Bijlage 7 - Notitie Reikwijdte en Detailniveau MER Rijnpark (NRD)
Tekst van het document
RAPPORT Notitie Reikwijdte en Detailniveau MER Rijnpark Klant:
Gemeente Arnhem
Referentie: BJ4785-RP-001 Status:
Definitief
Datum:
27 februari 2024
Open
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Jonkerbosplein 52 6534 AB Nijmegen Netherlands Mobility & Infrastructure
+31 88 348 70 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Notitie Reikwijdte en Detailniveau Sub titel: MER Rijnpark Referentie: BJ4785-RP-001 Status: Definitief Datum: 27 februari 2024 Projectnaam: MER Rijnpark Projectnummer: BJ4785
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderzins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 27 februari 2024
BJ4785-RP-001
ii
Open
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Gebiedsontwikkeling Rijnpark
1
1.2
De NRD is de eerste stap in de m.e.r.-procedure
2
2
Gebiedsontwikkeling Rijnpark
4
2.1
Omgevingsvisie Arnhem: Spoorzone Arnhem Oost
4
2.2
Rijnpark in het kort
4
3
Alternatieven in het MER
7
3.1
Inleiding
7
3.2
Referentiesituatie: autonome ontwikkelingen
7
3.3
Nul-alternatief
8
3.4
Basisalternatief
8
3.5
Voorkeursalternatief
9
4
Onderzoeksthema’s
10
4.1
Beoordelingsmethodiek
10
4.2
Plan- en studiegebied
10
4.3
Planhorizon en referentiejaar
10
4.4
Beoordelingskader
11
5
M.e.r.-procedure
14
5.1
Doel van de m.e.r.-procedure
14
5.2
M.e.r.-plicht
14
5.3
M.e.r.-procedure
15
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
iii
Open
1
Inleiding
1.1
Gebiedsontwikkeling Rijnpark
De gebiedsontwikkeling Rijnpark betreft het transformeren van een binnenstedelijk gemengd bedrijventerrein van circa 70 hectare naar een intensiever gebruikt gebied met ruimte voor wonen, werken en voorzieningen. De gemeente Arnhem wil in Rijnpark onder meer ruimte bieden aan circa 7.000 woningen, 5.000 banen, maatschappelijke voorzieningen en een stadspark. Rijnpark is gelegen tussen de Broekstraat, de Westervoortsedijk, de Van Oldenbarneveldtstraat en de Doctor C. Lelyweg. Ten noorden van Rijnpark ligt woonwijk Het Broek, ten westen nieuwbouwwoonwijk het Gashouderskwartier, ten oosten bedrijventerrein Het Broek en ten zuidoosten bedrijventerreinen De Nieuw Haven en cleantech campus IPKW.
Figuur 1: Plangebied Rijnpark
Rijnpark wordt gefaseerd ontwikkeld: fase 1 (2030) en fase 2 (2040). Voor de realisatie van fase 1 is onder meer de uitplaatsing van een deel van het spooremplacement (het ProRail-gedeelte) nodig en voor fase 2 de uitplaatsing van het resterende emplacement (het NS-gedeelte).
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
1
Open
Figuur 2: Luchtfoto van een deel van Rijnpark
Voor Rijnpark is de Gebiedsvisie Rijnpark opgesteld (maart 2024, collegebesluit met raadsvoorstel), met een ruimtelijk raamwerk voor fase 1. Voor fase 1 is begin 2023 ook voorkeursrecht gevestigd. Om de grootschalige binnenstedelijke gebiedsontwikkeling Rijnpark mogelijk te maken zijn wijzigingen van het omgevingsplan nodig. Ook wordt er een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Daartoe wordt de m.e.r.procedure (m.e.r.) doorlopen en worden milieuonderzoeken uitgevoerd. Het MER wordt bij de eerste ontwerp-omgevingsplan voor Rijnpark ter inzage gelegd.
1.2
De NRD is de eerste stap in de m.e.r.-procedure
Bij een ontwikkeling als deze moet de gemeente openbaar kennisgeven van de start van de m.e.r.procedure en moet de gemeente de andere bestuursorganen en adviseurs raadplegen over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER (o.a. provincie, waterschap, veiligheidsregio). Daartoe is deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau MER Rijnpark (NRD). De NRD is met de openbare kennisgeving de eerste stap in de m.e.r.-procedure.
