CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis (oktober 2019)

Politieke Avond 21 juni 2023, gemeente ArnhemBij agendapunt: 18.45 uur - 20.15 uur: Masterplan Transformatie Koepelgevangenis Arnhem6.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem In het kader van de Wet Natuurbescherming - soortenbescherming

Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier

oktober 2019 rapportnummer: 191033

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem Beknopt overzicht van de inventarisatiegegevens in het kader van de Wet Natuurbescherming – soortenbescherming

In opdracht van: NEST-Ontwikkeling B.V. Postbus 73 7460 AB Rijssen Contactpersoon: Dhr. K. Sueters

Uitgevoerd door: Ecologisch Adviesbureau Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Onderzoeksgroepen: Onderzoeksmethodiek:

Vleermuizen en steenmarter Auditieve (batdetector Pettersson D240x, D500x, batlogger M en Anabat Walkabout), territoriumkartering en visuele inspectie.

Auteur: B. Voerman Collegiale toetsing: K. Weiland Veldwerk: B. Voerman en K. Weiland Datum:

oktober 2019

Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Foto voorzijde: de koepelgevangenis met enkele aangebouwde gebouwen. Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij Samenwerkingsverband Ecologie.

2

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

INHOUD INHOUD ................................................................................................................................... 3 1. AANLEIDING EN DOEL............................................................................................................. 4 2. INVENTARISATIEOPZET ........................................................................................................... 5 2.1 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................................................. 5 2.2 Volledigheid inventarisatie............................................................................................................................. 6 3. ONDERZOEKSRESULTATEN ...................................................................................................... 8 3.1 Steenmarter .................................................................................................................................................. 8 3.2 Vleermuizen .................................................................................................................................................. 8 3.3 Overige soorten........................................................................................................................................... 10 4.

TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .................................................11 4.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 11 4.2 Ingreep ........................................................................................................................................................ 11 4.3 Effecten en toetsing Wet Natuurbescherming ............................................................................................. 12 5. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ..............................................................................................13 5.1 Aanbevelingen ............................................................................................................................................ 13 LITERATUUR............................................................................................................................14

BIJLAGEN ...............................................................................................................................14 BIJLAGE 1: VERSPREIDINGSKAART ..............................................................................................15 BIJLAGE 2: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .......................................................16

3

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

1. AANLEIDING EN DOEL Binnen het plangebied staat de monumentale Koepelgevangenis met diverse bijgebouwen. Het voornemen is een gedeelte van deze bijgebouwen te slopen waardoor de mogelijkheid ontstaat voor het bouwen van woningen. Daarnaast is het voornemen het gevangenisgebouw om te bouwen tot hotel. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, die gesteld wordt in de Wet Natuurbescherming, is in april 2019 een quickscan natuuronderzoek op de locatie uitgevoerd voor het in kaart brengen van mogelijke effecten op flora en fauna {Proosdij 2019}. Middels deze quickscan is een indruk verkregen van de mogelijke waarden van het gebied voor beschermde soorten. Uit de onderzoeksgegevens bleek dat er met betrekking tot steenmarter en de soortgroep vleermuizen te weinig gedetailleerde gegevens voorhanden waren om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen welke gevolgen de geplande ingreep op deze dieren heeft. Hierdoor is nader onderzoek naar steenmarter en vleermuizen in het plangebied uitgevoerd. Om de functie van het gebied voor deze soort en soortgroep in kaart te kunnen brengen, is het onderzoek uitgevoerd in de periode juni-september 2019. Hierbij zijn verspreid over deze periode verschillende inventarisaties uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de te inventariseren soorten. Onderliggend rapport is opgesteld als addendum bij de opgestelde quickscanrapportage.

Voor algemene beschrijvingen en afwegingen van overige soortgroepen wordt naar de genoemde quickscanrapportage verwezen. Tijdens het aanvullend ecologische onderzoek in 2019, is als doel gesteld de volgende vragen te kunnen beantwoorden: Welke (beschermde) soorten maken gebruik van de locatie; Welke functie heeft het gebied voor betreffende soorten; Wordt bij de uitvoer van de ingrepen de Wet Natuurbescherming overtreden. Deze rapportage beschrijft de bevindingen van het aanvullend ecologische onderzoek.

