Bijlage 2 - Verordening tot wijziging van de Verordening Parkeren en Parkeerbelastingen 2021
Tekst van het document
DE RAAD VAN DE GEMEENTE ARNHEM; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 oktober 2020, Bedrijfsvoering, zaaknummer 487424; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de volgende verordening tot wijziging van de VERORDENING PARKEREN EN PARKEERBELASTING 2021
Artikel I Wijziging De Verordening Parkeren en Parkeerbelasting 2021 wordt als volgt gewijzigd: Aan artikel 6 'Wijze van heffing en termijnen van betaling' wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt: '6. Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven.'
Artikel II Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Eerste wijziging Parkeerverordening 2021.
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van XXX. De griffier,
De voorzitter,
Toelichting op het wijzigingsbesluit
Verordening Parkeren en Parkeerbelastingen 2021 Afdeling II Parkeerbelastingen Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6 Wijze van heffing en termijnen van betaling
Artikel 6 Wijze van heffing en termijnen van betaling
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven door voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2. Indien bij aanvang van het parkeren het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer, geschiedt de betaling van de belasting in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: a. uiterlijk 1 maand na het einde van het parkeren; en b. overeenkomstig de voorwaarden van de aanbieder van de betreffende dienst. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven via een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waartoe ook wordt gerekend een nota of andere schriftuur, en moet worden betaald voorafgaand aan het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 4. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. 5. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften als voldoening op aangifte aangemerkt.
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven door voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2. Indien bij aanvang van het parkeren het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer, geschiedt de betaling van de belasting in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: a. uiterlijk 1 maand na het einde van het parkeren; en b. overeenkomstig de voorwaarden van de aanbieder van de betreffende dienst. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven via een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waartoe ook wordt gerekend een nota of andere schriftuur, en moet worden betaald voorafgaand aan het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 4. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. 5. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften als voldoening op aangifte aangemerkt. 6. Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven.