Bijlage 2 - Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Tekst van het document
Notitie Reikwijdte en Detailniveau Omgevingsvisie Arnhem Omgevingsvisie gemeente Arnhem 8 april 2021
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Verantwoording Titel
Notitie Reikwijdte en Detailniveau Omgevingsvisie Arnhem
Opdrachtgever
Gemeente Arnhem
Projectleider
Martijn Gerritsen
Auteur(s)
Daan van Gils
Tweede lezer
Martijn Gerritsen
Projectnummer
1279798
Aantal pagina’s
17
Datum
8 april 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Inhoud 1
Omgevingsvisie en het proces .................................................................................................. 4 1.1
Introductie .......................................................................................................................... 4
1.2
Waarom een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)? ................................................... 4
1.2.1
De Omgevingsvisie van Arnhem ................................................................................. 4
1.2.2
De Omgevingsvisie en het milieueffectrapport (MER) ................................................ 5
1.2.3
Het zoeken naar balans .............................................................................................. 6
1.2.4
Een samenhangende benadering: Omgevingseffectrapportage (OER) ..................... 6
1.2.5
Waarom een Notitie Reikwijdte en Detailniveau? ....................................................... 7
1.2.6
Inspraak ...................................................................................................................... 7
1.3
1.3.1
Waarom een Omgevingsvisie ..................................................................................... 7
1.3.2
Wat is een MER .......................................................................................................... 7
1.4
2
3
Waarom een Omgevingsvisie en Wat is een MER ............................................................ 7
Proces tot nu toe ................................................................................................................ 8
1.4.1
Proces om tot de Omgevingsvisie te komen. .............................................................. 8
1.4.2
Participatietraject....................................................................................................... 10
Wat gaan we onderzoeken en hoe? ........................................................................................ 11 2.1
Het vertrekpunt van het PlanMER .................................................................................... 11
2.2
Stappen MER ................................................................................................................... 12
2.2.1
Wat en hoe: Huidige Situatie en autonome ontwikkeling (referentiesituatie) ............ 13
2.2.2
Wat en hoe: Effectbeoordeling en doelbereik .......................................................... 13
2.2.3
Wat en hoe: Synergie en strijdigheden (afwegen alternatieven) .............................. 14
2.2.4
Keuzes leiden tot alternatieven die worden getoetst ................................................ 14
2.2.5
Wat en hoe: Mitigerende maatregelen (aanbevelingen) ........................................... 14
2.2.6
Wat en hoe: Monitoring (aanzet monitoringsprogramma) ......................................... 14
Hoe gaan we dat onderzoeken?.............................................................................................. 15 3.1
Hoe: Beoordelingskader ................................................................................................... 15
3.2
Hoe: Effectbepalingen en doelbereik ............................................................................... 17
3.3
Wat: de vervolgstappen op hoofdlijnen ............................................................................ 17
3/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
1 Omgevingsvisie en het proces 1.1
Introductie
De gemeente Arnhem werkt aan het opstellen van een Omgevingsvisie. Inmiddels is het Voorontwerp van deze Omgevingsvisie opgesteld. De visie biedt de gemeente een beeld van hoe de leefomgeving van Arnhem zich in de brede zin van het woord gaat ontwikkelen tot en met 2040. Om tot de uiteindelijke Omgevingsvisie en de uitvoering daarvan te komen, doorloopt de gemeente een inhoudelijk proces waarin keuzes voor de inrichting van de stad worden gemaakt. Onderdeel van dit proces is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER). Het doel van deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is om u als lezer inzicht te geven in de stappen die ten behoeve van het MER doorlopen worden. Om dit te bereiken wordt een aantal vragen besproken. Er wordt ingegaan op de vraag waarom een NRD eigenlijk nodig is. Daarna wordt verder uitgelegd waarom er een Omgevingsvisie komt en wat daarbij de rol van een MER is. Verder staan de vraag wat er precies onderzocht gaat worden en hoe dit zal gebeuren centraal. Ook het proces tot nu toe en het vervolg van dit proces na de Omgevingsvisie zullen worden toegelicht. In Hoofdstuk 1 volgt een antwoord op de vragen wat een NRD, de Omgevingsvisie en het MER zijn. Ook het proces tot nu toe wordt besproken. In Hoofdstuk 2 volgt het antwoord op de vraag wat er onderzocht gaat worden en hoe dat gebeurt.
In Hoofdstuk 3 wordt verder ingegaan op de middelen die er zijn om te onderzoeken wat de effecten van de Omgevingsvisie op de leefomgeving in Arnhem zijn en wordt vooruit gekeken naar het vervolg van het proces.
1.2
Waarom een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)?
Om de vraag te beantwoorden waarom er eigenlijk een Notitie Reikwijdte en Detailniveau is, volgt eerst achtergrondinformatie over het proces waarin de Omgevingsvisie en het bijbehorende MER worden opgesteld. 1.2.1
De Omgevingsvisie van Arnhem
De gemeente Arnhem werkt aan het opstellen van een Omgevingsvisie. Het is de bedoeling dat de visie de basis vormt voor duidelijke keuzes in de ruimtelijke inrichting van de stad. In deze keuzes moeten de sociale en de fysieke opgaven in samenhang worden bekeken.
De Omgevingsvisie is voor de lange termijn het kerninstrument voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie zelf is een dynamisch document, omdat het zal mee veranderen met toekomstige opgaven en voorkeuren. De keuzes die in de Omgevingsvisie staan vormen een kader voor toekomstige uitvoeringsprogramma’s, uitwerkingen per gebied en het Omgevingsplan.
4/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Om in beeld te brengen of de uitwerking van het beleid daadwerkelijk leidt tot een betere kwaliteit van de leefomgeving is periodieke informatie over het kwaliteitsniveau van de fysieke leefomgeving nodig. Daarnaast kunnen de resultaten van het tot dan uitgevoerde beleid meer inzicht geven. Met dit voortschrijdend inzicht kan uitwerking en bijsturing gegeven worden aan de Omgevingsvisie. Op deze manier ontstaat er een gesloten beleidscyclus waarbij onder andere de informatie uit het MER als goede basis dient. Zie onderstaande figuur 1.1 voor een uitwerking van de beleidscyclus. Vervolgens kan op basis daarvan de visie worden aangepast om scherper in te zetten op het behalen van die doelen.
Figuur 1.1 Gesloten beleidscyclus binnen de context van de Omgevingswet (Bron: Aan de slag met de Omgevingswet).
1.2.2 De Omgevingsvisie en het milieueffectrapport (MER) Binnen het proces wordt het opstellen van de Omgevingsvisie gelijktijdig en in samenhang opgepakt met het opstellen van het MER. Deze milieueffectrapportage is het instrument om afgewogen keuzes te maken voor de Omgevingsvisie. In het proces is het Voorontwerp van de Omgevingsvisie het startpunt voor het MER. Door het MER en de Omgevingsvisie in samenhang op te stellen kunnen gedurende het proces beide documenten elkaar aanvullen en versterken.
5/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
In onderstaand kader is meer achtergrond opgenomen over de “m.e.r. plicht”. Oftewel de wettelijke aanleiding voor het opstellen van het MER. Kader M.e.r plicht De Omgevingsvisie biedt het kader voor zogenaamde m.e.r.-plichtige activiteiten. Dat betekent dat het verplicht is voor zulke activiteiten een milieueffectrapportage op te stellen (hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer). Het gaat hierbij onder andere om de woningbouwopgave. Ook hebben ontwikkelingen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie mogelijk significante gevolgen voor Natura-2000 gebieden. De Veluwe bij Arnhem is een Natura-2000 gebied. Wanneer ontwikkelingen binnen de visie significante gevolgen hebben voor zo’n gebied, is een Passende Beoordeling nodig (Wet Natuurbescherming art. 7.2a lid 1 Wm). De Passende Beoordeling is een document waarin dieper wordt ingegaan op de gevolgen voor Natura-2000 gebieden. Het detailniveau van de Passende beoordeling moet passen bij het detailniveau van het plan. Omdat het in dit geval om een Omgevingsvisie gaat, zal een Passende Beoordeling – als deze nodig blijkt – ook een meer abstract karakter hebben. De passende beoordeling zal integraal onderdeel uitmaken van het MER. Kader 1.1
1.2.3 Het zoeken naar balans De informatie in de Omgevingsvisie gaat verder dan alleen milieuaspecten. Thema’s zoals duurzaamheid, veiligheid en inclusiviteit maken ook deel uit van de visie. De volgende vraag staat centraal in de visie: ‘Hoe en onder welke (rand)voorwaarden kan er ruimte geboden worden aan verschillende ruimtevragers om hiermee een aantrekkelijke gemeente te zijn waarin verschillende functies en doelen met elkaar in balans zijn? Het zoeken naar een balans vraagt om het slim puzzelen met de beperkte ruimte. 1.2.4
Een samenhangende benadering: Omgevingseffectrapportage (OER)
Hoewel in de Omgevingsvisie wordt gestreefd naar samenhang in functies en doelen, kunnen bepaalde doelen ook strijdig zijn met elkaar. De bedoeling van de m.e.r.-procedure is om de onderlinge strijdigheid tussen de doelen te onderzoeken en in beeld te brengen. De gemeente Arnhem wil in de geest van de Omgevingswet met een integrale bril naar de leefomgeving kijken. Met een dergelijke kijk moeten de fysieke en sociale opgaven waar de stad voor staat in samenhang worden opgepakt. Een voorbeeld van deze samenhang is het werken aan klimaatadaptatie door meer groen in de stad toe te voegen. Met een integrale blik zie je dat groen niet alleen een oplossing biedt tegen hittestress, maar dat een groene omgeving ook positief is voor bewoners en beweging en recreatie onder die inwoners kan stimuleren. Het meenemen van thema’s zoals duurzaamheid, veiligheid, werkgelegenheid en inclusiviteit zorgt voor een vernieuwende m.e.r. aanpak waarbij je het MER ook wel Omgevingseffectrapportage (OER) kunt noemen, omdat het uitgangspunt niet alleen is om de milieueffecten in beeld te brengen, maar om de omgeving integraal te benaderen.
