Bijlage 5 - QuickScan Flora en Fauna
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna
Coehoorn, Arnhem
Arnhem, 3 september 2019
Pagina |2
Colofon Titel Subtitel
: Quickscan flora en fauna : Coehoorn, Arnhem
Projectnummer Datum
: 19.164 : 3 september 2019
Veldonderzoek Auteur(s)
: J. Boer : J. Boer
Collegiale toets
: M. Avé
Opdrachtgever Contactpersoon
: Gemeente Arnhem : R. Driessen
Bezoekadres Postcode Telefoon
: Snelliusweg 40-18 : 6827 DH Arnhem : 026-2001900
info@ekoza.nl www.ekoza.nl
Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Pagina |3
Inhoudsopgave 1. 2.
Inleiding ...................................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ............................................................................................................................ 5 2.1 Natura 2000-gebieden .......................................................................................................... 5 2.2 Natuurnetwerk Nederland.................................................................................................... 5 2.3 Soorten................................................................................................................................ 6 2.4 Houtopstanden .................................................................................................................... 8 3. Gebiedsbeschrijving ..................................................................................................................... 9 3.1 Gebiedsbeschrijving ............................................................................................................. 9 3.2 Voorgenomen ingreep ........................................................................................................ 11 4. Onderzoeksmethode..................................................................................................................
12 4.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 12 4.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 12 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 12 4.2 Soorten.............................................................................................................................. 12 4.2.1 Bronnenonderzoek............................................................................................................... 12 4.2.2 Veldonderzoek ..................................................................................................................... 13 4.2.3 Effectenbeoordeling ............................................................................................................. 13 4.3 Houtopstanden .................................................................................................................. 14 5. Resultaten ................................................................................................................................. 15 5.1 Gebiedsbescherming ..........................................................................................................
15 5.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 15 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 16 5.2 Soorten.............................................................................................................................. 17 5.2.1 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 17 5.2.2 Vleermuizen ......................................................................................................................... 19 5.2.3 Vogels ................................................................................................................................... 21 5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ............................................................................................ 23 5.2.5 Flora...................................................................................................................................... 25 5.2.6 Ongewervelden .................................................................................................................... 25 5.3 Houtopstanden ..................................................................................................................
26 6. Conclusies en aanbevelingen ...................................................................................................... 27 6.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 27 6.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 27 6.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 27 6.2 Soortbescherming .............................................................................................................. 27 6.2.1 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 28 6.2.2 Vleermuizen ......................................................................................................................... 28 6.2.3 Vogels ................................................................................................................................... 28 6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ............................................................................................ 29 6.2.5 Flora......................................................................................................................................
29 6.2.6 Ongewervelden .................................................................................................................... 29 6.3 Houtopstanden .................................................................................................................. 29 Bronnen ............................................................................................................................................ 30 Literatuur ...................................................................................................................................... 30 Websites ....................................................................................................................................... 30
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Pagina |4
1.
Inleiding Ten behoeve van de ontwikkeling van het gebied Coehoorn in Arnhem zullen een aantal woningen worden gesloopt. Hiervoor in de plaats zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Ekoza B.V. heeft in opdracht van gemeente Arnhem een ecologische quickscan uitgevoerd. Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten deze ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna. De voorliggende rapportage beschrijft de resultaten van een quickscan. Het betreft een beoordeling van de huidige en potentiële aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op de onderzoekslocatie en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten en gebieden. De quickscan vindt plaats op grond van bronnenonderzoek en een terreinbezoek. Tijdens het terreinbezoek is een inschatting gemaakt welke soorten voor kunnen komen en welke soorten op voorhand uit te sluiten zijn. Deze quickscan is een momentopname en kan slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er effecten te verwachten zijn van de werkzaamheden op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd. In hoofdstuk 2 staat het wettelijk kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden.
Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het onderzoeksgebied en de voorgenomen ingrepen. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethode. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek en de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde soorten besproken. Ten slotte volgen in hoofdstuk 6 de conclusies, aanbevelingen en eventuele vervolgstappen.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Pagina |5
2.
Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag ligt bij de provincies. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij etc. De Wet natuurbescherming is gericht op de bescherming van: • Natura 2000-gebieden • Soorten • Houtopstanden
2.1 Natura 2000-gebieden De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze natuurbeschermingsrichtlijnen hebben naast de bescherming van specifieke flora en fauna eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. In Nederland zijn ruim 160 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Door de toenmalige Minister van LNV zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld voor de Natura 2000-gebieden, deze staan vermeld in het (ontwerp-) aanwijzingsbesluit. In het (ontwerp-) aanwijzingsbesluit staan de instandhoudingsdoelstellingen voor alle habitattypen, -soorten en broedvogels die in het Natura 2000-gebied voorkomen beschreven. Daarnaast staat beschreven op welke wijze de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren zijn. Onder ‘instandhouding’ wordt verstaan het geheel aan maatregelen die nodig zijn ter behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten.
Elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000gebied die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: • de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren; of • een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen is ingevolge artikel 2.7, tweede lid verboden. De activiteit kan slecht doorgang vinden wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleent.
