CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Advisering circulariteit in financiële verordening gemeente Arnhem

Politieke Avond 25 juni 2025, gemeente ArnhemBij agendapunt: 18.45 uur - 20.15 uur: Agenderingsverzoek 'Toekomstbestendig Bouwen'4.277 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO Datum Project Betreft Aan Van Onze referentie Bijlage(n)

20 januari 2025 Advisering circulariteit in financiële verordening gemeente Arnhem Onderbouwing financiële restwaarde Gemeente Arnhem Alba Concepts 2024-0103.001-V3.0 -

01 INLE I DI NG De gemeente Arnhem heeft ambities op het gebied van circulaire economie. In 2050 is Arnhem helemaal circulair. Dat betekent dat de gemeente zo met haar producten en grondstoffen omgaat waardoor er geen afval meer is. De gemeente zet zich in om de leefomgeving zo min mogelijk vervuilen en daarnaast natuurlijke bronnen, zoals onze bossen, niet kleiner maken en ecosystemen niet aan te tasten. Daarom streeft de gemeente dan ook naar een samenleving waarin afval de grondstof is voor een nieuwe keten of product en de kringlopen worden gesloten. Om ook circulaire bouwprojecten te stimuleren wil de gemeente Arnhem onderzoeken of het mogelijk is om financiële restwaarde te hanteren bij het afschrijven van gebouwen. De focus wordt eerst gelegd op onderwijsgebouwen. Het mechanisme achter het toepassen van een financiële restwaarde bij circulaire investeringen is dat dit resulteert in gelijke en/of lagere kapitaalslasten dan bij traditioneel. Deze memo dient hierbij als onderbouwing voor de gemeente Arnhem. 01.01 Leeswijzer Allereerst wordt er in hoofdstuk 02 stil gestaan bij de wet- en regelgeving rondom de waardering en afschrijving binnen het Besluit Begroting Verantwoording (BBV). Vervolgens wordt in hoofdstuk 03 de methode voor restwaardebepaling toegelicht.

In hoofdstuk 04 worden daarna de resultaten van de verschillende financiële restwaardeberekeningen per activa toegelicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 05 de impact op de kapitaallasten inzichtelijk gemaakt. Tot slot staat in hoofdstuk 06 een beknopt advies. 02 WE T - E N RE GE L GE V ING De twee belangrijkste documenten, welke ten grondslag liggen aan de waardering en afschrijving van activa in de gemeente Arnhem, zijn: ◼ Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van de Rijksoverheid; ◼ Notitie materiële vaste activa van de commissie BBV. De uitgangspunten die van belang zijn voor het opnemen van financiële restwaarde in de nota investeren, waarderen en afschrijven van de gemeente Arnhem worden benoemd in de notitie materiële vaste activa. Deze uitgangspunten zijn in onderstaande paragraaf verder toegelicht.

2024-0103.001-V3.0

02.01 Notitie materiële vaste activa In het BBV is opgenomen dat er een commissie is welke de taak heeft om zorg te dragen voor een eenduidige uitvoering en toepassing van het BBV. Deze commissie wordt dan ook de commissie BBV genoemd. In januari 2020 heeft de commissie BBV een notitie materiële vaste activa gepubliceerd. De notitie geeft een overzicht van alle relevante aspecten van materiële vaste activa met betrekking tot vraagstukken van begroting en verantwoording voor gemeenten, provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen. In de notitie wordt aangegeven dat de BBV geen afschrijvingstermijnen voorschrijft, omdat de gebruiksduur afhankelijk kan zijn van de lokale omstandigheden. De gemeente dient zelf de gebruiksduur per categorie van de kapitaalgoederen vast te stellen. Er kan hierbij afgeschreven worden tot nul of er kan rekening worden gehouden met een restwaarde. Ook wordt er in de notitie een toelichting gegeven op hoe de restwaarde bepaald kan worden namelijk: De restwaarde is een schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief.

