CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Structuurvisie Arnhem 2020 doorkijk 2040

Politieke Avond 25 mei 2022, gemeente ArnhemBij agendapunt: 18.45 uur - 20.00 uur: Aanwijzing Wet voorkeursrecht gemeenten Schaapsdrift e.o. & Gedeeltelijk intrekken Structuurvisie Arnhem 2020 doorkijk 2040 (voor deelgebied Schaapsdrift e.o.)37.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Structuurvisie Arnhem 2020 l doorkijk 2040 10 december 2012

Inhoudsopgave 0

Introductie

1 De hoofdlijnen 1.1 De context 1.2 Ruimtelijke hoofdstructuur 1.3 Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief 1.3.1 Principes 1.3.2 De stad 1.3.3 De stadspassage 1.3.4 De Oost-west zone 2 2 Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief uitgewerkt: thema’s 2.1 Introductie 2.2 Cultuurhistorie 2.2.1 Wat Arnhem tot Arnhem maakt 2.2.2 Ambitie en inzet 2.2.3 Karakteristiek, ambitie en inzet per landschappelijke zone 2.2.4 Beleidskaders 2.3 Groen-blauw raamwerk 2.3.1 Analyse 2.3.2 Ambitie en inzet 2.3.3 Uitwerking ambitie en inzet 2.3.4 beleidskaders 2.4 Mobiliteit 2.4.1 Mobiliteit 2.4.2 Ambitie en inzet 2.4.3 Uitwerking ambitie en inzet 2.5 Energie 2.5.1 Analyse 2.5.2 Ambitie en inzet 2.5.3 Uitwerking ambitie en inzet 2.5.4 Beleidskaders 2.6 Hitte 2.6.1 Hitte 2.6.2 Ambitie en inzet 2.6.3 Beleidskaders 2.7 Milieu 2.7.1 Analyse 2.7.2 Ambitie en inzet 2.7.3 PlanMER 2.8 Wonen 2.8.1 Analyse 2.8.2 Ambitie en inzet 2.8.3 Uitwerking ambitie en inzet 2.9 Economie 2.9.1 Introductie 2.9.2 Detailhandel 2.9.3 Bedrijventerreinen 2.9.4 Zakelijke dienstverlening 2.9.5 Wijkeconomie 2.9.6 Toerisme en vrije tijd 2.9.7 Zorg en welzijn 2.9.8 Energie en milieutechnologie 2.9.9 Mode en vormgeving

1 1 2 7 7 10 10 14 15 15 15 15 17 19 22 23 23 25 26 30 36 36 36 36 44 44 44 44 51 52 52 53 54 55 55 55 57 60 60 60 61 64 64 64 66 68 71 71 72 73 75

2.10 Ondergrond 2.10.1 Ondergrondse drukte 2.10.2 Ordening van de ondergrond 2.11 Hoogbouw 2.11.1 Introductie 2.11.2 Zes principes voor hoogbouw

77 77 77 80 80 81

3. Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief uitgewerkt: gebieden 3.1 Introductie 3.2 Ruimtelijke milieus: bestaande karakteristiek 3.3 Koersgebieden: ontwikkelen 3.3.1 Gemengd stedelijk gebied Binnenstad: brandpunt van de stad Coehoorn: district voor ontmoeten, werken en wonen Oostelijk Centrumgebied: transitie bij het stadshart Stadsblokken Meinerswijk: ontmoetingsplek tussen Noord en Zuid Centrum Zuid: vernieuwing in 3 kwadranten AKZO terrein: icoon in transformatie 3.3.2 Woonlandschappen Presikhaaf: naoorlogs woongebied herontwikkeld Malburgen Oost en West: de tuinstad opnieuw uitgevonden Schuytgraaf: landschappelijke woonwijk 3.3.3 Buitengebied Noordelijk buitengebied: van achtererf naar voortuin 3.3.4 Werklandschappen Westervoortsedijk Het Broek Kleefse Waard Koningspleij-Noord IJsseloord I IJsseloord II Schaapsdrift Bakenhof Overmaat en Rijkerswoerd Arnhems Buiten 3.3.5 Stationsknooppunten Stationsknooppunt Arnhem Centraal Stationsknooppunt Arnhem Zuid Stationsknooppunt Velperpoort Stationsknooppunt Presikhaaf/Plattenburg Nieuwe stationshalte Pleij Nieuwe stationshalte Arnhems Buiten

85 85 85 102 102 102 108 109 110 111 112 114 114 115 116 117 117 120 121 121 122 123 123 123 124 124 125 127 128 128 129 130 130 131

4 Uitvoeringsstrategie 4.1 Introductie 4.2 Ruimtelijk programmeren 4.3 Financieringsbronnen 4.4 Gebiedsexploitaties 4.5 Grondbeleid 4.6 Nadere uitwerkingen Structuurvisie 4.6.1 ‘Stad aan de rivier’ 4.6.2 ‘Wijkvernieuwing in Zuid’ 4.6.3 ‘Duurzame energie’ 4.7 Aandachtspunten voor het vervolg Bijlage 4.1 Kostenverhaal Bijlage 4.2 Overzicht gebiedsexploitaties en ruimtelijke investeringen

133 133 133 135 136 137 140 140 141 141 142 146 149

Bijlage Organisatie en bijdragen

151

INTRODUCTIE

Op 28 maart 2011 is door de gemeenteraad de agenda vastgesteld voor de structuurvisie ‘Arnhem 2020 met doorkijk 2040’. Daarin zijn in grote lijn de opgaven geschetst en is ingegaan op de veranderende context die zich aandient voor de toekomst. Afvlakkende groeicurven, een koersverlegging van kwantitatieve opgaven naar kwalitatieve opgaven, nieuwe thema’s zoals klimaat, energie, ondergrondse ordening; voor een groot deel onbekend terrein voor de stad. Een structuurvisie voor de stad biedt een strategisch kader voor ruimtelijke planning op stedelijk niveau voor de lange termijn. Exacte voorspellingen voor de langere termijn kunnen niet worden gedaan. Wel tekenen zich bepaalde ontwikkelingen af; een gestaag doorzettende trendmatige groei ligt niet in het verschiet, ruimtevragende functies in de domeinen van wonen, werken en voorzieningen zullen anders kleuren en andere eisen stellen aan de stad. Voor een nieuwe structuurvisie voor de stad vraagt dit een benadering die kan omgaan met onzekerheden en toch houvast biedt. Niet het presenteren van een eindplan of eindconcept maar het uitzetten van een koers. Een koers die voortbouwt op de bestaande karakteristieken en diversiteit van de stad. Ruimte moet er zijn om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen, ruimte moet er zijn voor kansen die zich voordoen.

De ruimtelijke strategie van de toekomst moet beide verbinden: koers bepalen en kansen benutten. In deze lijn schetst de structuurvisie voor een aantal ‘koersgebieden’ de globale ontwikkelingsrichting en formuleert daarnaast principes. Daarmee wordt duidelijkheid geboden aan toekomstige initiatieven in de stad zonder een pretentie van eindplannen. De hoofdlijnen van de structuurvisie worden geschetst in hoofdstuk 1: - allereerst wordt een aantal principes benoemd die van belang zijn bij het bepalen van ruimtelijke koers voor de stad; - vervolgens wordt de bestaande ruimtelijke hoofdstructuur van de stad gekarakteriseerd; - tenslotte leiden de principes en karakterisering tot het kaartbeeld van het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief met de gebieden en opgaven die daarbij op stedelijke schaal een hoofdrol spelen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief uitgewerkt naar thema’s en in hoofdstuk 3 naar gebieden. Hoofdstuk 4 beschrijft de uitvoeringsstrategie.

21432143q

1. DE HOOFDLIJNEN

1.1 Context Historische context De wortels van de toekomstige stad liggen in de actuele stad. De wortels van de actuele stad liggen in de historische stad. Deze structuurvisie schenkt aandacht aan de hele ontwikkelingslijn van de stad. Een schets van de cultuurhistorische hoofdstructuur, de cultuurhistorische kansenkaart en een typologie van ruimtelijke milieus van Arnhem geven zicht op karakteristieken en kwaliteiten van de stad. Voortbouwen op deze karakteristiek en verscheidenheid is een kernopgave voor de toekomst van de stad. Dat betekent niet dat veranderingen en gebiedsdynamiek worden geweerd; het betekent dat de stad bij nieuwe ontwikkelingen bij zichzelf blijft; het eigen ruimtelijk ‘DNA’ als vertrekpunt, de eigen karakteristiek en diversiteit koesteren en waar mogelijk uitbouwen. Dit is temeer van belang waar toekomstige ruimtelijke opgaven zich primair aftekenen in de bestaande stad; meer dan voorheen gaat het in de komende periode om opgaven van herstructurering en transformatie van delen van de bestaande stad. In de demografische toekomst van de stad tekent zich een beeld af van afvlakkende groeicurven en op termijn zelfs mogelijke krimp. De eerstkomende periode zal Arnhem nog een groei doormaken tot even onder de 160.000 inwoners in 2030.