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
2
Open
Bij de NRD gaat het om de onderzoeksopzet. ‘Reikwijdte' staat voor de onderwerpen die het MER moet gaan bestrijken: welke alternatieven moeten onderzocht worden en welke milieuaspecten zijn relevant in dit onderzoek? Bij ‘detailniveau' draait het om de vraag hoe uitgebreid en op welk schaalniveau de verschillende milieuaspecten onderzocht moeten worden en op welke manier dat onderzoek moet worden uitgevoerd. De gemeente stelt eenieder in de gelegenheid om te reageren op de NRD; niet alleen de bestuursorganen en adviseurs, De NRD gaat dus over de onderzoeksopzet voor de nog uit te voeren milieuonderzoeken bij het MER en (enkel) daarover kan een reactie worden ingediend. Bijvoorbeeld door een voorstel te doen voor aanscherping van het uit te voeren onderzoeken. Verzocht wordt om reacties over meer dan onderzoeksopzet, zoals over de inhoud van de Gebiedsvisie en over de betrokkenheid bij het vervolgproces, niet in te dienen als reactie op de NRD. Met de ingediende reacties wordt zoveel mogelijk rekening gehouden in het op te stellen MER. In het MER wordt aangegeven hoe met de reacties is omgegaan. De komende periode worden de milieuonderzoeken in het kader van het MER uitgevoerd. Het MER wordt bij het eerste ontwerp-omgevingsplan voor Rijnpark ter inzage worden gelegd. Definities m.e.r en MER Zowel de term m.e.r als MER wordt genoemd.
Er zit verschil in definitie van deze termen: De milieueffectrapportage (afkorting m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan in beeld brengt voordat de overheid daar een besluit over neemt. De onderzoeksresultaten van de m.e.r. worden gepubliceerd in het milieueffectrapport (afkorting MER).
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
3
Open
2
Gebiedsontwikkeling Rijnpark
2.1
Omgevingsvisie Arnhem: Spoorzone Arnhem Oost
Het gebied Rijnpark is onderdeel van Spoorzone Arnhem-Oost. In het Ontwikkelperspectief Spoorzone Arnhem-Oost (2021) en het ontwerp-Omgevingsvisie Arnhem 2040 (november 2022) zijn de ambities van Arnhem voor dit gebied vastgelegd. Naast opgaven voor de woonwijken en werkgebieden ligt er een opgave voor het spoor. Enerzijds gaat het om het toekomstbestendig maken van het spoor en anderzijds gaat het om het slechten van de barrière die de railinfrastructuur in Arnhem Oost vormt. De omgevingsvisie Arnhem 2040 schetst een toekomstbeeld voor de stad en geeft aan hoe de gemeente om wil gaan met opgaven als de groei van bewoners, bedrijven en bezoekers, de energietransitie en druk op de natuur. De gemeente zet de koers voor Arnhem uit aan de hand van zes algemene ambities: (1) aantrekkelijke stad, (2) groene, gezonde en veilige stad, (3) vitale stad, (4) ruimte voor schone mobiliteit, (5) goed wonen en (6) een stad met nieuwe energie. In de visie staan is aangeven hoe de gemeente deze ambities wil bereiken, zoals: • het bouwen op goed bereikbare plekken waar voorzieningen nabij zijn; • het bij elkaar brengen van wonen, werken en voorzieningen; • wandelen, fietsen, en OV zijn de meest voor de hand liggende vormen van vervoer; • het verder vergroenen van de stad, passend bij het veranderende klimaat. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een MER en een passende beoordeling opgesteld.
Deze is samen met de ontwerp Omgevingsvisie eind 2022 ter inzage gelegd. De raad heeft in december 2023 de Omgevingsvisie vastgesteld. Het MER dat is opgesteld voor de Omgevingsvisie Arnhem 2040 sluit aan bij het abstractieniveau van de Omgevingsvisie. Het op te stellen MER Rijnpark zal concreter zijn en aansluiten bij de te nemen besluiten over ruimtelijke plannen en vervolgbesluiten voor Rijnpark en de daarbij behorende dilemma’s en te maken keuzes.