2.2 Natuurnetwerk Nederland Het doel van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) is om een samenhangend netwerk te creëren van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen. Het huidige netwerk bestaat voor het merendeel uit Natura 2000-gebieden en andere bestaande natuurgebieden. Daarnaast worden natuurgebieden uitgebreid, nieuwe natuurgebieden ontwikkeld en ecologische verbindingszones aangelegd. Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Pagina |6
Onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland zijn Ecologische Verbindingszones (EVZ), die natuurgebieden met elkaar verbinden om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken. De provincies zijn sinds 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Bij toetsing van de ingreep aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn de 'Spelregels EHS' van toepassing, een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en een door Rijk, provincies en maatschappelijke organisaties gezamenlijk opgesteld beleidskader. Provincies hebben de Spelregels laten doorwerken in hun eigen ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel voor de EHS is het sluitstuk van het ‘nee, tenzij’ beschermingsregime. Volgens dat regime zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen, die afwijken van het bestemmingsplan, in het NNN met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang én het ontbreken van reële alternatieven. De hoofdlijnen van de regels voor de bescherming en compensatie van het NNN zijn juridisch verankerd in de uitbreiding van het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke ordening (Barro, voorheen AMvB Ruimte), die op 1 oktober 2012 in werking is getreden (bekendmaking inhoud Stb. 2012, 388; bekendmaking inwerkingtreding Stb. 2012, 434).
2.3 Soorten Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes • soorten van de Vogelrichtlijn • soorten van de Habitatrichtlijn • andere soorten
Vogelrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Ingevolge artikel 3.1 is het verboden om: 1. Opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Habitatrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.5 (Bern bijl. II, Bonn bijl. I) verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Opzettelijk dieren te verstoren; 3. Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Pagina |7
4. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 5. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.6 (Bern bijl. I en II, Bonn bijl. I) verboden om dieren of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om aantoonbaar gefokte of gekweekte dieren of planten.
Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. In dit geval gaat het om de provincie Gelderland. Ingevolge Wet natuurbescherming artikel 3.10 is het verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Zorgplicht Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft bovendien niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht zelfstandig betekenis.
Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Pagina |8
Jaarrond beschermde nesten Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Enkele provincies, zoals Limburg en Overijssel, hebben hun eigen lijst van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten.
2.4 Houtopstanden De regels van de Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Ingevolge artikel 4.1 vallen buiten de bescherming houtopstanden: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet); • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar • kweekgoed; o uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid o bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; o zijn aangelegd na 1 januari 2013. Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Pagina |9
3.
Gebiedsbeschrijving
3.1 Gebiedsbeschrijving Het plangebied grenst aan de binnenstad van Arnhem (Gld) en bestaat uit enkele appartementencomplexen en Coehoorn park. De gebouwen binnen het plangebied zijn variërend twee tot zes verdiepingen hoog. De directe omgeving bestaat uit bebouwing: voornamelijk appartementencomplexen, winkels en horecagelegenheden. Ook het centraal station ligt op loopafstand van het plangebied. De Nederrijn is niet ver van het plangebied te vinden, en ligt 200 m ten zuiden van de locatie. Ten zuiden van de Nederrijn liggen enkele weilanden en wateren. Sonsbeek park ligt op minder dan één kilometer afstand ten noorden van de locatie. In Figuur 1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven. Figuur 2 geeft een impressie van het plangebied.
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rood) en Coehoornpark (groen).
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 10
Coehoornstraat 17
Korte Coehoornstraat 60
Bergstraat 31
Bergstraat 33
Bergstraat 35
Nieuwe plein 1B
Nieuwe plein 3, 5, & 7
Figuur 2. Impressie van het plangebied.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Coehoornstraat 33/35
P a g i n a | 11
Figuur 2 (vervolg). Impressie van het plangebied, Coehoornpark.
3.2 Voorgenomen ingreep Ten behoeve van de ontwikkeling van Coehoorn heeft de gemeente Arnhem het voornemen een aantal gebouwen te slopen, en hiervoor in de plaats nieuwbouw te realiseren. Tot op heden is het nog niet duidelijk welke gebouwen zullen worden inbegrepen in de werkzaamheden. Daarnaast zullen er ook mogelijk werkzaamheden plaatsvinden in het park Coehoorn. Er zijn momenteel meerdere scenario’s denkbaar. Mogelijk wordt ook de inrichting van het park herzien, en komt er deels bebouwing te staan. Tijdens de quickscan zijn de volgende gebouwen en locaties meegenomen (Figuur 3): 1. Coehoornstraat 17 2. Coehoornstraat 33/35 3. Korte Coehoornstraat 60 1 4. Bergstraat 31 5. Bergstraat 33 2 6. Bergstraat 35 7. Nieuwe plein 1B + parkeergarage 3 8. Nieuwe plein 3 9. Nieuwe plein 5 4 10. Nieuwe plein 7 11 11. Coehoorn park 5 10 9 8
6
7
Figuur 3. Het plangebied in meer detail.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 12
4.
Onderzoeksmethode
4.1 Gebiedsbescherming Het onderzoek naar gebiedsbescherming betreft een bureaustudie.
4.1.1 Natura 2000 Voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden ten opzichte van het plangebied is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hier is alle informatie over Natura 2000-gebieden te vinden zoals de habitattypen en -soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. In dit onderzoek worden o.a. de onderstaande vragen beantwoord: 1. Ligt de ingreeplocatie in een Natura 2000-gebied, of ligt er een Natura 2000-gebied binnen de invloedsfeer van de ingreeplocatie, zodat externe en/of cumulatieve effecten te verwachten zijn. 2. Wat zijn de mogelijke negatieve en/of positieve effecten van de voorgenomen ingrepen op de instandhoudingdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in kwestie. 3. Kunnen deze effecten: a. verstorend zijn voor kwalificerende soorten b. leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de kwalificerende habitats c. significant negatief zijn voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen
4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) werd vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het Natuurnetwerk is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Voor het bepalen van de ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN is gebruikt gemaakt van de websites van de provincie Gelderland. Hierbij is bekeken hoe de ligging van het plangebied is ten opzichte van het Natuurnetwerk. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN worden de effecten van de ingreep op de wezenlijkheidskenmerken en -waarden van het NNN getoetst.