De verwachting is dat tussen 2030 en 2040 een omslag plaatsvindt waarbij de groeicurve afvlakt en krimp van de bevolking kan gaan optreden. De relatief jonge bevolkingsopbouw in Arnhem maakt dat deze krimpperiode voor Arnhem in de voorspellingen iets verder weg ligt dan het Gelders gemiddelde. Kortom, groei is niet meer vanzelfsprekend en huishoudens en leefstijlen veranderen. Veranderingen, zowel kwantitatief als kwalitatief, dienen zich aan. Veranderingen waarover nu weinig zekerheden bekend zijn. In ieder geval vraagt het een ruimtelijke strategie voor de stad die vraaggericht is, die koersen uitzet en geen

eindbeelden ontwerpt. Ruimte voor kansen, die zich voordoen in gebieden, worden benut vanuit een regie voor de stad als geheel; ‘het beste halen uit de stad en uit de plek’. Zoals de Agenda voor de Structuurvisie (maart 2011) het verwoordde: de opgaven verschieten van kleur en verschuiven van kwantitatieve naar kwalitatieve opgaven. Het gaat daarbij om de kwaliteit van de ruimtevraag naar woon- en werkmilieus, de kwaliteit van mobiliteitsoplossingen maar ook om nieuwe thema’s waarbij duurzaamheid en kwaliteit van de stad centraal staan zoals energie, klimaat en ordening van ondergrond. Daarmee zijn de kernwoorden voor een nieuwe structuurvisie: de bestaande stad als speelveld, koers bepalen en kansen benutten, vraaggericht, regie op stedelijke samenhang, van kwantitatieve opgaven naar nieuwe kwalitatieve opgaven.

Ruimtelijke context De stedelijke koers uitzetten en kansen benutten voor de stad gebeurt in een veel bredere ruimtelijke context. Een context, die onder meer wordt bepaald door de positie van Arnhem op een kruispunt van corridors noord-zuid (A50) en oost-west (A12 en de Deltalijn met toekomstige HST), waarbij Arnhem-Centraal geldt als laatste halte van de hogesnelheidstrein op de lijn van de Noordvleugel Randstad/ Mainport Schiphol naar Duitsland/ Ruhrgebied. Meer inzoomend gaat het om de centrale positie

Positie van Arnhem aan de oost-west corridor A12 / HST- Deltalijn 1

van Arnhem in regionaal verband. Meer en meer relaties spelen zich af op de schaal van het regionale stedelijke netwerk. Voor mobiliteit en ruimtelijke ontwikkeling in het stedelijk netwerk

Regiorail: de regionale S-as Wijchen-NijmegenArnhem-Zevenaar met stationsknooppunten Arnhem-Nijmegen is regiorail een belangrijke as; deze regionale ’S-as’ Zevenaar-Arnhem-NijmegenWijchen is met zijn stationsknooppunten een belangrijke drager van mobiliteit en ruimtelijk programma. Dit geldt in de eerste plaats voor het stedelijk kerngebied bestaande uit Arnhem, Nijmegen en het tussengebied. Arnhem neemt op deze S-as een centrale positie in met een aantal voorstadshaltes en Arnhem-Centraal als centrale halte. Een regionale scope, die ook wisselende regionale coalities kent; woningmarkt- en arbeidsmarktgebieden, coalities met steden gebaseerd op kennisindustrie Energie en Milieutechnologie of clusters creatieve industrie, coalities langs de HST-corridor (Deltalijn) of coalities binnen en tussen topsectoren. De rijksstructuurvisie ‘Infrastructuur en ruimte’ (maart, 2012) markeert de regio ArnhemNijmegen samen met WERV (Wageningen-EdeRhenen-Veenendaal) als een van de Nederlandse ‘stedelijke regio’s met topsectoren’. Een regionale scope, die ook breder is; Arnhem als belangrijke centrumstad in Oost Nederland. Het gaat daarbij om een centrumfunctie in meerdere domeinen: openbaar bestuur, economie, voorzieningen en wonen. Deze centrumpositie krijgt de komende jaren meer reliëf. 2

Genoemd is de positie in de structuurvisie van het rijk. Arnhem is met de HST-halte en HOV-knoop Arnhem Centraal een stad waar veel nationale en regionale investeringen bij elkaar komen. Ook op het gebied van waterveiligheid liggen aanzienlijke investeringsopgaven voor het Rijk in het verschiet (Deltaprogramma). Centrumstad Arnhem is een belangrijke schakel in de hoofdstructuur van de Provincie Gelderland. Niet alleen ruimtelijk-economisch, maar ook op het gebied van culturele infrastructuur. In ruimtelijk-fysieke zin ligt het stedelijk weefsel van de stad ingebed in de landschappen rondom; de Veluwse stuwwallen, de rivierzone en de poldergronden in Noord en Zuid. De ruimtelijke strategie voor Arnhem legt de verbinding met beleidsstrategieën voor deze omliggende landschappen: Ecologische hoofdstructuur, Ruimte voor de Rivier en Deltaprogramma, de ontwikkeling van het regionale park Lingezegen als direct uitloopgebied aan de zuidelijke stadsgrens en buffer in het verstedelijkend tussengebied tussen Arnhem en Nijmegen.

1.2. Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur van Arnhem kan in grote lijnen worden getypeerd naar drie lagen: de ondergrond, de netwerken en de occupatie. Dit hoofdstuk geeft een globale beschrijving van deze lagen, te weten de landschappelijke ondergrond, het groen-blauwe netwerk en het mobiliteitsnetwerk en tot slot de laag van de stedelijke occupatie. In de hoofdstukken 2 en 3 wordt dit verder gecompleteerd en verfijnd. Het stedelijk weefsel van de stad heeft zich gevormd op een rijke landschappelijke onderlegger, de ontmoeting van drie landschappen: de Veluwse stuwwallen met gradiënt, de rivierzone en de poldergronden in Noord en Zuid. De historische stadskern is ontstaan op de plek waar gradiënt, rivierzone en poldergronden elkaar ontmoeten. De gradiënt vormt de overgang van hoog naar laag, van droog naar nat. De zone maakt deel uit van het ‘Gelders Arcadie’, waar landgoederen en buitenplaatsen aan de zuidrand van de Veluwe hun vestigingsplaats vonden. Een zone die via groene wiggen, beekdalen en parken

diep doordringt in het actuele stedelijk gebied. In Arnhem Zuid komt het polderlandschap de stad binnen via parken, historische polderlinten en dijken. Flankeerde de rivierzone van Rijn en IJssel voorheen de stad, met de ontwikkeling van de stad sinds de tweede helft vorige eeuw op de zuidoever, is de rivierzone een centrale open oost-

Het groen-blauwe netwerk vertegenwoordigt niet alleen een grote ruimtelijke kwaliteit. Het reliëf en het landschap dat via het groen-blauwe netwerk diep doordringt in het stedelijk weefsel, dienen belangen van ecologie (bovenlokaal belang), recreatie en duurzaamheid (klimaat, energie); kansen voor koeling van de stad vanuit de hogere stuwwalzone en open rivierzone, schone

De rijke landschappelijke onderlegger van Arnhem

Het omliggende landschap van stuwwal en gradiënt, poldergronden en rivierzone dringt diep door in het stedelijk weefsel

west zone in het hart van het stedelijk weefsel de stad geworden. Alleen in de beleving is het rivierenlandschap nog niet het hart van de stad geworden. De rivier vertegenwoordigt een grote kwaliteit voor de stad: de ruimte, vergezichten en dynamiek van de rivier zijn beleefbaar in de stad, maar Arnhem is de stad die is ontstaan aan de beek en niet aan de rivier. Op veel plaatsen ligt de stad nog te zeer met de rug naar de rivier en liggen er opgaven tot verbinding van stad en rivier.

lucht en kansen voor onder meer bodemenergie heeft de stad te danken aan haar bijzondere landschappelijke setting.

De landschappelijke rijkdom van de stad , met grote verschillen in reliëf, openheid-geslotenheid en waterhuishouding, is bepalend voor de Arnhemse kwaliteiten; een stad met een grote diversiteit aan landschapsbeleving en rijke contrasten tussen groen, blauw en stedelijk. De stad ligt ingebed in het groen-blauwe netwerk van stad en omgeving.

