Bijlage 9 - Inventariserend veldonderzoek Archeologie
Tekst van het document
Arnhem Plangebied Coehoorn Oost
Auteur: W.A. Bergman
Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Status: definitief BAAC Rapport V-19.0368
februari 2020
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
2
Colofon ISSN: Auteur: Cartografie: Copyright:
1873-9350 W.A. Bergman (KNA maatwerkactor, KNA senior prospector Ma) J. van Gestel BAAC te ‘s-Hertogenbosch
Redactie senior archeoloog :
J.F. van der Weerden
07-01-2020
Accordering senior prospector:
M.J. van Putten
03-02-2020
© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2020) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
BAAC Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl
3
Postbus 2015 7420 AA Deventer Tel.: (0570) 67 00 55 E-mail: deventer@baac.nl
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
4
Inhoud
Inhoud
5
Samenvatting
7
1
Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Administratieve gegevens
9 9 10 12
2
Vooronderzoek 2.1 Inleiding 2.2 Samenvatting 2.3 Archeologische verwachting
13 13 13 13
3
Inventariserend veldonderzoek 3.1 Werkwijze 3.2 Veldwaarnemingen 3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw 3.3.2 Archeologische indicatoren 3.4 Archeologische interpretatie
17 17 18 19 19 20 20
4
Conclusie en aanbevelingen
21
5
Geraadpleegde bronnen
25 27
Bijlagen
Bijlage 1
5
Boorstaten
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
6
Samenvatting
BAAC heeft ten behoeve van een bestemmingsplanwijziging een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Coehoorn Oost te Arnhem. In een eerder stadium is een bureauonderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat het plangebied direct ten westen van de oude stadskern van Arnhem ligt. Een deel van de voormalige stadsgracht heeft door of direct naast het plangebied gelopen. e In het plangebied was vanaf de 16 eeuw of mogelijk eerder bebouwing e aanwezig. Gaandeweg de 18 eeuw wordt de stad/vesting Arnhem voorzien van buitenwerken. Dit gaat ten koste van de bebouwing in het plangebied. Deze maakt plaats voor een ravelijn en een daarvoor liggende gracht. e Aan het begin van de 19 eeuw worden de verdedigingswerken gesloopt. In het plangebied wordt bebouwing, waaronder een kerk gerealiseerd. Na de Tweede Wereldoorlog wordt vrijwel al deze bebouwing, inclusief de kerk, gesloopt en deels vervangen voor moderne deels onderkelderde bebouwing. De verwachting op het aantreffen van resten uit de nieuwe tijd is zeer hoog. Eventuele resten uit voorliggende perioden zijn vermoedelijk niet bewaard gebleven. Eventueel aanwezige archeologische resten worden vanaf ongeveer een meter tot twee à drie meter onder maaiveld verwacht en zullen zich manifesteren door resten van bebouwing, zoals muurresten. Ook worden ophooglagen, zoals een grachtdemping en resten van het ravelijn verwacht.
Uit het veldonderzoek blijkt dat de kans klein is dat ter plaatse van de voormalige kerk en onderkelderde gebouwen archeologische resten sporen bewaard zijn gebleven. Buiten de locatie van de voormalige kerk en de kelders kan op basis van het verkennend booronderzoek gesteld worden dat conform de verwachting resten van bebouwing of verdedigingswerken bewaard zijn gebleven. Deze kunnen vanaf circa 1,3 m –mv verwacht worden. Indien ingrepen in de bodem dieper reiken dan 1,3 m –mv adviseert BAAC een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
7
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
8
1
Inleiding
1.1 Onderzoekskader In opdracht van Projectbureau Gemeente Arnhem heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Coehoorn Oost te Arnhem. Aanleiding voor het onderzoek is een wijziging in het bestemmingsplan. Er zijn een aantal ingrepen gepland, 1 waaronder de bouw van vier gebouwen (figuur 1.1). Bij ingrepen in de bodem bestaat een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd worden.
Figuur 1.1 Ontwerpschets (indicatief).
De uitvoering van het verkennende booronderzoek is gebaseerd op de resultaten 2 van een bureauonderzoek. De uitvoering van dit onderzoek komt voort uit de specifieke verwachting voor vindplaatsen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. In dit rapport zijn de resultaten van het verkennende booronderzoek beschreven. Op basis van deze resultaten worden aanbevelingen gedaan voor eventueel vervolgonderzoek. Door middel van het inventariserend verkennend booronderzoek wordt aanvullende informatie vergaard over de intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische resten en/of vindplaatsen in het plangebied. Het inventariserend veldonderzoek heeft als doel het toetsen c.q. bijstellen van het verwachtingsmodel zoals dat is opgesteld tijdens het bureauonderzoek. Op 1 2
9
CPO 2019. Bergman & Willems 2019. V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
basis van de resultaten van het booronderzoek wordt een selectieadvies opgesteld voor (delen van) het plangebied over het mogelijk vervolgtraject. Tijdens het onderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen uit het Plan van 3 Aanpak te worden beantwoord: ▪ ▪ ▪
Hoe is de bodemopbouw en zijn (begraven) bodems met potentiële archeologische niveaus (cultuurlagen) aanwezig? En zo ja, op welke diepte? Zijn binnen het plangebied puindumps, muurresten, grachtvullingen op ophooglagen aanwezig. En zo ja, tot welke diepte? In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?
Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse 4 Archeologie versie 4.1, protocol 4003 en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.
1.2 Ligging van het gebied Het plangebied ligt direct ten westen van het centrum van Arnhem en wordt begrensd door de Oude Kraan, Nieuwe Plein, Coehoornstraat, Korte Coehoornstraat en Bergstraat. Het gebied is grotendeels bebouwd met in het noorden een niet openbare tuin (Coehoornpark). De oppervlakte bedraagt circa 1,1 ha. In figuur 1.2 is de ligging van het plangebied weergegeven.
3 4
Bergman 2019. CCvD 2016. Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
10
Figuur 1.2 Ligging van het plangebied.
11
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
1.3 Administratieve gegevens Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens:
Planprocedure: Datum opdracht: Datum veldwerk: Datum conceptrapportage: Datum definitief rapport: BAAC-projectnummer: Coördinaten:
Kaartblad: Oppervlakte: Datering: Zaakidentificatienummer: Type onderzoek: Opdrachtgever:
Bevoegde overheid: Beheer documentatie: Uitvoerder:
Projectleider:
Gelderland Arnhem Arnhem Coehoorn Oost Gemeente Arnhem, sectie P nummers 4620, 6825, 6826, 4625, 2921, 814, 5026, 4622, 5027 en 4624 Bestemmingsplanwijziging 5 november 2019 11 december 2019 7 januari 2020 4 februari 2020 V-19.0368 190.291 / 443.918 190.414 / 443.913 190.390 / 443.793 190.309 / 443.918 40 B 1,1 ha Nieuwe tijd 4754363100 Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Gemeente Arnhem, Project - en interimmanagement R. van Dijk Gemeente Arnhem M. Defilet Bibliotheek Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, DANS-Easy en archief BAAC bv. BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219 W.A. Bergman w.bergman@baac.nl
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
12
2
Vooronderzoek
2.1 Inleiding Het archeologisch bureauonderzoek voor het project Coehoorn Oost is eerder in 5 2019 uitgevoerd door BAAC. Hieronder volgt een beknopte samenvatting van dit onderzoek en een herhaling van het verwachtingsmodel. Voor een uitgebreide beschrijving van het bureauonderzoek wordt verwezen naar het desbetreffende rapport.
2.2 Samenvatting Het plangebied ligt geomorfologisch gezien op de overgang tussen hellingafzettingen van de noordelijk gelegen stuwwal en fluviatiele afzettingen van de Rijn. Direct ten oosten van het plangebied ligt de monding van een erosiedal dat vanaf de stuwwal richting Rijn loopt. Het plangebied ligt direct ten westen van de oude stadskern. Op een kaart van e Jacob van Deventer uit de 16 eeuw is zichtbaar dat bebouwing in het plangebied aanwezig was. De toenmalige stadsgracht valt deels binnen het plangebied of lag e er direct naast. Gaandeweg de 18 eeuw wordt de stad/vesting Arnhem voorzien e van buitenwerken. Aan het eind van de 18 eeuw is dan ook geen sprake meer van bebouwing. Het plangebied wordt ingenomen door een verdedigingswerk: een ravelijn en de daarvoor liggende gracht. e Aan het begin van de 19 eeuw worden de verdedigingswerken gesloopt. In het zuidelijke deel van het plangebied wordt bebouwing gerealiseerd. Direct ten noorden van het plangebied wordt de ‘Algemene Begraafplaats’ ingericht. Een klein deel van de begraafplaats, met name de toegang, valt nog binnen het e plangebied. In de tweede helft van de 19 eeuw wordt een driebeukige hallenkerk in het noordelijke deel nabij de begraafplaats gebouwd. In de daaropvolgende jaren raakt het plangebied vrijwel geheel bebouwd.
Na de Tweede Wereldoorlog wordt vrijwel al deze bebouwing, inclusief de kerk, gesloopt en deels vervangen voor moderne deels onderkelderde bebouwing.
2.3 Archeologische verwachting Over de periode voorafgaand aan de stadswording is op basis van de huidige gegevens weinig te zeggen; voor deze periode blijft de hoge verwachting, zoals die is opgesteld voor de gemeentelijke verwachtingskaart met enige nuance vanwege latere ingrepen in de bodem bestaan. De verwachting op het aantreffen van resten uit de nieuwe tijd is zeer hoog. Eventueel aanwezige archeologische resten worden vanaf ongeveer een meter tot twee à drie meter onder maaiveld verwacht en zullen zich manifesteren door resten van bebouwing, zoals muurresten. Ook worden ophooglagen, zoals een 5
13
Bergman & Willems 2019. V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
grachtdemping en resten van het ravelijn verwacht. Mogelijk dat bebouwing uit e de 16 eeuw of eerder tot aan het maaiveld gesloopt is, waarna het ravelijn is e aangebracht. Na de sloop van het verdedigingswerk in het begin van de 19 eeuw raakte het plangebied geleidelijk bebouwd. In het noordelijke deel was de entree van een begraafplaats gesitueerd; hier kunnen mogelijk begravingen worden aangetroffen. De huidige bebouwing dateert grotendeels van na de Tweede 6 Wereldoorlog, waardoor eventuele resten uit WOII geruimd zullen zijn. De panden aan de Nieuwe Plein 5 en 7 zijn voor WOII gerealiseerd. Onder deze panden kunnen archeologische resten bewaard zijn gebleven. De panden aan de Nieuwe Plein 1b en Bergstraat 35 en 37 zijn onderkelderd. Hier worden geen resten meer verwacht (figuur 2.1). De tussenliggende bebouwing (parkeergarage) is tot ruim een meter ontgraven. Voor de Coehoornstraat 60 is onbekend of een kelder of kruipruimte aanwezig is. Bij de sloop van de Kleine Eusebiuskerk zal de grond lokaal diep verstoord zijn, indien de twee tot drie meter diepe poeren weggehaald zijn. Lokaal zijn ook puinconcentraties te verwachten die mogelijk zijn achtergebleven na de sloop van de voormalige bebouwing.
6
Bij naoorlogs geroerde grond worden in de regel geen relicten meer verwacht met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog. Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
14
Figuur 2.1 Archeologische verwachting zoals opgetekend tijdens het bureauonderzoek.
15
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
16
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1 Werkwijze Bij het inventariserend veldonderzoek is de vooraf opgestelde archeologische verwachting getoetst. Bij het inventariserend veldonderzoek is het plangebied onderzocht op de geomorfologische, geologische en bodemkundige karakteristieken. Ook geeft het booronderzoek informatie over de intactheid van de bodem en geeft daarmee inzicht in de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In het plangebied zijn 9 boringen gezet met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot maximaal 5 m –mv. Gelijktijdig aan het archeologisch booronderzoek werd door een andere partij (Grondslag B.V.) een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd op een deel van het terrein. Voor dit onderzoek zijn gaten tot circa 0,5 m diep in puinhoudende grond gegraven. De boringen 5 en 6 zijn doorgezet in de reeds gegraven gaten. Een boring (boring 1 in de parkeergarage, figuur 3.1) is niet gezet, omdat hier auto’s geparkeerd stonden waar schade aan zou kunnen ontstaan bij het maken van een boorgat. De locaties van de boringen zijn ingemeten met GPS. De hoogteligging ten 7 opzichte van NAP is uit het Actueel Hoogtebestand Nederland gehaald. De hoogte van boring 2 kon vanwege inpandige ligging niet gemeten worden. 8 9 De bodemlagen zijn lithologisch en bodemkundig beschreven. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 11 december 2019.
In navolgende paragrafen worden de resultaten van het veldonderzoek beschreven. De locaties van de boringen staan weergegeven op de boorpuntenkaart (figuur 3.1). De maaiveldhoogte (in meters t.o.v. NAP) is per boring vermeld in de boorstaten (bijlage 1).
7 8 9
17
AHN 2019. NEN 1989. De Bakker & Schelling 1989. V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Figuur 3.1 Boorpuntenkaart.
3.2 Veldwaarnemingen Door de aanwezige bebouwing, bestrating en begroeiing waren aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem (figuur 3.2). Binnen het plangebied zijn wel meerdere zichtbare vergravingen en hoogteverschillen tot circa 2 m zichtbaar. Boring 2 is in een parkeerkelder gezet, waarvan het vloerniveau meer dan een meter lager ligt dan het straatniveau. De parkeerkelder is geheel verhard met betontegels.
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
18
Figuur 3.2 Zicht op het plangebied van boring 7 in oostelijke richting.
3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw De inpandig geplaatste boring 2 bestaat tot het eind van de boring op 2,3 m –mv uit uiterst grof zand, waarbij in de top nog mortel- en baksteenresten zijn aangetroffen. Dit zand heeft een enigszins gemêleerde geelgrijze kleur. Dikke pakketten gemêleerd zand komen van nature niet voor, wat er vermoedelijk op duidt dat hier grond is geëgaliseerd en/of van elders is aangevoerd. In de ondergrond ter plaatse van de boringen 3 en 5 tot en met 9 is eveneens zeer tot uiterst grof zand aangetroffen. Dit zand is zwak grindig en egaal oranjegrijs tot licht geelgrijs van kleur en geïnterpreteerd als gestuwde rivierafzetting. Deze laag is aangetroffen vanaf 1,3 m –mv (16,2 à 16,4 m +NAP) ter plaatse van de boringen 5 en 9. Ter plaatse van de boringen 7 en 8 is de ongeroerde bodem vanaf circa 2 m –mv aangetroffen. Ten opzichte van NAP ligt de top van de gestuwde afzettingen hier op circa 16 m +NAP. De bodem ter plaatse van de boringen 3 en 6 is dieper geroerd, namelijk tot respectievelijk 2,6 en 3,4 m –mv (14,5 en 13,9 m +NAP). In de boringen 4 en 10 is de natuurlijke ondergrond niet bereikt. Boring 4 is gestaakt in geroerde grond op 5 m –mv (12,8 m +NAP). Boring 10 is vermoedelijk op baksteenpuin vastgelopen op 4,1 m-mv (13 m +NAP).