4.2 Soorten Het onderzoek naar beschermde soorten bestaat uit twee delen. Er is begonnen met een literatuurstudie, gevolgd door een veldonderzoek in het plangebied. Aan de hand van de literatuurgegevens en het veldbezoek wordt bepaald welke soorten daadwerkelijk in het plangebied voor kunnen komen.
4.2.1 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Een belangrijke bron zijn de gegevens afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 13
databank geeft het meest actuele overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen. Het is een koppeling van databases zoals waarneming.nl en telmee.nl. Hierin participeren onder andere de Particuliere Gegevensverzamelende Organisaties (PGO’s) zoals Sovon, Ravon en de Zoogdiervereniging. Voor de gegevens uit de NDFF is een zoekgebied geselecteerd rondom de te onderzoeken locatie. Er is gekeken naar de gegevens van de laatste 3-10 jaar, afhankelijk van de soortgroep en hoeveelheid gegevens. De NDFF is op 14 augustus 2019 geraadpleegd. Verder zijn ecologische verspreidingsatlassen geraadpleegd: Bos, 2006; Broekhuizen, 2016; Creemers, 2009; NVL 2002.
4.2.2 Veldonderzoek Het plangebied is eenmaal bezocht op 18 augustus 2019. Het was een zwaar bewolkte dag met een temperatuur van rond de 18°C met matige wind. Het veldwerk voor dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Er is zowel (globaal) gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een eenmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten (zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc.).
4.2.3 Effectenbeoordeling Als bepaald is welke beschermde soorten in het plangebied voor kunnen komen vindt een inschatting van de effecten plaats. Aan de hand van de ingreep worden de effecten van de activiteiten op de mogelijk aanwezige soorten bepaald. Effecten kunnen optreden tijdens de realisatiefase van het project en zijn dan meestal tijdelijk van aard. In de gebruiksfase van het project kunnen blijvende effecten optreden. Effecten van de ingreep op aanwezige soorten is sterk afhankelijk van een aantal variabelen, zoals: de voorgenomen werkzaamheden, de exacte locatie, de periode van het jaar, het tijdstip van de dag, de doorlooptijd van de werkzaamheden, de gebruikte machines of materialen enzovoort. Niet alleen de effecten op de aanwezige verblijfplaatsen van de soort zijn van belang, maar ook of het leefgebied blijvend kan voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Verder is het van belang te weten welke effecten de werkzaamheden hebben op de goede staat van instandhouding van de soort. Bij kans op negatieve effecten kan nader onderzoek worden geadviseerd en is mogelijk een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming nodig.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 14
4.3 Houtopstanden Bij het kappen van bomen binnen het plangebied wordt middels een bureaustudie bepaald of het houtopstanden betreft die buiten het besluit van de betreffende gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet) liggen.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 15
5.
Resultaten
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op circa 2 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Veluwe. Tevens ligt het Natura-2000 gebied de Rijntakken op 3 km afstand.
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied de Veluwe en de Rijntakken.
De Veluwe bestaat uit voornamelijk droge bossen, zowel droge als natte heide, vennen en stuifzanden. Daarnaast heeft het natuurgebied een oppervlakte van 88.436 hectare en is hiermee één van de grootste natuurgebieden van Nederland. De Veluwe is aangewezen tot Natura 2000-gebied vanwege speciale beschermingszone onder zowel de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn. Bijbehorende habitattypen zijn stuifzandheiden met struikhei, binnenlandse kraaiheibegroeiingen, zandverstuivingen, zwakgebufferde vennen, zure vennen, beken en rivieren met waterplanten, vochtige heiden, droge heiden, jeneverbesstruwelen, heischrale graslanden, blauwgraslanden, actieve hoogvenen, overgangs- en trilvenen, pioniervegetaties met snavelbiezen, kalkmoerassen, beuken- en eikenbossen met hulst, oude eikenbossen, hoogveenbossen en vochtige alluviale bossen. De bijbehorende habitatsoorten betreffen de gevlekte witsnuitlibel, vliegend hert, beekprik, rivierdonderpad, kamsalamander, meervleermuis en drijvende waterweegbree. Bijbehorende broedvogelsoorten zijn wespendief, nachtzwaluw, ijsvogel, draaihals, zwarte specht, boomleeuwerik, duinpieper, roodborsttapuit, tapuit en grauwe klauwier.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 16
Effectenbeoordeling De storingsfactoren die plaats kunnen vinden door de werkzaamheden het slopen van de huidige gebouwen, en het herinrichten van Coehoorn park. De werkzaamheden zijn beperkt van aard en worden op grote afstand uitgevoerd van de dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden. Het Natura 2000-gebied ligt buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er zijn geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op ca. 400 meter van het Natuurnetwerk Nederland (Figuur 5). Dit betreft het Gelders natuurnetwerk. De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Ruimtelijke ontwikkelingen die geen significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland mogen plaatsvinden. Gelders natuurnetwerk.
Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. In het Natuurnetwerk Nederland heeft de provincie de volgende doelstellingen: • het herstel en behoud van de rijkdom aan soorten, de biodiversiteit. Hiervoor moeten natuurgebieden worden uitgebreid, verbeterd, en met elkaar worden verbonden, waardoor een netwerk ontstaat. Dit netwerk moet functioneren in ruimte en tijd, waardoor planten en dieren een duurzame, robuuste en klimaatbestendige leefomgeving krijgen; • het bieden van ruimte aan de groeiende behoefte aan rust en ruimte. Hierdoor kunnen inwoners en bezoekers de natuur beleven en het draagvlak voor natuurbeleid waarborgen.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 17
Effectenbeoordeling Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied bevindt zich op circa 400 m van het Natuurnetwerk Nederland. Op de locatie zullen een aantal gebouwen gesloopt worden, en de inrichting van het park zal mogelijk worden herzien. De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Deze werkzaamheden tasten de kernkwaliteiten niet aan en passen binnen het beleid van het Natuurnetwerk Nederland, provincie Gelderland. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.