Een ander structuurbepalend netwerk is het mobiliteitsnetwerk van de stad, bestaande uit de netwerken voor auto, fiets, openbaar vervoer en voetganger. Het Arnhemse autoverkeersnetwerk bestaat in zekere zin uit twee relatief onafhankelijke systemen. Aan de noordkant van de Rijn de historische centrumring met radiaalwegen, aan de zuidkant een systeem van drie invalswegen die aantakken op grote verkeerslussen die de wijken ontsluiten. De invalswegen: de A325, de Pleijroute en de N837. De Nijmeegseweg en Eldenseweg, die aansluiten op de Mandelabrug en de John Frost Brug vormen de verbindingen tussen het zuidelijke lussensysteem en het noordelijke radiaalsysteem. 3

Netwerk autoverkeer Rondom de stad ligt een ‘ruit’ van snelwegen die bestaat uit de A12, A50 en A15. Met de doortrekking van de A15 naar de A12 bij Zevenaar, gepland vóór 2020, is de ruit gesloten. Tot dat moment vormen de A325 en ‘Pleijroute’ de oostelijke zijde van de ruit. De Arnhemse radiaalwegen verbinden als spaken in een wiel de snelwegruit met de historische centrumring. Tussen de snelwegruit en de centrumring bevindt zich geen volledig tussenniveau in de vorm van een ceintuurbaan of stadsring, zoals veel andere steden die wel kennen. Arnhem kent een fijnmazig netwerk voor fietsverkeer, met een hiërarchie van een regionaal (snelfietsroutes), stedelijk en aanvullend 4

hoofdnetwerk. In Arnhem-noord wordt vanwege de hoogteverschillen relatief minder gefietst (ten gunste van OV) dan in het zuiden van de stad. In het verkeer over de rivier is het aandeel van de fiets ook relatief laag vanwege de drempelwerking van de Rijnbruggen. Het netwerk van treinen, bussen en trolleybussen in Arnhem is georganiseerd rondom één hart, Arnhem Centraal. Vandaar waaiert het netwerk in stervorm uit in alle windrichtingen. Als enige stad buiten de randstad heeft Arnhem een HST-station (Hoge SnelheidsTrein), ArnhemCentraal, een belangrijke halte in de oostwest-corridor mainport Schiphol-Ruhrgebied. De Arnhemse stationhaltes maken deel uit van de stationsknooppunten op de ’S-as’, de

spoorverbinding in regionaal verband die loopt van Wijchen in het zuidwesten tot Zevenaar in het oosten. Het voetgangersnetwerk is het meest fijnmazige verkeersnetwerk. Een centrale positie wordt ingenomen door het netwerk van looproutes en pleinen in het kernwinkelgebied van het centrum en het direct omliggend gebied, zoals Coehoorn, Arnhem Centraal, Velperpoortdistrict, Spijkerkwartier en Oostelijk Centrumgebied.

gescheiden door wegen voor autoverkeer. Deze ‘eilanden’ vormen voetgangersdomeinen met beslotenheid, fijne dooradering, veel groen en gescheiden van autoverkeer. In sommige ‘eilanden’, zoals bij het stadsdeelcentrum Kronenburg, is de auto dominant. Het stedelijk weefsel van de stad is er een van ‘scherven in het groen’ en niet een weefsel van een verdicht aaneengesloten stedelijk gebied. Er is veel open ruimte tussen clusters van bebouwing. Open ruimte die wordt bepaald door de grote groene wiggen in Noord, het rivierengebied van Rijn en IJssel en in Arnhem-Zuid de vaak forse maat van infrastructuur en de wijkopzet. Ook de ruimtelijke milieus in dit afwisselende weefsel kennen een grote variatie. Elke bouwperiode in de geschiedenis van de stad bracht eigen stedenbouwkundige idealen met zich mee en een eigen ruimtelijke verschijningsvorm. Arnhem kende geen concentrisch groeipatroon, wat leidde tot een atypische ruimtelijke spreiding van de verschillende historisch-ruimtelijke milieus

Voetgangersnetwerk; verschillen tussen Noord en Zuid Belangrijke ‘bronpunten’ daarin zijn ArnhemCentraal, station Velperpoort, bushaltes en parkeergarages. Vanuit Arnhem-Noord, dus ook vanuit het centrum, zijn er geen aantrekkelijke looproutes naar Arnhem-Zuid. Ten zuiden van de Rijn is het voetgangersnetwerk bovendien geen continu geheel, zoals in noord. Het netwerk is eerder een verzameling ‘eilanden’, van elkaar

Schema van een concentrisch groeipatroon en de ontwikkeling van het Arnhemse groeipatroon vergeleken met veel andere steden. De stad ontstond en ontwikkelde zich op de zandgronden van de stuwwal-gradiënt in noordelijke en westelijke richting. In

De groei van Arnhem in vier perioden. Per periode: in oranje de bestaande stad en in rood de uitbreiding. Het kaartbeeld beperkt zich tot de woongebieden. De groei vindt plaats in clusters die in de loop van de tijd als het ware met de klok meedraaien. Met Schuytgraaf is de ‘klok rond’. 5

de wederopbouwperiode na de tweede wereldoorlog groeide de stad vooral op de poldergronden in het oosten van de stad en vanaf de jaren ’70 in de tweede helft van de vorige eeuw vooral op de poldergonden aan de zuidkant van de rivier. Dit heeft geleid tot een typisch Arnhems patroon waarbij stadsuitbreidingen in een bepaalde periode geconcentreerd zijn in één windrichting. Zo liggen de wijken met de ‘organische stedenbouw’ (‘bloemkoolwijken’) uit de jaren ’70 geconcentreerd in Arnhem-Zuid. De werkmilieus hebben zich met name ontwikkeld aan de oostflank van de stad, bediend door spooremplacement en ligging aan de rivier; de bedrijventerreinen Westervoortsedijk, Het Broek, Kleefse Waard-Koningspleij-Noord, IJsseloord I en II. In hoofdstuk 3 worden de bestaande ruimtelijke milieus van de stad nader gekarakteriseerd (‘Typologie van ruimtelijke milieus’). Het gaat om ruimtelijke kenmerken die karakteristiek zijn voor de afzonderlijke milieus en bepalend voor de diversiteit van de stad. Het behoud van deze karakteristiek en verscheidenheid is een kernopgave voor de toekomst van de stad. Dat betekent niet dat ruimtelijke ingrepen en initiatieven worden geweerd, het betekent wel dat deze ingrepen en initiatieven voortbouwen op deze karakteristiek en de diversiteit op stadniveau koesteren en verrijken.

De combinatie van de verschillende lagen –de landschappelijke onderlegger, de hoofdlijnen van het groen-blauwe netwerk en het mobiliteitsnetwerk, het stedelijk weefsel met karakteristieke ruimtelijke milieus– bepaalt de ruimtelijke hoofdstructuur van Arnhem. De ruimtelijke hoofdstructuur vormt de basis en vertrekpunt voor toekomstige ontwikkelingen. Welke dynamiek tekent zich af, wat is de koers die wordt voorgestaan met betrekking tot de ruimtelijke hoofdstructuur? Daarop wordt ingegaan in 1.3, het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief.

6

1.3 Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief 1.3.1 De principes Het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor de stad bestaat uit een aantal principes en een kaartbeeld met toelichting. Het is een ontwikkelingsperspectief in hoofdlijnen dat in de hoofdstukken 2 en 3 verder wordt uitgewerkt: in hoofdstuk 2 de uitwerking naar thema’s, in hoofdstuk 3 de uitwerking naar gebieden. In hoofdstuk 4 wordt de agenda beschreven voor drie op te stellen structuurvisie-uitwerkingen. De demografische toekomst van de stad kleurt in belangrijke mate het toekomstbeeld. In de demografische toekomst van de stad tekent zich een beeld af van afvlakkende groeicurven en op termijn zelfs krimp: de eerstkomende periode zal Arnhem nog een groei doormaken van ca. 9% tot even onder de 160.000 inwoners in 2030. De verwachting is dat tussen 2030 en 2040 een omslag plaatsvindt waarbij de groeicurve afvlakt en krimp van de bevolking kan optreden. De relatief jonge bevolkingsopbouw in Arnhem maakt dat deze krimpperiode voor Arnhem in de voorspellingen iets verder weg ligt dan het Gelders gemiddelde. De bevolkingsopbouw zal veranderen: vergrijzing zal sterk toenemen en het aantal eenpersoons-huishoudens in de stad zal sterk groeien. Veranderingen zowel kwantitatief als kwalitatief dienen zich aan. De mate waarin en het tempo waarmee zijn onzeker.