2.2
Rijnpark in het kort
Voor Rijnpark heeft de gemeenteraad in mei 2023 de Startnotitie Rijnpark met Ruimtelijke Verkenning vastgesteld. Inmiddels is er de Gebiedsvisie Rijnpark (maart 2024, collegebesluit met raadsvoorstel), met een ruimtelijk raamwerk voor fase 1. De Gebiedsvisie is opgebouwd aan de hand van zes kenwaarden voor Rijnpark. De uitgangspunten per ieder van de zes kernwaarden zijn als volgt uitgewerkt in de Gebiedsvisie: 1. NIEUWE ARNHEMSE MIX Rijnpark wordt een gemengde, diverse en inclusieve stadswijk met een gezonde mix aan functies. Naast 7.000 woningen bevat de wijk een breed scala aan voorzieningen en bedrijvigheid. De voorzieningen en bedrijvigheid in Rijnpark zorgen voor tenminste 5.000 banen in het gebied. In Rijnpark wordt gestreefd naar zoveel mogelijk efficiënt ruimtegebruik, met compacte en gemengde gebouwen, met een levendige dynamiek en voldoende ruimte voor ontmoeting. • Rijnpark bestaat uit 2/3 betaalbaar wonen (40% is sociaal en circa 25% is middelduur; waarvan 20% betaalbare koop) gelijkmatig verdeeld over Rijnpark 27 februari 2024
BJ4785-RP-001
4
Open
• • • •
Circa 80.000 m2 BVO aan maatschappelijke en commerciële voorzieningen Het werken is complementair aan omliggende werkgebieden als Het Broek en IPKW, en versterkt het ecosysteem van Arnhem, inclusief betaalbare ruimte, totaal ca 180.000m2 In Rijnpark is er ruimte voor de huisvesting van verschillende aandachtsgroepen (opvang, statushouders, kwetsbare jongeren) en in fase 1 komen, ca 450 plekken voor de opvang van vluchtelingen. In Rijnpark komt tenminste een basisschool in fase 1, en mogelijk een 9-maanden-tot-18-jaar school (onderzoek) en een grote multifunctionele sporthal in fase 2 (onderzoek)
2. Water en bodem als basis De kwaliteit van de bodem is de basis voor een gezonde en groene stadswijk. In Rijnpark komt de juiste grond op de juiste plek. Dit geldt zowel voor de bodemkwaliteit (mate van bodemvervuiling) als voor de bodemsamenstelling (mate van doorlaatbaarheid en voedzaamheid). De gekozen strategie brengt de bodem tot leven, maakt het gebied leefbaar, legt de basis voor een sterke, biodiverse en natuurinclusieve groenstructuur en zorgt voor een veerkrachtig watersysteem dat wateroverlast voorkomt en verkoeling biedt in warme periodes. • In Rijnpark wordt gewerkt met een (zo veel mogelijk) gesloten grondbalans • De bodem in Rijnpark legt de basis voor een gezond stedelijk leven voor mens, dier en plant • In Rijnpark wordt de kleine watercyclus hersteld. Wateroverlast en hittestress wordt hiermee voorkomen. • In Rijnpark wordt hemelwater zo veel mogelijk lokaal verwerkt en gebruikt (bewatering tuinen, grijs watersysteem) • Ondergrond en bovengrond worden in Rijnpark op elkaar afgestemd om zo veel mogelijk ruimte te vrijwaren voor groen 3. Veluwe aan de Rijn Rijnpark wordt een groene en aantrekkelijke stadswijk voor mens en dier. De wijk is via de Veluweloper direct verbonden met de Rijn en de Veluwe en krijgt een groot centraal Spoorpark op het voormalige emplacement.
Tesamen met de openbare ruimte, de gebouwen (daken, gevels) en de binnentuinen wordt Rijnpark maximaal groen ingericht, waardoor de “Rijnparkbiotoop” ontstaat, een leefomgeving voor mens, plant en dier. • Met het Spoorpark wordt een nieuw type stadspark aan Arnhem toegevoegd • De Veluweloper voorziet in een ecologische en recreatieve verbinding tussen de Veluwe en de Rijn. • Rijnpark wordt zo groen mogelijk ingericht, met robuuste en gelaagde beplanting • In Rijnpark geldt de 3-30-300 spelregel • De buitenruimte in Rijnpark nodigt uit tot beweging en spel • De Westervoortsedijk wordt getransformeerd tot een groene “Rijnboulevard”, waardoor de kwaliteiten van de Rijn-kade worden doorgezet en Arnhem Oost zich aan de Rijn presenteert 4. Goed verbonden In Rijnpark wordt ingezet op een mobiliteitstransitie naar een meer duurzame mobiliteit. De mobiliteitsstrategie laat zich leiden door het STOMP-principe. (Stappen-Trappen-OV-MaaS-Privéauto) Hierbij ligt de focus op het voorkomen van verplaatsingen met de (privé)auto, met meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Voorzieningen zijn in Rijnpark nabij en de wijk is goed verbonden met haar omgeving. Onder andere door middel van de nieuwe oeververbinding. De bedrijvigheid met noodzakelijke logistiek en bijbehorende wegen, is zoveel mogelijk ontvlecht van de langzaam verkeerroutes. • Lage parkeernorm voor auto’s in Rijnpark
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
5
Open
• • • • • •
Parkeren van auto’s op afstand in publieke garages en Hub’s Goede, veilige en ruime parkeervoorzieningen voor de fiets en auto (H)OV-haltes op loopafstand Fijnmazig netwerk voor fietsers en voetgangers De realisatie van een nieuwe oeververbinding voor fietsers en voetgangers in fase 1 Bedrijven die meer afhankelijk zijn van logistiek zijn geconcentreerd in specifieke zones
5. Eigentijdse, gelaagde stadswijk In Rijnpark worden werken en wonen zoveel mogelijk gecombineerd, met passende voorzieningen in de nabijheid. De historische structuren (zichtbaar en onzichtbaar), historische gebouwen en andere historische elementen worden gebruikt om de wijk eigenheid en karakter mee te geven. In Rijnpark wordt compact en stedelijk gebouwd. • De industriële historie van Rijnpark vormt het erfgoed van het gebied. De zichtbare en onzichtbare historie en het industriële karakter leggen de basis voor de ontwikkeling van het gebied • De bebouwing sluit goed aan op de omliggende wijken • In Rijnpark wordt gebouwd in een hoge dichtheid met aandacht voor de menselijke maat en schaal • In Rijnpark komt hoogbouw, met stedelijke accenten van 100 en 120 meter • Functies worden zowel horizontaal als verticaal gemengd 6. Gezond, energiek en circulair Bij de ontwikkeling van Rijnpark staat het streven naar een veilige, gezonde, aangename en groene leefomgeving voorop. Negatieve milieu-invloeden van binnen en buiten het gebied worden zo veel mogelijk ingeperkt. Daarbij wordt rekening gehouden met de bestaande bedrijvigheid in en rondom Rijnpark.