Ecochore Natuurtechniek

4

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

2. INVENTARISATIEOPZET Tijdens verschillende bezoeken in 2019 is het plangebied geïnventariseerd op steenmarter en vleermuizen. De toegepaste onderzoeksmethoden worden in dit hoofdstuk nader toegelicht. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van de (mogelijk) aanwezige soorten (zie Tabel 1). Gezien de grootte van het plangebied en de onderzoeksinspanning wordt verwacht dat er geen soorten en essentiële functies zijn gemist. bezoekdata

starttijd

weersgesteldheid

05-06-2019

21:00

bewolking 6/8, droog, windkracht 2 ZW, 19 ºC

26-06-2019

03:15

bewolking 4/8, droog, windkracht 1 N, 15 ºC

10-07-2019

22:00

bewolking 8/8, droog, windkracht 1 Z, 18 ºC

29-08-2019

23:00

bewolking 7/8, droog, windkracht 2 ZW, 23 ºC

27-09-2019

21:30

bewolking 4/8, droog, windkracht 2 ZW, 15 ºC

hoofdonderzoek vleermuizen – kraam/zomer + steenmarter vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen balts vleermuizen balts

Tabel 1. Bezoekdata en weersgesteldheid. Het veldwerk is uitgevoerd door: K. Weiland, Ruben Lacet en B. Voerman.

2.1 Onderzoeksmethodiek Iedere dier- en plantengroep behoeft een eigen methode van inventarisatie om zo een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soorten of groepen. Hieronder wordt de onderzoeksmethode van de onderzochte groepen beschreven zoals uitgevoerd in het plangebied dat is weergegeven in figuur 1. De bezoekmomenten naar vleermuizen zijn zowel in de avond- en ochtenduren als ’s nachts uitgevoerd. Het onderzoek naar steenmarter betreft een gerichte controle voorafgaande aan het eerste vleermuisonderzoek. Steenmarter Voor deze soort is gericht onderzoek uitgevoerd naar vaste verblijfplaatsen en sporen die duiden op aanwezigheid van de soort. In de conclusie van het quickscan onderzoek was opgenomen dat gericht onderzoek naar het mogelijke gebruik van de aanwezige kelder nader onderzocht diende te worden waardoor is geïnspecteerd. Ter aanvulling is op het gehele terrein en enkele andere toegankelijke zolders en ruimten waaronder in de entreetorens (zie foto 3), gezocht naar sporen van aanwezigheid. Gedurende de vleermuisonderzoeken is eveneens specifiek gelet op aanwezigheid van de soort. Vleermuizen Voor het in kaart brengen van vleermuizen is zowel visueel als auditief geïnventariseerd.

Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x, D500x, Batlogger M en Anabat Walkabout) is de echolocatie, die vleermuizen uitzenden, voor ons hoorbaar gemaakt. Wanneer op basis van frequentie, klank en ritme niet met 100% zekerheid de soort bepaald kon worden, is een opname gemaakt. Door middel van de computerprogramma’s Batsound, Batexplorer en Kaleidoscoop, is een nadere analyse uitgevoerd. Door de dieren ook zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Dit onderzoek is specifiek gericht op het in kaart brengen van verblijfplaatsen, soortsamenstelling en gebiedsgebruik. De voorzomerbezoeken zijn uitgevoerd voor het in kaart brengen van eventuele kraam- en zomerverblijven. Hiervoor zijn zowel enkele avondbezoeken als een ochtend- en nachtbezoek uitgevoerd. Tijdens de nazomerronden lag de nadruk op het in kaart brengen van balts- en paarlocaties en indicaties voor winterverblijven.