Zeker is dat de toekomstige ruimtevraag binnen de bestaande stad zal worden opgelost; een ‘tweede Schuytgraaf’ dient zich niet aan. Dit leidt tot het eerste principe:

Principe 1. Herbronnen en herijken Wat maakt een stad tot een goede stad? Het gaat om het onderkennen, het vasthouden van de eigen kwaliteiten van de stad en het daarop voortbouwen. Vasthouden betekent niet ‘conserveren’; de stad is altijd in verandering. Het betekent dat de stad bij nieuwe ontwikkelingen ‘dicht bij zichzelf blijft’; de bestaande, eigen kwaliteiten van de stad; het ruimtelijk DNA, ontstaan in de historie van de stad, is vertrekpunt en context bij nieuwe ontwikkelingen. De landschappelijke onderlegger van Veluws plateau en gradiënt, rivierzone en poldergronden

is het fundament van het Arnhemse DNA; hierop heeft het stedelijk weefsel zich ontwikkeld, in kleine stappen -planmatig en organisch- in Noord, in grote stappen –planmatig- in Zuid. Het heeft geleid tot de kwaliteit en diversiteit van de stad, geschetst in hoofdstuk 1.2 en uitgewerkt in hoofdstuk 3. Met afvlakkende groeicurven en onzekerheid over stedelijke ontwikkelingsopgaven in de toekomst wordt die bestaande stad steeds belangrijker. Ruimte moet worden geboden aan een andere ruimtelijke ontwikkelingsstrategie, een strategie die denkt en handelt vanuit de bestaande stad. Steeds meer zullen de ruimtelijke opgaven in de stad zich aandienen als herstructurering en transformatie van bestaand stedelijk gebied. Nieuwe opgaven moeten worden bediend, voortbouwend op de kwaliteiten van de bestaande stad, het groen-blauwe netwerk, de karakteristieken van de verschillende ruimtelijke milieus, de diversiteit van de stad. Het waarderen en op de kaart zetten van de kwaliteiten van de bestaande ruimtelijke milieus en netwerken ten behoeve van deze toekomstige opgaven van herstructurering en transformatie is daarmee een ‘herbronnen’ van het werken aan de stad; de wortels van de toekomstige stad liggen in de actuele stad, de wortels van de actuele stad liggen in de historische stad.

De structuurvisie beschrijft en waardeert deze actuele en historische kwaliteiten: in hoofdstuk 2 de uitwerking voor de thema’s ‘cultuurhistorie’ en het ‘groen-blauwe netwerk’; in hoofdstuk 3 de karakterisering van ruimtelijke milieus. Groei is op termijn niet meer vanzelfsprekend en huishoudens en leefstijlen veranderen. Ruimtelijke programma’s die zijn ontwikkeld voor een sterke doorgaande groei vragen herijking. De crisis op de financiële en vastgoedmarkten maakt deze herijking urgent. In hoofdstuk 2 (thema’s wonen en economie) wordt ingegaan op de toekomstige ontwikkeling van ruimtelijke programma’s voor wonen en economie in de stad. Meer dan voorheen vraagt deze herijking en sturing vanuit een stadsbreed perspectief: geen overprogrammering, vermijden van ongewenste competitie tussen gebiedsontwikkelingen en maximale meerwaarde voor de stad als geheel. In hoofdstuk 4 Uitvoeringsstrategie worden in deze lijn de principes bij programmering verder uitgewerkt. 7

Principe 2: Van eindplan naar koers De ontwikkeling van de stad kent veel onzekerheden; geen gestage, trendmatige groei maar een afvlakkende ontwikkeling met trendbreuken naar mogelijke krimp en een heel andere samenstelling van de vraag op de woningmarkt. Het zijn ontwikkelingen die nieuw zijn voor de stad en daarmee opgaven die onbekend zijn. Einde van het aanbodgericht bouwen heeft zich aangediend; vraaggericht bouwen is de kernopgave. Alleen die toekomstige vraag is (kwantitatief maar vooral kwalitatief) voor een groot deel onbekend en zal nog veranderingen doormaken. Dat betekent voor de benadering in de structuurvisie: het aanduiden van koersen in plaats van eindbeelden, fasering en stapsgewijze realisatie, flexibiliteit en regie op samenhang in de stad. Geen eindplan, maar het aangeven van koersen. In het kaartbeeld van het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief zijn de belangrijkste gebieden gemarkeerd waar herstructurering en/of transformatie in het verschiet ligt; de ‘koersgebieden’. Voor deze gebieden is geen plan of eindconcept gepresenteerd maar is in hoofdstuk 3 een globale koers beschreven op weg naar 2020 met in een aantal gevallen een doorkijk naar de periode daarna. Een koers die recht doet aan de locatie en recht doet aan de stad.

Een soortgelijke benadering geldt bij andere onderdelen van de structuurvisie zoals de ambities met betrekking tot het groen-blauwe netwerk. De precieze invulling en fasering hangt af van concrete initiatieven en de markt. De structuurvisie is het kompas zodat de koers voor plek en stad niet verwatert, competitie tussen gebiedsontwikkelingen wordt vermeden en regie plaatsvindt op stadsbrede samenhang en synergie . De proces-gerichte benadering komt ook naar voren in een zekere fasering van beleidsontwikkeling; bepaalde beleidsopgaven die nadere uitwerking vragen worden geagendeerd als latere structuurvisie-uitwerkingen: ‘Stad aan de rivier’, ‘Duurzame energie’ en ‘Wijkvernieuwing in Zuid’. Opgaven moeten nog verder uitkristalliseren (Deltaprogramma grote rivieren), moeten samen oplopen met andere beleidstrajecten (de Arnhemse Energiestrategie) of vragen een voorbereiding en aanpak met andere partijen (Wijkvernieuwing in zuid). 8

Principe 3: Van tweedeling naar drieeenheid Arnhem is ‘stad op het zand’, ‘stad in de polder’ en ‘stad aan de rivier’. Ontstaan als stad op het zand op een kruising van beek en handelswegen, lag de stad lange tijd geïsoleerd van de rivier. Met de ontwikkeling van het zuidelijk stadsdeel in de tweede helft van de 20e eeuw ligt de rivierzone in het hart van de stad. Maar voor een groot deel ligt de stad nog steeds met de rug naar de rivier en vormt de rivierzone in de beleving een barrière in de stad. Het markeert een tweedeling in de stad, een tweedeling tussen ‘noord’ en ‘zuid’. Inzet voor de toekomst is een rivierzone die noord en zuid verbindt: kansen worden benut voor nieuwe rivierkruisende verbindingen voor langzaam verkeer, personenvervoer over water, voor een ‘stad aan de rivier’ met open en aantrekkelijke rivierfronten, waarbij StadsblokkenMeinerswijk zich ontwikkelt tot een aantrekkelijke en bereikbare ontmoetingsplek in de stad tussen noord en zuid.

Van tweedeling naar drie-eenheid Het past in de ontwikkelingsgang van de stad: eerst ‘de stad op het zand’, toen ‘de stad in de polder’ en nu ‘de stad aan de rivier’ als opgave; van tweedeling naar drie-eenheid. Het principe van ‘de verbindende rivierzone’ zal zoveel mogelijk haar doorwerking krijgen in uiteenlopende initiatieven op de korte en lange termijn: gebiedsontwikkelingen op de beide rivieroevers (Arnhems Buiten, Schuytgraaf,

Binnenstad-Zuid/ Rijnboog, StadsblokkenMeinerswijk, Oostelijk Centrumgebied, Kleefse Waard-Koningspleij-Noord) en toekomstige ruimtelijke investeringen in kades en dijken in verband met stabiliteit en veiligheid. In een nadere structuurvisie-uitwerking ‘Stad aan de rivier’ zullen de verschillende opgaven in samenhang worden uitgewerkt: ruimtelijkstedenbouwkundige opgaven, bereikbaarheidsen waterstaatkundige opgaven.

Principe 4: Cyclisch en adaptief De Agenda voor de Structuurvisie (maart 2011) noteert voor de toekomst een koersverlegging van kwantitatieve opgaven naar kwalitatieve opgaven. Een cyclische aanpak zowel met betrekking tot ruimte als energie behoort tot de toekomstige kernopgaven van de stad. De toekomstige ruimtevraag vraagt meer en meer een aanpak van herstructurering en transformatie van de bestaande stad. Deze aanpak is uitgewerkt naar gebieden in hoofdstuk 3. In het energiegebruik stelt de stad zich voor de langere termijn ten doel een transitie tot stand te brengen van fossiele naar duurzame, hernieuwbare energiebronnen. De energietransitie raakt de gehele keten: energiebronnen, netwerken, gebruikers. Maar ook aanpassing wordt van de stad gevraagd; een ‘adaptieve stad’. De klimaatverandering leidt tot grotere extremen, waar de stad op in moet spelen; pieken in waterberging en –afvoer, verdroging, hitte en comfort in het stedelijk gebied. De aanpak is beschreven in hoofdstuk 2, het Groen-blauwe netwerk (2.3), Energie (2.5) en Hitte (2.6).