6/17
Kenmerk
1.2.5
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Waarom een Notitie Reikwijdte en Detailniveau?
Deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau is de eerste stap in het proces om tot de Omgevingsvisie en het MER ofwel OER te komen. De NRD beschrijft welke omgevingsaspecten en effecten in de m.e.r.-procedure onderzocht gaan worden. Dat wordt de reikwijdte genoemd. Daarnaast geeft de NRD informatie over de manier waarop de effecten van de Omgevingsvisie onderzocht zullen worden en met welke diepgang. Dat heet het detailniveau. Het MER wordt tegelijk met de ontwerp omgevingsvisie ter inzage gelegd. Het geeft besluitvormers en geïnteresseerden inzicht in de positieve en negatieve effecten van de omgevingsvisie. 1.2.6
Inspraak
Het is belangrijk dat iedereen mee kan denken over de manier waarop de gemeente Arnhem het m.e.r. traject gaat inrichten. Om die reden ligt de NRD zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan eenieder reageren op de aanpak van de milieueffectrapportage voor de Omgevingsvisie zoals beschreven in deze NRD. Reacties kunnen in de vorm van zienswijzen bij de gemeente ingediend worden, zowel schriftelijk als digitaal. De reacties worden gebruikt bij de verdere uitwerking van de milieueffectrapportage.
1.3
Waarom een Omgevingsvisie en Wat is een MER
In deze paragraaf wordt besproken waarom er een Omgevingsvisie en bijbehorende MER door de Gemeente Arnhem wordt opgesteld. 1.3.1
Waarom een Omgevingsvisie
Arnhem staat de komende jaren voor een aantal belangrijke opgaven gesteld, die een beroep doen op de ruimte in de stad. Om de stad in samenhang te ontwikkelen, keuzes te maken in ruimtegebruik en balans te houden tussen allerlei functies en doelen, is een integrale visie nodig voor de leefomgeving; een koers richting 2040. De Omgevingsvisie gaat niet alleen over traditionele ruimtelijke onderwerpen zoals bouwen, verkeer en water, maar ook over ecologie, gezondheid en duurzaamheid. De Omgevingsvisie bekijkt die onderwerpen niet apart, maar in onderlinge samenhang. De visie dient daarmee als vertrekpunt om stap voor stap het huidige beleid indien nodig bij te stellen in samenhangende programma’s om de voor de gemeente Arnhem opgestelde doelen te bereiken. De Omgevingsvisie geeft richting aan de belangrijke en dringende opgaven voor de stad. In de Omgevingsvisie worden de doelen en richting vooral op hoofdlijnen genoemd. Het beleid van de Omgevingsvisie vindt uiteindelijk zijn verdere uitwerking in verschillende omgevingsprogramma’s en gebiedsvisies. 1.3.2 Wat is een MER Om te beginnen worden een tweetal afkortingen gebruikt: m.e.r. en MER. M.e.r. staat voor ‘milieueffectrapportage’ en is de procedure waarbinnen een MER wordt opgesteld. MER staat voor ‘Milieueffectrapport’ en bevat de resultaten van het onderzoek naar de (milieu)effecten binnen een m.e.r.
De toevoeging ‘Plan’ (PlanMER) wil zeggen dat het om een MER voor een plan gaat, zoals een Omgevingsvisie. In deze NRD hanteren we kortweg de term MER.
7/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Met milieueffectrapportage (m.e.r) krijgt het milieu een plaats in de besluitvorming over een plan of project, dit kan gaan om concrete projecten maar ook om plannen en visies zoals de Omgevingsvisie voor Arnhem. Het m.e.r helpt bij het proces van wikken en wegen van wat waar de ruimte krijgt binnen de Omgevingsvisie. Meer hierover in hoofdstuk 2 van deze NRD. Het eindproduct is een verslaglegging van dit proces en het eindresultaat, wat zoals beschreven samen met de ontwerp Omgevingsvisie ter inzage gaat.