In boring 4 bestaat de geroerde grond uit een homogeen pakket zwak humeus, donkergrijs, gevlekt matig grof zand met baksteenresten en kiezels. Vergelijkbaar materiaal is ook in boring 10 aangetroffen. Hier komt echter tussen 1,2 en 1,3 m – mv nog een laag zeer sterk gevlekt, donker grijsgeel, zeer grof zand voor. Met uitzondering van boring 3 komen ook in de overige boringen meer dan een meter dikke zwak tot matig humeuze, zwak tot zeer sterk gevlekte en/of zandpakketten met een bijmenging van grind en baksteen voor op de gestuwde afzettingen. De geroerde grond ter plaatse van boring 3 is wezenlijk anders opgebouwd. Hier komen 30 tot 60 cm dikke, op basis van kleur en bijmenging van onder meer humus, grind en baksteen afzonderlijk te onderscheiden
19
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
zandlagen voor. Tussen 1,6 en 2,2 m –mv (15,6 en 15 m +NAP) komt een laag voor, waarin onder meer steenkool en botresten zijn gevonden.
3.3.2 Archeologische indicatoren De bodemlagen zijn met de hand en op het oog onderzocht op de aanwezigheid van archeologische resten. Archeologische resten zoals bijvoorbeeld aardewerk, huttenleem, vuursteen, metaal, fosfaat, houtskool en al dan niet verbrand bot) kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse of in de nabijheid van de boring met indicator. Bij controle van het opgeboorde materiaal zijn echter geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Ook zijn in de verschillende geroerde bodemlagen geen aanwijzingen gevonden die duiden op grondsporen of grachtvulling. Alleen in boring 3 komt gelaagdheid voor wat kenmerkend is voor binnenstedelijk gebied. In deze boring is tussen 1,6 en 2,2 m –mv ook een cultuurlaag met onder meer resten verbrand bot aangetroffen.
3.4 Archeologische interpretatie Kenmerkende lagen voor binnenstedelijk gebied zijn alleen in boring 3 aangetroffen. In de overige boringen lijkt sprake te zijn van gronddempingen en niet van in-situ bodemlagen. Mogelijk dat de dempingen een deels restant zijn e van de 17 eeuwse verdedigingswerken. Met name ter plaatse van de boringen 4 en 10 is mogelijk sprake van de demping van een droge gracht. Bij de aanleg van de parkeerkelder (boring 2) zullen eventuele bewoningsporen zijn vernietigd. In de bodem zijn mogelijk nog wel sporen van het ravelijn te herkennen. Ter plaatse van de voormalige Kleine Eusebius (boringen 7, 8 en 9) zijn geen opvallend diepe vergravingen waargenomen. De top van de natuurlijke ondergrond ligt hier tussen 1,3 en 2,1 m –mv. Sporen van eventuele oudere bebouwing en de voormalige begraafplaats zullen bij het slechten van de kerk wel verloren zijn gegaan. Muurwerk van verdedigingswerken of uitbraaksleuven hiervan kunnen echter wel bewaard zijn gebleven. De voormalige stadsgracht was nabij boring 6 gesitueerd. In deze boring bleek de bodem geroerd tot 3,4 m –mv, waarbij derhalve mogelijk sprake is van een dempingspakket. Voor een gracht kenmerkende sterk humeuze laag is echter niet waargenomen. Boring 5 is op of e nabij de bekende bebouwing uit de 16 eeuw gezet.
De bodem is hier relatief ondiep geroerd, waardoor eventuele funderingen of uitbraaksleuven bewaard gebleven kunnen zijn.
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
20
4
Conclusie en aanbevelingen
Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in het Plan van Aanpak:
Hoe is de bodemopbouw en zijn (begraven) bodems met potentiële archeologische niveaus (cultuurlagen) aanwezig? En zo ja, op welke diepte? Uit de bodemopbouw blijkt evident dat de grond al eeuwenlang in cultuur is genomen. De bodemopbouw is niet eenduidig te beschrijven. Zo bestaat de inpandig geplaatste boring 2 (figuur 4.1) tot het eind van de boring op 2,3 m –mv uit uiterst grof zand. Dit zand heeft een enigszins gemêleerde geelgrijze kleur. Dikke pakketten gemêleerd zand komen van nature niet voor, wat er vermoedelijk op duidt dat hier grond is geëgaliseerd en/of van elders is aangevoerd, wat mogelijk duidt op een restant van het voormalige ravelijn. In de ondergrond ter plaatse van de boringen 3 en 5 tot en met 9 is eveneens zeer tot uiterst grof zand aangetroffen. Dit zand is zwak grindig en egaal oranjegrijs tot licht geelgrijs van kleur en geïnterpreteerd als gestuwde rivierafzetting. Deze laag is aangetroffen vanaf 1,3 m –mv ter plaatse van de boringen 5 en 9. Ter plaatse van de boringen 7 en 8 is de ongeroerde bodem vanaf circa 2 m –mv aangetroffen. De bodem ter plaatse van de boringen 3 en 6 is dieper geroerd, namelijk tot respectievelijk 2,6 en 3,4 m –mv. In de boringen 4 en 10 is de natuurlijke ondergrond niet bereikt. Boring 4 is gestaakt in geroerde grond op 5 m –mv. Boring 10 is vermoedelijk op baksteenpuin vastgelopen op 4,1 m-mv.
