CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3e Bijlagen bij motivering TAM-Omgevingsplan Schaapsdrift e.o. deel 2

Politieke Avond 14 mei 2025, gemeente ArnhemBij agendapunt: 21.45 uur - 23.15 uur: Vaststellen 'TAM-Omgevingsplan Schaapsdrift e.o.' en omgevingskwaliteitsplan ‘Schaapsdrift e.o.'17.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORT

WATERPLAN SCHAAPSDRIFT E.O. ARNHEM

OPDRACHTGEVER: Gemeente Arnhem

PROJECTNUMMER: 41013243

DATUM: 22 november 2024

Bezoekadres Kroezenhoek 8 7683 PM Den Ham Postadres Postbus 12 7683 ZG Den Ham T +31 (0) 546 67 88 88 E info@roelofsgroep.nl

PROJECTGEGEVENS: Naam: Waterplan Schaapsdrift e.o. Arnhem Nummer: 41013243 Documentnr: R01-D03-41013243-rek Status: Definitief Datum: 22 november 2024 Auteur: ing.

OPDRACHTGEVER: Gemeente Arnhem Postbus 9029 6800 EL Arnhem

1

AUTORISATIE Naam: Handtekening:

ir.

Datum:

22-11-2024

R01-D03-41013243-rek

Tevens vestigingen in Stadskanaal Sneek Steenwijk Veenendaal Spijkenisse Weesp

INHOUDSOPGAVE 1.

Inleiding 3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................................................3 1.2 Doel .........................................................................................................................................................................4 1.3 Leeswijzer ..............................................................................................................................................................4

2.

Bestaande situatie 5 2.1 Plangebied ............................................................................................................................................................5 2.2 Hoogteligging .....................................................................................................................................................5 2.3 Bodemopbouw en geohydrologie ..............................................................................................................6 2.4 Riolering ................................................................................................................................................................9 2.5 Oppervlaktewater ........................................................................................................................................... 10 2.6 Hydraulisch functioneren ............................................................................................................................ 11 2.6.1 Huidige situatie ................................................................................................................................. 11 2.6.2 Reconstructie Velperweg .............................................................................................................. 12

3.

Voorgenomen situatie 13 3.1 Hemelwater ....................................................................................................................................................... 13 3.1.1 Principe ................................................................................................................................................. 13 3.1.2 Oppervlakken ..................................................................................................................................... 13 3.1.3 Bergingsopgave ................................................................................................................................ 14 3.1.4 Berging in infiltratievoorzieningen ............................................................................................ 15 3.1.5 Aandachtspunt inrichting maaiveld rond Velperweg ........................................................ 18 3.1.6 Conclusie ............................................................................................................................................. 18 3.2 Riolering .............................................................................................................................................................

18 3.2.1 Hemelwaterriolen ............................................................................................................................. 18 3.2.2 Conclusie ............................................................................................................................................. 19 3.3 Oppervlaktewater ........................................................................................................................................... 19 3.3.1 Principe ................................................................................................................................................. 19 3.3.2 Vormgeving beek en duiker spoortalud ................................................................................. 20 3.3.3 Conclusie ............................................................................................................................................. 21 3.4 Grondwater ....................................................................................................................................................... 21 3.4.1 Straat- en vloerpeilen .....................................................................................................................

21 3.4.2 Conclusie ............................................................................................................................................. 22

BIJLAGEN

2

I.

Concept stedenbouwkundig plan

II.

Geohydrologisch onderzoek Mateboer

III.

Resultaat hydraulische berekeningen bui 28 juli 2014

IV.

Maximale waterstanden nieuwe gevels bui 28 juli 2014

R01-D03-41013243-rek

1. INLEIDING 1.1

AANLEIDING

De gemeente Arnhem is voornemens om de Schaapsdrift en omgeving opnieuw in te richten. Het betreft een deelproject van Spoorzone Arnhem-Oost. In de huidige situatie is het een gemengd gebied met woningen, winkels voor grote detailhandel, bedrijvigheid en particuliere opslag. Een deel van deze panden zal gesloopt worden, waardoor er ruimte ontstaat om 455 nieuwe woningen te realiseren. Door de herinrichting van het gebied ontstaat bovendien meer ruimte voor groen en water.

Afbeelding 1.1: Stedenbouwkundig plan d.d. 17-09-2024 door Ziegler Branderhorst

De gemeente heeft een stedenbouwkundig plan voor het plangebied laten maken door Ziegler Branderhorst (zie afbeelding 1.1). Het stedenbouwkundig plan dateert van 17 september 2024 en betreft een concept. Het stedenbouwkundig plan fungeert als input voor de beschrijving van de waterhuishouding van de toekomstige situatie. Voor het uitvoeren van de stresstest is de stedenbouwkundige verbeelding behorend bij de gebiedsvisie gebruikt. De stedenbouwkundige verbeelding dateert van 16 januari 2024 en is eveneens gemaakt door Ziegler Branderhorst.

3

R01-D03-41013243-rek

1.2

DOEL

Voorliggend waterplan vormt de ruimtelijke onderbouwing vanuit het thema water in het Omgevingsplan. In het waterplan worden de gevolgen van de ontwikkeling voor de verschillende wateraspecten inzichtelijk gemaakt. Het waterplan betreft een beschrijving op hoofdlijnen van het oppervlaktewater, het grondwater, hemelwater en de riolering. Bij het opstellen van het inrichtingsplan dienen deze wateraspecten nader gedetailleerd te worden. Mateboer heeft een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk: BO243414/JHB) welke als input fungeert voor het waterplan. Het geohydrologisch onderzoek is definitief en dateert van 4 juni 2024. Het geohydrologisch onderzoek is opgenomen in bijlage I. 1.3

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven. Hier worden de hoogteligging, de bodemopbouw en de geohydrologie beschreven. Er is informatie over de bestaande riolering en het oppervlaktewater opgenomen. En daarnaast is het hydraulisch functioneren voor en na de reconstructie van de Velperweg beschreven. In hoofdstuk 3 is de voorgenomen situatie opgenomen en worden de wateraspecten hemelwater, riolering, oppervlaktewater en grondwater behandeld. Per wateraspect is er een conclusie opgenomen.

4

R01-D03-41013243-rek

2. BESTAANDE SITUATIE 2.1

PLANGEBIED

In afbeelding 2.1 is het plangebied weergegeven. Het plangebied heeft een bruto oppervlak van 7,90 ha. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Velperweg en de Oude Velperweg. Aan de oostzijde ligt Park Sacré Coeur, aan de zuidzijde het spoor met station Presikhaaf en aan de westzijde de Wichard van Pontlaan.

Afbeelding 2.1: Plangebied

2.2

HOOGTELIGGING

In afbeelding 2.2 is het Actueel Hoogtebestand Nederland versie 4 (AHN4) weergegeven. Over het algemeen kan gesteld worden dat het maaiveld in zuidelijke richting afneemt. Het hoogste punt bevindt zich ter hoogte van de Oude Velperweg-Wichard van Pontlaan. Het maaiveld ligt hier op ca. NAP + 16,55 m. Het laagste punt bevindt zich ter hoogte van de tunnelbak onder het spoor in de Laan van Presikhaaf. Het maaiveld ligt hier op ca. NAP + 11,00 m.

5

R01-D03-41013243-rek

De Schaapsdrift ligt aan de noordzijde op ca. NAP + 15,70 m en aan de zuidzijde op ca. NAP + 13,30 m. De Eleanorastraat ligt aan de oostzijde op ca. NAP + 14,22 aan de westzijde op ca. NAP + 12,00 m. De Esperantolaan ligt aan de noordzijde op ca. NAP + 15,75 m en aan de zuidzijde op ca. NAP + 14,30 m.

Afbeelding 2.2 Hoogteligging

2.3

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

Zoals eerder vermeld heeft Mateboer een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd welke als input fungeert voor dit waterplan (zie bijlage II). Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse van het plangebied hoofzakelijk bestaat uit zeer fijn tot matig grof, zwak siltig zand. Tot een diepte van 6,00 m-mv wordt er geen leemlaag aangetroffen en wordt deze bovendien ook niet verwacht. Uit de aangeleverde bouwtekeningen lijkt er geen sprake te zijn van het doorboren van de leemlaag.