1.4
Proces tot nu toe
De gemeente Arnhem heeft samen met inwoners, ondernemers, stakeholders en (maatschappelijke) partners een participatietraject doorlopen. Het resultaat van het participatietraject is de informatie die in het Voorontwerp Omgevingsvisie en deze NRD als bouwsteen dient. Deze bouwstenen vormen de basis in het proces voor het opstellen van de Omgevingsvisie. 1.4.1 Proces om tot de Omgevingsvisie te komen. De gemeente Arnhem heeft met opstellen van het Voorontwerp Omgevingsvisie 2040 de eerste stappen gezet in het opstellen van de gemeentelijke Omgevingsvisie. De NRD is tegelijkertijd met het Voorontwerp van de Omgevingsvisie opgesteld. Voordat het Voorontwerp van de Omgevingsvisie is opgesteld is de identiteit van Arnhem in beeld gebracht. Daarna zijn in een koersdocument de ontwikkelingen en trends en een toekomstbeeld voor Arnhem in 2040 geschetst. Hieruit blijkt dat verschillende beleidsdoelen, ambities en initiatieven vanuit de stad een claim op de fysieke ruimte in de gemeente leggen. Om hierbinnen samenhang te versterken en strijdigheden op te lossen zijn de opgaven en ambities samengenomen in realistische doelen. Deze realistische doelen worden de afwegingsprincipes genoemd. Hierbij is bewust de dialoog met de samenleving opgezocht. Hierna worden het toekomstbeeld, de afwegingsprincipes en de thematische uitwerking kort toegelicht.
Toekomstbeeld In het toekomstbeeld worden de belangrijkste waarden, principes en ambities gepresenteerd die richting gaan geven aan het ruimtegebruik in Arnhem tot en met 2040. Het toekomstbeeld geeft een antwoord op de opgaven waar Arnhem de komende jaren voor staat. Belangrijk hierbij is dat de identiteit en kwaliteit van de stad behouden blijft en een gecombineerd ruimtegebruik de voorkeur heeft.
8/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Figuur 1.2 Toekomstbeelden Arnhem 2040
De afwegingsprincipes Het toekomstbeeld en de opgaven waar Arnhem voor staat kunnen niet apart van elkaar kunnen worden aangepakt. Een omgevingsvisie vraagt om een integrale, samenhangende aanpak. Om samenhang tussen de opgaven en aanpak te brengen, worden in de Omgevingsvisie een aantal Afwegingsprincipes gepresenteerd. Het is van belang dat bij het maken keuzes met betrekking tot de fysieke leefomgeving steeds dezelfde afwegingsprincipes worden gehanteerd. Idealiter zorgen de afwegingsprincipes voor zorgvuldig onderbouwde keuzes. Dat betekent echter niet dat altijd elk afwegingsprincipe meegenomen dient te worden. Het kan voorkomen dat een principe bij een bepaald vraagstuk niet mee wordt genomen. Natuurlijk wordt er dan wel gemotiveerd van het principe afgeweken. De afwegingsprincipes zijn ‘Het versterken van de Arnhemse identiteit’, ‘Duurzaam en gezond ontwikkelen’, ‘Wijken versterken waarin iedereen mee kan doen’ en ‘ Slim omgaan met ruimtegebruik’.
9/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Figuur 1.3 Toekomstbeelden en afwegingsprincipes moeten in samenhang bekeken worden in de Omgevingsvisie naar 2040
Thematische uitwerking In de Omgevingsvisie worden een aantal overkoepelende thematische uitwerkingen opgenomen. Deze thema’s zijn:’ een aantrekkelijk Arnhem’ waarbij de identiteit of het DNA van de stad de basis vormt, ‘een groene gezonde, aantrekkelijke en leefbare stad’, ‘een vitale stad’, ‘een stad waar het goed wonen is’, ‘een goed bereikbare stad met ruimte voor schone mobiliteit’ en ‘een stad met nieuwe energie’. De visie moet perspectief bieden voor de komende 20 jaar. In het gevoerde participatietraject is een basis gelegd voor de uitgangspunten van het proces en de inhoudelijke keuzes voor de Omgevingsvisie. Samen met inwoners, ondernemers, stakeholders en (maatschappelijke) partners wil de gemeente graag de Omgevingsvisie verder vormgeven. Gebiedsuitwerking Naast de thematische uitwerkingen die zich richten op de gehele stad bevat de Omgevingsvisie ook een aantal gebiedsgerichte uitwerkingen, In deze gebieden liggen de komende jaren belangrijke opgaven die vragen om een samenhangend ontwikkelkader. 1.4.2 Participatietraject Doel van het participatietraject was om een Omgevingsvisie te maken voor de stad waarin de samenleving van Arnhem zich herkent. In het participatieproces zijn inwoners geraadpleegd over de Omgevingsvisie. De Arnhemmers zijn tenslotte expert van hun leefomgeving.