Qua materiaal en circulariteit wordt ingezet op hergebruik van de materialen van bestaande gebouwen en fundamenten • Rijnpark kent een goed microklimaat • In Rijnpark wordt zo veel mogelijk energie lokaal opgewekt • In Rijnpark wordt gebruik gemaakt van collectieve energiesystemen gekoppeld aan de mobiliteitsHub’s • De ontwikkeling van Rijnpark is afgestemd op omliggende bedrijvigheid. Negatieve milieueffecten worden daarbij voorkomen en er blijft ruimte voor de bedrijvigheid op de omliggende terreinen • In Rijnpark wordt ingezet op duurzaam materiaalgebruik; 25% hergebruik van bestaande materialen tot 2030 en 50% na 2030 • Bestaande bebouwing wordt op een circulaire wijze gesloopt, en in de nieuwbouw worden circulair en biobased materialen gestimuleerd • Afvalstromen worden beperkt, gescheiden verzameld en waar mogelijk hergebruikt
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
6
Open
3
Alternatieven in het MER
3.1
Inleiding
Referentiesituatie In een MER worden de effecten van een voorgenomen ontwikkeling (Rijnpark) vergeleken met de referentiesituatie (de autonome ontwikkeling). Alternatieven In een MER moeten, naast de voorgenomen activiteit, ook de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven worden onderzocht. De (locatie)keuze om in Rijnpark o.a. ruimte te bieden voor nieuwe woningen en extra werkgelegenheid is gemaakt in het kader van de Omgevingsvisie Arnhem 2040. De gevolgen van de in de Omgevingsvisie gemaakte keuzen zijn beschreven in het MER voor de Omgevingsvisie (MER 2022 en aanvulling 2023). Het onderzoek naar de milieugevolgen van de voorgenomen ontwikkeling en eventueel redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven, zal zich daarom focussen op de invulling van het gebied Rijnpark. Basisalternatief Voor de voorgenomen ontwikkeling van Rijnpark wordt eerst een Basisalternatief beschouwd. Het Basisalternatief is een eerste uitwerking gebaseerd op de Gebiedsvisie Rijnpark. Voorkeursalternatief Met de kennis en inzichten na het Basisalternatief wordt een zogenaamd Voorkeursalternatief ontwikkeld. Het Voorkeursalternatief omvat mogelijk onder meer een verdere concretisering en uitwerking op diverse milieuthema's.
Nul-alternatief De effecten van de voorgenomen ontwikkeling Rijnpark worden niet alleen vergeleken met de referentiesituatie (huidige situatie met autonome ontwikkelingen, zonder de transformatie van Rijnpark), maar ook met het zogenaamde Nul-alternatief (situatie waarbij de ruimte in het geldende omgevingsplan wordt benut, met meer bedrijvigheid, zonder transformatie Rijnpark).