Principe 5: Ondergrond en bovengrond Duurzaam omgaan met ruimte en energie beperkt zich niet tot de bovengrond van de stad. Inzet is regie op samenhang tussen ondergrondse en bovengrondse belangen. Enerzijds kent Arnhem door haar ligging een complexe bodemopbouw en anderzijds neemt de ondergrondse drukte toe: ondergrondse bouwwerken en infrastructuur vragen ruimte, funderingen, grondwaterbeheer, archeologische waarden, kansen voor bodemenergie, opgaven van bodemverontreiniging, aanwezigheid van conventionele explosieven. In de lijn van de aanpak van deze structuurvisie

wordt in 2.10 een aantal principes benoemd en hoofdkoersen voor de ondergrondse ordening van de stad. Voor een optimale benutting van de kansen voor bodemenergie zijn ordeningsprincipes op kaart gezet voor KoudeWarmte-opslag in Arnhem (2.5). In de bovengrond verdient hoogbouw apart aandacht. Ook hier is het beleid met betrekking tot hoogbouw niet neergelegd in een uitgewerkt eindbeeld maar verwoord aan de hand van principes; geen beleidskaart, wel zes principes voor hoogbouw (2.11).

Principe 6: ‘Chique en basic’ De aantrekkelijke landschappelijke setting van de stad heeft geleid tot een palet van hoogwaardige woonmilieus en woningen in de stad. Daarnaast is in Arnhem het goedkope segment (huur en koop) sterk vertegenwoordigd, voor een groot deel terug te voeren op huisvestingsopgaven in het industriële verleden van de stad. Deze opbouw van ‘chique en basic’, ‘hoogwaardig en betaalbaar’ vraagt op korte termijn toevoeging in het middensegment, zodat doorstroming op de stedelijke woningmarkt wordt bevorderd. Op langere termijn vraagt een voldoende breed palet aan woonmilieus in de stad inzet op meer hoogwaardig wonen. In zekere zin is het principe ook van toepassing op de Arnhemse economie. De inzet richt zich op sterke en kansrijke sectoren: zakelijke dienstverlening, toerisme en vrije tijd, zorg en welzijn als actueel sterke sectoren respectievelijk energie- en milieutechnologie en mode & vormgeving als kansrijke sectoren. De stedelijke economie biedt met de economische ketens in en rondom deze sectoren werkgelegenheid in zowel het hoogwaardige segment als op basisniveau.

Principe 7: ‘Mobiliteit en leefkwaliteit’ Bij ongewijzigd beleid zal het autoverkeer in de stad tot 2020 met zo’n 20% toenemen; dit zou consequenties van formaat hebben voor de benodigde verkeersruimte voor de auto en de leefkwaliteit van de stad. Arnhem heeft nog veel te winnen bij een consequent beleid dat inzet op verschuiving in vervoerswijzekeuze: meer fiets en openbaar vervoer kan het tij keren. In vergelijking met andere steden liggen hier nog aanzienlijke kansen; kansen tot verbetering en uitbreiding van de fietsinfrastructuur in Arnhem-Noord, 9

tussen Noord en Zuid, snelfietsroutes op bovenlokale schaal, verbetering en verdichting van het openbaar vervoersnetwerk in Zuid, uitrol van HOV-busverbindingen in de regio en verbetering en vernieuwing van spoorcorridors en stationsknooppunten.

1.3.2 De stad Het kaartbeeld ‘Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief’ geeft een schets van de ruimtelijke ambities in hoofdlijnen. Nieuwe ontwikkelingen zijn geënt op- en doen recht aan de rijke landschappelijke ondergrond van Veluwse plateau en gradiënt, poldergronden en rivierzone. (uitgewerkt in hoofdstuk 2.2 en 2.3). Nieuwe ontwikkelingen bouwen voort op en doen recht aan de karakteristieken van de ruimtelijke milieus (uitgewerkt in hoofdstuk 3, typologie van ruimtelijke milieus). Er zijn de ambities met betrekking tot het groen-blauwe netwerk: de goene wiggen in noord, de beken bovengronds, versterken van herkenbaarheid van Limes en Grift in Zuid, completeren EHS en versterken overige structuren van het groen blauw netwerk in Noord en Zuid. Het gaat om belangen van landschap, ecologie en waterbeheer. De volledige inzet met betrekking tot cultuurhistorie en het groen-blauwe netwerk is beschreven in de hoofdstukken 2.2 en 2.3. De opties voor het toekomstige mobiliteitsnetwerk. Ingezet wordt op fiets, openbaar vervoer en het beter benutten van de bestaande verkeersruimte. Zo wordt vóór 2020 ingezet op nieuwe rivierkruisende verbindingen voor langzaam verkeer, waaronder een fietsbrug aan de westkant van de stad. Op termijn is realisering van twee nieuwe stationhaltes, Pleij en Arnhems Buiten, een wenselijke optie.

In hoofdstuk 2.4 is de inzet met betrekking tot het Mobiliteitsnetwerk in volle breedte nader uitgewerkt. Met een zwarte omlijning zijn de ‘koersgebieden’ aangewezen; ruimtelijke milieus in de stad waar belangrijke ontwikkelingen in het verschiet liggen, met name herstructurering en transformatie. De ontwikkeling kan betrekking hebben op de periode tot 2020 en/of tot 2040. Voor de ontwikkelingsrichting van deze gebieden geeft de structuurvisie indicaties (zie hoofdstuk 3.3). Verschillende typen koersgebieden worden

10

daarbij onderscheiden: gemengd stedelijk gebied, woonlandschappen, werklandschappen, stationsknooppunten en het buitengebied. Buitengebied-Noord kent daarbij een nadere zonering: ten noorden van de Koningsweg de zone ‘Natuur’ en ten zuiden de zone ‘Natuur en cultuur’. Op het kaartbeeld ‘Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief’ zijn drie gebieden gemarkeerd waarvoor een nadere structuurvisie-uitwerking zal worden opgesteld: ‘Stad aan de rivier’, Wijkvernieuwing in Zuid’ en ’Duurzame energie’. Het gaat om thema’s van stedelijk belang die nu worden geagendeerd maar waarvan de aanpak nog moet worden uitgewerkt. In hoofdstuk 4 Uitvoeringsstrategie is dit verder beschreven.

1.3.3 De Stadspassage De ‘Stadspassage’ geldt als een strategische zone in het hart van de stad die meerdere stadsmilieus en koersgebieden overkoepelt en verbindt: het mobiliteitsknooppunt Arnhem-Centraal, de historische binnenstad, de binnenstad aan de Rijn (‘Rijnboog’), de ontmoetingsplek NoordZuid op de zuidoever (Stadsblokken) en het woonlandschap in Zuid. Als afzonderlijke koersgebieden worden deze beschreven in hoofdstuk 3. Tezamen vormen deze gebieden een samenhangende reeks met een belang op stedelijke schaal. De inzet is gericht op samenhangende uitvoering van strategische gebiedsprojecten en investeringsprojecten openbare ruimte in deze zone. Projecten, die van groot belang zijn voor de aantrekkelijkheid en bereikbaarheid van het stadshart. De afbeelding ‘Stadspassage’ markeert de positie in het hart van de stad en het belang van aanhechting tussen de verschillende deelgebieden. Er liggen vooral opgaven langs de breuklijnen tussen verschillende deelgebieden, zoals tussen de voetgangersdomeinen in de historische binnenstad en de zuidelijke binnenstad. Ook de aanhechting met gebieden rondom de Stadspassage neemt een belangrijke plaats in. Het stedelijk belang van deze samenhangende reeks van projecten vraagt daarmee sturing niet alleen op de afzonderlijke projecten maar ook en vooral sturing op de samenhang.

In de beeldenreeks ‘Stadspassage’ is hiervan een illustratie gegeven. Achtereenvolgens schetst deze beeldenreeks:

Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief. Het kaartbeeld van het Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief is nader uitgewerkt in hoofdstuk 2 (naar thema’s) en hoofdstuk 3 (naar gebieden).