Ecochore Natuurtechniek

5

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

Het ochtendbezoek is uitgevoerd vanaf enkele uren voor zonsopkomst tot zonsopkomst. De avondbezoeken in het voorjaar zijn gestart ruim voor zonsondergang tot enkele uren hierna. De bezoeken in augustus en september zijn in de nachtelijke uren uitgevoerd waarbij het onderzoek minimaal 1 uur na zonsondergang is gestart. De gebruikte methoden zijn gebaseerd op het vleermuisprotocol 2013/2017 zoals opgesteld door het Netwerk Groene Bureau, Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging.

2.2 Volledigheid inventarisatie Het onderzoek is volgens de genoemde protocollen uitgevoerd. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet Natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht, zie kader bijlage 2) van de Wet Natuurbescherming. Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de houdbaarheid van verspreidingsgegevens aan een maximale periode zijn gebonden. Voor de verspreidingsgegevens van licht beschermde soorten, of het juist ontbreken hiervan, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd, zoals de meeste gegevens in het quickscanrapport. Voor zwaar/Europees beschermde soorten als vleermuizen en vogels geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen.

Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch verandert waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd in juni-september 2019. Het onderzoek is conform het vleermuisprotocol 2017 uitgevoerd binnen het gehele plangebied. Doordat het plangebied niet vanuit alle zijden volledig overzichtelijk was, is het onderzoek uitgevoerd door twee tot drie vleermuisonderzoekers per bezoek. Gedurende enkele onderzoekmomenten is eveneens een luisterkist en een batlogger M gebruikt om de trefkans op vleermuizen te vergroten en de aanwezigheid op specifieke plekken meer gefundeerd te kunnen beschrijven. Door het uitvoeren van verschillende avond-, nacht- en ochtendbezoeken, aangevuld met het gebruik van een batlogger M en luisterkist naast de standaard batdetectors om zo een maximale trefkans te verkrijgen, kan, gezien de onderzoeksinspanning en de verkregen verspreidingsgegevens, worden gesteld dat er een volledig beeld is gekregen van de functies van het gebied voor alle soorten vleermuizen.

Ecochore Natuurtechniek

6

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

Figuur 1. Ligging onderzoeksgebied. Bron: Provincie Gelderland.

Uitsnede: Globale begrenzing onderzoeksgebied. Bron: Provincie Gelderland. Ecochore Natuurtechniek

7

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het onderzoek weergegeven. De verspreidingskaart van de aangetroffen soorten is opgenomen in bijlage 1. In het volgende hoofdstuk (4) worden de wettelijke consequenties en aanbevelingen gegeven.

3.1 Steenmarter Tijdens het eerste bezoek op 5 juni is de kelder gericht onderzocht op sporen van steenmarter. Hierbij is de gehele kelder, bestaande uit 3 geschakelde gewelfkelders, doorzocht. Doordat de kelders niet als opslagplaats in gebruik waren, was alles goed overzichtelijk. Hierbij zijn geen sporen van steenmarters aangetroffen en kan een vast verblijfplaats worden uitgesloten. Tijdens inspectie van het gehele terrein en tijdens het posten voor vleermuizen, zijn geen verdere aanwijzingen in de vorm van uitwerpselen, prooien, sporen of individuen aangetroffen. Hierdoor kan worden gesteld dat er geen vaste verblijfplaats van deze soort binnen het onderzoeksgebied aanwezig is.

3.2 Vleermuizen Door de ecochore1 is de omgeving van het plangebied een potentieel geschikt leefgebied voor verschillende vleermuissoorten. Door de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom en grenzend aan groenstructuren als uitlopers van de Veluwe in samenhang met de uiterwaarden van de IJssel, kunnen in de omgeving diverse soorten worden aangetroffen. Binnen het ommuurde plangebied is nauwelijks opgaande beplanting aanwezig. Wel vormen de schrale, bloemrijke graslanden potentiële foerageermogelijkheden. De aanwezige bebouwing vormt voor verschillende gebouwbewonende soorten mogelijkheden voor verblijfplaatsen. Gezien het voornemen voor het slopen van een groot deel van de gebouwen, was het onderzoek in beginsel gericht op het in kaart brengen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. Eveneens is onderzocht in welke mate het plangebied van belang is voor alle in het plangebied aanwezige soorten. Gedurende het onderzoek zijn 4 soorten vleermuizen aangetroffen: Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis

(Pipistrellus pipistrellus) (Pipistrellus nathusii) (Eptesicus serotinus) (Nyctalus noctula)

Hieronder worden de resultaten per soort en per functie behandeld. In bijlage 1 is een verspreidingskaart weergegeven met daarop de waargenomen vleermuizen en gebiedsfuncties. Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Deze soort is tijdens alle vleermuisonderzoeksmomenten binnen het ommuurde plangebied en hierbuiten aangetroffen. Gedurende de avondronden in de voorzomer is slechts een enkele maal een kort foeragerend individu binnen het plangebied vastgesteld. De eerste waarnemingen van individuen waren beide bezoeken circa 10 minuten na zonsondergang langs de noordrand van het gebied. Binnen het plangebied wordt slechts zeer sporadisch door enkele individuen enige tijd gefoerageerd. Het totale aantal dieren binnen het ommuurde gebied wordt geschat op maximaal 3-5 individuen. Ook langs de oostzijde van het gebied, langs de Wilhelminastraat, is het aantal individuen relatief laag. Wel zijn hier tijdens de avonden circa 8 op route en kort foeragerende dieren vastgesteld. Van enkele op route zijde dieren is vastgesteld dat deze vanuit zuidoostelijke richting naar de Wilhelminastraat kwamen en vervolgens in noordelijke

1

Een ecochore is een ruimtelijk begrensde ecologische eenheid, gekenmerkt door een inwendige heterogeniteit in een halfnatuurlijk of cultuurlandschap. Een ecochore bestaat uit een verzameling ecotopen; bijvoorbeeld de verschillende aan elkaar grenzende ecotopen op en rond een erf of binnen een specifiek landschaptype. Samen vormen deze ecotopen een gevarieerd landschap. Ecochore Natuurtechniek

8

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

richting doorvlogen. De herkomst ligt ruim buiten het onderzoeksgebied en kon derhalve niet nader worden herleid. Tijdens de avondbezoeken zijn geen uitvliegende dieren vanuit de te onderzoeken gebouwen vastgesteld. Tijdens het ochtendbezoek zijn binnen het ommuurde terrein slechts 2 individuen aangetroffen tot circa 45 minuten voor zonsopkomst. Vervolgens vlogen de dieren het plangebied in oostelijke richting uit. Langs de Wilhelminastraat zijn tot circa 5 dieren op route richting zuid aangetroffen. Er zijn geen zwermende of invliegende gewone dwergvleermuizen vastgesteld waardoor zomer- of kraamverblijven van deze soort kunnen worden uitgesloten. Tijdens de najaarsbezoeken was wederom het aantal individuen relatief laag. Wel is een intensief baltsend mannetje binnen het terrein aangetroffen. Eveneens is eenmaal waargenomen dat het baltsende mannetje gevolgd werd door een niet baltsende gewone dwergvleermuis. De beide dieren werden enige tijd aantikkend aan een muur waargenomen. Deze waarneming duidt op een paarlocatie in een van de te behouden gebouwen. Langs de Wilhelminastraat zijn op twee plekken baltsende mannetjes waargenomen. Gezien de baltsvluchten kunnen paarlocaties in de te slopen gebouwen redelijkerwijs worden uitgesloten. Binnen het plangebied is 1 balts-/paarlocatie van deze soort aanwezig.