3.2
Referentiesituatie: autonome ontwikkelingen
In een MER worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling van Rijnpark vergeleken met de referentiesituatie. Dat is de situatie die in de toekomst zal ontstaan als de voorgenomen ontwikkeling (het ontwikkelprogramma voor Rijnpark) niet wordt gerealiseerd. De referentiesituatie is gebaseerd op de bestaande situatie van het milieu, samen met de gevolgen van de zogenaamde autonome ontwikkelingen in- en rondom het plangebied. De autonome ontwikkeling is dus onderdeel van de referentiesituatie, waarmee de voorgenomen activiteit en alternatieven worden vergeleken. Het beschrijven van de referentiesituatie vraagt dus om een analyse van de vraag hoe het plan- en studiegebied er in de toekomst uit zal zien bij ongewijzigd beleid. Omdat er een verschil kan zitten in de feitelijke situatie en de planologisch of milieukundige mogelijke situatie, wordt in eerste instantie uitgegaan van de feitelijke, bestaande toestand en concrete ontwikkelingen die nog niet zijn gerealiseerd, maar waarover wel al besluiten zijn genomen. Besluiten zoals omgevingsvergunningen voor uitbreiding van bedrijven of nieuwe functies in het plangebied. Ook wordt rekening gehouden met generieke (planoverschrijdende) ontwikkelingen die van belang zijn voor de te verwachten milieueffecten, zoals vigerende milieuregels die randvoorwaarden stellen aan de milieueffecten van bedrijven. 27 februari 2024
BJ4785-RP-001
7
Open
Daarnaast wordt er rekening gehouden met de verwachte autonome ontwikkeling van het verkeer in het plan- en studiegebied en de aan het verkeer gerelateerde emissies en immissies (met name geluid en luchtkwaliteit). Ook zal er rekening worden gehouden met vastgestelde ontwikkelingen in het studiegebied die van invloed zijn op de milieugevolgen en milieugebruiksruimte in het plangebied. De uitgangspunten die hiervoor worden gehanteerd worden in het MER onderbouwd. Hierbij zal worden ingegaan op de onderverdeling c.q. opbouw van de referentiesituatie, te weten • de bestaande situatie aangevuld met concrete vastgestelde ontwikkelingen die op de korte termijn zullen worden gerealiseerd; • De verwachte autonome ontwikkeling, op basis van toekomstige ontwikkelingen buiten het plangebied en generieke ontwikkelingen (met een horizon van circa 15 tot 20 jaar). Daar waar er een belangrijk verschil is tussen de huidige situatie en de referentiesituatie (huidige situatie en autonome ontwikkeling), zal in de effectbeschrijving van de alternatieven ook een vergelijking worden gemaakt met (alleen) de huidige situatie.
3.3
Nul-alternatief
De effecten van de voorgenomen ontwikkeling Rijnpark worden niet alleen vergeleken met de referentiesituatie (huidige situatie met autonome ontwikkelingen, zonder de transformatie van Rijnpark), maar ook met het zogenaamde Nul-alternatief (situatie waarbij de ruimte in het geldende omgevingsplan wordt benut, met meer bedrijvigheid, zonder transformatie Rijnpark). In de vorm van een nul-alternatief zal in het MER ook worden ingegaan op de milieugevolgen die het gevolg kunnen zijn van de invulling van de niet-benutte mogelijkheden zoals die worden geboden in de vigerende omgevingsplannen. Bijvoorbeeld daar waar het gaat om verschillen tussen de maximale milieucategorie van bedrijven en de feitelijke milieucategorie of -impact van bedrijven. Invulling van de huidige maximale planologische mogelijkheden is geen onderdeel van de referentiesituatie. De uitwerking van het nul-alternatief verschilt per milieuthema. Vooral voor aspecten als verkeer, geluid, lucht en natuur (stikstof) zal het nul-alternatief afwijken van de referentie. In het MER zal het Nul-alternatief enkel kwalitatief (en niet ook kwantitatief) worden beschouwd.
3.4
Basisalternatief
Voor de voorgenomen ontwikkeling van Rijnpark wordt eerst een Basisalternatief beschouwd. Het Basisalternatief is een eerste uitwerking gebaseerd op de Gebiedsvisie Rijnpark. Voor fase 1 is er ook een ruimtelijk raamwerk. De Gebiedsvisie Rijnpark gaat uit van 7.000 woningen en 5.000 banen, maar voor het MER wordt uitgegaan van +10% woningen (dus 7.700), om enige robuustheid in de milieuonderzoeken te creëren. Net als in de referentiesituatie, wordt hierbij rekening gehouden met generieke ontwikkelingen en geldende randvoorwaarden die van belang zijn voor de te verwachten milieueffecten en de milieugebruiksruimte en met autonome ontwikkelingen buiten het plangebied.
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
8
Open
3.5
Voorkeursalternatief
Met de kennis en inzichten na het Basisalternatief wordt een zogenaamd Voorkeursalternatief ontwikkeld. Het Voorkeursalternatief omvat mogelijk onder meer een verdere concretisering en uitwerking op diverse milieuthema's. De informatie op basis van de effectvergelijking met het Basisalternatief kan worden gebruikt om het Basisalternatief te optimaliseren dan wel om nader te maken afwegingen te adresseren. Het Voorkeursalternatief wordt dus later, gaandeweg het proces, uitgewerkt. Ook bij het Voorkeursalternatief worden zowel fase 1+2 (2040) als fase 1 (2030) beschouwd.