Er wordt bij de bepaling van de restwaarde dus geen rekening gehouden met mogelijke waardeveranderingen vanwege inflatie of deflatie, veranderende marktomstandigheden en dergelijke 1. Daarnaast wordt aangegeven dat restwaarde reëel en per actief dient te worden ingeschat. Het hanteren van een vast percentage restwaarde voor bijvoorbeeld het totale vastgoed is onvoldoende. De restwaarde mag niet zodanig hoog worden geschat dat feitelijk geen of te weinig afschrijving plaatsvindt. Ook wordt aangeven in de notitie dat wanneer de verwachte gebruiksduur korter is dan de verwachte economische levensduur van het actief er altijd sprake is van restwaarde. Aan het einde van de economische levensduur is er slechts sprake van sloopwaarde. Aan het eind van de afschrijvingsperiode kan hooguit een boekwaarde overblijven ter grootte van de geschatte restwaarde op basis van het prijspeil op het moment van ingebruikname. 02.02 Afschrijvingstermijnen gemeente Arnhem In Tabel 1 is opgenomen welke afschrijvingstermijnen voor onderwijsgebouwen worden gehanteerd in de gemeente Arnhem. Bij de vaststelling van het IHP heeft de Raad besloten om ook voor de componenten van nieuwbouw en renovatie van onderwijshuisvesting (installaties en daken) een afschrijvingstermijn te hanteren van 40 jaar. Tabel 1: Geselecteerde activa

1

Omschrijving

Afschrijving

Permanente gebouwen & Verbouwingen, renovaties en restauraties

40 jaar

Commissie BBV (2020). Notitie materiële vaste activa

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 2

03 M E T HO D IE K F IN AN CIË LE RE S T WA A RDE De methode die ten grondslag ligt aan de financiële restwaardeberekeningen staat omschreven in het onderzoeksrapport ‘Normering financiële waardebepaling’2. Het resultaat van dit onderzoek is een methodisch kader en rekenmodel waarmee de financiële restwaarde van producten bepaald kan worden. Inmiddels is deze methodiek omarmd door meerdere gemeenten die ambitieuze doelstellingen hebben geformuleerd op het gebied van de circulaire economie. Deze methode wordt gebruikt door onder andere de gemeente Leeuwarden en Heerenveen. Met betrekking tot de financiële restwaarde van producten wordt binnen de methode een onderscheid gemaakt tussen hergebruikwaarde en recyclingwaarde. Hierbij is de financiële restwaarde van de te hergebruiken bouwproducten (hergebruikwaarde) hoger dan de financiële restwaarde van de te recyclen/downcyclen bouwmaterialen (recyclingwaarde). Uit het onderzoeksrapport ‘Normering financiële waardebepaling’ en referentieprojecten van Alba Concepts blijkt dat hoewel er meestal wel een recyclingwaarde aanwezig is (voornamelijk afkomstig van metaalachtige producten), deze financiële restwaarde niet significant is in verhouding tot de initiële investeringskosten. Om die reden wordt enkel de financiële restwaarde van producten in de vorm van een hergebruikwaarde beschouwd.

Wanneer in dit memo gesproken wordt over financiële restwaarde, dan gaat het dus specifiek over de hergebruikwaarde. In de paragrafen hieronder wordt voor de volledigheid een beknopte toelichting gegeven op beide begrippen. Een uitgebreide toelichting is terug te vinden in het onderzoeksrapport ‘Normering financiële waardebepaling’. 03.01 Toelichting methodiek Met betrekking tot de financiële restwaarde kan er een onderscheid worden gemaakt tussen de hergebruik- en de recyclingwaarde. Hierbij is financiële restwaarde van de te hergebruiken bouwproducten (hergebruikwaarde) hoger dan de financiële restwaarde van de te recyclen/downcyclen bouwmaterialen (recyclingwaarde). In de paragrafen hieronder wordt een toelichting gegeven op deze twee begrippen. 03.01.01 Hergebruikwaarde Om de hergebruikwaarde voor een bouwproduct vast te stellen, wordt gekeken naar de theoretische waarde. De hergebruikwaarde, als theoretische waarde, is de waarde van een product verminderd met een set aan correctiefactoren, zoals demontagekosten en transportkosten. Het startpunt van de hergebruikwaarde is de aankoopprijs van de producten, zoals wordt opgenomen in een open begroting. In deze begroting zijn de directe bouwkosten per product weergegeven, welke tevens zijn opgesplitst in MAMO (materiaal, arbeid, materieel, onderaanneming).

Voor het bepalen van aankoopprijs wordt enkel de materiaal component uit de onderverdeling naar MAMO meegenomen. De

2

Rapport ‘Normering financiële waardebepaling’: https://circulairemaakindustrie.nl/app/uploads/2022/07/Normering -financiele-waardebepaling.pdf

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 3

aankoopprijzen van de geselecteerde producten zijn door de (bouw)kostendeskundige van Alba Concepts vastgesteld. Als tweede is het verlies van het bouwproduct bepaald. Met dit inzicht wordt aangegeven welk percentage van de bouwproducten bij vrijkomen kunnen worden hergebruikt en welke worden gestort, verbrand of gerecycled. Aangezien het exacte verlies een aanname is, is een zekerheidsmarge aangehouden van 5% of 10%. Vervolgens is er een aanname gedaan in hoeverre de bouwproducten in de loop der jaren degraderen oftewel in hoeverre de kwaliteit afneemt. Het aandeel kwaliteitsreductie wordt bepaald aan de hand van de theoretische conditie van een product. Een reductie in kwaliteit hangt namelijk samen met de conditie van een product. Een slechte conditie betekent namelijk een grotere reductie in kwaliteit en een goede conditie een lagere reductie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de vangnetconstructie en de verouderingskromme voor het bepalen van de conditiescore op basis van een theoretische benadering van het verouderingsproces, conform de NEN2767 3. Om de conditiescore te berekenen met de verouderingskromme is het afschrijvingstermijn voor het gebouw afgezet tegen de technische levensduur van het desbetreffende product. Vervolgens is de conditiescore gekoppeld aan een percentage van de aankoopwaarde.

Daarna zijn de kosten voor het demonteren van het bouwproduct vastgesteld. Deze demontagekosten zijn gekoppeld aan de montagekosten en worden bepaald door de mate van losmaakbaarheid van het bouwproduct. De demontagekosten vervolgens geverifieerd en waar nodig aangepast door (bouw)kostendeskundige van Alba Concepts. Door de kwaliteitsreductie van een bouwproduct is het vaak benodigd dat deze wordt nagekeken en hersteld, dit zijn de reviseerkosten. Deze kosten zijn bepaald als een percentage van de kwaliteitsreductie. Namelijk een relatief grote kwaliteitsreductie zorgt voor relatief hoge reviseerkosten. De reviseerkosten zijn door de kostendeskundige van Alba Concepts vastgesteld. Om een bouwproduct te hergebruiken zijn er kosten voor het vervoeren van het bouwproduct naar de plek waar het kan worden opgeslagen. De transportkosten worden vastgesteld aan de hand van een gemiddelde afstand (default waarde) in kilometers en de kosten voor transport per m³ of kg/tonnage. Als laatste zijn er ook kosten voor tijdelijke opslag van het bouwproduct. Deze kosten worden bepaald aan de hand van de gemiddelde opslagkosten per kg/m3 en de gemiddelde tijd van opslag. De opslagkosten zijn bepaald door gebruik te maken van marktgemiddelden en referentiegetallen van BOG makelaars.

3

NEN 2767 Conditiemeting Gebouwde omgeving

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 4

De bovenstaande stappen resulteren in de volgende berekening:

Hergebruikwaarde (€) = aankoopwaarde product – verlies – kwaliteitsreductie – – demontagekosten – reviseerkosten – transportkosten – opslagkosten Recyclingswaarde

03.02

De recyclingwaarde oftewel de materiaalwaarde representeert het recyclescenario. In de hiërarchie van gebouw, element, product, materiaal en grondstof, staat dit scenario dus bijna onderaan en representeert daarmee het meest laagwaardige niveau van circulariteit, namelijk recycling. Dit wil zeggen dat bijvoorbeeld een stalen vangrails omgesmolten wordt naar het materiaal staal en dat een kunststof bank wordt teruggebracht naar geregranuleerd plastic. Om de recyclingwaarde voor een bouwmateriaal of -product vast te stellen, wordt gekeken naar de marktwaarde. De marktwaarde is de waarde van een product of materiaal, welke wordt bepaald door vraag en aanbod (lees: transactiewaarde). Dit is de reële waarde gebaseerd op actuele, daadwerkelijke transacties. In formulevorm betekent dit het volgende:

𝑅𝑊 = ∑ 𝑆𝑃𝑖 ∗ 𝑘𝑔𝑖

(2)

Waar: 𝑆𝑃𝑖 𝑘𝑔𝑖

schrootprijs van product component 𝑖 per kg [€] gewicht van product component 𝑖 [kg]

04 OVE RZI C HT RE S U LT A TE N In dit hoofdstuk wordt per activa de resultaten van de financiële restwaardeberekeningen toegelicht voor gemeente Arnhem. Om de investeringskosten excl. BTW te bepalen is de VNG norm voor de archetypes opgehoogd met de beleidsrijke toevoegingen uit het IHP (zie Tabel 2). Voor renovatie is bepaald om de totale investeringskosten inclusief BTW op te nemen. Voor zowel nieuwbouw al renovatie is dit vervolgens vertaald naar bouwkosten en directe bouwkosten aan de hand van de opslagen zoals opgenomen in Tabel 3. Tabel 2: Investeringskosten

Kosten

Percentages

Startbedrag

VNG norm

a. binnen milieu

+7%

b. flexibiliteit gebouw

2+%

c. AST

+2%

d. maatregelen energetica

+3,5%

e. verbeteren klimaat adaptatie

+2%

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 5

f. stimuleren circulair bouwen

+15% voor nieuwbouw en 5% renovatie oftewel gemiddeld 10% (i.p.v. de gemiddeld 5% zoals opgenomen in het huidige IHP)

g. beweeg vriendelijk en vergroenen buitenruimte

+0,4%

h. verlagen exploitatie lasten

+0%

i. monumenten

+0%

BTW

- 21%

Investeringskosten (excl. BTW) Tabel 3: Van directe bouwkosten naar investeringskosten

Kosten

Percentages

Directe bouwkosten (excl. BTW) Nadere planuitwerking*

5%

Algemene bouwplaatskosten*

10%

Algemene kosten*

7%

Winst & risico*

5%

CAR verzekering*

0,50%

Bouwkosten (excl. BTW) Honoraria adviseurs

15%

Leges

2%

Onvoorzien

10%

Investeringskosten (excl. BTW) * Aangezien de percentages vermenigvuldigd worden over elkaar, is de uiteindelijk opslag anders dan de optelsom van de percentages van nadere planuitwerking, algemene bouwplaatskosten, algemene kosten, winst & risico en CAR verzekering

04.01 Nieuwbouw Voor de activa onderwijsgebouw zijn twee (fictieve) archetypes vastgesteld, namelijk een representatieve basisschool en een representatieve middelbare school. De uitgangspunten van beide archetypes zijn: ◼ Er wordt gebouwd op basis van de huidige, circulaire principes, waarbij de kostenbepalende producten zijn doorgerekend; ◼ De activering van de financiële restwaarde is over 40 jaar.

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 6

04.02 Primair onderwijs Archetype 1 is een fictief primair onderwijsgebouw van 2.300 m2 BVO. De totale financiële restwaarde komt uit op € 908.000 (Tabel 4). Dit is 10,0% van de initiële investeringskosten. Tabel 4: Resultaten Archetype 1 – Nieuwbouw primair onderwijs

Directe bouwkosten (materiaal + arbeid)

Product

Directe bouwkosten (materiaal)

Totaal correctiefactoren (T=0)*

Totaal restwaarde (T=0)*

% restwaarde

Kanaalplaatvloeren BG remontabel

€ 127.000

€ 89.000

-€ 72.000

€ 16.000

13%

HSB binnenspouwblad vlas geïsoleerd

€ 187.000

€ 140.000

-€ 65.000

€ 75.000

40%

CLT verdiepingsvloeren

€ 265.000

€ 212.000

-€ 86.000

€ 125.000

47%

CLT daken

€ 265.000

€ 212.000

-€ 86.000

€ 125.000

47%

Buitenkozijnen

€ 262.000

€ 209.000

-€ 124.000

€ 85.000

33%

CLT kolommen en Balken

€ 460.000

€ 368.000

-€ 140.000

€ 228.000

50%

Houten gevelbekleding

€ 93.000

€ 61.000

-€ 50.000

€ 11.000

12%

Losmaakbaar gevelmetselwerk

€ 75.000

€ 49.000

-€ 39.000

€ 10.000

13%

Losmaakbaar epdm

€ 81.000

€ 32.000

€0

€0

0%

Drukvaste houtvezelisolatie

€ 115.000

€ 63.000

-€ 55.000

€ 8.000

7%

HSB akoestische scheidingswand incl. vlasisolatie

€ 269.000

€ 175.000

-€ 115.000

€ 60.000

22%

Systeemplafond

€ 93.000

€ 61.000

-€ 55.000

€ 6.000

6%

SUBTOTAAL

€ 2.290.000

€ 1.669.000

-€ 888.000

€ 750.000

32,7%

DIRECTE BOUWKOSTEN

€ 4.542.000

16,5%

BOUWKOSTEN

€ 5.923.000

12,7%

INVESTERINGSKOSTEN EXCL BTW INVESTERINGSKOSTEN INCL. BTW * getallen afgerond op duizendtallen