11

reeks 1 - de positie van de stadspassage in de stad; - met name de overgangen tussen de verschillende deelgebieden zijn van groot belang; - de stadspassage met openingen naar omliggende gebieden; - de stadspassage als schakel tussen landschappelijke structuren: de stuwwal met Jansbeek in noord, de rivierzone, het polderlandschap in zuid; reeks 2 - aansluitingen autoverkeer, in rood: de opgaven; - aansluitingen langzaam verkeer, in rood: de opgaven; reeks 3 - de kromme voetgangersstraten van de historische binnenstad naar de rivier, in rood de opgaven; - de voetgangersroutes oost-west, in rood de opgaven; reeks 4 - de Rijnkade als continue promenade, in rood de opgaven; - pleinen en plekken, in rood de opgaven; reeks 5 - de optelsom van verbindingen en openbare ruimte, in rood de opgaven. In hoofdstuk 3 wordt dit in de betreffende afzonderlijke koersgebieden verder uitgewerkt. Samengevat, gaat het bij de opgaven om verbindingen voor autoverkeer, voor langzaam verkeer, het gaat om de aanhechtingen van de singel op de kade, een kade als continue promenade, de entrees naar de binnenstad (Jansstraat en Rijnstraat). Het gaat om de verbinding naar de zuidoever: Stadsblokken, waar in de toekomst een nieuwe publieke functie de footprint en bestemming vormt vanuit de binnenstad maar tegelijk een bestemming en steppingstone is naar en vanuit Zuid.

Stadsblokken samen met Meinerswijk als stedelijke ontmoetingplek voor Noord en Zuid. In combinatie met een nieuwe fietsbrug over de Nederrijn meer westelijk en een mogelijke 12

extra veerverbinding meer oostelijk, wordt het bereikbaarheidsprofiel van Zuid voor langzaam verkeer zowel fysiek als in de beleving van (toekomstige) bewoners sterk verbeterd. Daarbij groeit Stadsblokken-Meinerswijk uit tot een nieuwe ontmoetingsplek voor Noord en zuid, hand-in-hand met een nieuwe ontsluiting voor langzaam verkeer van met name Stadsblokken. Om deze ‘landingsplaats’ op de zuidoever daadwerkelijk te laten uitgroeien tot de stedelijke ontmoetingsplek tussen Noord en Zuid, zal verdere aantakking naar Zuid moeten plaatsvinden (langzaam-verkeer-verbindingen over de ‘groene rivier’ richting Malburgen). Het belang van de binnenstad is evident. Het gaat om investeringen in de binnenstad zelf (zie 3.3.1) maar ook om de aanhechting van de binnenstad aan de gebieden rondom; een nieuwe aanhechting die met de vernieuwing van de Steenstraat en de routing naar het Modekwartier in Klarendal / station Velperpoort al volop ter hand is genomen. Het gaat om ‘uitrol van de binnenstad’ in het belang van de binnenstad, en daarmee in het belang van de stad. Het gaat bij al deze schakels in de openbare ruimte niet alleen om investeringen in betere aanhechting en functionele verbindingen voor (met name) langzaam verkeer maar vooral ook om investeringen in de kwaliteit van de openbare ruimte.

Zo vragen naast de genoemde schakels in de openbare ruimte ook de pleinen in de binnenstad aandacht; plaatselijk zijn ruimtelijke ingrepen gewenst gericht op meer aantrekkelijke en besloten verblijfsgebieden. De ambities voor de Stadspassage zijn van strategische betekenis in de ontwikkeling van de stad. Het is geen gebiedsontwikkeling in een strak georganiseerd planproces in een kort tijdsbestek. Het belang ligt in een samenhangende realisatie van ruimtelijke ingrepen en ontwikkelingen in de totale zone van de Stadspassage.

1

1.

Structuurvisie

2.

3.

4.

5. 1. Stadspassage, overgangen tussen deelgebieden, relaties naar omgeving 2. Aansluitingen autoverkeer/ langzaam verkeer (rood: opgaven) 3. Voetgangerroutes noord-zuid en oost-west (rood: opgaven) 4. Rijnkade als continue promenade/ pleinen (rood: opgaven) 5. Overzicht van verbindingen en openbare ruimte (rood: opgaven)

13

1.3.4 De Oost-west-zone Een centrale Oost-west Zone tekent zich af waar de stedelijke dynamiek zich concentreert en waar de belangrijkste ontwikkelingen en opgaven samenkomen: - de koersgebieden inclusief de stationsknooppunten vormen een aaneengesloten gebiedsreeks op de noord- en zuidoever met ontwikkelingsrichting en opgaven; - de ‘stadspassage’ ligt als centrale schakel tussen noord- en zuidoever in het hart van deze zone;

- het gebied, gemarkeerd als nadere structuurvisieuitwerking ‘Rivierzone’ (zie hoofdstuk 4 Uitvoeringsstrategie) met uit te werken opgaven van waterveiligheid (dijken en kades), stedenbouw (‘gezicht naar de rivier’ bij gebiedsontwikkelingen op beide rivieroevers) en bereikbaarheid (vervoer en verbindingen over water); - ‘van tweedeling naar drie-eenheid’ als belangrijk overkoepelend principe.

Oost-west- zone waar stedelijke dynamiek en opgaven zich concentreren: koersgebieden, stadspassage, uitwerking rivierzone.

14

2. RUIMTELIJK ONTWIKKELINGSPERSPECTIEF UITGEWERKT: THEMA’S 2.1 Introductie Dit hoofdstuk geeft een uitwerking van het Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief uit hoofdstuk 1.3 naar een aantal specifieke thema’s. In 2.2. gaat het over opgaven en kansen die samenhangen met cultuurhistorische belangen. De landschappelijke onderlegger wordt daar beschreven. Op dat onderdeel wordt voortgebouwd in hoofdstuk 2.3, met een beschrijving van het Groen-Blauwe raamwerk. In 2.4. het thema mobiliteit, in 2.5 energie, gevolgd door een specifiek klimaatthema ‘hitte’ in 2.6. Het bredere thema ‘klimaat’ komt in de structuurvisie op verschillende plekken aan de orde. Daarbij is er een directe relatie met ‘energie’ (2.5). Arnhem zet met haar nieuwe energiestrategie in op een transitie van fossiele naar duurzame energiebronnen en toepassen van energiebesparing, ook wel: het spoor van ‘mitigatie’, het verminderen van klimaatverandering. Maar daarnaast moet de stad zich voorbereiden op en aanpassen aan gevolgen van klimaatverandering: het spoor van ‘adaptatie’. Het gaat om grotere extremen met betrekking tot waterberging en –afvoer en temperatuur/ hitte. Steden zijn gevoelig voor zulke extremen; er ontstaat snel overlast, schade en risico’s.

In de structuurvisie gaat het zowel om bijdragen aan energietransitie/ mitigatie (2.5 Energie) als over de voorbereiding en aanpassing van de stad op klimaatverandering: wateropgaven van berging en afvoer in 2.3 Groen-blauwe raamwerk, hitte en comfort in de stad in 2.6. Tot slot wordt in 4. Uitvoeringsstrategie een structuurvisieuitwerking ‘Rivierzone’ geagendeerd met stevige klimaatgerelateerde wateropgaven. In hoofdstuk 2.7 Milieu komt de gewenste milieukwaliteit aan de orde voor verschillende gebiedstypen. Voor de structuurvisie is een aparte milieueffectrapportage, een zogenaamde planMER, opgesteld. De planMER vormt een afzonderlijke bijlage bij de structuurvisie.

De Commissie m.e.r. heeft advies uitgebracht over het planMER (april 2012). Naar aanleiding daarvan is in 2.7.3 een aantal punten uit de planMER nader toegelicht en zijn in 4.7 aandachtspunten voor het vervolg benoemd. De thema’s wonen en economie in 2.8 en 2.9 behandelen onder meer de toekomstige ruimtevraag. Ruimtelijk programmeren in de toekomst vraagt een nieuwe benadering; vraaggericht, grotere onzekerheden, meer flexibiliteit, meer fasering, maar tegelijk regie op samenhang in de stad als geheel. In hoofdstuk 4 ‘Uitvoeringsstrategie’ wordt een aantal principes beschreven, te hanteren bij ruimtelijk programmeren. Hoofdstuk 2 sluit af met de ‘derde dimensie’; regie met betrekking tot ruimteclaims in de ondergrond (2.10) en ruimteclaims in hoogte in de bovengrond: hoogbouw (2.11).