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
9
Open
4
Onderzoeksthema’s
4.1
Beoordelingsmethodiek
De kern van het MER is dat de belangrijkste gevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden op het milieu overzichtelijk in beeld worden gebracht. Het detailniveau van het MER moet aansluiten op het detailniveau van de ontwikkeling. Voor het beschrijven van de effecten wordt de volgende werkwijze gehanteerd: • de milieueffecten worden zoveel mogelijk kwantitatief (cijfermatig) beschreven; • voor die criteria waarbij het niet mogelijk of minder relevant is om de effecten kwantitatief te bepalen, worden deze kwalitatief beschreven. In het MER worden de effecten (positief en negatief) van het project op verschillende milieuaspecten in beeld gebracht en vergeleken met de referentiesituatie. Per aspect worden één of meer criteria gebruikt voor de effectbeoordeling. De effecten worden beoordeeld met behulp van de vijfpunt beoordelingsschaal zoals weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 1 Scoremethodiek
Score
Toelichting score (ten opzichte van de referentie situatie)
++
Zeer positieve bijdrage / effect
+
Positieve bijdrage / effect
0
Gelijkblijvende bijdrage / neutraal
-
Negatieve bijdrage /effect
--
Zeer negatieve bijdrage / effect
4.2
Plan- en studiegebied
Bij de beschrijving van de mogelijke effecten voor een aantal milieuthema’s zal er soms sprake zijn van een groter beïnvloedingsgebied dan het plangebied Rijnpark, omdat effecten buiten het plangebied kunnen optreden. Bijvoorbeeld effecten ten gevolge van verkeer of effecten m.b.t. de depositie van stikstof. Andersom kunnen functies en ontwikkelingen buiten het plangebied milieugevolgen hebben in het plangebied. Denk hierbij aan de invloed van bedrijven die gelegen zijn op de nabijgelegen bedrijventerreinen op de geluidsbelasting in het plangebied. Het beïnvloedingsgebied verschilt per milieuthema. In het MER wordt bij de uitwerking van alternatieven en bij het beschrijven van de milieueffecten onderscheid gemaakt in het plangebied en in het studiegebied. Het plangebied is beschreven in hoofdstuk 1 en 2 van deze NRD. Het studiegebied wordt per milieuthema uitgewerkt in het MER.
4.3
Planhorizon en referentiejaar
De planhorizon ligt op circa 15 tot 20 jaar. Als referentiejaar wordt uitgegaan van het jaar 2040 en volledige realisatie van het ontwikkelprogramma (fase 1 en fase 2), waarbij voor fase 1 wordt uitgegaan van 2030.
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
10
Open
4.4
Beoordelingskader
Doel van het MER is om de relevante milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling en de alternatieven c.q. varianten inzichtelijk te maken. De volgende tabel (concept beoordelingskader) geeft voor de verschillende relevante milieuthema’s aan de hand van welke criteria de effectbeoordeling naar verwachting wordt uitgevoerd. Aspect
Thema
Beoordelingscriteria
Verkeer
Verkeersafwikkeling
Doorstroming wegverkeer (I/Cverhoudingen) Voertuigverliesuren
Bereikbaarheid per fiets
Structuur fietsnetwerk (fijnmazigheid, capaciteit, robuustheid en betrouwbaarheid)
Bereikbaarheid per OV
Structuur OV netwerk (fijnmazigheid, capaciteit, robuustheid en betrouwbaarheid)
Bereikbaarheid te voet
Structuur voetgangersnetwerk (fijnmazigheid, capaciteit en betrouwbaarheid)
Veiligheid
Verkeersveiligheidsrisico’s, oversteekbaarheid Scheiding verschillende verkeersstromen
Parkeren
Parkeerbalans (deelmobiliteit, auto, fiets)
Mobiliteitstransitie
Aansluiting van diverse (mobiliteitsnetwerken) op elkaar. Verhouding tussen de verschillende modaliteiten: Gewenste verandering van de modal split: minder auto en meer OV, fiets en lopen
Wegverkeer
Aantal geluidgehinderden (woningen) per geluidsklasse
Spoor- en scheepvaartlawaai
Aantal geluidgehinderden (woningen) per geluidsklasse
Industrie en bedrijven
Industrielawaai: aantal geluidgehinderden irt blootstelling per klasse
Cumulatie
Cumulatie van geluid (wegverkeer, industrie, spoor, scheepvaart) irt aantal geluidgehinderde woningen
Trillingen
Effect en voorwaarden als gevolg van trillingen irt aantal trillingsgevoelige objecten
Concentratie en blootstelling
Aantal woningen en gevoelige bestemmingen waar concentratie-verschillen optreden (NO2, PM10 en PM2,5) door verkeer en bedrijfsactiviteiten. Toets aan wettelijke grenswaarden en gezondheidskundige advieswaarden
Geluid en trillingen
Luchtkwaliteit
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
11
Open
Aspect
Thema
Beoordelingscriteria
Externe veiligheid
Plaatsgebonden risico
Risico op een plaats nabij een risicobron en/of transportroute
Groepsrisico en aandachtsgebieden brand en explosies
Cumulatieve risico’s als gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Gezondheidsbescherming
Beoordeling blootstelling nieuwe woningen aan geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheidsrisico’s
Gezondheidsbevordering
Kansen voor gezondheidsbevordering; mate waarin openbare ruimte uitnodigt tot en beschikbaar is voor rust, bewegen, recreëren en ontmoeten.