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 7

€ 7.523.000

€ 750.000

10,0%

€ 9.103.000

€ 908.000

10,0%

04.02.01 Voortgezet onderwijs Archetype 2 is een fictief voortgezet onderwijsgebouw van 8.900 m2 BVO. De totale financiële restwaarde komt uit op € 3.453.00 (Tabel 5). Dit is 11,3% van de initiële investeringskosten. Tabel 5: Resultaten Archetype 2 – Nieuwbouw voortgezet onderwijs

Directe bouwkosten (materiaal + arbeid)

Product

Directe bouwkosten (materiaal)

Totaal correctiefactoren (T=0)*

Totaal restwaarde (T=0)*

% restwaarde

Kanaalplaatvloeren BG remontabel

€ 245.000

€ 171.000

-€ 140.000

€ 31.000

13%

HSB binnenspouwblad vlas geïsoleerd

€ 723.000

€ 542.000

-€ 252.000

€ 290.000

40%

CLT verdiepingsvloeren

€ 1.535.000

€ 1.228.000

-€ 501.000

€ 727.000

47%

CLT daken

€ 512.000

€ 409.000

-€ 167.000

€ 242.000

47%

Buitenkozijnen

€ 1.012.000

€ 810.000

-€ 480.000

€ 330.000

33%

CLT kolommen en Balken

€ 1.780.000

€ 1.424.000

-€ 543.000

€ 881.000

50%

Houten gevelbekleding

€ 362.000

€ 235.000

-€ 193.000

€ 42.000

12%

Losmaakbaar gevelmetselwerk

€ 289.000

€ 188.000

-€ 149.000

€ 39.000

13%

Losmaakbaar epdm

€ 156.000

€ 62.000

€0

€0

0%

Drukvaste Houtvezelisolatie

€ 223.000

€ 122.000

-€ 107.000

€ 16.000

7%

HSB akoestische scheidingswand incl. vlasisolatie

€ 1.041.000

€ 677.000

-€ 445.000

€ 232.000

22%

Systeemplafond

€ 360.000

€ 234.000

-€ 211.000

€ 23.000

6%

SUBTOTAAL

€ 8.238.000

€ 6.104.000

-€ 3.188.000

€ 2.854.000

34,6%

DIRECTE BOUWKOSTEN

€ 15.207.000

BOUWKOSTEN

€ 19.832.000

30,41%

€ 25.186.000

27,00%

INVESTERINGSKOSTEN EXCL. BTW INVESTERINGKOSTEN INCL. BTW * getallen afgerond op duizendtallen

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 8

€ 30.475.000

18,8% 14,4% € 2.854.000

11,3%

€ 3.453.000

11,3%

04.03 Renovatie Voor de activa onderwijsgebouw (renovatie) is het afhankelijk van de ingrepen in hoeverre er sprake is van een financiële restwaarde. Wanneer met name de installatietechniek wordt vervangen is de financiële restwaarde naar verwachting relatief klein, er is dan na 40 jaar met name sprake van de recyclingswaarde van de metalen. Wanneer het gaat om een renovatie waar de gehele schil wordt verduurzaamd (en zowel de dak- als gevel wordt geïsoleerd) komt er een hogere financiële restwaarde uit. Om dit inzichtelijk zijn een representatieve basisschool en een representatieve middelbare school doorgerekend. De uitgangspunten hierbij zijn: ◼ Er wordt gebouwd op basis van de huidige, circulaire principes, waarbij de kostenbepalende producten zijn doorgerekend; ◼ De activering van de financiële restwaarde is over 40 jaar. 04.03.01 Primair onderwijs Archetype 3 is een fictief primair onderwijsgebouw van 1.130 m2 BVO. De totale financiële restwaarde komt uit op € 152.000 (Tabel 6). Dit is 3,4% van de initiële investeringskosten. De procentuele restwaarde valt daarmee tegen. Dit komt naar verwachting ook omdat in het IHP van de gemeente Arnhem dezelfde investeringskosten voor nieuwbouw als voor renovatie worden aangehouden. In de praktijk is echter te zien dat renovatie juist ook voordeliger kan zijn.

Naar verwachting is de procentuele financiële restwaarde bij renovatie dan ook hoger. Tabel 6: Resultaten Archetype 3 – Renovatie primair onderwijs

Directe bouwkosten (materiaal + arbeid)

Product

Directe bouwkosten (materiaal)

Totaal correctiefactoren (T=0)*

Totaal restwaarde (T=0)*

% restwaarde

HSB binnenspouwblad vlas geïsoleerd

€ 92.000

€ 69.000

-€ 32.000

€ 37.000

40%

Buitenkozijnen

€ 129.000

€ 103.000

-€ 61.000

€ 42.000

33%

Houten gevelbekleding

€ 46.000

€ 30.000

-€ 25.000

€ 5.000

12%

Losmaakbaar gevelmetselwerk

€ 37.000

€ 24.000

-€ 19.000

€ 5.000

13%

Losmaakbaar epdm

€ 40.000

€0

€0

€0

0%

Drukvaste Houtvezelisolatie

€ 57.000

€ 31.000

-€ 27.000

€ 4.000

7%

HSB akoestische scheidingswand incl. vlasisolatie

€ 132.000

€ 86.000

-€ 56.000

€ 29.000

22%

Systeemplafond

€ 46.000

€ 30.000

-€ 26.000

€ 4.000

8%

€ 577.000

€ 372.000

-€ 246.000

€ 126.000

21,9%

SUBTOTAAL DIRECTE BOUWKOSTEN

€ 2.260.000

BOUWKOSTEN

€ 2.947.000

30,41%

€ 3.743.000

27,00%

INVESTERINGSKOSTEN EXCL. BTW INVESTERINGKOSTEN INCL. BTW * getallen afgerond op duizendtallen

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 9

€ 4.529.000

5,6% 4,3% € 126.000

3,4%

€ 152.000

3,4%

04.03.02 Voortgezet onderwijs Archetype 4 is een fictief voortgezet onderwijsgebouw van 6.880 m2 BVO. De totale financiële restwaarde komt uit op € 920.00 (Tabel 7). Dit is 4,2% van de initiële investeringskosten. Dit komt naar verwachting ook omdat in het IHP van de gemeente Arnhem dezelfde investeringskosten voor nieuwbouw als voor renovatie worden aangehouden. In de praktijk is echter te zien dat renovatie juist ook voordeliger kan zijn. Naar verwachting is de procentuele financiële restwaarde bij renovatie dan ook hoger. Tabel 7: Resultaten Archetype 4 – Renovatie voortgezet onderwijs

Directe bouwkosten (materiaal + arbeid)

Product

Directe bouwkosten (materiaal)

Totaal correctiefactoren (T=0)*

Totaal restwaarde (T=0)*

% restwaarde

HSB binnenspouwblad vlas geïsoleerd

€ 559.000

€ 419.000

-€ 195.000

€ 225.000

40%

Buitenkozijnen

€ 783.000

€ 626.000

-€ 371.000

€ 255.000

33%

Houten gevelbekleding

€ 280.000

€ 182.000

-€ 149.000

€ 32.000

12%

Losmaakbaar gevelmetselwerk

€ 224.000

€ 145.000

-€ 116.000

€ 30.000

13%

Losmaakbaar epdm

€ 159.000

€0

-€ 97.000

€0

0%

Drukvaste Houtvezelisolatie

€ 227.000

€ 125.000

-€ 109.000

€ 16.000

7%

HSB akoestische scheidingswand incl. vlasisolatie

€ 805.000

€ 523.000

-€ 344.000

€ 179.000

22%

Systeemplafond

€ 279.000

€ 181.000

-€ 158.000

€ 23.000

8%

SUBTOTAAL

€ 3.314.000

€ 2.202.000

-€ 1.538.000

€ 760.000

22,9%

DIRECTE BOUWKOSTEN

€ 11.004.000

BOUWKOSTEN

€ 14.351.000

30,41%

€ 18.226.000

27,00%

INVESTERINGSKOSTEN EXCL. BTW INVESTERINGKOSTEN INCL. BTW * getallen afgerond op duizendtallen

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 10

€ 22.053.000

6,9% 5,3% € 760.000

4,2%

€ 920.000

4,2%

04.04 Impact van inflatie In de BBV is opgenomen dat de financiële restwaarde enkel mag worden meegenomen wanneer er wordt uitgegaan van prijspeil T=0. Dit zorgt voor een conservatief beeld. Enerzijds doordat er geen rekening gehouden wordt met de inflatie maar hierdoor wordt de toenemende schaarste van materialen ook buiten beschouwing gelaten. Om inzichtelijk te maken wat voor positief effect het enkel inrekenen van inflatie heeft op de financiële restwaarde is dit voor de verschillende archetypes doorgerekend. In Tabel 8 wordt getoond wat de invloed is van inflatie op het aandeel financiële restwaarde. Er is gerekend met een gemiddeld inflatiepercentage van de periode 2014 t/m 2023 van 2,54%, conform de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De resultaten laten zien dat met de huidige benadering (lees: inflatie buiten beschouwing laten) de financiële restwaarde op dit moment voorzichtig is ingeschat. Dit impliceert ook dat de kapitaallasten van circulaire gebouwen verder afnemen wanneer inflatie wordt meegenomen in de financiële restwaardeberekeningen. Tabel 8: Effect van inflatie

Totaal restwaarde (T=0)*

Totaal restwaarde (T=40)*

Archetype 1

€ 907.500

€ 2.474.450

Archetype 2

€ 3.453.340

€ 9.417.430

Archetype 3

€ 152.460

€ 416.240

Archetype 4

€ 919.600

€ 2.508.330

* getallen afgerond op duizendtallen

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 11

05 IM P A CT O P K AP I TA A LL A STE N 05.01 Inleiding Het meenemen van de financiële restwaarde zorgt ervoor dat de kapitaallasten van de gemeente Arnhem lager worden. Om te bepalen wat de impact hiervan werkelijk is, is voor het IHP de reductie van de kapitaallasten vastgesteld. Bij de doorrekening van de verschillende scenario’s is een rentepercentage van 1,60% en 2,50% aangehouden. Er geldt wel dat de impact van een verhoging van het rentepercentage een groot effect heeft op de kapitaallasten. Dit resulteert in de volgende inzichten: ◼ De totale kapitaallasten van scenario 1A (huidige IHP met 1,6% zonder restwaarde) en scenario 3 A (circulair met 1,6% met restwaarde) zijn zo goed als gelijk. De kapitaallasten komen 0,5% lager uit in scenario 3A. ◼ Bij 2,5% zijn scenario 1B (huidige IHP met 2,5% zonder restwaarde) en scenario 3B (circulair met 2,5% met restwaarde) nagenoeg gelijk. De kapitaallasten voor scenario 3B komen 0,75% hoger uit dan bij scenario 1B ◼ Echter, wordt in zowel scenario 2A, 3A, 2B en 3B meerinvestering van € 10.800.000,-- voor circulariteit meegenomen. Hier tegenover staat bij scenario 3A en 3B een nominale financiële restwaarde van € 23.900.000 (voor scenario 3A) en € 24.300.000 (voor scenario 3B) na 40 jaar.

◼ In scenario 3A en 3B dalen de totale afschrijvingslasten door de financiële restwaarde, waarbij wel sprake is van (beperkt) stijgende rentelasten. Tabel 9: Kapitaallasten met 1,6% rente

Scenario

1A. Huidige IHP met 5% zonder restwaarde met 1,6%**

Totale

Financiële

investering*

restwaarde*

Totale afschrijvingslasten*

Totale

Totale

rentelasten*

kapitaallasten*

€ 331.186.000

€-

€ 331.186.000

€ 108.629.000

€ 439.815.000

€ 341.955.000

€-

€ 341.955.000

€ 112.161.000

€ 454.116.000

€ 341.955.000

€ 23.937.000

€ 318.018.000

€ 119.629.000

€ 437.648.000

2A. IHP met 10% voor circulariteit zonder restwaarde met 1,6% 3A. IHP met 10% voor circulariteit met restwaarde met 1,6% * getallen afgerond op duizendtallen. Uitgangspunt is een gemiddelde restwaarde van 7% (50% nieuwbouw met een restwaarde van 10% en 50% renovatie met een restwaarde van 4%). ** bij scenario 1 en 2 is, zoals benoemd in het huidige IHP, wel al 5% extra budget voor circulariteit opgenomen

