CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Bestuurlijke Nota - It takes Arnhem to raise a child

Politieke Avond 15 maart 2021, gemeente ArnhemBij agendapunt: Debatverzoek "Jeugdnota"6.626 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

DE REKENKAMER ARNHEM ONDERZOCHT HET JEUGDBELEID VAN DE GEMEENTE ARNHEM. VOOR MEER INFORMATIE OVER HET RAPPORT KUNT U TERECHT OP REKENKAMERARNHEM.NL

It takes Arnhem to raise a child Onderzoek naar effectief jeugdbeleid

Bestuurlijke nota

Datum: 21 april 2020

Zaaknummer: 377198

Zaaknummer: Documentnummer: Zaaknummer: Documentnummer: Zaaknummer: Documentnummer:

I

Inhoudsopgave Inleiding………………………………………………………………………………………………………………………………III Dankzegging………………………………………………………………………………………………………………… ..……III Leeswijzer……………………………………………………………………………………………………………………………IV 1. Centrale boodschap…………………………………………………………………………………………………………V 2. Onderzoeksverantwoording……………………………………………………………………………………………VII 2.1. Aanleiding………………………………………………………………………………………………………..VII 2.2 Aanpak, doelstelling en vraagstelling………………………………………………………………VII 2.3. Onderzoeksuitvoering…………………………………………………………………………………… VIII 3. Bevindingen, conclusies en aanbevelingen………………………………………………………………………1 3.1 Bevindingen…………………………………………………………………………………………………………1 3.2 Conclusies…………………………………………………………………………………………………………….5 3.3 Aanbevelingen…………………………………………………………………………………………………… ..8 4. Reactie college van B&W…………………………………………………………………………………………………12 5. Nawoord rekenkamer………………………………………………………………………………………………………14

Bijlage 1:

Nota van Bevindingen (16 maart 2020)

Bijlage 2:

Resultaten vooronderzoek jeugd (d.d. juni 2019)

II

Inleiding Voor u ligt de bestuurlijke nota van het onderzoek van de Rekenkamer Arnhem naar het jeugdbeleid en de inrichting daarvan in Arnhem. Deze bestuurlijke nota bevat de hoofdlijnen van de bevindingen, de conclusies en de aanbevelingen van het onderzoek van de Rekenkamer Arnhem naar het Arnhems jeugdbeleid. De basis hiervoor ligt in de nota van bevindingen, het feitelijke en door de ambtelijke organisatie gevalideerde onderzoeksrapport. De Nota van Bevindingen is als bijlage I bij deze bestuurlijke nota gevoegd. De vraagstelling van het onderzoek is gebaseerd op de bevindingen in het vooronderzoek dat de Rekenkamer in 2019 heeft afgerond. De uitkomsten van hiervan treft u tevens als bijlage II aan. Dit onderzoek is het derde in een serie onderzoeken die de Rekenkamer Arnhem heeft opgeleverd, over het Sociaal Domein. Het eerste onderzoek ging over informatiebeveiliging in het Sociaal Domein (2017) en in het tweede onderzoek stond de schuldhulpverlening (2019) centraal. Op termijn zal de Rekenkamer onder andere ook PGB- en zorgfraude onderzoeken. De Rekenkamer zal over enkele jaren de bevindingen consolideren (een zogenaamde “satéprikker” door de onderzoeken steken), om daarmee een bijdrage te kunnen leveren aan een samenhangend en effectief sociaal beleid voor de inwoners van Arnhem.

Dankzegging De Rekenkamer Arnhem dankt alle betrokkenen voor hun medewerking aan dit rapport. In de allereerste plaats de 23 ouders en jeugdigen in Arnhem die we hebben geïnterviewd over hun ervaringen met en wensbeelden over de hulp bij opvoeden en opgroeien. Zij hebben ons met hun openhartige antwoorden een inkijk in de problematiek en de succesfactoren gegeven. Met vijf van hen, hebben de onderzoekers verdiepende casus uit mogen voeren; de Rekenkamer realiseert zich terdege dat dat de onderzochten daarmee veel openheid en vertrouwen hebben gegeven. Maar ook alle andere betrokkenen die hebben bijgedragen aan dit onderzoek en die de onderzoekers hebben mogen spreken (de ambtelijke contactpersoon, de ambtenaren, de teams leefomgeving, de sociale wijkteams, jeugdzorgaanbieders, betrokken hulpverleners en informele zorgers) zeggen wij veel dank voor hun openheid, eerlijkheid en de bereidheid om informatie uit- en op te zoeken en aan te leveren. De inzet en betrokkenheid van de respondenten is groot geweest.