Geur
Bedrijven
Aantal (woningen) geurgehinderden
Bodem
Bodemkwaliteit
Effect op de bestaande bodemkwaliteit en geschiktheid bestaande bodemkwaliteit voor toekomstige functies (wonen / werken / groen)
Grondverzet
Mogelijkheden hergebruik vrijgekomen grond
Ontplofbare oorlogsresten / niet gesprongen explosieven
Kans op aantreffen en risico’s
Bodemleven
Bodemgesteldheid: vochtbalans en beschikbare voedingstoffen
Grondwater
Effect op grondwaterkwantiteit en grondwaterkwaliteit
Oppervlaktewater
Effect op oppervlaktewaterkwantiteit en oppervlaktewaterkwaliteit
Gebiedsbescherming
Effect op Natura 2000-gebieden en andere beschermde natuurgebieden
Soortenbescherming
Effect op beschermde soorten
Biodiversiteit
Effect op biodiversiteit
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Landschap en cultuurhistorie
Invloed op landschappelijke en cultuurhistorische waarden
Archeologie
Invloed op archeologische waarden
Klimaat en energie
Waterhuishouding
Adaptief vermogen van waterhuishouding (om wateroverlast en nadelige effecten van droogte te voorkomen)
Hitte
Voorkomen van hittestress
Energie
Beperking energievraag van gebouwen en opwek/ toepassing van duurzame energie
Gezondheid
Water
Natuur
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
12
Open
Aspect
Thema
Beoordelingscriteria
Wind, zon en schaduw
Wind
Effect windklimaat op nieuwe woningen
Bezonning en schaduw
Mate van bezonning en schaduw op nieuwe woningen
Circulariteit en grondstoffen
Mate van efficiënte omgang met grondstoffen, materialen, producten en afval
Circulariteit
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
13
Open
5
M.e.r.-procedure
5.1
Doel van de m.e.r.-procedure
Een m.e.r.-procedure heeft als doel om het milieu een volwaardige plaats te geven binnen de besluitvorming. Het milieuonderzoek dat wordt uitgevoerd levert informatie op over de milieugevolgen van de voorgenomen ontwikkeling. De resultaten van het milieuonderzoek worden vastgelegd in een Milieueffectrapport (MER). Op basis van het milieuonderzoek kunnen, vanuit het milieuperspectief, kansen en risico’s worden benoemd voor de verdere invulling en uitwerking van het ontwikkelprogramma. Ook beschrijft het MER hoe negatieve milieugevolgen kunnen worden voorkomen en verminderd en op welke wijze positieve milieueffecten kunnen worden geoptimaliseerd. Het MER geeft inzicht in de gecumuleerde milieugevolgen van verschillende milieuthema’s en -aspecten van de gehele gebiedsontwikkeling. Het MER schrijft geen resultaat voor. Na uitvoering van de milieuonderzoeken bij het MER blijft het aan de gemeenteraad om een integrale afweging te maken bij de vervolgbesluiten, de wijzigingen van het omgevingsplan. Die integrale afweging gaat over meer dan alleen milieuaspecten.
5.2
M.e.r.-plicht
Bij de Omgevingsvisie Arnhem 2040, waarin de ontwikkeling van Rijnpark is opgenomen, is reeds een MER en een passende beoordeling opgesteld. Deze is samen met de ontwerp-Omgevingsvisie eind 2022 ter inzage gelegd. De raad heeft in december 2023 de Omgevingsvisie vastgesteld. Gelet op de omvang van deze (stedelijke) grootschalige binnenstedelijke gebiedsontwikkeling Rijnpark is het nodig om in aanvulling daarop en vooruitlopend op de planologische besluiten (wijzigingen van het omgevingsplan) voor Rijnpark afzonderlijk een m.e.r.-procedure te doorlopen en een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Het MER dat is opgesteld voor de Omgevingsvisie Arnhem 2040 sluit aan bij het abstractieniveau van de Omgevingsvisie. Het op te stellen MER Rijnpark zal concreter zijn en aansluiten bij de te nemen besluiten over ruimtelijke plannen en vervolgbesluiten voor Rijnpark en de daarbij behorende dilemma’s en te maken keuzes. De wetgeving rond de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Inhoudelijk is er niet veel veranderd ten opzichte van de vorige wetgeving (Wet milieubeheer).
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
14
Open
Voor de wijziging van het omgevingsplan bestaat een wettelijke verplichting om een milieueffectrapport (MER) op te stellen en hierbij de m.e.r.-procedure (m.e.r.) te doorlopen. Er is sprake van een wettelijke m.e.r.-plicht als het nieuwe ruimtelijk plan (wijziging van een omgevingsplan) kaderstellend is voor later te nemen m.e.r-plichtige - of m.e.r-beoordeling plichtige besluiten. Ook kan er sprake zijn van een m.e.r.-plicht als zou blijken dat er een zogenaamde Passende beoordeling moet worden opgesteld. Dat is een nader onderzoek dat wordt voorgeschreven in Europese richtlijnen en de Wet natuurbescherming, als uit een eerste toets (voortoets) blijkt dat het plan kan leiden tot significant negatieve effecten op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De gebiedsontwikkeling Rijnpark betreft een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarom moet een MER worden opgesteld. Mogelijk moet er ook een Passende Beoordeling worden opgesteld. c
5.3
M.e.r.-procedure
Een MER wordt opgesteld ten behoeve van het eerste ruimtelijke besluit waarin mogelijke m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt. De m.e.r.-procedure loopt dan gelijk op met de procedure voor het ruimtelijke besluit. Het MER zelf vormt een bijlage bij dit (eerste) ruimtelijk plan en dient als onderbouwing van de besluitvorming over de transformatie van Rijnpark. De m.e.r.procedure kent een aantal belangrijke stappen die hierna zijn genoemd. Kennisgeving en raadpleging start m.e.r.-procedure Voor de (uitgebreide) m.e.r.-procedure is kennisgeving/publicatie van de start van de m.e.r.-procedure met (vormvrije) reactiemogelijkheid vereist. Bij een ontwikkeling als deze moet de gemeente openbaar kennisgeven van de start van de m.e.r.procedure en moet de gemeente de andere bestuursorganen en adviseurs raadplegen over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER (o.a. provincie, waterschap, veiligheidsregio). Daartoe is deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau MER Rijnpark (NRD). De NRD is met de openbare kennisgeving de eerste stap in de m.e.r.-procedure. Bij de NRD gaat het om de onderzoeksopzet.
‘Reikwijdte’ staat voor de onderwerpen die het MER moet gaan bestrijken: welke alternatieven moeten onderzocht worden en welke milieuaspecten zijn relevant in dit onderzoek? Bij ‘detailniveau’ draait het om de vraag hoe uitgebreid en op welk schaalniveau de verschillende milieuaspecten onderzocht moeten worden en op welke manier dat onderzoek moet worden uitgevoerd. We stellen eenieder in de gelegenheid om te reageren op de NRD; niet alleen de bestuursorganen en adviseurs. De NRD gaat over de onderzoeksopzet voor de nog uit te voeren milieuonderzoeken bij het MER en (enkel) daaroveren (daarmee niet over de gebiedsvisie waarvoor het raadsvoorstel voorligt ter vaststelling) kan een reactie worden ingediend. Bijvoorbeeld door een voorstel te doen voor aanscherping van het uit te voeren onderzoeken. Met de ingediende reacties wordt zoveel mogelijk rekening gehouden in het op te stellen MER. In het MER wordt aangegeven hoe met de reacties is omgegaan. Ingediende reacties Met de ingediende reacties wordt zoveel mogelijk rekening gehouden in het op te stellen MER. In het MER wordt aangegeven hoe met de reacties is omgegaan.
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
15
Open
Opstellen MER In het MER worden de effecten van het voornemen op de omgeving in beeld gebracht, aan de hand van verschillende deelonderzoeken en op basis van alternatieven voor de gebiedsontwikkeling. Het op te stellen MER bestaat tenminste uit de volgende onderdelen: • Een beschrijving van wat met de voorgenomen gebiedsontwikkeling wordt beoogd. • Een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven daarvoor, inclusief de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven. • Een overzicht van eerder vastgestelde plannen en besluiten die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven. • Een beschrijving van de bestaande situatie en verwachte ontwikkeling, zoals die er zou zijn zonder de voorgenomen gebiedsontwikkeling. • Effecten: een beschrijving van de gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven kunnen hebben, inclusief een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven.
• Vergelijking: een vergelijking van de beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en elk van de in beschouwing genomen alternatieven • Mitigerende en compenserende maatregelen: een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen. • Leemten in informatie: een overzicht van de leemten in de beschrijvingen van de bestaande toestand van het milieu en de gevolgen voor het milieu als gevolg van het ontbreken van de benodigde gegevens. • Samenvatting: een zelfstandig leesbare samenvatting van het MER
Terinzagelegging MER bij het eerste ruimtelijk plan Het MER wordt bij het eerste ontwerp-omgevingsplan voor Rijnpark ter inzage gelegd. Eenieder kan binnen de inzagetermijn zijn of haar zienswijze tegen het ruimtelijk plan en het bijbehorende MER indienen. Advies Commissie m.e.r. Tegelijkertijd met de terinzagelegging van het MER wordt aan de Commissie m.e.r. advies gevraagd. De Commissie toetst of het MER alle informatie bevat die nodig is om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij het te nemen besluit c.q. besluiten. Zienswijzennota Het advies van de Commissie m.e.r. en de ontvangen zienswijzen worden vervolgens verwerkt door het college in een zienswijzennota, waarbij wordt gemotiveerd waarom een zienswijze wel of niet wordt overgenomen in het MER of het ruimtelijk plan.
27 februari 2024
BJ4785-RP-001
16