recht van inwoners en externe partijen om de uitvoering van gemeentelijke taken over te nemen, zoals bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet;

Artikel 2: doelstelling 1. Het doel van deze verordening is om betekenisvolle participatie te stimuleren door heldere afspraken en uitgangspunten vast te leggen, zodat verwachtingen bij deelnemers aan participatietrajecten duidelijk zijn en de gemeente als betrouwbare partner in participatietrajecten kan optreden. 2. Deze verordening regelt de manier waarop de gemeente inwoners en andere belanghebbenden betrekt bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid. 3. Deze verordening regelt de manier waarop de gemeente initiatieven van inwoners of externe partijen ondersteunt of daaraan deelneemt. 4. Deze verordening regelt de manier waarop inwoners en externe partijen bepaalde taken van de gemeente kunnen overnemen.

Hoofdstuk 2: inwonerparticipatie en inspraak Artikel 3: reikwijdte 1. Het bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden en taken of inwonerparticipatie plaatsvindt, op basis van het afwegingskader dat onderdeel is van het geldende participatiebeleid. 2. Inwonerparticipatie wordt toegepast wanneer het voorliggende vraagstuk van directe invloed is op inwoners en belanghebbenden. 3. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om geen inwonerparticipatie toe te passen in de volgende gevallen: a. bij ondergeschikte of juridisch-technische herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. als er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving, waarbij het bestuursorgaan naar oordeel van het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. bij de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. bij interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente; f. wanneer de uitvoering van een beleidsvoornemen naar oordeel van het bestuursorgaan dermate spoedeisend is dat participatie niet kan worden afgewacht; of g. als het belang van participatie naar oordeel van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Artikel 4: proces inwonerparticipatie 1. Het college kan de raad vragen een startnotitie vast te stellen met daarin de uitgangspunten voor een specifiek participatietraject. De raad kan ook op eigen initiatief het college vragen om een startnotitie voor te bereiden.

RAADSVOORSTEL 2. Als het bestuursorgaan in het kader van inwonerparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt. 3. Wanneer het bestuursorgaan inwonerparticipatie toepast, stelt het bestuursorgaan een participatieplan vast. 4. Onderdelen van dit participatieplan zijn in ieder geval: a. doel van het participatietraject; b. inhoudelijke, financiële en procedurele kaders van het participatietraject; c. welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor het participatietraject; d. de mate waarin het vraagstuk impact heeft op de leefwereld van inwoners en belanghebbenden; e. doelgroepen; f. voorzien tijdspad; g. wijze van communicatie; h. wijze waarop participatie invulling krijgt (participatiemiddelen); i. budget voor het participatietraject; j. wijze waarop de uitkomsten van het participatietraject worden betrokken in de besluitvorming van het bestuursorgaan; en k. wijze waarop het participatietraject geëvalueerd gaat worden. 5. Het bestuursorgaan kiest bij de wijze waarop de uitkomsten van het participatietraject bij de besluitvorming wordt betrokken uit de volgende mogelijkheden: a. informeren: het bestuursorgaan haalt geen inbreng op, maar deelt relevante informatie met belanghebbenden. b.

raadplegen: het bestuursorgaan weegt de uitkomsten mee in zijn oordeelsvorming. c. adviseren: het bestuursorgaan gebruikt de uitkomsten voor een verbeterde uitwerking van het voorliggende vraagstuk. d. meebeslissen: de meerderheidsvoorkeur van de deelnemers bepaalt welk besluit het bestuursorgaan neemt. e. samenwerken: het bestuursorgaan werkt samen met de deelnemers het voorliggende vraagstuk uit. 6. Het bestuursorgaan kan van de in het vierde lid, onder j bedoelde wijze van betrekken van de uitkomsten van het participatietraject afwijken, onder andere als het participatietraject sterk uiteenlopende visies opleverde, alle mogelijke betrokken belangen onvoldoende zijn meegewogen of de participatie leidde tot nieuwe ideeën en inzichten die op gespannen voet staan met de vooraf gestelde kaders. 7. Indien het naar oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijk is om gedurende het participatietraject het participatieplan aan te passen, stelt het bestuursorgaan een vernieuwd participatieplan vast en communiceert hierover aan ten minste de doelgroepen van het participatietraject.

Artikel 5: Uitkomsten inwonerparticipatie 1. Het bestuursorgaan koppelt na afloop van het participatietraject aan ten minste de deelnemers terug hoe het om is gegaan met de uitkomsten van het participatietraject bij de besluitvorming.

RAADSVOORSTEL 2. Indien het bestuursorgaan besluit af te wijken van de in artikel vier, vierde lid, onder j bedoelde wijze van betrekken van de uitkomsten van het participatietraject, dan motiveert en communiceert het bestuursorgaan dit expliciet aan tenminste de deelnemers van het participatietraject. 3. Elk voorstel voor besluitvorming bevat een participatieparagraaf waarin keuzes ten aanzien van participatie worden verantwoord, opdat het bestuursorgaan participatie kan meewegen in de besluitvorming.

Hoofdstuk 3: Overheidsparticipatie Artikel 6: reikwijdte overheidsparticipatie 1. Inwoners of externe partijen kunnen bij het bestuursorgaan een verzoek indienen voor overheidsparticipatie. 2. Het bestuursorgaan kan overheidsparticipatie toepassen, indien het verzoek naar het oordeel van het bestuursorgaan bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid of anderszins een positieve externe bijdrage levert. 3. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om geen overheidsparticipatie toe te passen in de volgende gevallen: a. als er naar oordeel van het bestuursorgaan onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij inwoners en belanghebbenden is; b. als het initiatief naar oordeel van het bestuursorgaan financieel, juridisch, beleidsmatig of praktisch niet haalbaar is; c. als het een onderwerp betreft waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht loopt of wanneer de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken; d. als het initiatief naar oordeel van het bestuursorgaan niet past bij de verantwoordelijkheid van de gemeente voor het algemeen belang en kwetsbare groepen in de samenleving; of e. als het initiatief overwegend het privébelang van de initiatiefnemer dient.

Artikel 7: proces overheidsparticipatie 1. Een verzoek voor overheidsparticipatie bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. omschrijving van het initiatief; b. het doel van het initiatief; c. de beoogde doelgroepen van het initiatief; d. een overzicht van de belanghebbenden bij het initiatief; e. gewenste ondersteuning van het bestuursorgaan; f. de verwachte kosten; en g. de verwachte benodigde middelen. 2. Het bestuursorgaan informeert de indiener van het verzoek over het wel of niet toepassen van overheidsparticipatie. 3. Het bestuursorgaan reageert binnen twintig werkdagen op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmalig met twintig werkdagen verlengen en informeert de indiener wanneer dit het geval is. 4. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en onderbouwing binnen vijftien werkdagen na het mededelen van de reactie aan de indiener openbaar.

RAADSVOORSTEL Artikel 8: uitvoering overheidsparticipatie Als het bestuursorgaan het verzoek om de toepassing van overheidsparticipatie toewijst, maakt het met de indiener in ieder geval schriftelijke afspraken over: 1. het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie; 2. het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie; 3. het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie; 4. de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het mogelijk tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie; en 5. de evaluatie van de overheidsparticipatie.

Artikel 9: reikwijdte uitdaagrecht 1. Inwoners of externe partijen kunnen een verzoek indienen voor de toepassing van het uitdaagrecht. 2. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen gemeentelijke taken of het uitdaagrecht hierop wordt toegepast. 3. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om geen uitdaagrecht toe te passen in de volgende gevallen: a. als het verzoek gaat over een lopend uitvoeringstraject of ondergeschikte herzieningen daarvan, of over een lopende overeenkomst tussen de gemeente en een derde partij; b. als de uitvoering van een beleidsvoornemen naar oordeel van het bestuursorgaan dermate spoedeisend is dat toepassing van het uitdaagrecht niet kan worden afgewacht; c. de toepassing van het uitdaagrecht naar oordeel van het bestuursorgaan financieel, juridisch, beleidsmatig of praktisch niet haalbaar is; d. als het belang van het uitdaagrecht naar oordeel van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving; of e. als het verzoek gaat over de uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan naar oordeel van het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft. 4. Het bestuursorgaan past geen uitdaagrecht toe: a. als het uitvoeren van de taak door een andere partij dan het gemeentebestuur in de strijd met de wet is; of b.

als de opdrachtwaarde boven het drempelbedrag voor enkelvoudig onderhandse aanbestedingen als bedoeld in het geldende inkoopbeleid uitkomt.

Artikel 10: proces uitdaagrecht 1. Een verzoek om de toepassing van het uitdaagrecht bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. omschrijving van de gemeentelijke taak die de indiener wil overnemen; b. argumentatie waarom en hoe de indiener de gemeentelijke taak beter of goedkoper kan uitvoeren; c. beschrijving van de betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener;

RAADSVOORSTEL d. e. f. g.

beschrijving van het draagvlak onder belanghebbenden; de verwachte kosten; de verwachte benodigde middelen; gewenste ondersteuning en vorm van samenwerking met het bestuursorgaan; en h. argumentatie hoe de kwaliteit en uitvoering van de taak op langere termijn kan worden gewaarborgd. 2. Het bestuursorgaan informeert de indiener van het verzoek over het wel of niet toepassen van het uitdaagrecht. 3. Het bestuursorgaan reageert binnen een termijn van acht weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmalig verlengen met acht weken en informeert de indiener wanneer dit het geval is. 4. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en onderbouwing binnen vijftien werkdagen openbaar.

Artikel 11: uitvoering uitdaagrecht Als het bestuursorgaan het verzoek om de toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener in ieder geval schriftelijke afspraken over: 1. het proces, het resultaat en de looptijd van het uitdaagrecht; 2. het budget en de financieringswijze van het uitdaagrecht; 3. het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het uitdaagrecht; 4. de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het mogelijk tussentijds beëindigen van het uitdaagrecht; en 5. de evaluatie van het uitdaagrecht.

Hoofdstuk 4: Omgevingswet Artikel 12: participatie bij instrumenten van de Omgevingswet 1. Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht. 2. Participatie over omgevingsvergunningen, waarbij de initiatiefnemer aan zet is voor het organiseren van participatie, vindt plaats volgens hetgeen bepaald is in de Omgevingswet en eventuele besluiten van de gemeenteraad over verplichte participatie, zoals bedoeld in artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet. 3. Het college stelt een handreiking voor het organiseren van participatie beschikbaar voor initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen.

Hoofdstuk 5: Evaluatie en monitoring Artikel 13: evaluatie en monitoring 1. Elk traject van inwonerparticipatie wordt geëvalueerd door het bestuursorgaan, aan de hand van het participatieplan.

RAADSVOORSTEL 2. Bij de toepassing van overheidsparticipatie en het uitdaagrecht maakt het bestuursorgaan afspraken met de initiatiefnemer over de wijze van evaluatie. 3. Het college evalueert de uitvoering van deze verordening in de eerste drie jaar na implementatie jaarlijks en daarna elke twee jaar. Het college brengt over de evaluatie verslag uit aan de raad. 4. Het verslag bevat in elk geval: a. een beschrijving van de wijze waarop participatietrajecten zijn georganiseerd, waaronder de keuze voor de inzet van participatiemiddelen; b. de rolinvulling door raad en college; c. de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk; d. informatie over de toepassing van overheidsparticipatie en het uitdaagrecht; en e. informatie over de budgetten die voor de toepassing van overheidsparticipatie en het uitdaagrecht zijn toegekend.

Hoofdstuk 6: Slotbepalingen Artikel 14: overgangsrecht Deze verordening is niet van toepassing op participatietrajecten waarvan de startdatum voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening lag.

Artikel 15: intrekking oude verordening De Inspraakverordening gemeente Arnhem 2006 wordt ingetrokken.

Artikel 16: inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Arnhem.

De griffier,

De voorzitter,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=4b5cbe33-6319-4908-b2c9-9e9e6c6f3a7c