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Tijdens het baltsonderzoek op 30 augustus is 1 overvliegende ruige dwergvleermuis waargenomen. Dit individu had geen directe binding met het plangebied. Er is geen balts van deze soort vastgesteld. Tijdens de overige bezoeken zijn geen waarnemingen van deze soort verricht. Binnen het onderzoeksgebied kan een verblijfplaats van deze soort worden uitgesloten. Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Langs de noordzijde van het ommuurde terrein zijn tijdens enkele onderzoeksmomenten laatvliegers vastgesteld. De dieren waren op route of korte tijd foeragerend in de naastgelegen tuinen en groenstructuren. Er is geen binding met het plangebied vastgesteld. Het aantal individuen wordt geschat op 4 exemplaren. Tijdens het ochtendbezoek en het laatste baltsonderzoek zijn er geen laatvliegers vastgesteld. Binnen het onderzoeksgebied kan een verblijfplaats van deze soort worden uitgesloten. Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Deze soort is tijdens het tweede avondbezoek en het eerste baltsonderzoek hoog boven de planlocatie overvliegend waargenomen. Beide waarnemingen betreffen slechts 1 individu op route zonder binding met het plangebied. Tijdens het avondbezoek is vastgesteld dat het dier in zuidelijke richting vloog. Binnen het onderzoeksgebied kan een verblijfplaats van deze boombewonende soort worden uitgesloten.

Zoldercontrole Ter aanvulling op het detectoronderzoek zijn enkele zolders geïnspecteerd op aanwezige sporen van vleermuizen. In de torens bij de oorspronkelijke ingang, zijn enkele, vrij oude uitwerpselen gevonden (zie foto 2). Het is niet duidelijk geworden welke vleermuissoort het betreft. Gezien het formaat van de uitwerpselen en de locatie betreft het mogelijk gewone grootoorvleermuis. Overige sporen als bijvoorbeeld vlindervleugels of slapende dieren, zijn echter niet aangetroffen. Ook is deze soort tijdens de overige veldbezoeken niet vastgesteld. Voor de volledigheid is bij deze torens eveneens een luisterkist geplaatst om de trefkans op deze soort te vergroten. Hierbij zijn geen opnamen van andere soorten dan een enkele gewone dwergvleermuis vastgelegd. Door het ontbreken van overige waarnemingen van zwermende of uitvliegende dieren in de twee torens en de slechts enkele, oude uitwerpselen, kan redelijkerwijs worden gesteld dat de torens momenteel niet in gebruik zijn als verblijfplaats.

Ecochore Natuurtechniek

9

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

3.3 Overige soorten Tijdens de onderzoeksmomenten zijn geen waarnemingen van egels of kleine marterachtigen verricht.

Foto 1: Een van de drie gewelvenkelders.

Foto 2: Enkele vleermuisuitwerpselen op de zolder van de entreetoren.

Foto 4: Koepelgevangenis met enkele aangebouwde gebouwen.

Foto 3: Een van de onderzochte entreetorens. Ecochore Natuurtechniek

10

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

4. TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING

4.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Artikel 3.1 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts ontheffing mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn. De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen.

Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als strikt beschermde soorten. Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime. Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 2.

4.2 Ingreep Het voornemen is diverse gebouwen binnen het ommuurde plangebied te slopen. De meest oude gebouwen blijven behouden. Op het vrijkomende terrein is de bouw van nieuwe woningen gepland. De oude gebouwen waaronder de koepelgevangenis, zal worden verbouwd tot hotel. De Wet Natuurbescherming hanteert een aantal belangen waaronder een ingreep kan vallen. Onderhavige ingreep valt onder het volgende belang: De uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling.

Ecochore Natuurtechniek

11

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

4.3 Effecten en toetsing Wet Natuurbescherming Voor de toetsing aan de Wet Natuurbescherming is getoetst aan verschillende artikelen. Met name onderstaande artikelen zijn hierbij van toepassing. Artikel 3.5 lid 4 van de Wet Natuurbescherming, verbiedt onder andere het vernietigen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van soorten van de Europese Habitatrichtlijn. Artikel 3.10 lid 2a van de Wet Natuurbescherming, verbiedt onder andere het vernietigen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van soorten opgenomen als soorten van nationaal belang. Gezien het bovenstaande en de voorgenomen maatregelen, was het uitgevoerde onderzoek vooral gericht op het in kaart brengen van vaste verblijfplaatsen van de mogelijk aanwezige beschermde steenmarter en vleermuizen binnen het gehele plangebied. 4.3.1 Steenmarter Deze soort ontbreekt binnen het ommuurde plangebied. Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken, is geen ontheffing of nadere afweging noodzakelijk. 4.3.2 Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn 4 soorten vleermuizen aangetroffen. Van ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis kunnen verblijfplaatsen binnen het plangebied worden uitgesloten. Gewone dwergvleermuis Van gewone dwergvleermuis is een paarlocatie vastgesteld in een van de te behouden gebouwen.