De dialoog met de samenleving, de participatie, verloopt in verschillende fasen waarin gemeente (raad en B&W) en bewoners ook verschillende rollen hebben.
10/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Voor een verdieping van het participatietraject wordt verwezen naar het Voorontwerp van de Omgevingsvisie en het participatiedocument. In het participatiedocument wordt toegelicht hoe de participatie vorm is gegeven, welke doelgroepen zijn bereikt en wat de inhoudelijke resultaten uit het traject zijn. In het Voorontwerp van de Omgevingsvisie staat op welke onderdelen van die visie inwoners hebben meegepraat.
2 Wat gaan we onderzoeken en hoe? In dit hoofdstuk staan de belangrijkste punten die dienen als vertrekpunt van het MER. Zoals hiervoor al beschreven, is het nadrukkelijk de bedoeling dat het uitgangspunt van zowel de visie als het MER een samenhangende, brede, integrale blik moet zijn. De Omgevingsvisie en het MER hangen sterk samen, omdat ze elkaar horen te verrijken. Het Voorontwerp van de Omgevingsvisie is het uitgangspunt voor het MER. Het gaat om een proces waarin MER en Omgevingsvisie gelijktijdig worden opgesteld en het ene op een aantal momenten weer nieuwe informatie levert voor het andere. Dit wordt ook wel een cyclisch-iteratief proces genoemd. In de komende paragrafen wordt gekeken naar het vertrekpunt van het MER. Bovendien wordt behandeld wat in het MER onderzocht wordt en hoe dat gebeurt.
2.1
Het vertrekpunt van het PlanMER
Het MER gaat inzicht geven in onderstaande punten: •
De effecten van het nieuwe beleid op de leefomgeving voor de onderwerpen waar het
•
MER over gaat In welke mate het nieuwe beleid bijdraagt aan de ambities van de gemeente Arnhem voor de negen toekomstbeelden (zie 1.4.1 en figuur 1.2)
• •
In welke mate de opgaven en doelen elkaar en het DNA van Arnhem kunnen versterken en waar ze met elkaar zullen botsen. Kortom: waar keuzes gemaakt moeten worden Welke alternatieven zijn beschouwd en hoe milieu informatie is meegewogen in de
•
besluitvorming van de Omgevingsvisie Aanbevelingen en randvoorwaarden voor vervolgstappen
Het MER gaat over nieuw beleid, maar ook over de effectiviteit van bestaand beleid. De gemeente zet een deel van het beleid zoals opgenomen in de huidige strategische beleidsplannen ongewijzigd door voor de looptijd van deze plannen. Beoordeeld wordt wat de invloed van dit huidige beleid is op de leefomgeving, daarbij wordt gekeken naar de huidige situatie (HS) en de autonome ontwikkeling (AO). Daarnaast wordt beoordeeld of er mogelijk aanleiding is om het beleid alsnog te herzien. In het MER staan die opgaven die in potentie een grote impact hebben op de leefomgeving, zowel qua ruimtelijke claim als op de kwaliteiten van Arnhem, zoals een gezonde leefomgeving en een aantrekkelijk landschap. Het gaat primair om de grote ruimtevragers:
11/17
Kenmerk
•
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Verstedelijking; Uitgangspunt is om de verstedelijking op grotere schaal en gezamenlijk binnen de regio Arnhem-Nijmegen op te pakken. Binnen de lokale afwegingen voor de verstedelijkingsopgave moet er aandacht zijn voor aantrekkelijke wijken gebaseerd op de identiteit van Arnhem en waar plek is voor alle doelgroepen. Dat betekent dat er ook sociale woningen en woningen voor kwetsbare doelgroepen aan de sterke wijken worden toegevoegd. Bovendien gaat het om de samenhang dus wordt de verstedelijkingsopgave verbonden met klimaatadaptatie, economie en werkgelegenheid en is een aantrekkelijke,
•
gezonde, schone, goed te bereiken en groene leefomgeving het streven Duurzaamheid; duurzaamheid moet in onderlinge samenhang met de andere ruimtelijke onderwerpen binnen de Omgevingsvisie bekeken worden. Arnhem heeft de ambitie om in 2050 een energieneutrale gemeente te zijn. In het kader van het actieprogramma New energy made in Arnhem (NemiA) 2020-2030 zijn tussendoelen gesteld voor in 2023 en 2030 met respectievelijk 25% en 61% C02-reductie ten opzichte van 2017. Daarnaast vragen de energie-transitie in de vorm van de Regionale Energie Strategie, de nog op te stellen warmtetransitievisie, het aanpakken van energie-armoede en klimaatadaptieve maatregelen en programma’s de nodige aandacht en ruimte
•
Economie; de ambitie is om de economie in Arnhem circulair te maken, gebaseerd op hernieuwing van grondstoffen en energie voor een duurzame samenleving en economie. De gemeente wil economische en educatieve hotspots realiseren waar wordt ingezet op bedrijvigheid en (middelbaar en hoger) onderwijs binnen de thema’s energie, innovatie, schone mobiliteit, maken & testen en circulaire economie. Ook het realiseren van nieuwe woon-werkmilieus en het behouden van bestaande bedrijventerreinen met de mogelijkheid van functiemenging is belangrijk in de samenhang van economie met klimaat, energie, bereikbaarheid en kwaliteit van de openbare ruimte. De ontwikkeling van een nieuwe haven sluit hier met de aandacht voor schone energie en transport ook op aan
Deze ruimtevragers zijn gerelateerd aan opgaven in de leefomgeving met kansengelijkheid, gezondheid en veiligheid in het achterhoofd.