2.2 Cultuurhistorie 2.2.1 Wat Arnhem tot Arnhem maakt Het Arnhem dat we vandaag kennen is het resultaat van een lange en rijke ontwikkelingsgeschiedenis. Door met respect om te gaan met het Arnhems verleden, wordt de aantrekkelijkheid van Arnhem versterkt en wordt een bijdrage geleverd aan de eigen identiteit, een herkenbare leefomgeving, een aantrekkelijk vestigingsklimaat en kansen voor toerisme en recreatie. De historie en identiteit van de stad wordt voor een belangrijk deel bepaald door gebouwen, maar zeker ook door ruimtelijke elementen zoals landschappen, parken, dijken, wegen of de stedenbouwkundige structuur van een wijk. Voor de structuurvisie is vooral het erfgoed van belang in de vorm van grotere lijnen, gebieden en structuren die betekenis hebben op stedelijke schaal. De ruimtelijke historische elementen die essentieel zijn voor Arnhem als geheel, vormen 15

samen de cultuurhistorische hoofdstructuur (zie kaartbeeld). Naast deze zichtbare elementen zijn er ook veel ‘verstopte’ getuigen van de geschiedenis (archeologie). De basis van de cultuurhistorische hoofdstructuur

Cultuurhistorische hoofdstructuur Arnhem 16

van Arnhem wordt gevormd door de vier landschappelijke hoofdzones: het Veluws plateau, de Veluwse gradiënt, rivierzone en de poldergronden. In de historische stadskern ontmoeten deze zones elkaar. De ligging op

het kruispunt van landschappen geeft Arnhem een rijke ruimtelijke diversiteit die uniek is in Nederland. Aan deze landschappelijke basis zijn in de geschiedenis verschillende tijdslagen toegevoegd. De eerste bewoners op de stuwwal 3500 jaar geleden lieten als zichtbare sporen onder meer grafheuvels na. Kort na het begin van de jaartelling werd de Rijn de noordelijke grens van het Romeinse keizerrijk waardoor het grondgebied van Arnhem deel werd van de ‘Limes’. In de middeleeuwen vormde zich de kern van de stad, die nu nog steeds te herkennen is aan het stratenpatroon van de binnenstad. Na die tijd groeide Arnhem uit tot centrum van bestuur en rechtspraak en in de 18e eeuw tot ‘Arnhem de Genoeglijkste’, met riante buitenplaatsen in het groen. In de eerste helft van de 19e eeuw werd de vesting van de stad ontmanteld, waarna stadsuitbreiding plaatsvond voor gefortuneerde burgers: het ‘Haagje van het Oosten’. In de eerste helft van de 20e eeuw volgde industrialisatie en de ‘sprong over de rivier’ met de bouw van Malburgen. In de periode na de tweede wereldoorlog groeide de stad ten zuiden van de Rijn uit tot een stadsdeel met evenveel inwoners als het noorden. De zones gradiënt, kern en rivierzone hebben de sterkste onderlinge samenhang.

Daarnaast zijn de gradiënt en rivierzone onderdeel van doorgaande, bovenlokale structuren met grote betekenis voor de cultuurhistorische samenhang op regionaal, nationaal en internationaal niveau, zoals het ‘Gelders Arcadië’, de IJssellinie, de Slag om Arnhem en de Limes. Het Nederlands deel van de Limes is geplaatst op de voorlopige lijst voor UNESCO werelderfgoed.

Cultuurhistorische kansenkaart. Er wordt gestreefd naar: - Behouden en versterken van de karakteristieken van de landschappelijke zones, stuwwal, gradiënt, kern, rivierzone en polderzone - Continueren van de rijke en gevarieerde uitstraling van de gradiënt (‘Gelders Arcadië’) met uitlopers naar de kern in de vorm van groene wiggen, beekdalen en radiaalwegen - Versterken van de herkenbaarheid van de binnenstad als compacte kern met daarbinnen de middeleeuwse en 19e-eeuwse structuur, en het wederopbouwgebied - Conserveren van het ‘ruige karakter’ van de riviergronden met daarbinnen de kansen voor het versterken van de onderlinge samenhang van ‘verstopte’ elementen - Continueren van de structuur van de stuwwal met de in zichzelf gekeerde terreinen - Koesteren en versterken van de nog aanwezige historische elementen in de poldergronden - Herbestemmen van waardevolle gebouwen die in toenemende mate hun functie verliezen, zoals kerken en bijzondere kantoorgebouwen - Zichtbaar maken van het rijke militaire verleden van Arnhem.

2.2.2 Ambitie en inzet De rijkdom van Arnhemse cultuurhistorie is kader en inspiratiebron bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. Hierbij ligt het accent op ‘behoud door ontwikkeling’ in plaats van ‘behoud door bescherming’. De cultuurhistorie moet een actieve rol spelen op een vroeg moment in veranderingsprocessen en ontwerpkeuzen. Uitgangspunt is cultuurhistorie als kans in te zetten en niet als beperking. De kansen die cultuurhistorie biedt bij ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen zijn zichtbaar gemaakt op de

17

Legenda CULTUURHISTORISCHE KANSENKAART Stuwwal grafheuvels conserveren en markeren

Kern continueren compacte kern

radialen versterken en fijnmazig netwerk inzetten voor recreatief gebruik binnen terreinen accenten versterken en poorten zichtbaar houden

relatie met rivier versterken

Gradiënt continueren uitstraling ‘Gelders Arcadië’

dooradering van beken

beken en sprengen versterken groene en rode wiggen koesteren en versterken

Cultuurhistorische Kansenkaart

18

‘wandeling van Heuvelink’ complementeren

Riviergronden continueren blauw/ groene zone verborgen elementen ontsluiten rivier als militaire grens beleefbaar maken samenhang tussen elementen versterken

Poldergronden elementen behouden en versterken samenhang tussen elementen versterken versterken van radialen, reagerend op elke zone Gemeentegrens

militair verleden zichtbaar maken Cultuurhistorische Kansenkaart Arnhem definitief 100114

2.2.3 Karakteristiek, ambitie en inzet per landschappelijke zone Veluws plateau Ten noorden van de stad liggen de uitgestrekte bossen met beken en heidevelden van de Veluwe met aan de zoom een kleinschalig agrarisch landschap. Het is een groene zone, hoog en droog, waarin verschillende elementen en lijnen ‘verstopt’ liggen: zichtbare en onzichtbare archeologie, een netwerk aan ontginningswegen en radiaalwegen, en terreinen en relicten van militair gebruik. De eerste bewoners vestigden zich ongeveer 3500 jaar geleden op de stuwwal. Grafheuvels zijn de zichtbare sporen van deze vroegste tijd. Na ontbossing (door houtkap voor de ijzerindustrie) en begrazing ontstonden zandverstuivingen die vanaf de 15e eeuw een halt werden toegeroepen, toen land- en bosbouw een nieuwe impuls kreeg onder de geestelijkheid en landheren. Arnhem werd weer groen. Dit groen strekt zich nog steeds als groene wiggen uit tot in het hart van de stad. Droge dalen leenden zich uitstekend voor wegen die uitwaaieren vanuit de kern van de stad. Deze ‘radialen’ voeren door meerdere landschappelijke zones. Rijdend over deze wegen is de overgang van de Veluwe naar de stad goed ervaarbaar. Het Arnhemse buitengebied bleek vanwege de ruimte, bosrijke omgeving en goede toegankelijkheid ideaal voor militaire doeleinden, instellingen voor gezondheidszorg en recreatievoorzieningen.

Daarom richtte men langs de radialen terreinen in voor “ruimtevragende activiteiten”, gekenmerkt door de verborgen ligging in de bossen. Veluwse gradiënt De overgang van de Veluwe naar de rivier en polder kenmerkt zich door zichtbare hoogteverschillen en een afwisseling aan open- en beslotenheid. De zone bevat een rijke schakering aan beekdalen, landgoederen, parken en stedelijke bebouwing. Van oudsher is de zone een aantrekkelijke vestigingsplaats, bestaande uit hoge en lage plekken met water voor mensen, vee en akkers. De beekdalen benadrukken de gradiënten in het landschap. Veel van de beken, die van de stuwwal afstromen in de richting van de rivieren, waren de natuurlijke vestigingsplaats voor de eerste industriële activiteiten. Om beken en daar

gelegen watermolens te voeden, groef men ook kunstmatige ‘beken’ of sprengen. Na de periode van nijverheid werden de beken onderdeel van landgoederen. Een aantal beken is (deels) ondergronds gebracht sinds de 19de eeuw. De groene zone met aantrekkelijke vergezichten trok welgestelden aan om hier landgoederen en buitenplaatsen aan te leggen. Er ontstaat een uitgestrekte zone van landgoederen en buitenplaatsen van Wageningen tot Rheden: het ‘Gelders Arcadië’. De aanleg van het spoor in de tweede helft van de 19e eeuw trok nog meer welgestelden uit het westen en zo ontstond het ‘Haagje van het Oosten’. Arnhem werd nog groener door de ontmanteling van de vestingwerken vanaf 1817. Veel oudIndiëgangers waardeerden de groene en reliëfrijke omgeving van de stad en bouwden villa’s aan radialen zoals de Velperweg en de Utrechtseweg. De latere stedenbouw speelt eveneens in op de hoogteverschillen van Arnhem, wat karakteristieke, reliëfrijke stadswijken heeft opgeleverd. Reliëf zorgde hier ook voor specifieke stedenbouwkundige oplossingen. Panorama’s en zichtlijnen zijn onlosmakelijk verbonden met de kenmerkende hoogteverschillen van Arnhem, zoals bij de Steenen Tafel bij Klarenbeek.