Doordat deze soort zelden stationair baltst en er geen invliegende dieren zijn waargenomen, is de invliegopening ingeschat aan de hand van het gedrag van het aanvliegende mannetje. Dit duidt op een verblijfplaats nagenoeg in de nok van de kopgevel. In de huidige plannen zal dit gebouw niet worden gesloopt waardoor de paarlocatie behouden kan blijven. Wel kan door mogelijke renovatie aan de gevel of het dak, schade aan de paarlocatie ontstaan. Ook het aanlichten van gevel kan in enkele gevallen resulteren in het ongeschikt worden van de verblijfplaats. Slechts enkele kleuren, in het amber en rode kleurenspectrum, vormen in beginsel geen negatief effect op paarverblijven. Indien mogelijkerwijs sprake is van renovatie aan de gevel en het dak of indien de gevel wordt aangelicht, dient een ontheffing te worden aangevraagd. Indien de betreffende gevel en het dak niet worden gerenoveerd én er geen sprake is van aanlichten van de gevel, is geen ontheffing noodzakelijk. Foerageergebied en vliegroute Doordat het feitelijke plangebied voor geen van de vleermuissoorten als essentieel foerageergebied of vliegroute kan worden aangemerkt, is in dat kader geen nadere afweging noodzakelijk.

In een van de gebouwen is een paarlocatie van gewone dwergvleermuis aanwezig. Indien schade aan deze paarlocatie niet kan worden uitgesloten is een ontheffing noodzakelijk. In alle overige gevallen kunnen de geplande werkzaamheden worden uitgevoerd zonder ontheffing of nadere maatregelen vanuit de Wet Natuurbescherming.

Ecochore Natuurtechniek

12

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

5. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN Dit addendum is geschreven als aanvulling op een quickscanonderzoek zoals in de inleiding is aangegeven. Tijdens het aanvullende ecologisch onderzoek is onderzoek verricht naar het voorkomen van steenmarter en vleermuizen binnen het gehele plangebied. Steenmarter In de gebouwen binnen het plangebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig. Vleermuizen In een van de te behouden gebouwen is een paarlocatie van gewone dwergvleermuis aanwezig. Indien schade aan deze paarlocatie niet kan worden uitgesloten is een ontheffing noodzakelijk. In alle overige gevallen kunnen de geplande werkzaamheden worden uitgevoerd zonder ontheffing of nadere maatregelen vanuit de Wet Natuurbescherming. Volledigheid onderzoek Op de locatie van de Koepelgevangenis in Arnhem, zijn enkele natuuronderzoeken uitgevoerd. Samen geven deze onderzoeken een goed en volledig beeld van de aanwezigheid van (zwaar) beschermde soorten. Aan de hand van de bevindingen van de onderzoeken, de samenstelling van de aangetroffen soorten en de onderzoeksinspanningen, kan worden gesteld dat er geen zwaar beschermde soorten met een essentiële binding met de planlocatie zijn gemist. Hierdoor kan het natuuronderzoek ten aanzien van huismussen en vleermuizen als volledig worden beschouwd.

Door de aanwezigheid van een paarlocatie in een van de te behouden gebouwen gelden voorwaarden indien sprake is van renovatie aan de betreffende gevel en dak of indien de gevel wordt aangelicht. Indien de betreffende gevel en het dak niet worden gerenoveerd én er geen sprake is van aanlichten van de gevel, is geen ontheffing en zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk.