2.2
Stappen MER
In deze paragraaf worden de stappen van de m.e.r.-procedure beschreven. Onderstaand schema is een weergave van het proces en die verschillende stappen. Termen als de huidige situatie en autonome ontwikkeling, effectbeoordeling en synergie en strijdigheden worden daarna in een aantal alinea’s verder toegelicht.
12/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Figuur 2.1 de stappen van het m.e.r-proces: Hoe wordt wat beoordeeld.
2.2.1
Wat en hoe: Huidige Situatie en autonome ontwikkeling (referentiesituatie)
De eerste stap is het in beeld brengen van de huidige situatie en de verwachte autonome ontwikkelingen (HSAO). Autonome ontwikkeling betekent de te verwachten voortgang van de huidige situatie zonder dat er nieuw beleid van kracht is. De huidige situatie en autonome ontwikkeling tezamen wordt de referentiesituatie genoemd. In deze fase wordt het kwaliteitsniveau voor verschillende vooraf bepaalde thema’s beschreven. Hierbij wordt ook het beleid betrokken dat al geldt en eventueel al bestaande monitoringsgegevens. Vervolgens wordt beoordeeld, hoe een bepaald doel er voor staat; bijvoorbeeld goed, redelijk of slecht. Daarmee kan vervolgens de doeltreffendheid van het bestaande beleid bepaald worden. 2.2.2 Wat en hoe: Effectbeoordeling en doelbereik De toekomstdoelen en thematische uitwerkingen worden in het MER zo concreet mogelijk gemaakt. Onderscheid wordt gemaakt in wat nieuw beleid is en wat bestaand (en daarmee onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie). Ook wordt gekeken naar de zogenaamde beïnvloedingsruimte van de gemeente: oftewel waar is en kan de gemeente zelf aan zet zijn en waar is zij afhankelijk van anderen partijen. Dit tezamen wordt getoetst aan de referentiesituatie. Een deel van de uitspraken in de Omgevingsvisie zal van toepassing zijn op de hele gemeente en is daarmee abstract. Een ander deel van de uitspraken wordt op gebiedsniveau verder uitgewerkt.
Het MER moet aansluiten op het abstractieniveau van de Omgevingsvisie. Vanwege dit abstractieniveau wordt er gewerkt met ondergrenzen van ontwikkelingen. Voor de invulling van de woningbouwopgave betekent dit concreet dat niet elke locatie afzonderlijk op gebiedsniveau in beeld wordt gebracht, maar dat er wordt gewerkt met een ondergrens van bijvoorbeeld enkele honderden huizen en dat de invulling van de opgave op gebiedsontwikkelingsniveau nader wordt uitgewerkt. Voor de energietransitie zal het waarschijnlijk ook gaan om grotere gebieden op de kaart. Bij de verdere uitwerking van het MER wordt het detailniveau scherper gedefinieerd. Uiteindelijk leidt dit tot een overzicht van mogelijke milieueffecten en vervolgens tot een vertaling in hoeverre doelen (de toekomstbeelden) worden bereikt met de Omgevingsvisie. Dit kan aanleiding geven om doelen aan te passen. Hierbij is het ook van belang in hoeverre doelen zich tot elkaar verhouden. Dat staat in de komende paragraaf.