In boring 4 bestaat de geroerde grond uit een homogeen pakket zwak humeus, donkergrijs, gevlekt matig grof zand met baksteenresten en kiezels. Vergelijkbaar materiaal is ook in boring 10 aangetroffen. Hier komt echter tussen 1,2 en 1,3 m – mv nog een laag zeer sterk gevlekt, donker grijsgeel, zeer grof zand voor. Met uitzondering van boring 3 komen ook in de overige boringen meer dan een meter dikke zwak tot matig humeuze, zwak tot zeer sterk gevlekte en/of zandpakketten met een bijmenging van grind en baksteen voor op de gestuwde afzettingen. De geroerde grond ter plaatse van boring 3 is wezenlijk anders opgebouwd. Hier komen 30 tot 60 cm dikke, op basis van kleur en bijmenging van onder meer humus, grind en baksteen afzonderlijk te onderscheiden zandlagen voor. In deze boring is sprake van een potentieel archeologisch niveau tussen 1,6 en 2,2 m –mv.
21
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Figuur 4.1 Boorpuntenkaart.
Zijn binnen het plangebied puindumps, muurresten, grachtvullingen op ophooglagen aanwezig. En zo ja, tot welke diepte? Met name ter plaatse van de boringen 4 en 10 is mogelijk sprake van de demping van een droge gracht tot meer dan 4 m -mv. De voormalige stadsgracht was nabij boring 6 gesitueerd. In deze boring bleek de bodem geroerd tot 3,4 m –mv, waarbij derhalve mogelijk sprake is van een dempingspakket. Voor een gracht kenmerkende sterk humeuze laag is echter niet waargenomen. Ter plaatse van de voormalige Kleine Eusebius (boringen 7, 8 en 9) zijn geen opvallend diepe vergravingen waargenomen. De top van de natuurlijke ondergrond ligt hier tussen 1,3 en 2,1 m –mv. Ter plaatse van de parkeerkelder (boring 2) is waarschijnlijk een egalisatielaag aangebracht van materiaal wat elders van de stuwwal is aangevoerd, mogelijk bij de aanleg van het ravelijn. Boring 5 is op of e nabij de bekende bebouwing uit de 16 eeuw gezet. De bodem is hier relatief ondiep geroerd, waardoor eventuele funderingen of uitbraaksleuven bewaard gebleven kunnen zijn.
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
22
In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm? Indien bodemingrepen worden uitgevoerd die dieper reiken dan 1,3 m –mv adviseert BAAC een proefsleuf ter hoogte van de boringen 3 tot en met 6 dwars in oost-west richting over het gebied te zetten met haaks hierop noord-zuid gerichte sleuven. Hierbij kunnen zowel resten van voormalige bebouwing (funderingen, putten, uitbraaksleuven en dergelijke) als verdedigingswerken en grachten (waaronder palissades, aardwerken, palenrijen, beschoeiingen en dergelijke) worden aangetroffen. Het proefsleuvenonderzoek is erop gericht om de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden vast te stellen. Een proefsleuvenonderzoek vormt de meest geëigende methode om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in één keer uit te sluiten of vast te stellen. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een (door het bevoegd gezag goedgekeurd) Programma van Eisen te worden opgesteld, waarin de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, zijn vastgelegd. Bovenstaand advies is door de bevoegde overheid (gemeente Arnhem) beoordeeld.
Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC bv wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.
23
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
24
5
Geraadpleegde bronnen
Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, Wageningen. Bergman W.A. & J.M.J. Willems, 2019.:Gemeente Arnhem. Plangebied Arnhem, Coehoorn Oost Archeologisch bureauonderzoek. BAAC rapport V-19.0208. ’sHertogenbosch. Bergman W.A., 2019: Plan van Aanpak Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) plangebied Coehoorn Oost te Arnhem. ’s-Hertogenbosch. CCvD, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Gouda. Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO), 2019. Coehoorn Creatieve Wijk. Gebiedsvisie. N.N. Nederlands Centrum van Normalisatie (NEN), 1989: Classificatie van onverharde grondmonsters, NEN 5104, Delft.
Geraadpleegde kaarten ANWB, 2004: Topografische atlas Noord-Brabant (1:25.000). Den Haag.
Geraadpleegde websites (november 2019) AHN 3, Actueel Hoogtebestand Nederland, online geraadpleegd via http://www.ahn.geodan.nl. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), a. Centraal Archeologisch Archief (CAA) afkomstig van ARCHIS 3. Amersfoort. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), b. Kadastrale kaarten 1811-1832 Online geraadpleegd via http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ e
Topotijdreis, Site met topografische kaarten vanaf de 19 eeuw tot heden. Geraadpleegd via www.topotijdreis.nl.
25
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
26
Bijlagen
1
27
Boorstaten
V-19.0368 Arnhem, Coehoorn Oost
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
28
boring: 19368-2 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.335, Y: 443.856, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: verhard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, kalkloos Opmerking: Tegel
8 cm -Mv Lithologie: zand, zwak siltig, geelgrijs, uiterst grof, kalkloos Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteen- en mortelresten
50 cm -Mv Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geelgrijs, uiterst grof, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: Gemeleerd
Einde boring op 230 cm -Mv
1
boring: 19368-3 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.321, Y: 443.865, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 17,20, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: verhard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv / 17,20 m +NAP Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, kalkloos Opmerking: Klinker
10 cm -Mv / 17,10 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, geelgrijs, zeer grof, kalkloos
20 cm -Mv / 17,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijs, matig grof, kalkloos Archeologie: enkel fragment aardewerk, enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Roodbakkend glazuur
70 cm -Mv / 16,50 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig grof, kalkloos
100 cm -Mv / 16,20 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, geelgrijs, zeer grof, kalkloos
140 cm -Mv / 15,80 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, zeer grof, kalkloos Opmerking: Kiezel
160 cm -Mv / 15,60 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, zeer grof, kalkloos Archeologie: enkel fragment verbrand bot, enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Kiezels, iets hard baksteen en steenkool
220 cm -Mv / 15,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, zeer grof, kalkloos
265 cm -Mv / 14,55 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkergeelgrijs, zeer grof, kalkloos
320 cm -Mv / 14,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geelgrijs, zeer grof, kalkloos, interpretatie: fluvioglaciaal (keileem, grondmorene) Bodemkundig: C-horizont
330 cm -Mv / 13,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijswit, zeer grof, kalkloos, interpretatie: fluvioglaciaal (keileem, grondmorene) Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 380 cm -Mv / 13,40 m +NAP
2
boring: 19368-4 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.339, Y: 443.881, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 17,80, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: verhard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv / 17,80 m +NAP Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, kalkloos Opmerking: Tegel
5 cm -Mv / 17,75 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkergrijsgrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten en grind. Sterk gevlekt
Einde boring op 500 cm -Mv / 12,80 m +NAP
3
boring: 19368-5 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.374, Y: 443.882, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 17,55, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: tuin, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv / 17,55 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsgrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten en grind. Betonbrokken. Zeer sterk gevlekt
130 cm -Mv / 16,25 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak grindig, grijsbruin, zeer grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: BC-horizont
160 cm -Mv / 15,95 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, geelgrijs, uiterst grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: C-horizont Opmerking: Gemeleerd. Scherp zand