5.2 Soorten Er is een bronnenonderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. De belangrijkste gegevensbron is de NDFF. De NDFF geeft echter geen volledig beeld van de aanwezigheid van soorten. Dat komt omdat niet alle gebieden even goed worden onderzocht. Daarnaast wordt bepaalde soortgroepen beter onderzocht dan andere. Dit kan te maken hebben met de interesse van de waarnemer, toegankelijkheid van een gebied of omdat sommige soorten moeilijk te inventariseren zijn. Tenslotte worden niet alle waarnemingen doorgegeven. Door middel van het veldbezoek is een inschatting gemaakt van de te verwachte beschermde soorten in het plangebied. Daarna is onderzocht welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten.
5.2.1 Grondgebonden zoogdieren Bronnenonderzoek Een aantal grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied of in de omgeving van het plangebied waargenomen volgens de NDFF. Tabel 1 geeft een overzicht van deze soorten.
Tabel 1. Overzicht van waargenomen grondgebonden zoogdieren in het plangebied of in de nabije omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort Bever Boommarter Bosmuis Bunzing Das Eekhoorn Egel Haas Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis Vos
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort x
andere soorten
vrijgestelde soorten
x x x x x x x x x x x x x x
P a g i n a | 18
De bever is uitsluitend gemeld in de omgeving van de Nederrijn, en enkele van de vertakkingen van deze rivier. De dichtstbijzijnde melding bevindt zich ten zuidwesten van het plangebied aan de Onderlangs Boterdijk, op ongeveer 400 m afstand. Ten noordoosten aan de Apeldoornseweg, op meer dan één kilometer afstand, is de boommarter waargenomen. De bunzing is gemeld vanuit het Spijkerkwartier, in de omgeving van de Johan de Wittlaan, ongeveer één kilometer westelijk van het plangebied. Daarnaast zijn er enkele dode exemplaren van de bunzing gemeld in Oosterbeek aan de Amsterdamseweg, ongeveer drie kilometer ten noordwesten van het plangebied. Voornamelijk ten noorden van de Nederrijn is verspreid over het hele gebied de das gemeld binnen de NDFF. Aan de Hommelseweg, ten noordoosten van het plangebied, is de dichtstbijzijnde waarneming (op circa één kilometer afstand). De eekhoorn is, net zoals de das, uitsluitend ten noorden van de Nederrijn gemeld. Bij de kruising van de Oranjestraat en de Onderlangs is de dichtstbijzijnde melding van de eekhoorn, op circa 500 m afstand. Tenslotte zijn er meldingen van de steenmarter gemaakt verspreid over het gehele gebied rondom de locatie. Op de parkeerplaats bij de Onderlangs Boterdijk, op circa 300 meter afstand, is de steenmarter waargenomen. De steenmarter is tevens waargenomen binnen het plangebied, in de Bergstraat.
Deze marter kwam vanuit de richting van Coehoornpark. Deze waarneming is daarbij ook zeer recentelijk gemeld (21 juli 2019). De hermelijn, wezel en de otter zijn tevens soorten die voor kunnen komen in de omgeving van het plangebied volgens hun verspreiding.
Veldonderzoek Het plangebied bestaat uit bebouwing en een klein park. In de bomen zijn geen eekhoornnesten aangetroffen en daarmee zijn er geen verblijfplaatsen van eekhoorns in het plangebied. Er bevinden zich geen wateren binnen het plangebied, waardoor soorten zoals de bever en de otter kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen holen, burchten of anderzijds sporen van de das waargenomen. De das gedijt bovendien het best in een omgeving met minimale verstoring. Gezien de locatie van het plangebied is deze soort dan ook niet te verwachten binnen het plangebied. De hermelijn mijdt eveneens de bebouwde omgeving. Voor de hermelijn en de bunzing zijn water tevens van belang, welke ontbrak in het plangebied. Daarnaast zijn kleine marters gebonden aan stukken groen die met elkaar verbonden zijn, zoals groene oevers, houtwallen, hagen, boomgaarden en dergelijke. Dit was niet aanwezig binnen de locatie, waardoor niet verwacht wordt dat deze soorten zich gevestigd hebben binnen het plangebied. De boommarter vestigt zich grotendeels in bosrijke gebieden. Bovendien waren er geen holtes geschikt voor de boommarter aangetroffen in het plangebied, waardoor deze soort kan worden uitgesloten. Dit geldt echter niet voor de steenmarter. Deze soort komt bij uitstek voor in bebouwde gebieden.
In Coehoornpark zijn enkele plekken aanwezig die geschikt zouden kunnen zijn voor een steenmarter (Figuur 6). Daarnaast zijn er in de omgeving, binnen het plangebied, kelders en kruipruimtes aanwezig waar eventueel ook een steenmarter zich zou kunnen hebben gevestigd.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 19
Figuur 6. Voorbeelden van mogelijke verblijfplaatsen en rommelige hoekjes binnen Coehoornpark welke mogelijk geschikt zouden kunnen zijn voor de steenmarter.
Effectenbeoordeling Het plangebied zou eventueel geschikt kunnen zijn voor een steenmarter, die bij uitstek kiest voor de bebouwde omgeving. Bovendien is deze soort zeer recentelijk waargenomen binnen het plangebied, en tevens ook op een ander moment in de directe omgeving (300 m afstand). Het is dus mogelijk dat er zich in de omgeving een verblijfplaats bevindt van de steenmarter. Volgens de huidige plannen zullen de gebouwen, inclusief parkeergarage en kruipruimtes, worden gesloopt. Er zal alvorens moeten worden onderzocht of hier een verblijfplaats van een steenmarter aanwezig is. Daarnaast zal de inrichting van het park mogelijk worden herzien, en zal hier gedeeltelijk nieuwbouw geplaatst worden. Verwacht wordt dat de steenmarter hier negatieve effecten aan zal gaan ondervinden.