III

Leeswijzer In deze nota leest u de centrale boodschap als eerste (§1); dit is een korte weergave van de kernbevindingen, de twee conclusies die de Rekenkamer daaruit trekt en de twee aanbevelingen die de Rekenkamer daarop gebaseerd aan raad en college geeft. Vervolgens leest u in §2 de onderzoekverantwoording: wat is de scope van het onderzoek en hoe is het uitgevoerd. §3 geeft u een meer uitgebreider beschrijving van de bevindingen, de conclusies en de aanbevelingen §4 geeft aan wat het college in het kader van bestuurlijk hoor en wederhoor heeft teruggegeven aan de rekenkamer. §5 betreft tot slot het nawoord van de rekenkamer aan de raadsleden, n.a.v. de bestuurlijke reactie.

IV

1. Centrale boodschap De resultaten van het onderzoek van de Rekenkamer naar effectief jeugdbeleid in Arnhem laten zien dat zowel verbeteringen in beleid alsook in uitvoering nodig zijn. Volgens het Nederlands Jeugd Instituut (NJI), kennisinstituten en wetenschappers is effectief jeugdbeleid gebaseerd op twee pijlers: kwaliteit van de omgeving en samenhangende zorgstructuur. Het gaat daarbij om drie werkzame bestanddelen. - Beleid gericht op mogelijkheden en kansen en minder op de risico's - Beleid dat de aandacht richt op beschermende factoren zodat jeugdigen weerbaarder zijn bij stressvolle situaties - ‘It takes a village to raise a child’: gebaseerd op het beleid, kan er in de uitvoering sprake zijn van, en is er sprake van, een netwerk van ‘opvoeders’ rondom jeugdigen Uit het onderzoek in Arnhem blijkt dat het element: ‘it takes a village to raise a child’ niet uit de verf komt. Dat geldt zowel voor beleid als voor uitvoering. Het Arnhems jeugdbeleid voldoet in technische zin aan de Jeugdwet. Het beleid kent de onderdelen van de twee pijlers en het eerste werkzame bestanddeel voor effectief jeugdbeleid; daarmee en daarbij is het beleid te fragmentarisch om te kunnen sturen op effectiviteit. In de inrichting en uitvoering is er sprake van een rolverdeling tussen gemeente en partners als een keten, in plaats van een netwerk.

De bevindingen samen leiden tot een tweetal algemene conclusies: 1: Er is in het Arnhems jeugdbeleid geen sprake van een volledig functionerende jeugdbeleidscyclus; het jeugdbeleid van Arnhem laat zich kenschetsen als een “doelenjungle”. De ingrediënten van effectief jeugdbeleid zijn aanwezig, maar zijn onvoldoende samenhangend, te weinig concreet en te weinig sturend. Doelen zijn te fragmentarisch verspreid over documenten, begrotingen en programma's. 2: De inrichting en de uitvoering van het jeugdbeleid laat zich kenschetsen als een gemankeerde estafette. Een veelheid van partners probeert het stokje steeds over te dragen. Er is te weinig sturing op netwerkvorming en de inrichting hinkt op meerdere gedachten. Wijksturing en netwerkvorming staan van nature op gespannen voet met het (semi-) Open House inkoopmodel met een grote hoeveelheid contractanten.

V

Op basis van het onderzoek komt de Rekenkamer tot de volgende aanbevelingen. Hoe kan het beter? 1: Bepaal wat je wilt bereiken, en hoe je dat dan vervolgens gaat doen, door gebruik te maken van een functionerende jeugdbeleidscyclus a) College, begin bij het begin: Wat is er aan de hand? Breng de staat van de jeugd (de aanwezige risico- en beschermende factoren) op wijkniveau in beeld b) Raad: Formuleer vervolgens WAT-doelen langs de volgende lijnen: (1) kansrijk opgroeien, (2) gezond opgroeien, (3) veilig opgroeien en (4) opvoeden. c) College: Haal vervolgens de inconsistenties uit de inrichting van het jeugdbeleid. 2: Zet in op netwerkvorming a) Raad: geef naast de WAT-doelen ook maatschappelijke waarden aan. b) College: geef als gemeente sturing aan netwerkvorming op bestuurlijk, beleidsmatig en uitvoerend niveau.