6

R01-D03-41013243-rek

Afbeelding 2.3: Boring 02 geohydrologisch onderzoek Mateboer

Ten tijde van het bodemonderzoek (april 2024) is de grondwaterstand waargenomen vanaf 2,40 tot 3,80 m-mv (NAP + 12,30 m tot NAP + 11,45 m). In de twee geplaatste divers (dataloggers waarmee grondwaterwaterstanden worden gemeten) ter hoogte van de Esperantolaan en de Velperweg werden grondwaterstanden geregistreerd zoals weergegeven in afbeelding 2.4 (eind april 2024 tot begin juni 2024). In de peilbuis aan de Esperantolaan lag de grondwaterstand gemiddeld op NAP + 11,50 m (2,51 m-mv) en in peilbuis aan de Velperweg op NAP + 12,10 m (3,38 m-mv). Aanvullende grondwatermeetgegevens moeten uitwijzen of er nog afwijkende fluctuaties optreden. Hoge waterstanden op de IJssel zouden bijvoorbeeld van invloed kunnen zijn op de gemeten grondwaterstanden in het plangebied.

7

R01-D03-41013243-rek

Afbeelding 2.4: Grondwaterstanden 29-04-2024 t/m 11-11-2024 Esperantolaan (Pb12) en Velperweg (Pb13)

Grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket vindt plaats in zuidoostelijke richting. Hierbij wordt opgemerkt dat gestuwde slecht doorlatende leem- en kleilagen de stromingsrichting lokaal beïnvloeden. In het stedenbouwkundig plan is een beek opgenomen. Ter plaatse van deze nieuwe beek bestaat de bodem uit fijn tot grof zand. De GHG ter plaatse van deze nieuw beek wordt ingeschat op 2,40 tot 3,40 m-mv en de GLG op 2,70 tot 3,80 m-mv. Uit de doorlatendheidsmetingen blijkt dat de gemiddelde doorlatendheid in het ondiepe traject (0,501,00 m-mv) op 4,21 m/dag ligt en in het diepte traject (1,50-2,00 m-mv) op gemiddeld 9,98 m/dag. Daarmee is de bodem goed tot zeer goed doorlatend. De doorlatendheidsmetingen zijn uitgevoerd ter hoogte van de toekomstige groenvlakken afkomstig uit het stedenbouwkundig plan. Mateboer concludeert dat de locatie op basis van de bodemopbouw, de gemeten doorlatendheden en de verwachte grondwaterstand (GHG >1,5 m-mv) geschikt wordt geacht voor het inrichten van infiltratievoorzieningen.

8

R01-D03-41013243-rek

2.4

RIOLERING

In afbeelding 2.5 is een uitsnede van het hydraulisch rekenmodel in InfoWorks ICM weergegeven. Het betreft hier de riolering afkomstig uit het beheersysteem van de gemeente Arnhem. In de Velperweg ligt een gemengd riool BET EI 800/1200 mm. In de Schaapsdrift liggen drie gemengde riolen, namelijk een BET EI 1200/1800 mm, BET EI 300/450 mm en een BET Ø 400 mm. In de Esperantolaan, de Ernst Casimirlaan en de Eleonorastraat ligt een gemengd riool Ø 300 mm. Het gemengde afvalwater wordt afgevoerd richting de zuidzijde van de tunnelbak in de Laan van Presikhaaf.

Afbeelding 2.5: Riolering bestaande situatie

9

R01-D03-41013243-rek

2.5

OPPERVLAKTEWATER

In de Schaapsdrift ligt een beekriool met een diameter BET Ø 600 mm welke het hemelwater afkomstig van de noordzijde van de Velperweg afvoert. Het hemelwater wordt afgevoerd richting de zuidzijde van de tunnelbak in de Laan van Presikhaaf. Vanuit daar wordt het hemelwater door middel van een PVC Ø 250 mm afgevoerd richting de vijvers van Park Presikhaaf. In afbeelding 2.6 is de Legger van het waterschap Rijn en IJssel weergegeven. De Legger bevestigt dat er vanaf Park Angerenstein een verbinding onder de Velperweg ligt richting een vijver aan de noordzijde van de Oude Velperweg 68. Vanuit deze vijver wordt het water via een smalle watergang afgevoerd richting het beekriool in de Schaapsdrift. Ondertussen passeert het water twee stuwende constructies met drempelhoogten van NAP + 14,75 m en NAP + 13,79 m. De drempelbreedten zijn respectievelijk 1,20 m en 1,00 m. Het beekriool voert in zuidelijke richting af richting de tunnelbak in de Laan van Presikhaaf, waarna het water in oostelijke richting wordt afgevoerd naar de vijvers van Park Presikhaaf. Hier bevindt zich een stuw met een drempelhoogte NAP + 12,59 m.

Afbeelding 2.6: Legger waterschap Rijn en IJssel

10

R01-D03-41013243-rek

2.6

HYDRAULISCH FUNCTIONEREN

Roelofs heeft de beschikking over een 2D-1D rioolmodel in InfoWorks ICM van de gehele gemeente Arnhem. Met dit hydraulisch rekenmodel kan het functioneren van het rioolstelsel en de afstroming van neerslag over maaiveld berekend worden. Bovendien kan het effect van de voorgenomen reconstructie van de Velperweg bepaald worden. De gemeente heeft het ontwerp hiervoor aangeleverd. Op basis daarvan heeft Roelofs het 3D-model uitgewerkt en verwerkt in het rioolmodel. Het ontwerp van de bovengrondse situatie dateert van 14-03-2024 en het ontwerp van de ondergrondse situatie van 31-052024. Voor het uitvoeren van de hydraulische berekeningen zijn bui10+10% en de bui van 28 juli 2014 gebruikt. In de tekst zijn de resultaten van bui10+10% opgenomen. De resultaten van de diverse scenario’s bij de bui van 28 juli 2014 zijn opgenomen in bijlage III. 2.6.1

Huidige situatie

In afbeelding 2.7 is het resultaat van de hydraulische berekening bij bui10+10% weergegeven. Water komt oppervlakkig tot afvoer richting het plangebied vanaf de Velperweg. Het betreft hier onder andere gemengd afvalwater afkomstig uit het gemengde riool in de Velperweg. Het water wat tot afstroming komt richting het plangebied verzamelt zich tussen de bedrijfspanden en het appartementencomplex van Innoforte (woonzorglocatie Vreedenhoff). Daarnaast wordt er al op meerdere locaties water tegen de gevels berekend. Bij de bui van 28 juli 2014 wordt er aanzienlijk meer water-op-straat berekend in het plangebied. Het aantal locaties waar water tegen de gevel wordt berekend neemt flink toe. Water afkomstig vanaf de Oude Velperweg wordt via de Schaapsdrift oppervlakkig afgevoerd richting de tunnelbak in de Laan van Presikhaaf.

Afbeelding 2.7: Resultaat hydraulische berekening bui10+10% bestaande situatie

11

R01-D03-41013243-rek

2.6.2

Reconstructie Velperweg

In afbeelding 2.8 is het resultaat van de hydraulische berekening bij bui10+10% na het uitvoeren van de reconstructie van de Velperweg weergegeven. De situatie op de Velperweg verbetert na het uitvoeren van de reconstructie. Er wordt nog maar een verwaarloosbare hoeveelheid water-op-straat berekend ten oosten van de roostergoot welke de Velperweg kruist richting het oppervlaktewater van Park Sacre Coeur. Ten noorden van het plangebied neemt de berekende hoeveelheid water-op-straat in de Velperweg af met ca. 0,15 m. Voor het plangebied geldt dat er meer water-op-straat wordt berekend tussen het appartementencomplex van Innoforte en de bestaande bebouwing aan de oostzijde van de Schaapsdrift. De toename van de berekende hoeveelheid water-op-straat in het plangebied is te wijten aan een combinatie van factoren. Doordat de diameter van het gemengde riool in de Velperweg vergroot is, wordt er ten noorden van het plangebied meer gemengd afvalwater uit de putten richting maaiveld berekend. Er zijn wel meerdere interne overstorten toegepast in het gemengde riool in de Velperweg. Deze zijn echter te breed (2,00 m) om het gemengde afvalwater bij bui10+10% bovenstrooms vast te houden. De Velperweg ligt in het ontwerp van de Velperweg bovendien hoger, waardoor dit gemengde afvalwater bij bui10+10% tot afstroom zal komen richting het laagste punt.

Dat is in dit geval de locatie in het plangebied waar meer water-op-straat wordt berekend. Wat niet meehelpt is dat deze locatie omsloten wordt door gevels, waardoor het water niet via maaiveld afgevoerd kan worden in benedenstroomse richting. Bij de bui van 14 juli 2014 blijft de situatie nagenoeg ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie.

Afbeelding 2.8: Resultaat hydraulische berekening bui10+10% na reconstructie Velperweg

12

R01-D03-41013243-rek

3. VOORGENOMEN SITUATIE 3.1

HEMELWATER

3.1.1

Principe

Hemelwater afkomstig van particulier terrein dient op eigen terrein verwerkt te worden. Hierbij hanteert de gemeente Arnhem het uitgangspunt dat 40 mm in 45 minuten verwerkt dient te worden op eigen terrein. Wanneer de berging van 40 mm in 45 minuten benut is mag het hemelwater bovengronds afgevoerd worden naar de openbare ruimte. Als de voorgeschreven berging op eigen terrein niet gehaald wordt, kan na instemming van de gemeente het hemelwater bovengronds afgevoerd worden naar het openbaar gebied. Voor het openbaar gebied geldt het uitgangspunt dat er 40 mm in 45 minuten berging wordt gerealiseerd in het openbaar groen. Hierbij wordt in eerste instantie uitgegaan van water lokaal infiltreren, dan lokaal bergen en vervolgens eventueel afvoeren naar oppervlaktewater.

3.1.2

Oppervlakken

In afbeelding 3.1 en tabel 3.1 is het verhard oppervlak binnen het plangebied weergegeven. Het verhard oppervlak is gebaseerd op de stedenbouwkundige plan d.d. 17-09-2024. Uit de analyse van het verhard oppervlak blijkt dat er sprake is van 18.112 m² verhard oppervlak in het openbaar gebied. Het dak en het dek (half verdiepte parkeerdekken) hebben een gezamenlijk oppervlak van 32.839 m² (waarvan 7.265 m² bestaand). De kavels hebben een oppervlak van 9.569 m² (waarvan 8.094 m² bestaand). Het betreft hier het kaveloppervlak exclusief het oppervlak van de dekken en de daken.

Type oppervlak Gesloten verharding Open verharding Daken bestaand Daken nieuw Dek nieuw Kavel nieuw (excl. dak) Kavel bestaand (excl. dak)

Oppervlak (m2) 1306 16806 7265 16026 9548 1475 8094

Oppervlak openbaar gebied Oppervlak dak en dek Oppervlak kavel

18112 32839 9569

Tabel 3.1: Verhard oppervlak

13

R01-D03-41013243-rek

m2 m2 m2

Afbeelding 3.1: Verhard oppervlak plangebied

Het stedenbouwkundig plan voorziet voor het openbaar gebied vooralsnog niet in het toepassen van halfverhardingen. 3.1.3

Bergingsopgave

Met de gemeente Arnhem is overeengekomen dat er 40 mm in 45 minuten op eigen terrein gerealiseerd dient te worden. Dit komt overeen met bui10+10%. De oppervlakken uit afbeelding 3.1 resulteren in combinatie met de bergingseis in een bergingsopgave. Deze bergingsopgave is weergeven in tabel 3.2. De bergingsopgave in het openbaar gebied bedraagt 724 m³ en op particulier terrein 1.082 m³. De gemeente Arnhem heeft aangegeven dat voor de kavels het uitgangspunt gehanteerd dient te worden dat 100% van de kavel verhard is.

14

R01-D03-41013243-rek

Type oppervlak Gesloten verharding Open verharding Daken bestaand Daken nieuw Dek nieuw Kavel nieuw (excl. dak) Kavel bestaand (excl. dak)

Berging (mm) 40 40 0 40 40 40 0

Percentage afvoer kavel

100%

Type oppervlak Gesloten verharding Open verharding Daken bestaand Daken nieuw Dek nieuw Kavel nieuw (excl. dak) Kavel bestaand (excl. dak)

Bergingsopgave (m3) 52.2 672.2 0.0 641.0 381.9 59.0 0.0

Bergingsopgave openbaar gebied Bergingsopgave particulier terrein

724.5 1082.0

m3 m3

Tabel 3.2: Bergingsopgave

3.1.4

Berging in infiltratievoorzieningen

Zoals eerder aangegeven zal het hemelwater afkomstig uit het openbaar gebied voor zover dit mogelijk is bovengronds vastgehouden worden in wadi’s. Op basis van de volgende uitgangspunten is de beschikbare ruimte voor wadi’s binnen het plangebied bepaald: • Breedte boveninsteek is minimaal 2,50 meter (HIOR); •

Een diepte van maximaal 0,50 (HIOR);

•

Een maximale waterdiepte van 0,30 m;

•

Een talud 1:3 of 1:4 (HIOR). Voor het plan wordt uitgegaan van een talud 1:3;

•

Bovenkant insteek ligt minimaal 1,00 m uit de kant van de verharding;

•

De wadibodem ligt bij voorkeur 1,00 m boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG);

•

Een maximale ledigingstijd van 24 uur (HIOR).

Het resultaat hiervan is weergegeven in afbeelding 3.2. Er zijn 24 locaties binnen het plangebied welke in aanmerking komen om wadi’s toe te passen. Tijdens het opstellen van het inrichtingsplan dient nader onderzocht te worden welke wadi’s toegepast gaan worden.

15

R01-D03-41013243-rek

Afbeelding 3.2: Zoekgebieden wadi’s en deelgebieden

In tabel 3.3 is de inhoud van de wadi’s bij een maximale waterdiepte van 0,50 m weergegeven. Daarnaast is de leeglooptijd per wadi berekend op basis van een infiltratiecapaciteit van 0,50 m/dag. Deze doorlatendheid is representatief voor een wadi met een toplaag welke bestaat uit gras. Aangezien Mateboer heeft aangetoond dat de doorlatendheid van het onderliggende pakket groter is dan deze doorlatendheid en de GHG bovendien ruim onder de voorziening ligt, vormt de ondergrond geen belemmering voor het functioneren van de wadi’s. De gehanteerde infiltratiecapaciteit van 0,50 m/dag betreft dus een worst-case scenario. Conform de HIOR van de gemeente Arnhem mag de dynamische berging ook gebruikt worden om de benodigde berging te behalen. De doorlatendheid is immers hoger dan 2,00 m/dag. De ledigingstijd van de wadi’s varieert bij een infiltratiecapaciteit van 0,50 m/dag van 11,1 tot 14,5 uur. Daarmee voldoen de wadi’s aan het gangbare uitgangspunt dat de deze binnen 24 uur geledigd zijn.

