Ecogroen - Quickscan Flora en Fauna Schaapsdrift eo
Tekst van het document
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving
Gemeente Arnhem
Definitief
(085) 4871265 info@ecogroen.nl www.ecogroen.nl
Colofon Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving
23-424
26 oktober 2023
Definitief
Gemeente Arnhem
©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. De Doncker, K. (2023). Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving. Rapport 23-424. Ecogroen bv, Arnhem.
Inhoud Samenvatting
4
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie 1.3 Voorgenomen ontwikkeling 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 8
2.
Kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.1.1 Wet natuurbescherming 2.2 Onderzoeksmethode 2.2.1 Literatuuronderzoek 2.2.2 Quickscan veldbezoek 2.2.3 Quickscan natuurtoets
9 9 9 10 10 10 10
3.
Soortbescherming 3.1 Flora 3.2 Zoogdieren 3.2.1 Vleermuizen 3.2.2 Steenmarter 3.2.3 Kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn) 3.2.4 Eekhoorn 3.2.5 Overige zoogdieren 3.3 Vogels 3.3.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten 3.3.2 Vogels zonder jaarrond beschermde nesten 3.4 Amfibieën 3.4.1 Alpenwatersalamander 3.4.2 Kamsalamander 3.4.3 Overige amfibieën 3.5 Overige soorten
11 11 11 11 12 13 13 13 13 14 15 15 15 16 16 17
4.
Gebiedsbescherming 4.1 Natura 2000-gebieden 4.2 Groene Ontwikkelzone (GO) en Gelders Natuurnetwerk (GNN)
18 18 19
5.
Houtopstanden
20
Geraadpleegde bronnen
21
Natuurtoets Natuurtoetsherontwikkeling herontwikkelingSchaapsdrift Schaapsdrifte.o. e.o.
Samenvatting Aanleiding en doelstelling De gemeente Arnhem wil het gebied tussen de Wichard von Pontplaan, de Esperantolaan, de Velperweg en station Arnhem Presikhaaf herontwikkelen in het kader van Ontwikkelperspectief Spoorzone Arnhem-oost. Om het gewenste toekomstbeeld te verwezenlijken wordt bebouwing gesloopt en worden tussen de 500 en 1.000 nieuwe woningen gebouwd. De straten worden autoluw ingericht en de zone langs het spoor krijgt een andere invulling. Wet- en regelgeving omtrent de bescherming van natuur verplicht te toetsen of deze activiteiten (kunnen) conflicteren met beschermde natuurwaarden. In deze quickscan natuurtoets worden de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op de onderdelen soortbescherming, gebiedsbescherming en beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming en de regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (GNN en GO) beoordeeld.
Soortbescherming • In bebouwing in het projectgebied zijn verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarter te verwachten. Bij de werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarter aangetast. Met de voorgenomen ontwikkelingen worden geen onmisbare vliegroutes van vleermuizen of onmisbare foerageergebieden van steenmarter en vleermuizen aangetast. • In groenstructuren in het projectgebied zijn verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) te verwachten. Bij de werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen van deze beschermde soorten aangetast. • In bebouwing in het projectgebied zijn jaarrond beschermde nestplaatsen van huismus en gierzwaluw te verwachten. Bij de werkzaamheden worden mogelijk nestplaatsen van huismus en gierzwaluw aangetast. • Het projectgebied biedt geschikt broedbiotoop voor diverse algemene vogelsoorten die alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn. • Het projectgebied biedt geschikt leefgebied voor alpenwatersalamder en kamsalamander. Bij de werkzaamheden gaan mogelijk voorplantingsplaatsen (poel) en overwinteringsplaatsen (groenstroken) van alpenwatersalamander en kamsalamander verloren.
• De geplande werkzaamheden leiden niet tot verlies of verstoring van groei-, nest- en/of verblijfplaatsen van planten, overige zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zonder vrijstelling binnen de provincie Gelderland.
04
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
Gebiedsbescherming • Het projectgebied ligt op circa 1,1 kilometer van Natura 2000-gebied Veluwe en op 2 kilometer van Natura 2000-gebied Rijntakken. Negatieve gevolgen zijn – met uitzondering van stikstofdepositie – op voorhand uitgesloten voor Natura 2000-gebieden. • Het projectgebied ligt op minimaal 1,1 kilometer ten zuiden van de Groene Ontwikkelzone (GO) en Gelders Natuurnetwerk (GNN). Gezien de grote afstand van het projectgebied tot deze gebieden en tussenliggende woongebieden en wegen is aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de GO- en GNN-gebieden uitgesloten.