Bijzonder is de plek waar stuwwal en rivier elkaar in de stad ontmoeten in de smalle zone ‘Onderlangs’, westelijk van de binnenstad Rivierzone Het dynamische rivierenlandschap van Rijn en IJssel met hun uiterwaarden is historisch van grote betekenis als militaire grens, als wingebied voor delfstoffen en -nog steeds- als transportaders. De rivieren vormen de grens tussen de hoge, droge gronden en de laag gelegen poldergebieden. Rond 1300 raakten de rivieren door dijken ingesnoerd. De Huissensedijk markeert nu nog de loop van een oude Rijnstrang. Op gezag van hertog Karel van Gelre werd de Rijn tussen 1530 en 1536 naar het noorden verlegd richting de stad, om de handelspositie van Arnhem te versterken. Daardoor kwamen de stadswaarden (Stadsblokken en een deel Malburgen) aan de zuidzijde van de rivier te liggen. De Rijn bleef voor Arnhem de zuidgrens tot aan de jaren ’30 van de vorige eeuw. Toen waagde men de sprong over de rivier met de start van de bouw van de wijk Malburgen. Oude veren en de schipbrug maakten plaats voor bruggen. Plassen 19

in de uiterwaarden getuigen van kleiwinning. Langs de rivier staan nog enkele steenfabrieken. De rivierzone heeft daarnaast een rijk militair verleden. In de Romeinse tijd was de Limes de noordgrens van het Romeinse rijk. In Meinerswijk aan een voormalige Rijnbocht lag een ‘Castellum’, een Romeins fort. De Limes vormt nu een archeologische zone van Europese betekenis. In de Tweede Wereldoorlog speelde de brug over de rivier een hoofdrol in de Slag om Arnhem. Na die tijd werden de Arnhemse rivieren deel van de ‘IJssellinie’, die in de Koude Oorlog (als opvolger van oudere linies) een lint van militaire verdedigingswerken vormde van Kampen tot Nijmegen. Hiervan zijn langs de IJssel en een deel van de Rijn nog veel sporen zichtbaar.

Verlegging van de Nederrijn na 1530; Stadsblokken en Malburgen komen te liggen op de Zuidoever. Poldergronden De laaggelegen poldergronden stonden onder invloed van de rivier en waren zeer vruchtbaar. In de uiterwaarden liet men vee grazen en in het agrarische landschap was akkerbouw en fruitteelt. De zuidelijke uitbreiding van Arnhem hield weinig rekening met de landschappelijke onderlegger van het polderlandschap. Karakteristiek zijn de historische dijken en wielen (doorbraakgaten), wegen en zegen (waterlopen), boerenerven met boomgaarden en woerden (huisterpen). De dijken en wielen laten zien hoe de Rijn door het gebied heeft geslingerd en uiteindelijk is ingesnoerd. De meest herkenbare historische dijk is de Huissense Dijk, die nu als fietspad in gebruik is. Waar de dijk overgaat in de Drielse Dijk bij Elden en Huissen buigt de dijk om enkele wielen. Wegen en zegen vormen samen met de dijken de historische lijnen in het voormalige agrarische landschap. De belangrijkste 20

lijn wordt gevormd door de Grift, die met de Griftdijk, de historische verbinding tussen Arnhem en Nijmegen vormde vanaf de 17e eeuw. Tegenwoordig is de brede en dominante A325 de belangrijkste noord-zuid as. De bewaarde smalle wegen en zegen liggen als rechtlijnige elementen tussen de bebouwing van Arnhem-Zuid. Goede voorbeelden zijn de Mooieweg en de Eldense Zeeg. Aan deze lijnen liggen ook de boerenerven met restanten van boomgaarden. De woerden en andere hoger delen zoals donken en rivierduinen duiden op eeuwenoude bewoning en zijn van grote archeologische waarde. De zone van de poldergronden wordt doorsneden door de Limes (oude Romeinse rijkssgrens). Kern De historische kern van Arnhem ligt op het kruispunt van de landschappelijke zones. De stad is ontstaan aan de Jansbeek en kreeg in 1233 stadsrechten. Arnhem ontwikkelde zich als bestuursstad en marktplaats en bouwde een stadsmuur. Een landmark voor Arnhem en omgeving wordt gevormd door de 15e-eeuwse Eusebiuskerk. Het stedelijk weefsel van de historische kern is fijnmazig en heeft een onregelmatig patroon met een kleine korrelgrootte en veel details. Met name het zuidelijke deel van de binnenstad is getroffen tijdens de Slag om Arnhem. De wederopbouw heeft geleid tot een sterk contrast in maat en schaal ten opzichte van de historische binnenstad.

Nieuwe oost-west verbindingen met een breed profiel vormen een onderbreking van het stedelijk weefsel tussen oude stad en rivier. Ondanks de ontmanteling van de vestingwerken in de 19de eeuw is de kern compact gebleven. Op de plaats van de vestingwerken zijn groene singels aangelegd, volgens een plan van Stadsbouwmeester Heuvelink uit 1853. Met de Rijnkade vormen de singels ‘de wandeling’ rond de stad, die vergezichten bood op de stuwwallen ten noorden van de stad en over de Rijn met uiterwaarden. Vanuit de singels waaieren wegen uit naar de omgeving. Aan de singel en Rijnkade werden statige panden gebouwd; toepassing van roomwitte kleuren en specifiek materiaalgebruik verwijzen hierbij naar de term ‘Arnhems Blond’. In deze route rond de stad zijn in de loop der jaren gaten gevallen en de aanhechting aan de rivierkades is verbroken. Rondom de historische kern van Arnhem

bevinden zich meerdere historische kernen van agrarische oorsprong zoals De Praets, Elden en Deelen.

Zone / kenmerken

De ambities en inzet per specifieke landschappelijke zone zijn in de tabel samengevat.

Ambitie

Inzet

Continueren van de structuur en karakteristiek van de stuwwal met de in zichzelf gekeerde terreinen liggend aan radialen

Met respect voor het besloten karakter terreinen meer toegankelijk maken, om “verborgen elementen” beter beleefbaar te maken. Daarbij zijn handhaving van de bestaande sfeer, de poorten en de aantakking op de radialen essentieel. Rijkdom van het militaire verleden van Arnhem zichtbaar maken Versterken van de radialen, waarbij ze reageren op de verschillende landschappelijke zones Conserveren en markeren grafheuvels

Veluws plateau Radiaalwegen, ruimtevragende activiteiten en grafheuvelcomplexen.

Veluwse gradiënt Continuering rijke en gevarieerde Beken en sprengen, landgoederen en buitenplaatsen, uitstraling; Gelders Arcadië met villa’s met een rijke architectuur, groene wiggen van landgoederen reliëfrijke stadswijken, panorama’s en beekdalen afgewisseld door en zichtlijnen en spoorlijnen. reliëfrijke stadswijken

Zichtbaar maken beken en sprengen (o.a. Jansbeek, Molenbeek, Slijpbeek). Koesteren en benadrukken buitenplaatsen als belangrijke dragers van Arnhem. Benadrukken reliëfaccenten (zoals steile wegen en zichtlijnen) in de reliëfrijke stadswijken, met name delen van Geitenkamp, Sonsbeekkwartier en Burgemeesterkwartier. Inzetten op rijke architectuur als inspiratie voor nieuwe ontwikkelingen. Benadrukken panorama’s en zichtlijnen zoals Hoogte 80, bij de Stenen Tafel, bij de Bovenoever en Onderlangs. Versterken contrast groene en rode wiggen.

Rivierzone Rijn met havens, kleiwinplassen, steenfabrieken, Limes, gebieden van de Slag om Arnhem, de IJssellinie en bruggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=938e7399-cb73-47c1-adf4-2120f41d9331