16

R01-D03-41013243-rek

Nummer wadi Gebied Inhoud waterpeil 0,30 m (m3) Dynamische berging (m3) Leeglooptijd (uur) 1 1 131.7 9.4 13.98 2 1 45.5 3.5 12.94 3 1 31.3 2.5 12.66 4 1 24.2 1.9 12.47 5 1 4.9 0.4 11.07 6 1 121.4 9.1 13.38 7 1 31.4 2.3 13.52 8 1 44.4 3.1 14.33 9 1 14.7 1.2 12.58 10 1 46.5 3.6 13.03 11 1 62.1 4.7 13.10 12 2 212.7 15.5 13.69 13 2 159.5 11.3 14.06 14 2 49.5 3.8 12.97 15 2 53.5 4.0 13.38 16 2 71.8 5.4 13.38 17 4 40.7 2.8 14.54 18 4 90.1 6.3 14.27 19 4 15.7 1.3 12.37 20 4 13.2 1.1 11.83 21 5 14.3 1.2 12.08 22 5 35.1 2.7 13.16 23 5 7.8 0.7 12.00 24 5 22.3 1.7 12.75 Tabel 3.3: Berging en ledigingstijd wadi’s

Omdat het maaiveld onder een helling ligt dienen de wadi’s op tactisch gekozen plekken gesitueerd te worden. Daarbij is het van belang om het verhard oppervlak op te delen in deelgebieden. Hemelwater wat in de Schaapsdrift valt zal immers nooit oppervlakkig tot afvoer komen richting de wadi’s ter hoogte van de Esperantolaan. De deelgebieden zijn weergegeven in afbeelding 3.2. Vervolgens zijn de wadi’s toegekend aan een deelgebied (zie tabel 3.3). Op basis hiervan kan bepaald worden of er sprake is van een restopgave binnen een deelgebied of dat de volledige bergingsopgave behaald wordt door het aanleggen van de wadi’s. Uit de berekening blijkt dat in deelgebied 3 (Eleonorastraat e.o.) geen berging aanwezig is en in deelgebied 5 (centrale deel Schaapsdrift) net te weinig berging. In deelgebied 3 is sprake van een restopgave van 304,1 m³ en in deelgebied 5 van 1,1 m³.

Gebied Inhoud waterpeil 0,30 m (m3) Dynamische berging (m3) Bergingsopgave (m3) Restopgave (m3) 1 558.1 41.8 125.3 0.0 2 547.1 40.1 135.7 0.0 3 0 0 304.1 304.1 4 159.7 11.5 72.5 0.0 5 79.6 6.3 86.9 1.1 Tabel 3.4: Gerealiseerde berging en restopgave per deelgebied

17

R01-D03-41013243-rek

3.1.5

Aandachtspunt inrichting maaiveld rond Velperweg

Geadviseerd wordt om aan de zuidzijde van de Velperweg en aan de westzijde van de Esperantolaan wadi’s aan te leggen die bovengronds met elkaar in verbinding staan. Water wat oppervlakkig tot afstroom komt vanaf de Velperweg wordt daarmee opgevangen in de wadi’s. Daarmee wordt voorkomen dat hemelwater vanaf de Velperweg het plangebied in kan stromen en mogelijk tot wateroverlast leidt. Hiermee wordt voorkomen dat de te realiseren beek en de duiker onder het spoortalud buitenproportioneel groot worden. De bodemhoogten van de wadi’s aan de zuidzijde van de Velperweg worden uitgelegd richting de lagergelegen wadi’s aan de Esperantolaan. Vanuit hier wordt het hemelwater, bij voorkeur bovengronds, afgevoerd richting Park Sacre Coeur. Dit is echter nog geen onderdeel van voorliggend plan en dient in een vervolgfase uitgewerkt te worden. De uitleggers van het aangebrachte IT-riool in de Velperweg worden aangesloten op de instroomvoorzieningen welke aangebracht dienen te worden in de wadi’s aan de zuidzijde van de Velperweg. 3.1.6

Conclusie

Op basis van de bergingsopgave en de gerealiseerde berging in de wadi’s is vastgesteld dat de bergingsopgave voor het overgrote deel van het plangebied behaald wordt (zie tabel 3.4). Voor de deelgebieden 3 (Eleonorastraat e.o.) en 5 (centrale deel Schaapsdrift) is dit niet het geval. In deelgebied 3 is sprake van een restopgave van 304,1 m³ en in deelgebied 5 van een minimale restopgave van 1,1 m³. Het aanleggen van ondergrondse infiltratievoorzieningen is vanuit spoorveiligheid waarschijnlijk niet wenselijk. Daarom wordt geadviseerd om in de Eleonorastraat een hemelwaterriool aan te leggen welke afvoert richting het voormalige beekriool in de Schaapsdrift. Het beekriool wordt in de toekomstige situatie omgevormd naar een hemelwaterriool en voert het hemelwater af richting de eco-zone aan de noordzijde van Presikhaaf I, parallel langs de Amerstraat. De totale restopgave bedraagt 305,2 m³. Op basis van een berging van 40 mm in 45 minuten laat zich dit vertalen naar 7.630 m² verhard oppervlak. Deze oppervlakken, afkomstig uit de Schaapsdrift en de Eleonorastraat, voeren het hemelwater door middel van de hemelwaterriolen af naar de eco-zone. Ten tijde van het opstellen van het inrichtingsplan dient wel getoetst te worden of het bestaande beekriool voldoende afvoercapaciteit heeft om deze oppervlakken hierop aan te kunnen sluiten. 3.2

RIOLERING

3.2.1

Hemelwaterriolen

De bestaande oppervlakken rond de Schaapsdrift zullen in de toekomstige situatie aangesloten worden op het beekriool BET Ø 600 mm. Omdat de functie van het beekriool in de toekomstige situatie komt te vervallen, zal het beekriool functioneren als een hemelwaterriool. Hierbij geldt het uitgangspunt dat de kolken in een deel van de Schaapsdrift aangesloten worden op het hemelwaterriool BET Ø 600 mm. Bestaande platte daken voeren voor 100% af en bestaande hellende daken voor 50%. De aanname is dat alleen de voorkanten van de hellende daken, die grenzen aan het toekomstige hemelwaterriool, afgekoppeld kunnen worden. Bestaand dakoppervlak en particuliere terreinverharding hoeven niet verplicht afgekoppeld te worden, echter stimuleert de gemeente Arnhem dit wel. Deze verharde oppervlakken kunnen afgevoerd worden richting het beekriool BET Ø 600 mm in de Schaapsdrift. In een vervolgfase dient in overleg met de eigenaren van de percelen afgestemd te worden welke oppervlakken afgekoppeld kunnen worden en welke oppervlakken aangesloten blijven op het gemengde riool.

18

R01-D03-41013243-rek

Daarnaast zijn er in het plangebied nog een tweetal locaties die vooralsnog niet herontwikkeld worden, namelijk: • Ernst Casimirlaan 1 t/m 166 (appartementencomplexen); •

Oude Velperweg 58 t/m 68 (2-onder 1 kapwoningen).

Het hemelwater van deze locaties blijft waarschijnlijk aangesloten op het bestaande gemengde riool. 3.2.2

Conclusie

In de toekomstige situatie wordt getracht de bestaande oppervlakken in de Schaapsdrift af te koppelen op het beekriool, welke in de toekomstige situatie als hemelwaterriool zal fungeren. Ten tijde van het opstellen van het inrichtingsplan dient getoetst te worden of het bestaande beekriool voldoende afvoercapaciteit heeft om deze oppervlakken hierop aan te kunnen sluiten. 3.3

OPPERVLAKTEWATER

3.3.1

Principe

Tot in de jaren ’30 van de vorige eeuw stroomde vanaf Park Angerenstein de Beek op de Paasberg door het plangebied. De Beek op de Paasberg liep parallel aan de Schaapsdrift en voerde het hemelwater via een duiker onder het spoortalud af richting de vijvers van Park Presikhaaf. In de loop der jaren is het oppervlaktewater verdwenen uit het straatbeeld en is er een beekriool in de Schaapsdrift aangelegd. Deze situatie is beschreven in paragraaf 2.5.