Beschermde houtopstanden • De aanwezige bomen en houtopstanden binnen het projectgebied vallen binnen de bebouwde kom Wet natuurbescherming en vallen daarmee onder de uitsluitingsregels van de Wet natuurbescherming. Wel zijn gemeentelijke kapregels van toepassing.
Advies en vervolgstappen • Door de sloop van bebouwing en verwijderen van groen/ vijvers gaan mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen, steenmarter, alpenwatersalamander en kamsalamander en jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw verloren. Voor deze soorten is nader onderzoek noodzakelijk om aan- of afwezigheid vast te stellen. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek en de precieze werkzaamheden kan het aanvragen van ontheffing Wet natuurbescherming (onderdeel soorten) aan de orde zijn. Aan het verkrijgen van een ontheffing worden voorwaarden gesteld aan de periode van uitvoering (buiten de kwetsbare perioden), wijze van uitvoering (vooraf soorten verdrijven uit hun nest- of verblijfplaatsen) en daarnaast is het (tijdelijk) aanbrengen van vervangende nest- en verblijfplaatsen nodig. • Voor alle werkzaamheden geldt dat het beschadigen van broedbiotopen van aanwezige vogels ten allen tijde voorkomen dient te worden. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode half maart of na eind juli en het projectgebied voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of nesten of eieren van broedvogels worden beschadigd of vernield, ongeacht de datum.
05
Natuurtoets Natuurtoetsherontwikkeling herontwikkelingSchaapsdrift Schaapsdrifte.o. e.o.
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en doelstelling De gemeente Arnhem is voornemens het woongebied rondom de Schaapsdrift te herontwikkelen, in het kader van het Ontwikkelperspectief Spoorzone Arnhem-Oost. De werkzaamheden ten behoeve van deze herontwikkeling gaan mogelijk gepaard met effecten op beschermde natuurwaarden. Wet- en regelgeving omtrent de bescherming van natuur verplicht te toetsen of deze activiteiten (kunnen) conflicteren met beschermde natuurwaarden. In voorliggende quickscan natuurtoets worden de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op de onderdelen soortbescherming, gebiedsbescherming en beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming en de regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (GNN en GO) beoordeeld.
1.2
Huidige situatie Het te herontwikkelen woongebied ligt tussen de Wichard von Pontlaan, de Esperantolaan, de Velperweg en station Arnhem Presikhaaf (zie figuur 1.1). Het projectgebied omvat woningen, bedrijven en woonzorgcentrum Vreedenhoff. Binnen het projectgebied ligt een vijver, groenperkjes, grasvelden en bebouwing (zie figuur 1.2). Aan de oostzijde grenst het projectgebied aan het Sacré Coeur Park en langs de zuidgrens loopt de spoorweg tussen Arnhem en Dieren.
06
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
Figuur 1.1 Projectgebied (rood omlijnd). Bron kaartondergrond: ESRI.
Figuur 1.2 Het projectgebied bestaat uit een afwisseling van bebouwing en groenelementen.
1.3
Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkelingen staan beschreven in de startnotitie Schaapsdrift (Ziegler Branderhorst, 2023). Om het gewenste toekomstbeeld te verwezenlijken wordt bebouwing gesloopt en
07
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
worden tussen de 500 en 1.000 nieuwe woningen gebouwd. De straten worden autoluw ingericht en de zone langs het spoor krijgt een andere invulling. De exacte maatregelen zijn nog niet bekend.
1.4
Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn het wettelijk kader en de methodiek beschreven. De toets soortbescherming volgt in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 is het project beoordeeld ten aanzien van gebiedsbescherming. Ten slotte zijn in hoofdstuk 5 de te kappen houtopstanden getoetst aan de wet natuurbescherming.
08
Natuurtoets Natuurtoetsherontwikkeling herontwikkelingSchaapsdrift Schaapsdrifte.o. e.o.
2. Kader en methode 2.1
Wettelijk kader
2.1.1
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. In voorliggend rapport wordt ingegaan op alle drie deze onderdelen. In kader 2.1 is een samenvatting van de relevante wetteksten gegeven. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet natuurbescherming (ook: Wnb) kent een zorgplicht voor natuur en soorten. De zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege of voorkomt de gevolgen. Dit laatste kan door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van (een maatregelen in het kader van) zorgplicht is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Natura 2000 (hoofdstuk 2) Hoofdstuk 2 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR).
Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van natuurlijke habitats, habitats van soorten en leefgebieden van vogels. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wet regelen de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen en projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significant negatieve gevolgen optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig. Zijn significant negatieve gevolgen niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd.
– Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een ontheffing vereist kan zijn.
09
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
– Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er zicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar zicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt. Houtopstanden (hoofdstuk 4) Hoofdstuk 4 regelt de bescherming van houtopstanden.
Een bij Wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.
2.2
Onderzoeksmethode
2.2.1
Literatuuronderzoek Om de aanwezige en te verwachten beschermde waarden binnen de invloedssfeer van het projectgebied in beeld te brengen is gestart met een literatuuronderzoek. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2023). Bij het raadplegen van de NDFF is een zoekgebied aangehouden van 1 kilometer rondom het projectgebied en is gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten in de periode van de afgelopen 10 jaar.
2.2.2
Quickscan veldbezoek De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek dat op 17 oktober 2023 (13°C, droog, helder, matige wind) is uitgevoerd. Tijdens het veldbezoek zijn het projectgebied en de directe omgeving (tot circa 50 meter rondom) geïnspecteerd. Specifiek is gelet op aanwezigheid van beschermde planten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, jaarrond beschermde nesten van vogels en potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen.
2.2.3
Quickscan natuurtoets Op basis van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldonderzoek is beoordeeld welke beschermde waarden (mogelijk) aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Vervolgens is op basis van de voorgenomen werkzaamheden bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde gebieden, soorten en houtopstanden, en of vervolgstappen (zoals nader onderzoek, ontheffing- dan wel vergunningsaanvraag) vereist zijn.
10
Natuurtoets Natuurtoetsherontwikkeling herontwikkelingSchaapsdrift Schaapsdrifte.o. e.o.
3. Soortbescherming 3.1
Flora In het projectgebied zijn algemene soorten van stedelijk gebied aanwezig. Rondom het woonzorgcentrum Vreedenhoff ligt een grasveld met aangeplante groenperkjes. Ook ligt er een vijver met oevervegetatie. Bij de vijver groeit Japanse duizendknoop. Binnen het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend (NDFF, 2023). Ook zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen in het projectgebied. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens worden geen beschermde plantensoorten verwacht in het projectgebied. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de groep flora is niet aan de orde.
3.2
Zoogdieren
3.2.1
Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder zijn deze onderdelen nader beschreven. Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren onmisbaar en zodoende beschermd. Foerageergebied Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, boomrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voorbestaan van een populatie.
11
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
Verblijfplaatsen In de omgeving (circa twee kilometer) van het projectgebied zijn in de afgelopen tien jaar waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis (NFF, 2023). In de bebouwing in het projectgebied zijn potentiële vleermuisverblijfplaatsen aanwezig in de vorm van openingen onder de dakpannen, spleten en kieren in muren, ruimte onder dakoverstekken en open stootvoegen (zie figuur 3.1). In aanwezige bomen ontbreken spleten of gaten die geschikt zijn als verblijfplaats van vleermuizen. Bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden gaan mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren en worden vleermuizen verstoord. Er is aanvullend onderzoek nodig om de functies van de bestaande bebouwing voor vleermuizen inzichtelijk te maken. Op basis van de uitkomsten van het aanvullend onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing Wet natuurbescherming (onderdeel soorten) noodzakelijk is voor het uitvoeren van het project.
Figuur 3.1 Gebouw binnen het projectgebied met open stootvoegen: geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
Vliegroutes en foerageergebieden Delen van het projectgebied zijn beschikt als foerageergebied voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van beplanting en oppervlaktewater. Lijnvormige elementen, zoals de Wichard van Pontlaan, kunnen gebruikt worden als vliegroutes. Door de geplande werkzaamheden worden deze elementen (tijdelijk) aangetast. In de omgeving blijven echter nog ruim voldoende foerageergebieden en vliegroutes van goede kwaliteit aanwezig (bijvoorbeeld park Presikhaaf en park Sacré Coeur). Van verlies van onmisbare vliegroutes en foerageergebieden is daarom geen sprake. Vervolgstappen ten aanzien van vliegroutes en foerageergebieden zijn niet aan de orde. 3.2.2
Steenmarter Binnen het projectgebied zijn in de afgelopen 10 jaar 45 waarnemingen van steenmarter gedaan, met name in het westelijke deel van het projectgebied rond de Schaapsdrift (NDFF, 2023). De aanwezigheid van steenmarter is ook te verwachten binnen het projectgebied op basis van de terreinkenmerken. In het projectgebied zijn geschikte verblijfplaatsen in de vorm van rommelhoekjes, tuinschuren, groenstroken en oude gebouwen in ruime mate aanwezig.
12
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
Als gevolg van de geplande werkzaamheden gaan mogelijk verblijfplaatsen van steenmarter verloren. Aanvullend onderzoek naar steenmarter is nodig. Wanneer verblijfplaatsen van steenmarter worden aangetroffen en negatieve effecten op deze verblijfplaatsen niet te voorkomen zijn, dan is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming vereist. 3.2.3
Kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn) In de omgeving van het projectgebied (circa 2 kilometer) zijn waarnemingen van bunzing en wezel bekend (NDFF, 2023). Kleine marterachtigen maken bij voorkeur gebruik van rommelhoekjes, takkenhopen als verblijfplaats. Op basis van de terreinkenmerken en de bekende verspreidingsgegevens wordt de aanwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen niet op voorhand uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen is nodig. Wanneer verblijfplaatsen van kleine marterachtigen worden aangetroffen en negatieve effecten op deze verblijfplaatsen niet te voorkomen zijn, dan is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming vereist.
3.2.4
Eekhoorn In de omgeving van het projectgebied (circa 1 kilometer) zijn waarnemingen van eekhoorn bekend (NDFF, 2023). Er is slechts 1 waarneming van eekhoorn ingevoerd binnen de grenzen van het projectgebied: in 2017, langs de Eleonorastraat (NDFF, 2023). Alle overige waarnemingen zijn gedaan binnen de omliggende parken. Eekhoorn is gebonden aan bos. Verblijfplaatsen van eekhoorn bevinden zich doorgaans in bomen. Als verblijfplaats dienen holtes in bomen, bolvormige nesten en soms verlaten kraaien- of eksternesten. Binnen het projectgebied zijn geen eekhoornnesten waargenomen. Wel zijn er in de omgeving van het projectgebied bomen met holtes aanwezig die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats. Daarnaast kan de eekhoorn het projectgebied passeren. De geplande werkzaamheden zorgen niet voor verlies of verstoring van mogelijke nestplaatsen van eekhoorn of onmisbare foerageergebieden van de soorten. Er zijn geen vervolgstappen voor eekhoorn aan de orde.
3.2.5
Overige zoogdieren Vaste verblijfplaatsen of onmisbaar leefgebied van overige beschermde zoogdieren zonder vrijstelling worden op basis van terreinkenmerken, terreingebruik en het veldonderzoek niet verwacht in het projectgebied en de directe omgeving. In de omgeving van het projectgebied zijn wel waarnemingen bekend van overige zoogdieren zoals egel, vos, gewone bosmuis en huisspitsmuis. Bij de voorgenomen ontwikkelingen kunnen enkele exemplaren van deze soorten geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het nemen van vervolgstappen niet aan de orde.
3.3
Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillende beschermingsregime (zie kader 2.1). Van veel broedvogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat de nestlocaties inclusief de functionele leefomgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.2).
13
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
Kader 3.2 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van vogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van de ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, wespendief, zwarte wouw, slechtvalk, sperwer, steenuil, kerkuil, oehoe, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en huismus. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
3.3.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten Huismus In het projectgebied en de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van huismus (NDFF, 2023). Geschikt leefgebied voor huismus bestaat veelal uit bebouwd gebied en boerenerven met voldoende dekking biedende struiken of hagen. Het projectgebied is geschikt als nestplaats voor huismus. In de bebouwing aan weerszijden van de Schaapsdrift zijn potentiële verblijfplaatsen van huismus aanwezig in de vorm van ruimtes onder de dakpannen en tussen het dakbeschot, kieren en ruimtes bij de loodslabben (zie figuur 3.2).
Figuur 3.2 In deze gebouwen binnen het projectgebied zijn potentiële nestplaatsen van huismus aanwezig.
Tijdens de werkzaamheden worden mogelijk beschermde nestplaatsen van huismus beschadigd of verstoord. Aanvullend onderzoek naar huismus is nodig om te bepalen of nestplaatsen aanwezig zijn. Wanneer nestplaatsen van huismus worden aangetroffen en negatieve effecten op deze nestplaatsen niet te voorkomen zijn, dan is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming vereist. Gierzwaluw In het projectgebied en de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van gierzwaluw (NDFF, 2023). In het projectgebied zijn geschikte nestplaatsen voor gierzwaluw aanwezig in de vorm van
14
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
ruimtes onder de dakpannen en de loodslabben, kieren en ruimtes bij de dakoverstekken van de flats langs de Wichard van Pontlaan. Tijdens de werkzaamheden worden mogelijk beschermde nestplaatsen van gierzwaluw beschadigd of verstoord. Aanvullend onderzoek naar gierzwaluw is nodig om te bepalen of nestplaatsen aanwezig zijn. Wanneer nestplaatsen van gierzwaluw worden aangetroffen en negatieve effecten op deze nestplaatsen niet te voorkomen zijn, dan is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming vereist. Overige vogels met jaarrond beschermde nesten In het projectgebied is geen territoriumindicerend gedrag waargenomen van overige vogels met jaarrond beschermde nesten. In de omgeving van het projectgebied (circa 2 kilometer) is wel territoriumindicerend gedrag van sperwer, buizerd en grote gele kwikstaart waargenomen (NDFF, 2023). Binnen het projectgebied zijn tijdens het veldbezoek geen (potentiële) nesten van overige vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Vervolgstappen voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten zijn niet aan de orde. 3.3.2
Vogels zonder jaarrond beschermde nesten Door de aanwezigheid van bebouwing en beplanting is binnen en in de directe omgeving van het projectgebied broedbiotoop aanwezig voor enkele algemene vogelsoorten als merel, houtduif of Turkse tortel. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Verstoren is echter alleen verboden wanneer de storing van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor de te verwachten soorten kan verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding (altijd) worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het dus van belang of een broedgeval wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half februari en half oktober worden aangehouden als broedseizoen. Vooral soorten als wilde eend en houtduif kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden.
Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half november worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te voeren. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd.
3.4
Amfibieën
3.4.1
Alpenwatersalamander In een straal van 1,5 kilometer rondom het projectgebied zijn meerdere waarnemingen van alpenwatersalamander bekend (NDFF, 2023). De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan in 2010, op 400 meter van het projectgebied, ter hoogte van de Van Limburg Stirumlaan. De poel naast de Vreedenhoff vormt geschikt leefgebied voor alpenwatersalamander (zie figuur 3.3). De aanwezigheid van verblijfplaatsen van alpenwatersalamander binnen het projectgebied is niet uit te sluiten.
15
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
Tijdens de voorgenomen werkzaamheden gaan mogelijk voortplantingsplaatsen (poel) en overwinteringsgebieden (groenstroken) van alpenwatersalamander verloren. Aanvullend onderzoek naar alpenwatersalamander is nodig. Wanneer verblijfplaatsen van alpenwatersalamander worden aangetroffen en negatieve effecten op deze verblijfplaatsen niet te voorkomen zijn, dan is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming vereist.
Figuur 3.3 Vijver in het projectgebied, naast de Vreedenhoff.
3.4.2
Kamsalamander In een straal van 1,5 kilometer rondom het projectgebied zijn waarnemingen van kamsalamander bekend (NDFF, 2023). De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan in 2022, op circa 750 meter van het projectgebied, ter hoogte van de Taklaan. De poel naast de Vreedenhoff vormt geschikt leefgebied voor kamsalamander (zie figuur 3.3). De aanwezigheid van verblijfplaatsen van kamsalamander binnen het projectgebied is niet uit te sluiten. Tijdens de voorgenomen werkzaamheden gaan mogelijk voortplantingsplaatsen (poel) en overwinteringsgebieden (groenstroken) van kamsalamander verloren. Aanvullend onderzoek naar kamsalamander is nodig. Wanneer verblijfplaatsen van kamsalamander worden aangetroffen en negatieve effecten op deze verblijfplaatsen niet te voorkomen zijn, dan is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming vereist.
3.4.3
Overige amfibieën Op basis van het veldbezoek, de habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) wordt de aanwezigheid van overige binnen de Wet natuurbescherming beschermde amfibieën zonder provinciale vrijstelling uitgesloten. Vervolgstappen voor deze amfibieën zijn niet aan de orde.