280 cm -Mv / 14,75 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, oranjegrijs, uiterst grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Opmerking: Slecht gesorteerd
290 cm -Mv / 14,65 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, lichtbruingrijs, uiterst grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Opmerking: Slecht gesorteerd
320 cm -Mv / 14,35 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, lichtgeelgrijs, uiterst grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Opmerking: Naar onderen toe meer roest. Matig gesorteerd
Einde boring op 380 cm -Mv / 13,75 m +NAP
4
boring: 19368-6 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.393, Y: 443.880, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 17,34, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: tuin, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv / 17,34 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsgrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten en grind. Zeer sterk gevlekt
130 cm -Mv / 16,04 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten en grind. Gevlekt
230 cm -Mv / 15,04 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs, zeer grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten en grind. Gevlekt
340 cm -Mv / 13,94 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, geelgrijs, zeer grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: C-horizont, enkele Fe-vlekken Opmerking: Scherp zand. Matig gesorteerd
360 cm -Mv / 13,74 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, lichtgeelgrijs, zeer grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: C-horizont Opmerking: Scherp zand. Matig gesorteerd
Einde boring op 400 cm -Mv / 13,34 m +NAP
5
boring: 19368-7 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.406, Y: 443.903, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 18,50, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: tuin, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv / 18,50 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkergrijsgeel, matig grof, kalkloos Opmerking: Zeer sterk gevlekt en gelaagd. Baksteenpuin tussen 80 en 100
210 cm -Mv / 16,40 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, geelgrijs, matig grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Opmerking: Goed gesorteerd, goed afgerond
Einde boring op 250 cm -Mv / 16,00 m +NAP
boring: 19368-8 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.386, Y: 443.906, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 18,40, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: tuin, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv / 18,40 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijs, matig grof, kalkloos
50 cm -Mv / 17,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak grindig, donkergrijsgeel, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten. Zeer sterk gevlekt en gelaagd
200 cm -Mv / 16,40 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, geelgrijs, zeer grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: C-horizont, enkele Fe-vlekken
240 cm -Mv / 16,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: leem, zwak zandig, grijsgrijs, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: veel Fe-vlekken
255 cm -Mv / 15,85 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, sterk siltig, grijsgrijs, leembrokken, matig grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
Einde boring op 290 cm -Mv / 15,50 m +NAP
6
boring: 19368-9 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.397, Y: 443.898, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 17,74, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: tuin, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv / 17,74 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsgrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten en grind. Zeer sterk gevlekt
130 cm -Mv / 16,44 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak grindig, grijsbruin, matig grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: BC-horizont
150 cm -Mv / 16,24 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, geelgrijs, zeer grof, kalkloos, interpretatie: fluvioperiglaciale afzettingen (zand en grind [leem, gyttja, veen]) Bodemkundig: C-horizont Opmerking: Gelaagd, soms gemeleerd. Leemlaag op 300. Enkele roestvlekken. Goed gesorteerd, goed afgerond.
Einde boring op 370 cm -Mv / 14,04 m +NAP
7
boring: 19368-10 beschrijver: WB, datum: 11-12-2019, X: 190.337, Y: 443.902, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 17,15, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: verhard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Arnhem, plaatsnaam: Arnhem, opdrachtgever: Gemeente Arnhem, uitvoerder: BAAC
0 cm -Mv / 17,15 m +NAP Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, kalkloos Opmerking: Klinker
10 cm -Mv / 17,05 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkergrijsgrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten en grind. Sterk gevlekt
120 cm -Mv / 15,95 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkergrijsgeel, zeer grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Opmerking: Zeer sterk gevlekt
230 cm -Mv / 14,85 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Baksteenresten en grind. Sterk gevlekt. Boring vastgelopen op vermoedelijk baksteen
Einde boring op 410 cm -Mv / 13,05 m +NAP
8