Afbeelding 3.3: Voorgenomen afvoer beek binnen plangebied

19

R01-D03-41013243-rek

Naar aanleiding van de herinrichting van het plangebied bestaat er de mogelijkheid om de beek weer terug te brengen in het straatbeeld (zie afbeelding 3.3). Ten opzichte van de voormalige ligging van de beek wordt deze in oostelijke richting verplaatst. Daarnaast wordt er onder het spoortalud een ecologisch passeerbare duiker aangelegd welke afvoert richting de vijvers in de Heemtuin in Park Presikhaaf. 3.3.2

Vormgeving beek en duiker spoortalud

Bij de reconstructie van de Velperweg zijn twee duikers PE Ø 500 mm richting de bestaande vijver aan de noordzijde van de Oude Velperweg 68 aangebracht. Bij bui10+10% hebben deze duikers samen een debiet van 0,48 m³/s. Op basis van dit debiet kunnen de afmetingen van de beek en de duiker onder het spoortalud bepaald worden ten tijde van het opstellen van het inrichtingsplan. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de afmetingen van de beek tussen de Velperweg en de parallelweg. Langs de beek wordt een flauw talud toegepast welke natuurvriendelijk wordt ingericht. Bij extremere neerslaggebeurtenissen fungeert dit flauwe talud als extra berging op maaiveld. Deze situatie is weergegeven in afbeelding 3.4 en is afkomstig uit het stedenbouwkundig plan.

Afbeelding 3.4: Dwarsprofiel beek afkomstig uit stedenbouwkundig plan

In verband met de helling binnen het plangebied dienen er in de beek op meerdere locaties stuwtjes aangelegd te worden. Bij het dimensioneren van deze stuwtjes dient rekening gehouden te worden met de overstortende straal van de drempels. De duiker welke het spoortalud kruist dient ecologisch passeerbaar te zijn en wordt naar alle waarschijnlijkheid uitgevoerd als een koker. De b.o.b. van deze duiker dient zodanig te zijn dat er een aansluiting gemaakt kan worden op de vijvers in de Heemtuin van Park Presikhaaf. Voor de ecologisch passeerbare duiker geldt dat de loopplanken bij bui10+10% net niet onder water staan. Naast de ecologisch passeerbare duiker worden er in de beek geen andere duikers toegepast. Daar waar de beek openbare verhardingen kruist dient een bovengrondse voorziening aangebracht te worden. Hierbij kan gedacht worden aan een roostergoot. Bij het opstellen van inrichtingsplan dient dit nader uitgewerkt te worden.

20

R01-D03-41013243-rek

3.3.3

Conclusie

Er zijn vooralsnog geen belemmeringen om de beek als landschapselement terug te laten komen in het plangebied. De dimensies van de beek, de duiker onder het spoortalud en de stuwtjes dienen ten tijde van het opstellen van het inrichtingsplan bepaald te worden op basis van de beschreven uitgangspunten. Ondergrondse voorzieningen zoals duikers worden alleen toegepast ter plaatse van het spoortalud en worden niet toegepast om ter plaatse van de beek openbare verhardingen te kunnen kruisen. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor het creëren van voldoende berging op maaiveld rond de beek. 3.4

GRONDWATER

3.4.1

Straat- en vloerpeilen

De peilen in het openbaar gebied dienen te voldoen aan de volgende ontwateringseisen welke afkomstig zijn uit de HIOR van de gemeente Arnhem: • Primaire wegen: 1,00 m; •

Secundaire wegen en woonstraten: 0,70 m;

•

Tuinen en groenvoorzieningen: 0,50 m.

Voor woningen met kruipruimten wordt een eis van 0,70 m gehanteerd en woningen zonder kruipruimte 0,30 m (ten opzichte van onderkant vloer). De ontwateringsdiepte betreft de afstand tussen de GHG en het maaiveld.

Afbeelding 3.5: Maximale waterstanden nieuwe gevels bij de bui van 28 juli 2014

21

R01-D03-41013243-rek

Vloerpeilen liggen bij voorkeur 0,20 m boven de toekomstige peilen in het openbaar gebied. De berging op maaiveld tot aan de hoogte van de drempel van de woning dient eerst benut te worden alvorens dit eventueel tot wateroverlast kan leiden. In afbeelding 3.5 zijn de maximale waterdiepten ter hoogte van de nieuwe gevels bij de bui van 28 juli 2014 weergegeven (en grote weergave is opgenomen in bijlage IV). Het betreft hier de resultaten van de stresstest op basis van de stedenbouwkundige verbeelding behorend bij de gebiedsvisie d.d. 16 januari 2024 en wijkt daarmee af van het stedenbouwkundig plan d.d. 17 september 2024. 3.4.2

Conclusie

Toetsing van de ontwateringseisen vindt plaats op basis van de resultaten afkomstig uit het geohydrologisch onderzoek van Mateboer. Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat de GHG, afhankelijk van de locatie in het plangebied, varieert van 2,40 tot 3,40 m-mv. Daarmee wordt in de huidige situatie al voldaan aan de minimale ontwateringseisen en zijn aanvullende maatregelen niet nodig. Aanvullende grondwatermeetgegevens van de twee peilbuizen die geplaats zijn in het plangebied moeten uitwijzen in hoeverre de GHG nog wijzigt en of dit nog van invloed is op de toekomstige straat- en vloerpeilen. Bij het opstellen van het definitieve inrichtingsplan dienen er hydraulische berekeningen uitgevoerd te worden. Daarbij dient aangetoond te worden dat het berekende water-op-straat bij bui10+10% beperkt blijft tot een aantal plassen. In principe moet alles in de wadi’s passen. Bij de bui van 28 juli 2014 mag er bij de voorgenomen straat- en vloerpeilen geen sprake zijn van wateroverlast in de panden. Daarnaast dient wateroverlast niet afgewenteld te worden op de omgeving.

22

R01-D03-41013243-rek

I.

CONCEPT STEDENBOUWKUNDIG PLAN

R01-D03-41013243-rek

II. GEOHYDROLOGISCH ONDERZOEK MATEBOER

R01-D03-41013243-rek

Rapport

Geohydrologisch onderzoek Schaapsdrift e.o. te Arnhem

Rapport

Geohydrologisch onderzoek Schaapsdrift e.o. te Arnhem

Opdrachtgever:

Roelofs Groep

Projectnummer:

Datum:

BO243414/JHB Opgesteld door: J.H. Bolks MSc

4 juni 2024 Paraaf:

Status: Definitief v2 Gecontroleerd door: Paraaf: J.J. Stolte MSc

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

Pagina: INLEIDING ................................................................................................................................................ 4 1.1

Aanleiding en doelstelling .................................................................................................................... 4

1.2

Opbouw rapport .................................................................................................................................. 4

1.3

Verantwoording ................................................................................................................................... 4

GEBIEDSKENMERKEN ............................................................................................................................... 5 2.1

Beschrijving plangebied ....................................................................................................................... 5

2.2

Hoogteligging ....................................................................................................................................... 6

2.3

Globale bodemopbouw ....................................................................................................................... 6

2.4

Leemlagen ............................................................................................................................................ 7

2.5

Grondwater ........................................................................................................................................ 10

2.6

Oppervlaktewater .............................................................................................................................. 12

DOORLATENDHEIDSONDERZOEK ........................................................................................................... 14 3.1

Uitgangspunten .................................................................................................................................. 14

3.2

Bodemopbouw ................................................................................................................................... 14

3.3

Doorlatendheidsmetingen ................................................................................................................. 14

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ........................................................................................................... 17 4.1

Bodemopbouw en leemlaag .............................................................................................................. 17

4.2

Grondwater ........................................................................................................................................ 17

4.3

Oppervlaktewater .............................................................................................................................. 18

4.4

Doorlatendheid .................................................................................................................................. 18

TABELLEN Tabel 2.1 bodemopbouw en verticale en horizontale doorlatendheid op basis van BROloket (boorlocatie B40B0130 en appelboor REGIS II v2.2.1)................................................................................................ 7 Tabel 2.2 Overzicht kelders ................................................................................................................................... 10 Tabel 3.1 Classificatie doorlatendheid .................................................................................................................. 14 Tabel 3.2 Horizontale doorlatendheid aan de hand van veldmetingen ................................................................ 15

TABELLEN Figuur 1 Stedenbouwkundige verbeelding plangebied........................................................................................... 5 Figuur 2 Hoogtekaart plangebied (bron: AHN Nederland) ..................................................................................... 6 Figuur 3 Verticale Doorsnede BRO REGIS II v2.2.1 .................................................................................................. 7 Figuur 4 Verwachte aanwezigheid leemlagen (bron: Bodeminformatie op de kaart, gemeente Arnhem) ............ 8 Figuur 5 Waargenomen grondwaterstand veldonderzoek ................................................................................... 11 Figuur 6 Isohypsen eerste watervoerende pakket (bron: grondwatertools.nl) .................................................... 12 Figuur 7 Huidige en voorgenomen ligging beek .................................................................................................... 13