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 12

Tabel 10: Kapitaallasten met 2,5% rente

Scenario

Totale

Financiële

investering*

restwaarde*

Totale afschrijvingslasten*

Totale

Totale

rentelasten*

kapitaallasten*

1B. Huidige IHP met 5% zonder restwaarde met

€ 335.837.000

€-

€ 335.837.000

€ 172.117.000

€ 507.954.000

€ 346.606.000

€-

€ 346.606.000

€ 177.636.000

€ 524.242.000

€ 346.606.000

€ 24.262.000

€ 322.344.000

€ 189.463.000

€ 511.807.000

2,5%** 2B. IHP met 10% voor circulariteit zonder restwaarde met 2,5% 3B. IHP met 10% voor circulariteit met restwaarde met 2,5% * getallen afgerond op duizendtallen. Uitgangspunt is een gemiddelde restwaarde van 7% (50% nieuwbouw met een restwaarde van 10% en 50% renovatie met een restwaarde van 4%). ** bij scenario 1 en 2 is, zoals benoemd in het huidige IHP, wel al 5% extra budget voor circulariteit opgenomen

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 13

06 A DV IE S Naar aanleiding van de financiële restwaardeberekeningen is het advies om voor (circulaire) nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen het percentage financiële restwaarde, zoals opgenomen is in Tabel 11 te hanteren waarbij het desbetreffende percentage als ondergrens geldt voor circulaire projecten. Tabel 11: Financiële restwaarde

Omschrijving

Afschrijving

Financiële restwaarde

Onderwijsgebouwen (nieuwbouw)

40 jaar

10%

Onderwijsgebouwen (renovatie)

40 jaar

4%

Om enerzijds de circulaire economie daadwerkelijk te stimuleren én de herbruikbaarheid van bouwproducten te faciliteren, adviseren wij om voor de verschillende nieuwbouwprojecten een minimale grenswaarde te hanteren voor de materiaalgebonden CO2-uitstoot, herkomst materialen en de losmaakbaarheid. Voor nieuwbouw kan hierbij aangesloten worden bij Het Nieuwe Normaal V1.0 4. Voor renovatie wordt op dit moment gewerkt aan Het Nieuwe Normaal. Naar verwachting wordt in december een 0.5 versie gelanceerd, echter zitten hier naar verwachting nog geen minimale hoogtes in. Het advies is, wanneer er een 1.0 versie beschikbaar is voor Het Nieuwe Normaal renovatie hierbij aan te sluiten. Tabel 12

Omschrijving

Nieuwbouw

Renovatie

Materiaalgebonden CO2-uitstoot

≤ 280

≤ 200

Materiaalgebruik

≥ 25%

≥ 25%

Losmaakbaarheid

≥ 55%

≥ 55%

Voor de indicator milieu-impact (MPG) adviseren wij om nog geen eis te stellen. De indicator milieuimpact / MPG is namelijk onderhevig aan veranderingen 5 en daarnaast is de verwachting dat vanaf 1 januari 2025 al een wettelijke eis in het Bbl wordt opgenomen voor de milieu-impact van nieuwbouw van onderwijsgebouwen.

4

Het Nieuwe Normaal is een gemeenschappelijke taal en minimale lat voor circulaire bouwen. De gemeenschappelijke taal komt tot stand vanuit het programma Samen Versnellen van Cirkelstad waarin opdrachtgevers en opdrachtnemers samen werken. Middels evaluatie s en aanvullende databronnen zoals BCI Gebouw wordt de minimale lat bepaald. De circulaire impactladder (ontwikkeld door de Groene Metropool Regio Arnhem Nijmegen) sluit aan op H et Nieuwe Normaal.

5

Vanaf 01-01-2025 treedt de (mogelijk) de nieuwe norm EN -15804:A2 in werking, met 19 milieu -effectcategorieën. Op basis daarvan wordt ook de monetaire weegset van milieuprijzen in de Bepalingsmethode geactualiseerd. Deze nieuwe norm leidt tot hogere MPG scores voor hetzelfde gebouw ten opzichte van de vorige norm.

2024-0103.001-V3.0 | Pagina 14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=62c9c77e-bdd4-41e2-965f-b1e1ea313ad2