5.2.2 Vleermuizen Vleermuizen vallen onder het beschermingsregime van de habitatrichtlijnsoorten. Verblijfplaatsen (kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven) en essentiële vliegroutes en foerageergebieden van deze soorten zijn beschermd.
Bronnenonderzoek Er zijn een verscheidenheid aan soorten vleermuizen in de omgeving waargenomen volgens de NDFF. De meeste vleermuiswaarnemingen betreft de gewone dwergvleermuis. Er zijn enkele waarnemingen van de gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 20
dwergvleermuis en watervleermuis. Tabel 2 geeft een overzicht van de waargenomen vleermuissoorten volgens de NDFF.
Tabel 2. Overzicht van vleermuizen die zijn waargenomen in het plangebied of omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Watervleermuis
De gewone dwergvleermuis is meerdere malen waargenomen verspreid rondom en in het plangebied. Binnen Coehoornpark is een waarneming gemeld van de gewone dwergvleermuis. De gewone grootoorvleermuis is waargenomen in park Zijpendaal, meer dan één kilometer ten noorden van de locatie. De watervleermuis is tevens in dezelfde omgeving (park Zijpendaal) gesignaleerd. Op een afstand van ongeveer 600 m noordelijk is een laatvlieger gemeld, in park Sonsbeek. Deze soort is meerdere malen gemeld binnen het NDFF, voornamelijk in park Sonsbeek en Zijpendaal. In park Sonsbeek is tevens de rosse vleermuis waargenomen. Ten westen van het plangebied, op een afstand van ongeveer 600 m, zijn ruige dwergvleermuizen gemeld, in de omgeving van de Alexanderstraat. Soorten die niet zijn gemeld binnen de NDFF maar eventueel wel voor zouden kunnen komen binnen het gebied zijn: baardvleermuis, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en de vale vleermuis.
Veldonderzoek Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zich bevinden in gebouwen of bomen. In bomen bevinden vleermuizen zich in holtes, spleten of achter loshangend boomschors. In gebouwen kunnen vleermuizen zich onder andere bevinden in de spouw, onder dakpannen, achter boeiboorden en op zolders. Binnen het plangebied komen aan aantal bomen voor in Coehoorn park. Deze bomen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van holtes of spleten en deze waren niet aanwezig. De bebouwing is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. De gebouwen op de locatie hadden allen dakpannen, gaten in de spouw, daklijsten of boeiboorden waar vleermuizen eventueel gebruik van zouden kunnen maken (Figuur 7, zie ook Figuur 2). Niet alleen verblijfplaatsen van vleermuizen, maar ook essentiële vliegroutes zijn beschermd. Vleermuizen zijn plaatstrouw en maken vaak jaren achter elkaar gebruik van hetzelfde netwerk aan verblijfplaatsen. De meeste soorten maken ook gebruik van min of meer vaste vliegroutes tussen hun verblijfplaats en het jachtgebied. Indien er geen alternatieven zijn is de vliegroute van essentieel belang voor een kolonie. Als de dieren niet meer zonder
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 21
Figuur 7. Enkele voorbeelden van locaties waar eventueel een vleermuisverblijfplaats aanwezig zou kunnen zijn. Deze locaties zouden tevens geschikt kunnen zijn voor soorten zoals de gierzwaluw.
verstoring van hun verblijfplaats bij hun jachtgebied kunnen komen zullen ze moeten verhuizen. Om deze reden zijn essentiële vliegroutes van vleermuizen beschermd. Lijnvormige landschapselementen die als vliegroute kunnen dienen zijn bijvoorbeeld bomenrijen of watergangen. In Coehoornpark zijn enkele bomenrijen aanwezig, welke gebruikt zouden kunnen worden als vliegroute. Ook essentieel foerageergebied van vleermuizen is beschermd. Het plangebied kan als foerageergebied gebruikt worden door vleermuizen. Met name Coehoornpark biedt beschutting en enkele bomen en struiken. Hier is voldoende mogelijkheid om te foerageren.
Effectenbeoordeling Het plangebied biedt geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen voor vleermuizen. De gebouwen beschikken allen over dakpannen, kieren, gaten, boeiboorden of gaten in de spouwmuur. Gezien de werkzaamheden (slopen) wordt er verwacht dat vleermuissoorten die zich hier gevestigd hebben nadelige gevolgen zullen gaan ondervinden. Er wordt niet verwacht dat in de bomen in Coehoornpark zich vleermuizen hebben gevestigd. Mogelijkerwijs maken vleermuizen eventueel gebruik van het plangebied als foerageergebied of vliegroute. Echter, de directe omgeving biedt voldoende uitwijkmogelijkheden, er bevinden zich parkjes, tuintjes en kleine delen groen in de omgeving. Essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied wordt dan ook niet verwacht.
5.2.3 Vogels Alle vogelsoorten behoren tot de Vogelrichtlijn. Daarnaast is het nest van enkele vogelsoorten jaarrond beschermd. Voor het broedseizoen van vogels is geen standaardperiode. Dit omdat het broedseizoen van soort tot soort en van jaar tot jaar kan verschillen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode van 15 maart tot 15 juli worden aangehouden.
Bronnenonderzoek In de omgeving van de planlocatie ligt bebouwd gebied en een park, waardoor een verscheidenheid aan vogelsoorten in de omgeving voorkomt. In Tabel 3 zijn de vogelsoorten Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 22
met een jaarrond beschermd nest die zijn waargenomen in of in de omgeving van het plangebied volgens de NDFF weergegeven.