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

2

BIJLAGEN Bijlage 1: Overzichtstekening onderzoekslocatie Bijlage 2: Overzichtstekening booronderzoek bodemopbouw Bijlage 3: Boorprofielen geologische boringen voorgaand onderzoek Bijlage 4: Boorprofielen booronderzoek Bijlage 5: Overzichtslijst diepe boringen Bijlage 6: Resultaten zeefkromme Bijlage 7: Aardvarkmetingen Bijlage 8: Overzichtstekening met resultaten doorlatendheidsonderzoek

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

3

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doelstelling

In opdracht van Roelofs Groep heeft Mateboer Milieutechniek BV in maart tot mei 2024 een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied Schaapsdrift e.o. te Arnhem. De aanleiding voor het geohydrologisch onderzoek betreft de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied Schaapsdrift e.o. te Arnhem. Doel van het geohydrologisch onderzoek is het bepalen van de geohydrologische situatie en de bodemopbouw ter plaatse van het plangebied ten behoeve van het opstellen van een waterhuishoudkundig advies.

1.2

Opbouw rapport

In het onderhavige rapport wordt verslag gedaan van het uitgevoerde onderzoek en komen de volgende aspecten aan de orde:  gebiedskenmerken (hoofdstuk 2);  doorlatendheidsonderzoek (hoofdstuk 3);  samenvatting en conclusies (hoofdstuk 4).

1.3

Verantwoording

Dit rapport is uitsluitend samengesteld voor het gebruik door de opdrachtgever. De conclusies in dit rapport zijn alleen geldig binnen de context waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd en het rapport is opgesteld. Het rapport is alleen geldig in originele en volledige vorm. Ieder ander dan de opdrachtgever, die het rapport gebruikt zonder specifieke referentie en schriftelijke toestemming van Mateboer Milieutechniek BV (MMT), doet dit op eigen risico. De conclusies zijn gebaseerd op de analyse van gegevens die door de opdrachtgever en derden zijn verstrekt. Wij nemen daarom geen verantwoording voor de gevolgen van fouten door verzuiming in informatie of factoren dan wel informatie die niet toegankelijk was voor MMT of die MMT niet heeft kunnen achterhalen in het normale verloop van het onderzoek. Mateboer Milieutechniek BV is geen eigenaar van het onderzochte terrein en heeft buiten de opdracht juridisch, financieel, personeel of op andere wijze geen verbintenis met de opdrachtgever.

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

4

2

GEBIEDSKENMERKEN

2.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied is gelegen in het noordoosten van Arnhem en ligt ingeklemd tussen de Velperweg aan de noordzijde, de Esperantolaan aan de oostzijde, de spoorlijn aan de zuidzijde en de Wichard van Pontlaan aan de westzijde. Het plangebied is momenteel ingericht als een gemengd gebied met woningen, winkels voor grote detailhandel, bedrijvigheid en particuliere opslag. Op basis van historisch kaartmateriaal is in het westelijk deel van het plangebied vanaf eind 19e eeuw bebouwing zichtbaar, waarbij de eerste aanwezige bebouwing dateert uit 1880. Het westelijk deel is tot de jaren 60 van de vorige eeuw ingericht geweest als bos/park en is vervolgens ingericht als gebied met een woon- en verzorgingsfunctie. De gemeente is voornemens het plangebied opnieuw in te richten met daarbij aandacht voor zowel wonen als werken. Hierbij is ook aandacht voor vergroening van het gebied, waarbij het groen ruimte biedt voor waterbergende maatregelen. In het ruimtelijk raamwerk zijn verschillende bouwvelden opgenomen, welke worden doorgestoken door zogenaamde ‘groene lopers’. Dit zijn parkachtige stroken, waar ook ruimte voor waterberging moet komen. Daarnaast is in de gebiedsvisie een nieuwe watergang opgenomen die vanaf het park Angerstein richting het spoor stroomt. In de huidige situatie loopt een overkluisde aftakking van de Beek op de Paasberg onder de Schaapsdrift door.

In figuur 1 is de stedenbouwkundige verbeelding van het plangebied opgenomen. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ongeveer 8,3 hectare. Hiervan is ongeveer 5,1 ha gereserveerd als bouwveld. Het overige deel van het plan is gereserveerd als openbaar ruimte (o.a. stationsplein) en als openbaar groen.

Figuur 1 Stedenbouwkundige verbeelding plangebied

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

5

2.2

Hoogteligging

In figuur 2 is de hoogteligging van het plangebied weergegeven. Het hoogste deel van het plan ligt in het noordwesten en loopt af richting het zuidelijke deel van het gebied tot aan de spoorlijn. De hoogte van het maaiveld binnen het plangebied bevindt zich op circa NAP +15,5 m in het noordwesten tot circa NAP +14 m in het zuidoosten langs de spoorlijn.

Figuur 2 Hoogtekaart plangebied (bron: AHN Nederland)

2.3

Globale bodemopbouw

Het plangebied is gelegen aan de rand van de Veluwezoom, een gebied bestaande uit stuwwallen. Arnhem-Noord is deels op de helling van één van deze stuwwallen gebouwd. De zuidkant van de stuwwal wordt begrensd door de stroomgebieden van de Neder-Rijn en IJssel. Tussen de stuwwallen en de rivieren is sprake van een overgangsgebied, waar in recentere perioden door de rivieren sedimenten zijn afgezet. Het plangebied wordt geomorfologisch geclassificeerd als een droogdal en daluitspoelingswaaier. De globale bodemopbouw bestaat uit gestuwde zandafzettingen en zandige deklagen met een overgang naar klei in de diepere ondergrond. Op basis van het REGIS II (v2.2.1) model en bestaande boorprofielen afkomstig van het BROloket kan de diepere bodemopbouw worden afgeleid. Een overzicht van de bodemopbouw is weergegeven in tabel 2.1 en een dwarsdoorsnede is weergegeven in figuur 3.

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

6

Tabel 2.1 bodemopbouw en verticale en horizontale doorlatendheid op basis van BROloket (boorlocatie B40B0130 en appelboor REGIS II v2.2.1) Geologische eenheid Formatie van Boxtel: tweede en derde zandige eenheid; zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig; klei, siltig tot zandig, humeus; veen, kleiig Formatie van Kreftenheye: derde zandige eenheid; zand, matig fijn tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, lokaal zandig; klei, lokaal siltig tot zandig, lokaal humeus Gestuwde afzettingen: complexe eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit een afwisseling van grof en midden zand, met weinig klei, zandige klei, fijn zand en grind en een spoor veen Formatie van Waalre: eerste kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind Formatie van Waalre: Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen

Traject (m -mv.)

kh-waarde (m/d)

kv-waarde (m/d)

0,0 – 7,5

5 - 10

-

7,5 – 10,5

25 - 50

-

10,5 – 37

-

-

37 – 41

-

0,01 – 0,05

41 – 54

25 - 50

-

Figuur 3 Verticale Doorsnede BRO REGIS II v2.2.1

2.4

Leemlagen

Modelgegevens leemlagen Binnen het gestuwde zandpakket bevinden zich (slecht doorlatende) leemlagen. De leemlagen scheiden verschillende watervoerende pakketten. De leemlagen kunnen horizontaal, verticaal of door stuwing schuingesteld voorkomen. In het laatste geval is veelal sprake van een helling in noordelijke richting. Hemelwater dat in de bodem infiltreert stagneert op de leemlagen en stroomt vervolgens af richting de beekdalen waar het de beken voedt. De dikte van de leemlagen varieert van enkele tientallen centimeters tot enkele meters. Op basis van informatie van de gemeente Arnhem is binnen het plangebied met name in de noordelijke helft (noordelijk van Schaapsdrift 51, zie figuur 4) mogelijk sprake van het voorkomen van leemlagen. Vanwege de aanwezigheid van gestuwde afzettingen kunnen ook leemlagen in het zuidelijke deel voorkomen. Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