13/17
Kenmerk
2.2.3
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Wat en hoe: Synergie en strijdigheden (afwegen alternatieven)
De kern van het proces is de vraag hoe en met welke voorwaarden Arnhem de balans kan behouden in het ruimtegebruik en de kwaliteiten van de stad. Hoewel het uitgangspunt van de Omgevingsvisie is om samenhang in ambities en doelen te houden, kunnen deze ook strijdig zijn met elkaar. Daarom brengt het MER bij het doelbereik ook de kans op onderlinge strijdigheid tussen doelen in beeld. Dit betekent dat er in sommige gevallen keuzes gemaakt moeten worden. Deze keuzes worden bekeken in het licht van de afwegingsprincipes zoals opgenomen in het Voorontwerp Omgevingsvisie. 2.2.4
Keuzes leiden tot alternatieven die worden getoetst
Voorgenoemde keuzes kunnen het bijstellen van ambities of het stellen van randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen betekenen. Wordt er in een gebied bijvoorbeeld gekozen om vooral in te zetten op energietransitie of juist op natuur en landschap? Wordt ingezet op het bouwen van woningen of het opwaarderen van bestaande bedrijventerreinen en zijn hierbij juist slimme combinaties mogelijk? Op basis van dit soort keuzes wordt een aantal onderscheidende alternatieven ontwikkeld. Deze alternatieven worden vervolgens op effecten en doelbereik beoordeeld. Gezien deze meer procesmatige aanpak zal pas in de loop van het project duidelijk worden welke relevante alternatieven ontstaan en op welk abstractieniveau. 2.2.5 Wat en hoe: Mitigerende maatregelen (aanbevelingen) Aan de hand van de effectbeoordeling en de alternatievenafweging worden aanbevelingen opgenomen voor mitigerende maatregelen waarmee problemen of knelpunten verminderd of weggenomen kunnen worden. Mitigeren betekent dan ook verzachten of verminderen. Indien uit de beoordeling blijkt dat er geen verschil is of juist een verbetering optreedt dan wordt aangegeven hoe (positieve) effecten versterkt kunnen worden. De aanbevelingen zijn het startpunt voor verdere uitwerking van het beleid in omgevingsprogramma’s en gebiedsvisies. 2.2.6
Wat en hoe: Monitoring (aanzet monitoringsprogramma)
Het is nodig om het kwaliteitsniveau van de fysieke leefomgeving op gezette tijden en geordend bij te houden. In het MER volgt daarom ook de aanzet van een systeem voor monitoring en evaluatie. Een dergelijk systeem is nodig om te kunnen bepalen of gewenste doelen en voorspelde effecten ook daadwerkelijk uitkomen. Als dit niet het geval is, kan worden bijgestuurd door maatregelen in te zetten of door het beleid aan te passen. Het ontwikkelen van dit systeem begint al bij de beschrijving van de referentiesituatie waarbij is nagedacht over hoe de verschillende doelen, ambities en effecten gemeten en getoetst kunnen worden. Door de monitoring blijft het MER actueel. Bij wijzigingen in het beleid kijkt de gemeente of de uitgangspunten overeenkomen met wat in het MER staat. Wanneer er kleine wijzigingen in het plan en of de referentiesituatie zijn, is een inhoudelijke wijziging in het MER een logische keuze. Aan het einde van het proces wordt bekeken of een aanvullende beoordeling nodig is. Er wordt dan gekeken of de wijzigingen leiden tot andere of meer nadelige milieugevolgen, dan wel andere keuzes, spelregels of maatregelen. Een volledig nieuwe m.e.r.-procedure, is alleen aan de orde als het plan zo wezenlijk wijzigt dat er eigenlijk sprake is van een nieuwe visie met andere milieugevolgen.
14/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
3 Hoe gaan we dat onderzoeken? In dit hoofdstuk staat de vraag centraal hoe de effecten van de Omgevingsvisie onderzocht worden. Kortgezegd gebeurt dit met het beoordelingskader, de beoordeling van de effecten en het doelbereik. Deze termen worden hierna verder uitgelegd.