Tabel 3. Overzicht van vogels met jaarrond beschermde nesten die zijn waargenomen in het plangebied of omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort blauwe reiger boerenzwaluw bonte vliegenvanger boomklever boomkruiper boomvalk bosuil buizerd ekster gekraagde roodstaart gierzwaluw glanskop grauwe vliegenvanger groene specht grote bonte specht grote gele kwikstaart havik huismus huiszwaluw ijsvogel kleine bonte specht koolmees oeverzwaluw pimpelmees roek slechtvalk spreeuw steenuil torenvalk zwarte kraai zwarte mees zwarte roodstaart zwarte specht
Beschermingsstatus jaarrond beschermde nesten 5 5 5 5 5 4 5 4 5 5 2 5 5 5 5 3 4 2 5 5 5 5 5 5 2 3 5 1 5 5 5 5 5
De boomvalk is voornamelijk gemeld aan de andere kant van de Nederrijn, in de omgeving van de Batavierenweg en de Nijmeegseweg-West, ongeveer één kilometer van het plangebied vandaan. Waarnemingen van de buizerd zijn verspreid over het gehele gebied gemeld. De dichtstbijzijnde waarneming stamt uit Sonsbeekpark, op een afstand van 600 m van het gebied vandaan. Gierzwaluwen zijn eveneens gemeld vanuit het gehele gebied rondom het plangebied. De waarneming niet ver van het centraal station in de omgeving van de Willemstunnel, ongeveer 200 m van de locatie vandaan, is de dichtstbijzijnde waarneming van de gierzwaluw. Vanuit Sonsbeekpark zijn tevens meldingen van de grote gele kwikstaart gemaakt. Ook de havik is verspreidt over het gehele gebied waargenomen, waarbij de dichtstbijzijnde waarnemingen stammen vanuit Sonsbeekpark. De huismus is voornamelijk Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 23
waargenomen in de bebouwde delen rondom het plangebied. In de Pels Rijckenstraat en Sweerts de Landasstraat zijn de dichtstbijzijnde meldingen voor de huismus, op ongeveer 400 m ten noorden van het plangebied. Ten zuiden van de Nederrijn, bij de kruising van Nijmeegseweg-Oost en de Pleijweg zijn roeken gemeld, op een afstand van circa 1,5 km ten zuiden van de locatie. Op ongeveer 800 m afstand ten zuidwesten zijn meerdere meldingen van de slechtvalk, in de omgeving van de Sint-Eusebiuskerk. Tenslotte is de steenuil waargenomen aan de Drielsedijk, ten zuiden van de Nederrijn. Deze melding bevond zich meer dan één kilometer ten zuidwesten van het plangebied vandaan.
Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek zijn een aantal vogels gehoord en gezien die typerend zijn voor de stadse omgeving: de kauw, pimpelmees, koolmees, houtduif en kraai. De bomen zijn zo ver mogelijk gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. In de struiken en bomen binnen het plangebied zouden enkele algemene broedvogels zich kunnen hebben gevestigd. Ook in de vele vogelhuisjes binnen het park kunnen soorten zoals de koolmees en pimpel broeden. Delen van de bebouwing binnen het plangebied is geschikt als nestlocatie voor de gierzwaluw en de huismus. Met uitzondering van twee gebouwen binnen het plangebied zou in principe elke locatie geschikt kunnen zijn voor gierzwaluwen. Coehoornstraat 33/35 en Bergstraat 35 hadden geen kieren, gaten of bedaking waardoor deze ongeschikt wordt geacht voor gierzwaluwen. De overige gebouwen bieden genoeg locaties zoals dakpannen, gaten in de muur, dakgoten, ruimte achter daklijsten, het nok in de dak e.d. waar eventueel gierzwaluwen zouden kunnen nestelen (zie ook Figuur 2 & 7). Gebouwen aanwezig op locatie die eventueel geschikt zouden kunnen zijn voor huismussen zijn: Coehoornstraat 17, Bergstraat 31, Bergstraat 33 en Nieuwe Plein 5 & 7. Deze vier gebouwen beschikken over een dak met pannen, waar huismussen zich eventueel gevestigd zouden kunnen hebben.
Effectenbeoordeling Er kunnen zich jaarrond beschermde nesten van huismus en/of gierzwaluw in de bebouwing bevinden. Met uitzondering van Coehoornstraat 33/35 en Bergstraat 35 is elk gebouw geschikt voor huismussen en/of gierzwaluwen. Verwacht wordt dat de werkzaamheden negatieve effecten gaan opleveren voor eventuele gierzwaluwen en/of huismussen die hier voorkomen. In de bomen zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. In de bomen en struiken, met name in Coehoornpark, zouden eventueel algemene broedvogels kunnen nestelen. Binnen het park staan ook een aantal vogelhuisjes, waar bijvoorbeeld pimpelmezen of koolmezen gebruik van zouden kunnen maken tijdens het broedseizoen.
5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen Bronnenonderzoek In Tabel 4 is een overzicht weergegeven van de waargenomen beschermde amfibieën, reptielen en vissen in het plangebied of in de omgeving van het plangebied volgens de NDFF. Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 24
Tabel 4. Overzicht van waargenomen reptielen, amfibieën en vissen in of nabij het plangebied volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort
Hazelworm Ringslang Alpenwatersalamander Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Poelkikker Rugstreeppad
andere soorten x x x
vrijgestelde soorten
x x x x x x
In de omgeving van het spoor, ten westen van het centraal station op ongeveer 700 m afstand, is de hazelworm gemeld. Bij Mariëndaal, in de buurt van de Utrechtseweg ten westen van het plangebied, zijn ringslangen gemeld op meer dan een kilometer afstand. Op dezelfde afstand, maar dan ten noorden van het plangebied, is de alpenwatersalamander waargenomen in de omgeving van park Zijpendaal. In één van de wateren bij Uiterwaardpark is melding gemaakt van de poelkikker, in zuidwestelijke richting op een afstand van circa één kilometer. Op eenzelfde afstand, tevens in Uiterwaardpark is de rugstreeppad gemeld. Mogelijke soorten die tevens voor zouden komen in de omgeving van het plangebied zijn de adder, gladde slang, grote modderkruiper, heikikker, kamsalamander, levendbarende hagedis en de zandhagedis.
Veldonderzoek Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de onderzoekslocatie, waarmee de aanwezigheid van beschermde vissen en voortplantingswater voor beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. Het aanwezige groen is niet geschikt als landhabitat voor beschermde amfibieën, aangezien het een onderhouden parkje betreft. Amfibieënsoorten waarvoor een vrijstelling geldt kunnen wel voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt over het gebruik van het plangebied door reptielen. Het plangebied biedt weinig geschikt leefgebied (structuurrijke vegetatie, zanderige plekken) voor zwaar beschermde soorten en deze worden dan ook niet verwacht. Ringslangen komen voornamelijk voor in de omgeving van water en sloten. Deze ontbraken binnen het plangebied. Het plangebied is daarbij omringd door woonhuizen en het groen is niet verbonden met de omringende bossen en natuur.
Effectenbeoordeling Zwaar beschermde vissen, reptielen en amfibieënsoorten stellen kritische eisen aan hun leefomgeving. Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde vissen, reptielen en amfibieën in het plangebied niet aanwezig. Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 25
5.2.5 Flora Bronnenonderzoek Tabel 5 geeft een overzicht van de beschermde planten die in het plangebied of de naaste omgeving zijn waargenomen volgens de NDFF.
Tabel 5. Overzicht van waargenomen beschermde planten in het plangebied of in de nabije omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort
Zandwolfsmelk
andere soorten
vrijgestelde soorten
x
De zandwolfsmelk is gemeld vanuit de Nieuwe Havenweg, ten zuidoosten van het plangebied. Deze melding bevindt zich op circa 1,5 km van het plangebied vandaan. Deze soort prefereert zonnige open en droge plekken die niet worden bemest. Groeiplaatsen omvatten rivierdijken, duinen, grasland, hellingen en bermen en spoorbermen nabij rivieren. Volgens zijn verspreiding binnen Nederland zou spits havikskruid ook eventueel voor kunnen komen in de omgeving van het plangebied. Spits havikskruid groeit voornamelijk op grasland, bermen, rivierdijken, open plekken in bossen, bosranden en bijvoorbeeld spoorbermen.
Veldonderzoek Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de bloeitijd van beschermde plantensoorten. In Coehoornpark komen voornamelijk aangeplante of algemene soorten flora voor. Er bevindt zich een moestuin, maar ook vlinderstruiken, lavendel en algemene soorten zoals weegbree, paardenbloem, klaver, brandnetel en algemene grassoorten komen voor binnen het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen en deze zijn ook niet te verwachten. Op de muren zijn geen beschermde muurplanten aangetroffen.
Effectenbeoordeling De meeste beschermde planten zijn zeer kritisch ten aanzien van hun standplaats. Beschermde planten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Gezien de aard van het plangebied en de soortensamenstelling van de aanwezige flora worden beschermde planten hier ook niet verwacht.
5.2.6 Ongewervelden Bronnenonderzoek Tabel 6 geeft een overzicht van beschermde ongewervelden die in het plangebied of in de naaste omgeving zijn waargenomen volgens de NDFF.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 26
Tabel 6. Overzicht van waargenomen beschermde ongewervelden in het plangebied of in de nabije omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort
Sleedoornpage Rivierrombout
andere soorten
vrijgestelde soorten
x x
De sleedoornpage is verspreid over het gehele gebied gemeld. De dichtstbijzijnde melding stamt uit de Sonsbeeksingel, op ongeveer één kilometer afstand, ten noordoosten van het plangebied. Hetzelfde geldt voor de rivierrombout, die hier tevens is gemeld. Daarnaast komt hij verspreid over het gehele gebied rondom de locatie voor, voornamelijk dicht bij wateren. De gevlekte witsnuitlibel zou daarnaast eventueel ook nog te verwachten zijn in de omgeving van het plangebied volgens de nationale verspreiding van deze soort.
Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde ongewervelden in het plangebied. Iedere soort is afhankelijk van een bepaald habitat met bepaalde waardplanten. Deze habitatten zijn in het plangebied niet aanwezig. Daarnaast is sleedoorn niet aangetroffen binnen het plangebied. Er bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen wateren, waardoor de rivierrombout en de gevlekte witsnuitlibel ook kunnen worden uitgesloten.
Effectenbeoordeling Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op beschermde ongewervelden.
5.3 Houtopstanden De bomen in het plangebied vallen onder de bebouwde kom houtopstanden en zijn daarom vrijgesteld van de meld- en herplantplicht van de Wet natuurbescherming.
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 27
6.
Conclusies en aanbevelingen Aan de hand van het voorgaande kan een aantal conclusies worden getrokken en worden aanbevelingen gegeven voor de te nemen vervolgstappen. In de effectenbeoordeling en de daaruit volgende conclusies is uitgegaan van de werkzaamheden zoals die zijn omschreven in paragraaf 3.2. Veranderingen of afwijkingen hiervan kunnen tot andere conclusies leiden. Natuuronderzoek heeft doorgaans een juridische houdbaarheid van drie jaar.
6.1 Gebiedsbescherming 6.1.1 Natura 2000 Er zijn geen negatieve effecten, dan wel significant negatieve effecten te verwachten van het project op het nabijgelegen Natura 2000-gebied.