7

Figuur 4 Verwachte aanwezigheid leemlagen (bron: Bodeminformatie op de kaart, gemeente Arnhem)

Op basis van het REGIS II v2.2.1 model is de top van de gestuwde afzettingen binnen het plangebied aanwezig op een diepte variërend tussen 6,31 m +NAP tot 2,41 m -NAP. Gecorrigeerd voor de hoogte van het maaiveld wordt de top van de gestuwde afzettingen verwacht vanaf circa 9 m -mv. in het noorden van de planlocatie tot circa 15 m -mv. in het zuiden van de locatie. Bodemopbouw boringen voorgaand onderzoek Binnen het plangebied zijn meerdere (bodem)onderzoeken uitgevoerd, waarbij diepe boringen zijn geplaatst. De gegevens van de bekende boringen zijn afkomstig van Bodeminformatie op de kaart van de gemeente Arnhem en het DINOloket. Hierbij is een selectie gemaakt van de boringen en peilbuizen >6,0 m -mv. waarvan een beschrijving van het boorpofiel beschikbaar is. Een overzicht van deze selectie is weergegeven op de kaart in bijlage 2. Op basis van de bekende gegevens bestaat de bodem ter plaatse van het plangebied hoofdzakelijk uit zeer fijn tot matig grof, zwak siltig zand. Een bodembeschrijving van de belangrijkste beschikbare onderzoeken met diepe boringen (>6,0 m -mv.): 

Tebodin (kenmerk: 3315200, d.d. 05-04-2005: ter plaatse van Schaapsdrift 51 e.o. zijn boringen en peilbuizen tot maximaal 45 m -mv. doorgezet. De bodemopbouw bestaat tot 45 m -mv. uit zeer fijn tot matig grof, zwak siltig zand met plaatselijk kleilaagjes. De kleilaagjes

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

8

 

  

worden binnen onderhavig plangebied vanaf circa 18,6 m -mv. waargenomen. Er is geen leemlaag waargenomen; Inpijn Blokpoel, kenmerk: VS-8187, d.d. 21-03-1990: er zijn twee diepe boringen tot respectievelijk 15 en 16 m -mv. geplaatst. De bodemopbouw bestaat hoofdzakelijk uit matig fijn tot matig grof zand. In de diepere ondergrond worden op een diepte van 10 m -mv. en 14,5 m -mv. kleilaagjes van 10 en 25 centimeter waargenomen; Iwaco, kenmerk: 333.2500, d.d. 04-01-1995: Het betreft een nader onderzoek, waarbij een aantal boringen tot >5,0 m -mv. zijn geplaatst. De diepere ondergrond bestaat hoofdzakelijk uit midden tot grof zand en grind; Tauw, kenmerk: R3468798.H04/FKI, d.d. 12-06-1997: Het betreft een nader onderzoek, waarbij peilbuis 289 tot een diepte van 8,3 m -mv. is geplaatst. Tot 8,2 m -mv. is hoofdzakelijk matig fijn, zwak grindig zand en grind aanwezig. Vanaf 8,2 tot 8,3 m -mv. is sprake van zandige klei; Geofox-Lexmond, kenmerk: 20101670/MVOP, d.d. 6-10-2010: Ten behoeve van grondwatermonitoring is binnen onderhavig plangebied peilbuis 2 geplaatst met een boordiepte van 26 m -mv. De bodemopbouw bestaat hoofdzakelijk uit zeer fijn tot matig grof zand. Vanaf 23 tot 26 m -mv. is een kleilaag waargenomen. Ingenieursbureau- en adviesburo Kobessen B.V., kenmerk: P161.01, d.d. 27-02-1997 : Boring 03 uit dit onderzoek is tot 7,0 m -mv. geplaatst.

Er is tot de maximale boordiepte zand waargenomen; Grondslag, kenmerk: 4862, d.d. 21-01-2005: Peilbuis 101 is tot een diepte van 6,1 m -mv. geplaatst. Tot de maximale boordiepte is hoofdzakelijk matig fijn, zwak grindhoudend zand aanwezig; Tauw, kenmerk: R001-4590667RHW-baw-V01-NL, d.d. 14-08-2008: Boringen 60 en 61 zijn tot 5,7 m -mv. geplaatst. De bodemopbouw bestaat tot de maximale boordiepte hoofzakelijk uit fijn tot matig grof, zwak siltig zand.

Op basis van bovenstaande beschikbare onderzoeken is voor zover bekend geen leemlaag in de ondergrond waargenomen. Wel worden in de diepere ondergrond plaatselijk kleilaagjes op dieptes vanaf 10 m -mv. waargenomen, die mogelijk als slecht doorlatende scheidende laag fungeren. Binnen het plangebied zijn een aantal peilbuizen bekend met een boordiepte >8,0 m -mv. waarvan geen boorbeschrijving bekend is. Dit betreffen peilbuizen ten behoeve van grondwatermonitoring. Naast boringen geplaatst ten behoeve van milieuhygiënisch onderzoek zijn binnen het plangebied op basis van gegevens van het DINOloket twee geologische boringen bekend: B40B0194 (t.h.v. Schaapsdrift 69) en B40B0322 (t.h.v. Schaapsdrift 91). Ter plaatse van deze boringen zijn op respectievelijk 30 m -mv. (15,9 m -NAP) en 24 m -mv. (9,8 m -NAP) een leemlaag aangetroffen. De boorprofielen van deze boringen zijn weergegeven in bijlage 3. De positie van de boringen is eveneens opgenomen op de kaart in bijlage 2. Bodemopbouw uitgevoerd booronderzoek Gegevens met betrekking tot de bodemopbouw uit voorgaand onderzoek zijn met name aanwezig voor het westelijk deel van het plangebied. Om een betere inschatting te krijgen van het oostelijk deel van het plangebied, zijn meerdere grondboringen uitgevoerd op de onderzoekslocatie tot een boordiepte van maximaal 6,0 m -mv.

De boringen zijn geplaatst op 23, 24, 25 en 29 april 2024 en verricht met een edelmanboor, zuigerboor en pulsboor. De bodem bestaat hoofdzakelijk uit matig fijn tot matig grof, zwak siltig, zwak grindig zand. Plaatselijk worden in de diepere ondergrond gebiedseigen stenen waargenomen. Enkele boringen zijn voortijdig gestaakt vanwege het stuiten op grotere stenen. Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

9

Er is binnen de maximale boordiepte van 6,0 m -mv. geen leemlaag waargenomen. De waargenomen bodemopbouw komt overeen met de afzettingen van de Formatie van Boxtel met als toplaag antropogene, opgebrachte grond. De positie van de uitgevoerde boringen is weergegeven op de kaarten in bijlage 1 en 2. Voor de boorprofielen van de uitgevoerde boringen wordt verwezen naar bijlage 4. Leemlaag geroerd/doorbroken Van enkele panden van bestaande bebouwing binnen het plangebied zijn bouwtekeningen ingezien om na te gaan of kelders aanwezig zijn, waarbij mogelijk een aanwezige leemlaag is beschadigd. De beschikbare gegevens met betrekking tot kelders zijn weergeven op de tekening in bijlage 3. Een samenvatting van de bekende gegevens m.b.t. de kelders is weergegeven in tabel 2.2. Van de overige panden binnen het plangebied is geen informatie bekend met betrekking tot kelders. Tabel 2.2 Overzicht kelders Adres Esperantolaan 2 (Woonzorgcentrum Vreedenhoof)

Diepte kelder Circa 5,7 m -mv. / 9,3 m +NAP

Schaapsdrift 1-9

Niet aangegeven op bouwtekening. Betreft één laag, vermoedelijk maximaal circa 3,0 m -mv. / 12,0 m +NAP Circa 1,9 m -mv. / 12,5 m +NAP

Schaapsdrift 26-28

Oude Velperweg 5456 (Parochie Willibrordkerk)

Niet aangegeven op bouwtekening. Betreft één laag.

Conclusie leemlaag Op basis van de uitgevoerde boringen rondom het pand wordt tot de maximale boordiepte van 6,0 m -mv. (tot circa 8,7 m +NAP) geen leem waargenomen. Het is niet de verwachting dat bij de realisatie van de kelder de leemlaag geroerd is. Ter plaatse van de dichtstbijzijnde boring uit voorgaand onderzoek is tot 6,1 m -mv. geen leemlaag waargenomen. Het is niet de verwachting dat bij de realisatie van de kelder de leemlaag geroerd is. Ter plaatse van de dichtstbijzijnde boring uit voorgaand onderzoek is tot 6,0 m -mv. geen leemlaag waargenomen. Het is niet de verwachting dat bij de realisatie van de kelder de leemlaag geroerd is. Ter plaatse van de een geplaatste peilbuis uit voorgaand onderzoek is tot 23 m -mv. sprake van zand. Van 23 tot 26 m -mv. is sprake van klei. Het is niet de verwachting dat bij de realisatie van de kelder onder de kerk de leemlaag geroerd is.

Van de bekende boringen is in bijlage 5 een overzicht opgenomen of er mogelijk sprake is van het doorboren van de leemlaag. Deze boringen zijn eveneens aangeduid op de tekening in bijlage 2. Opgemerkt dient te worden dat de boringen zonder beschrijving peilbuizen betreffen ten behoeve van grondwatermonitoring. Op basis van de monitoringsrapportages is van een groot aantal peilbuizen de filterstelling veel ondieper gelegen dan de aangegeven maximale boordiepte. Mogelijk is bij deze peilbuizen sprake van een foutieve registratie van de maximale boordiepte.

2.5

Grondwater

Grondwaterstanden Als gevolg van seizoensfluctuaties veranderen de freatische grondwaterstanden. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) geven de bandbreedte weer waartussen de grondwaterstand zich gedurende het jaar beweegt. Op basis van het AMIGO model (AMIGO: Actueel Model Instrument Gelderland Oost) wordt de GHG binnen het plangebied geschat op circa 12,79 m +NAP in het noorden tot circa 11,38 m +NAP in het zuiden van het plangebied. De GLG wordt geschat op circa 12,35 m +NAP tot 10,9 m +NAP. Op basis van het model wordt binnen het plangebied de GHG voor de hoogst gelegen delen op maximaal circa 3,6 m -mv. geschat en voor het plaatselijk laagst gelegen deel (ter hoogte tunnel onder spoorviaduct) op circa 0,7 m -mv. Gemiddeld ligt de GHG rond 2,65 m -mv.

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

10

Tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden in april is de grondwaterstand ter plaatse de uitgevoerde boringen waargenomen vanaf 2,4 tot 3,8 m -mv (12,3 m +NAP tot 11,45 m +NAP). Er zijn twee peilbuizen geplaatst. Ten tijde van het plaatsen van de divers werd de grondwaterstand bij peilbuis 12 waargenomen op 2,42 m -mv. De waargenomen grondwaterstand bij peilbuis 13 bedroeg 3,29 m -mv. Een overzicht van de waargenomen grondwaterstanden is opgenomen in figuur 5.

Figuur 5 Waargenomen grondwaterstand veldonderzoek

Grondwaterstroming Op basis van modelgegevens (AMIGO: Actueel Model Instrument Gelderland Oost) en bestaande meerjarige peilbuisgegevens (grondwatertools.nl, onderdeel van TNO) is de globale stromingsrichting in de omgeving van het plangebied binnen het eerste watervoerende pakket zuidzuidoost gericht (zie figuur 6). Wel dient opgemerkt te worden dat binnen het eerste watervoerende pakket mogelijk gestuwde slecht doorlatende leem- en kleilagen aanwezig zijn. Deze kunnen door stuwing scheefgesteld aanwezig zijn. Hierdoor zal plaatselijk het doorlaatvermogen in horizontale richting variëren en kan de stromingsrichting lokaal beïnvloed worden.

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

11

Figuur 6 Isohypsen eerste watervoerende pakket (bron: grondwatertools.nl)

Op basis van grondwatertools.nl zijn de dichtstbijzijnde langjarige grondwatermonitoringsputten op 950 meter ten noorden (40BP0380) en 750 meter ten zuiden (40BP424) van het plangebied gelegen. Ter plaatse van peilbuis 40BP0380 zijn de stijghoogten in het tweede watervoerend pakket vrijwel gelijk dan in het eerste watervoerend pakket. Er lijkt geen sprake te zijn van kwel, dan wel infiltratie. Ter plaatse van peilbuis 40BP0424 zijn de stijghoogten in het tweede watervoerend pakket hoger dan in het eerste watervoerend pakket. Dit duidt op kwel van het tweede watervoerend pakket naar het eerste watervoerend pakket.

2.6

Oppervlaktewater

Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Beek op de Paasberg. De oorsprong van de beek is gelegen in de vijver op de hoek van de Kloosterstraat en de Bronbeeklaan. De beek wordt gevoed door van oorsprong natuurlijke bronnen. De beek stroomt door het park Angerenstein, waar eveneens een bronvijver en kwelplekken de beek voeden. Vanaf het park splitst de beek ter hoogte van de Velperweg in de richting van park Sacré Coeur en richting de Schaapsdrift (onderhavig plangebied). De beekloop wordt ten zuiden van de spoorlijn weer samengevoegd in park Presikhaaf. Binnen het plangebied is het grootste deel van de beek overkluisd in een beekriool. Het voornemen is om de beek te verleggen in oostelijke richting en deze weer zichtbaar te maken. Een overzicht van de huidige ligging van de beek en de voorgenomen loop is weergegeven in figuur 7. De bodemopbouw ter plaatse van de oorspronkelijke beek en de voorgenomen ligging van de beek is met fijn tot grof zand vergelijkbaar. Op basis van de hoogtes van het huidige maaiveld is het verval van het maaiveld ter plaatse van de nieuwe bovengrondse loop circa 1,6 meter over een afstand van circa 315 meter. De infiltrerende werking en de interactie met het grondwater door de beek zal afhankelijk zijn van de afstand tussen de beekbodem en de grondwaterstand. Ter plaatse van de nieuwe beekloop wordt de GHG geschat op 2,4 – 3,4 m -mv.

en de GLG op circa 2,7 – 3,8 m -mv. Bij een grote afstand tussen de beekbodem en de grondwaterstand zal sprake zijn van infiltratie. Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

12

Figuur 7 Huidige en voorgenomen ligging beek

Geohydrologisch onderzoek, Schaapsdrift e.o. te Arnhem, BO243414/JHB

13

3

DOORLATENDHEIDSONDERZOEK

3.1

Uitgangspunten

In de gebiedsvisie van het plangebied zijn tussen de bouwvelden groene stroken opgenomen. Binnen deze groene stroken moeten maatregelen worden genomen om water langer vast te kunnen houden. Hierbij wordt gedacht aan de inrichting van wadi’s of ondergrondse infiltratievoorzieningen. Voor de inrichting van infiltratievoorzieningen is het van belang vast te stellen of het plangebied infiltratiepotentie heeft. Hiervoor is de bodemopbouw bepaald en zijn infiltratiemetingen uitgevoerd. De doorlatendheid van een bodem is afhankelijk van vele factoren, onder meer type afzetting poriëngrootte, de poriënvorm en -hoeveelheid en de diepte tot de grondwaterstand. Een maat voor de waterdoorlatendheid van de bodem is de infiltratiecapaciteit. Deze wordt meestal uitgedrukt in een k-waarde (m/dag). Zandgronden zijn (meestal) goed doorlatend en kleigronden (meestal) slecht. De doorlatendheid kan worden geclassificeerd volgens de in tabel 3.1 vermelde gradaties. Tabel 3.1 Classificatie doorlatendheid Doorlatendheid (meter / dag)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=5bb9fb96-99c0-479e-b869-20dd3ebbca5a