16
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
Mogelijk vindt wel voortplanting van amfibieën als gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander plaats in de vijver in het projectgebied (zie figuur 3.3). Daarnaast overwinteren deze soorten mogelijk in de sliblaag van de vijver of op het land in ruigtes en bosschages. Bij werkzaamheden binnen het projectgebied kunnen enkele exemplaren van deze amfibieën geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.
3.5
Overige soorten Op basis van het veldbezoek, bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) en/ of het ontbreken van geschikt biotoop binnen het projectgebied zijn geen voortplantings- en andere vaste rust- en verblijfplaatsen of overige essentiële leefgebieden van beschermde vissen, reptielen en ongewervelden te verwachten in het projectgebied. Vervolgstappen voor deze soortgroepen zijn niet aan de orde.
17
Natuurtoets Natuurtoetsherontwikkeling herontwikkelingSchaapsdrift Schaapsdrifte.o. e.o.
4. Gebiedsbescherming 4.1
Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Veluwe op circa 1,5 kilometer afstand (zie figuur 4.1). Op circa 2 kilometer afstand ligt Natura 2000-gebied Rijntakken. Vanwege deze afstand, de aard van het project, de tussenliggende bebouwing en infrastructuur zijn negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten, met uitzondering van stikstofdepositie.
Figuur 4.1 Ligging projectgebied (rood) ten opzichte van Natura 2000 (gearceerde gebieden). Bron: Natuurregels in Gelderland, Provincie Gelderland (geoportaal).
Stikstof Stikstofdepositie kan significant negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het rekenmodel AERIUS Calculator wordt op grond van de Wet natuurbescherming voorgeschreven om te bepalen of al dan niet sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Indien een project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (>0,00 mol/ha/jaar), treedt geen negatief gevolg voor de
18
Natuurtoets herontwikkeling Schaapsdrift e.o.
instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden op en is een plan of project niet strijdig met de Wet natuurbescherming (onderdeel stikstof). Er is een stikstofberekening nodig om te bepalen of het project leidt tot toename van stikstofdepositie.
4.2
Groene Ontwikkelzone (GO) en Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het projectgebied ligt op minimaal 1,1 kilometer ten zuiden van de Groene Ontwikkelzone (GO) en Gelders Natuurnetwerk (GNN) (zie figuur 4.2). Gezien de grote afstand van het projectgebied tot deze gebieden en tussenliggende woongebieden en wegen is aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de GO- en GNN-gebieden uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van het beschermingsregime van de GO en GNN zijn niet aan de orde.
Figuur 4.2 Ligging projectgebied (rood) ten opzichte van GNN (donkergroen) en GO (lichtgroen). Bron: Natuurregels in Gelderland, Provincie Gelderland (geoportaal).
19
Natuurtoets Natuurtoetsherontwikkeling herontwikkelingSchaapsdrift Schaapsdrifte.o. e.o.
5. Houtopstanden Het projectgebied ligt binnen de begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming (bbk Wnb) (zie figuur 5.1). De Wnb houtopstanden geldt alleen voor houtopstanden buiten de bbk Wnb. Er is geen kapmelding, ontheffing voor herplant en/of compensatie nodig. Naast bescherming van houtopstanden onder de Wnb hanteren gemeenten ook beschermingsregels. Mogelijk is een omgevingsvergunning noodzakelijk voor het kappen van bomen.
Figuur 5.1 Ligging projectgebied (rood) t.o.v. bbk Wnb. In bruin is aangegeven welke delen buiten de bbk Wnb vallen en dus beschermd zijn volgens de Wnb. Bron: Natuurregels in Gelderland, Provincie Gelderland (geoportaal).
20
Natuurtoets Natuurtoetsherontwikkeling herontwikkelingSchaapsdrift Schaapsdrifte.o. e.o.
Geraadpleegde bronnen Literatuur Ziegler Branderhorst (2023). Startnotitie Schaapsdrift. Rotterdam.
Internet NDFF (2023). Nationale Databank Flora en Fauna. https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/. Geraadpleegd oktober 2023. Provincie Gelderland (2023a). Digitale kaarten en cijfers. https://www.gelderland.nl/kaarten-en-cijfers. Geraadpleegd in oktober 2023.
21