5.1 Aanbevelingen De onderzochte kelders zijn geheel afgesloten en niet toegankelijk voor vleermuizen. Wel vormen deze kelders potentieel zeer geschikte winterverblijven voor verschillende vleermuissoorten. Winterverblijven van vleermuizen zijn in de regel vrij vochtig tot zeer vochtig en vorstvrij. Doordat de hier aanwezige kelders onder een gronddek liggen, wordt aan verschillende voorwaarden voor winterverblijven voldaan. Het aanbod aan winterverblijven staat landelijk sterk onder druk en de uitgangssituatie voor een potentieel geschikt winterverblijf is hier reeds voorhanden. Met slechts enkele kleine ingrepen kan het geschikt gemaakt worden voor verschillende soorten waardoor hier kansen liggen om de ecologische waarde van het plangebied op eenvoudige wijze, zonder overlast voor latere omwonenden, te versterken. Voor vleermuizen zijn niet alle drie de ruimten direct noodzakelijk. Eén ruimte kan reeds voldoende zijn om te fungeren als winterverblijf. In dat geval kan middels een afgesloten deur de ruimte worden gescheiden van de overige twee ruimten. Daarnaast is slechts een ingreep noodzakelijk die de ruimte toegankelijk maakt voor vleermuizen. Dit kan op verschillende manieren bijvoorbeeld door een aangepaste beluchtingspijp die boven het maaiveld uit steekt. Voor verdere detaillering is het raadzaam dit met een ecoloog nader uit te werken.

Ecochore Natuurtechniek

13

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

LITERATUUR Broekhuizen, S. (et al.). 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. K.N.N.V. Uitgeverij, Utrecht. Heusden, W.R.M., S.J. Vreugdenhil. 2006. Handreiking Flora- en faunawet. Voor werkzaamheden en activiteiten in het kader van bestendig gebruik, bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Dienst Landelijk Gebied, Utrecht. Ministerie van LNV., 2005 (herzien 2009). Buiten aan het Werk. Houd tijdig rekening met beschermde planten en dieren! Brochure. http://www.minlnv.nl/portal/page?_pageid=116,1640321&_dad=portal&_schema=PORTAL &p_file_id=14765 (08-11-2010)]. Proosdij, A.S.L. van. 2019. Rapportage quickscan flora en fauna Wet natuurbescherming koepelevanenis Arnhem. Gras Advies. Sachteleben, J. & O. von Helversen, 2006. Songflight behaviour and mating system of the pipistrelle bat (pipistrellus pipistrellus) in an urban habitat. In: Acta Chiropterologica, 8(2): 391-401, 2006. Dienst Regelingen. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Internet www.vleermuizenindestad.nl www.vleermuis.net www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/ www.gelderland.nl www.zoogdieratlas.nl www.verspreidingskaart.nl

BIJLAGEN Bijlage 1: Verspreidingskaart Bijlage 2: Toelichting Wet Natuurbescherming

Ecochore Natuurtechniek

14

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

BIJLAGE 1: VERSPREIDINGSKAART

Figuur 2. Verspreidingskaart waargenomen huismussen en vleermuizen. Het rode kader betreft het onderzochte plangebied. De bomen op de luchtfoto zijn reeds gekapt. Legenda: - gewone dwergvleermuis - ruige dwergvleermuis - laatvlieger - rosse vleermuis - onderzochte kelders - onderzochte torenzolders

Stippen Pijlen/lijn Ster Bliksemschicht Stippellijn Driehoek

- vleermuizen - losse waarnemingen (indicatief; de stippen geven een indruk van de dichtheid en verspreiding – (samenvatting van alle bezoeken) - foerageeractiviteit en vliegroutes. - verblijfplaats vleermuizen – werfroepend mannetje vleermuizen - baltsvlucht - nestlocatie/territoriale huismus

Ecochore Natuurtechniek

15

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

BIJLAGE 2: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming.

Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Artikel 3.1 Artikel 3.5 en 3.8 lid 5 Artikel 3.10

§ 3.1 - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

§ 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ecochore Natuurtechniek

16

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem Artikel 3.8 – lid 5 5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten – nationaal Artikel 3.10 2. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 3. Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 4. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Ontheffing en Vrijstellingsregeling Wanneer beschermde soorten, zoals bedoeld onder Artikel 3.1, 3.5 en 3.10, voorkomen in een gebied dienen er maatregelen getroffen te worden om behoud van de lokale populatie, bescherming van individuen en de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen. Hiervoor dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Om zeker te zijn of de maatregelen voldoende zijn, dienen ze vooraf beoordeeld te worden door het bevoegd gezag. Met dit besluit kan aangetoond worden dat de initiatiefnemer zich houdt aan de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Het besluit heeft de initiatiefnemer bijvoorbeeld nodig als iemand bezwaar maakt tegen het project of vraagt om handhaving van de Wet Natuurbescherming. Indien vaste verblijfplaatsen worden beschadigd of weggehaald of behoud van de lokale populatie dan wel bescherming van de aanwezige individuen niet voldoende kan worden gegarandeerd, dienen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd én dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal dit de betreffende provincie zijn. Voor deze soorten geldt echter dat alleen ontheffing wordt verleend op grond van een wettelijk belang genoemd in de betreffende Artikelen.

Elke provincie heeft een soortenlijst gepubliceerd waarin soorten, zoals bedoeld in Artikel 3.10, in die betreffende provincie zijn vrijgesteld voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud.

Ecochore Natuurtechniek

17

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem Vogels Verblijfplaatsen van broedvogels zijn door de Wet Natuurbescherming beschermd. Tijdens werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. De Wet Natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 3.1. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze groep is opgedeeld in enkele categorieën waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 2 jaarrond van kracht zijn: 1. 2.

3.

4.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust en verblijfplaats. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Het betreft de vogelsoorten: Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

(Falco subbuteo) (Buteo buteo) (Apus apus) (Motacilla cinerea) (Accipiter gentilis) (Passer domesticus) (Tyto alba) (Bubo bubo) (Ciconia ciconia) (Asio otus) (Corvus frugilegus) (Falco peregrinus) (Accipiter nisus) (Athene noctua) (Pernis apivorus) (Milvus migrans).

Er zijn ook vogelnesten die worden aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet strikt beschermd. 5.

Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Wanneer een jaarrond beschermd nest wordt aangetroffen, dan dient altijd een omgevingscheck uitgevoerd te worden. Een deskundige dient te onderzoeken of er voor de soort in de omgeving voldoende plekken en materiaal aanwezig zijn om zelf een vervangende locatie te vinden en een vervangend nest te maken. Indien dit niet mogelijk is, dient een vervangende nestlocatie aangeboden te worden. Wanneer dit ook niet mogelijk blijkt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Ontheffing kan alleen verkregen worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Wettelijke belangen zijn: bescherming van flora en fauna; veiligheid van het luchtverkeer; volksgezondheid of openbare veiligheid. Gedragscode Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkeling kan een vrijstelling van de verbodsbepalingen mogelijk zijn als u handelt conform een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Zo is het onder de Wet Natuurbescherming mogelijk om via een gedragscode Europees beschermde vogel- en andere dier- en plantensoorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, míts er sprake is van een bij respectievelijk Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn genoemd belang. In een gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt opdat schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt. Voorwaarde is wel dat gewerkt dient te worden volgens een door de minister vastgestelde gedragscode. Hierbij is het van belang dat de gedragscode op de juiste wijze is geïmplementeerd in de organisatie of in het totaalplan van de werkzaamheden. Voor meer informatie over de toepassing van de Wet Natuurbescherming: zie de brochure van het ministerie van Economische Zaken: “Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen” – 3 december 2016.

Ecochore Natuurtechniek

18

Aanvullend ecologisch onderzoek Koepelgevangenis in Arnhem

Ecochore Natuurtechniek

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=d6c0b90a-6edc-46b6-90a3-326cfa5216c1