3.1
Hoe: Beoordelingskader
Vast onderdeel van het MER is een beoordelingskader op basis waarvan de effecten op de leefomgeving in beeld worden gebracht. In deze fase wordt per thema het kwaliteitsniveau van de referentiesituatie bepaald. Dit beoordelingskader wordt zowel gebruikt om de kwaliteit van de huidige situatie en autonome ontwikkeling, alsmede effecten en doelbereik van de Omgevingsvisie in beeld te brengen. Uitgangspunt voor het beoordelingskader zijn de zes thematische uitwerkingen. Ook is een link gelegd met de verschillende toekomstbeelden. Onderstaand overzicht tabel 3.1 geeft per thematische uitwerking de belangrijkste (milieu)thema’s en indicatoren weer. Zoals duidelijk zal worden is sprake van een breed beoordelingskader. Thema's
Indicator
Relatie toekomstbeeld
Een goed bereikbare
Modal split
Goede bereikbaarheid met meer
stad met ruimte voor schone mobiliteit
ruimte voor fietsen, wandelen OV en Bereikbaarheid woon- en
schone mobiliteit
werkgebieden
Een stad met nieuwe
Duurzaam vervoer
Groene metropool
Duurzame energie
Klimaatneutraal in 2050, voorkomen
energie
van energie-armoede Bedrijven en industrie Energiehotspot Arnhem en gunstig Gebouwde omgeving
vestigingsklimaat voor onderwijs en circulaire, innovatie en creatieve
Gebruik en hergebruik duurzame
bedrijvigheid
materialen Groene metropool Aantrekkelijk Arnhem
Landschappelijke waarden
Aantrekkelijk, gezond, klimaatadaptief en groen woon- en
Cultuurhistorische waarden (incl. archeologie) Een groene gezonde, aantrekkelijke en leefbare stad
Natura2000 GNN (buiten Natura2000 gebieden) Biodiversiteit
leefmilieu Groene metropool Aantrekkelijk, gezond, klimaatadaptief en groen woon- en leefmilieu Groene metropool
Geluid Geurhinder
Sterke en veilige wijken waarin
15/17
Kenmerk
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Thema's
Indicator
Relatie toekomstbeeld
Hinder door bedrijven
iedereen mee kan
Luchtkwaliteit
doen
Lichthinder Bodemkwaliteit Ondergrond Waterkwantiteit Waterkwaliteit Ruimte voor spelen en bewegen Verkeersveiligheid (incl. fiets en voetgangers) Sociale veiligheid Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) Wateroverlast Droogte Waterveiligheid Hitte Een vitale stad
Aandeel kantoren en bedrijven
Sterke en veilige wijken waarin
(horeca, detailhandel, cultuur,
iedereen mee kan
Toerisme)
doen
Aanbod bedrijventerrein en
Binnenstad bruisend brandpunt voor
kantoorlocaties (incl. mogelijkheden
regio: van place to buy naar place to
voor menging van wonen en werken)
meet
Werkgelegenheid Voorzieningen
Groene metropool
Onderwijs Toegankelijkheid
Ruimte voor nieuwe stedelijke
Ruimte voor ontmoeten
gemengde woonwerkmilieus
Kansengelijkheid Klimaatneutraal in 2050, voorkomen van energie-armoede Een stad waar het goed
Woningvoorraad
wonen is
Woningbouwopgave binnenstedelijk oplossen: inclusie en betaalbaar
Woningaanbod
wonen
16/17
Kenmerk
3.2
R001-1279798DSG-V01-agv-NL
Hoe: Effectbepalingen en doelbereik
Op basis van het beoordelingskader wordt voor het nieuwe beleid beoordeeld of er sprake is van een mogelijk positief effect, waarschijnlijk geen effect of mogelijk een negatief effect. Vervolgens wordt een totaalbeeld van de effecten gemaakt door de positieve en negatieve scores van het beleid in samenhang te bekijken. Zo wordt een eerste beeld gecreëerd van de mate waarin het relevante nieuwe beleid tot effecten kan leiden op de betreffende indicator. Daarbij wordt meegewogen hoe concreet het nieuwe beleid is, op welke wijze de indicator gereguleerd/ beschermd wordt, of er uitwerking wordt gegeven in een gebiedsvisie of programma en/of er sprake is van participeren of zelf realiseren. Kortom, op welke wijze wordt er navolging gegeven aan het nieuwe beleid op de betreffende indicator en wat is de invloed van de gemeente Arnhem daarop. Dit leidt tot de volgende drie categorieën beoordelingen per indicator: •
Er treedt mogelijk een verslechtering op ten opzichte van de huidige situatie en autonome
•
ontwikkeling (HSAO) indien er met name negatieve effecten optreden als gevolg van het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie Er treedt geen verschil op ten opzichte van de referentiesituatie (HSAO) indien er geen of
•
3.3
beperkt effecten zijn van het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie Er treedt mogelijk een verbetering op ten opzichte van de referentiesituatie (HSAO) indien er met name positieve effecten optreden als gevolg van het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie
Wat: de vervolgstappen op hoofdlijnen
De Omgevingsvisie wordt in enkele formele stappen verder opgesteld. In onderstaande figuur is het vervolgproces in vier stappen weergegeven. Het eindresultaat van stap 1 en 2 zijn het Voorontwerp van de Omgevingsvisie, de Notitie Reikwijdte en Detailniveau en het Participatiedocument. Na stap 3 is de MER en de ontwerp Omgevingsvisie opgesteld. Vervolgens volgt na stap 4 het ontwerpbesluit Omgevingsvisie met het bijbehorende MER en wordt vervolgens de Omgevingsvisie definitief opgesteld.
Figuur 3.1 vier stappen in het vervolgproces naar de Omgevingsvisie Arnhem
17/17