6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland, waardoor er geen effecten op de kernkwaliteiten van het gebied zijn. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.
6.2 Soortbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Tabel 7 geeft een overzicht van de maatregelen per soortgroep. In Tabel 8 staat weergegeven welk nader onderzoek zal moeten plaatsvinden per locatie.
Tabel 7. Samenvatting onderzoeksresultaten en maatregelen. Soortgroep
Soort
Maatregelen
Grondgebonden zoogdieren
Steenmarter
Nader onderzoek.
Vleermuizen
Nader onderzoek.
Reptielen
Gebouwbewonende vleermuissoorten Gierzwaluw, huismus en algemene broedvogels n.v.t.
Amfibieën
n.v.t.
Vissen
n.v.t.
Flora
n.v.t.
Ongewervelden
n.v.t.
Vogels
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Nader onderzoek gierzwaluw en huismus. Werken buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli).
P a g i n a | 28
6.2.1 Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen werkzaamheden kunnen een negatief effect opleveren voor de steenmarter. Nader onderzoek moet uitwijzen of de soort daadwerkelijk gebruik maakt van het plangebied en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. Ten behoeve van het nader onderzoek zullen meerdere wildcamera’s worden geplaatst voor 6 of 12 weken, afhankelijk van het seizoen.
6.2.2 Vleermuizen De bebouwing op de locatie is een potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Alle gebouwen binnen het plangebied zouden geschikt kunnen zijn als vleermuizenverblijfplaats. Nader onderzoek moet uitwijzen wat de functie van het plangebied voor vleermuizen is en of een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming nodig is. De bomen binnen het park kunnen worden uitgesloten als verblijf voor vleermuizen. Essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied wordt niet verwacht binnen het plangebied. Het nader onderzoek zal er als volgt uitzien: in de periode half mei tot half juli zullen 3 bezoeken plaatsvinden, één in de ochtend rond zonsopkomst en twee in de avond rond zonsondergang. Daarnaast vinden er in de periode half augustus tot en met september 2 bezoeken plaats in de nacht.
6.2.3 Vogels Een deel van de bebouwing op de locatie is mogelijk geschikt als nestlocatie voor gierzwaluw en/of huismus. Met uitzondering van Coehoornstraat 33/35 en Bergstraat 35 zijn alle gebouwen binnen het plangebied geschikt voor gierzwaluwen. Daarnaast zijn Coehoornstraat 17, Bergstraat 31, Bergstraat 33 en Nieuwe Plein 5 & 7 gebouwen die dakpannen bevatten en eventueel geschikt zouden kunnen zijn voor huismussen. Het is nog niet bekend welke gebouwen zullen worden inbegrepen in de werkzaamheden. Voor alle gebouwen, m.u.v. Coehoornstraat 33/35 en Bergstraat 35, geldt: nader onderzoek moet uitwijzen of deze bebouwing gebruikt wordt door deze soorten en een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming nodig is. De bomen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Binnen Coehoorn park bevinden zich enkele struiken en bomen waar algemene vogels kunnen broeden. Er zal dus buiten de kwetsbare broedperiode (15 maart t/m 15 juli) moeten worden gewerkt. Kan dit niet vermeden worden, dan zal alvorens de bomen en struiken verwijderd worden moeten worden gecontroleerd op actieve nesten. Dit geldt tevens voor de nestkasten die binnen Coehoornpark zijn opgehangen.
Het nader onderzoek zal als volgt te werk gaan: voor de huismus zal in de periode april tot en met half mei 2 bezoeken plaatsvinden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor nesten van huismussen. Voor de gierzwaluw zal in de periode juni tot en met half juli 3 bezoeken
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
P a g i n a | 29
plaatsvinden in de avond rond zonsondergang, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor nesten.
6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen, amfibieën en vissen in het plangebied niet aanwezig. Amfibieënsoorten waarvoor een vrijstelling geldt kunnen mogelijk voorkomen binnen het plangebied. Hiervoor moet rekening gehouden worden met de zorgplicht. Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is niet nodig.
6.2.5 Flora In het plangebied zijn geen beschermde planten waargenomen of te verwachten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
6.2.6 Ongewervelden In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
6.3 Houtopstanden De bomen in het plangebied vallen onder de bebouwde kom houtopstanden en zijn daarom vrijgesteld van de meld- en herplantplicht van de Wet natuurbescherming.
Tabel 8. Samenvatting van het type nader onderzoek dat zal moeten plaatsvinden per locatie. Locatie
Nader onderzoek
Coehoornstraat 17
Vleermuizen, gierzwaluw, huismus
Coehoornstraat 33/35
Vleermuizen
Korte Coehoornstraat 60
Vleermuizen, gierzwaluw
Bergstraat 31
Vleermuizen, gierzwaluw, huismus
Bergstraat 33
Vleermuizen, gierzwaluw, huismus
Bergstraat 35 Nieuwe Plein 1B + Parkeergarage Nieuwe Plein 3
Vleermuizen
Nieuwe Plein 5
Vleermuizen, gierzwaluw, huismus
Nieuwe Plein 7
Vleermuizen, gierzwaluw, huismus
Coehoorn park
Steenmarter
Quickscan flora en fauna Coehoorn, Arnhem
Vleermuizen, gierzwaluw Vleermuizen, gierzwaluw
P a g i n a | 30
Bronnen Literatuur •
• • • • • •
Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Swaay, van C. & Wynhoff, I., De Vlinderstichting 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. - Nederlandse Fauna 7. Leiden. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Kanters & J.C. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12: 1-432. Creemers., R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, EIS Nederland, Leiden. Kapteyn, K. 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co, Haarlem. Limpens, H., Mosterd, K. & Bongers, W. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV, Utrecht. Ministeries van LNV en VROM en de provincies, 2006. Spelregels EHS, Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.