VI

2. Onderzoeksverantwoording

2.1 Aanleiding Op 1 januari 2015 is, in het kader van de decentralisaties, de Jeugdwet ingevoerd. Met deze invoering zijn gemeenten in Nederland verantwoordelijk geworden voor alle vormen van jeugdhulp1 aan kinderen, jongeren en hun ouders. De achterliggende gedachte van het Rijk is dat gemeenten de jeugdhulp dicht(er) bij de inwoners kunnen organiseren. Bovendien zou de jeugdhulp zo ook eenvoudiger en goedkoper gerealiseerd kunnen worden.De Jeugdwet streeft verschillende doelen na. Eén van de belangrijkste doelen is het (meer) gebruik maken van de eigen kracht van jeugdigen, ouders en hun sociale netwerk. Hierbij is het van groot belang dat jeugdigen en hun ouders de regie blijven behouden over hun eigen leven. Ook het organiseren van samenhangende hulp voor gezinnen, in het kader van ‘1 gezin, 1 plan, 1 regisseur’, is een belangrijk streven van de Jeugdwet. Om dit te kunnen realiseren, dienen gemeenten onder andere zorg te dragen voor de beschikbaarheid van gekwalificeerde jeugdhulpaanbieders, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (i.e. jeugdhulpplicht) en de integrale samenwerking met andere sectoren (o.a. zorg, onderwijs, politie en justitie). Anno 2020, vijf jaar na de invoering van de Jeugdwet, is behoefte aan kennis over de huidige stand van zaken van de jeugdhulp.

Hebben gemeenten de uitvoering van de jeugdhulp goed ingericht? In hoeverre worden de beoogde resultaten behaald? En hoe staat het met de wachttijden binnen de jeugdhulp? Dit geldt ook voor gemeente Arnhem.

2.2. Aanpak, Doelstelling en vraagstelling De Rekenkamer Arnhem heeft in het voorjaar van 2019 een vooronderzoek uitgevoerd naar de uitvoering van de Jeugdwet. Kernvraag voor de Rekenkamer was en is: is het Arnhems jeugdbeleid effectief? Met andere woorden: werkt het Arnhems jeugdbeleid voor de Arnhemse jeugd? De Rekenkamer vond in het vooronderzoek pregnante zaken, met name dat de doelen het ‘Hoe gaan we het doen’ beschreven en weinig sturend waren op het “Wat willen we bereiken”. Als het doel onbekend is, kan je ook niet de effectiviteit van het beleid onderzoeken. Immers, als je niet weet waar je heen wil, maakt het ook niet uit welke kant je opgaat…tevens is bevonden dat verantwoordelijkheden voor de Arnhemse jeugdhulp bij veel partijen belegd zijn. Daarnaast dient de jeugdhulp in een breder kader, namelijk dat van het jeugdbeleid, beschouwd te worden. Dat vraagt dus om een onderzoek naar effectief jeugdbeleid. De bevindingen uit het vooronderzoek hebben daarom geleid tot de volgende vraagstelling voor het onderzoek:

1

Vormen van jeugdhulp waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn: ambulante jeugdhulp, pleegzorg, jeugdzorgplus, verblijf in een jeugdinstelling, Jeugd GGZ, jeugdzorg voor jongeren met een beperking, jeugdzorg voor jongeren met ernstige beperkingen, zorg voor ernstig zieke kinderen, ondertoezichtstelling en voogdij, jeugdreclassering, professionele uitvoerders van jeugdhulp.

VII

“Wat is effectief jeugdbeleid, wat is de rol van de gemeente en de raad in het jeugdbeleid en hoe verloopt de samenwerking tussen wijkteams, aanbieders van jeugdhulp en de gemeente, met nadruk op de inkoop?”. Hierop zijn de deelvragen voor het onderzoek gebaseerd: 1. Wat is effectief jeugdbeleid? 2. Hoe vindt de uitvoering van het Arnhems jeugdbeleid plaats? 3. Welke conclusies en aanbevelingen kunnen geformuleerd worden, met name ten aanzien van de rol van de raad? Deze deelvragen zijn geoperationaliseerd in vele onderzoeksvragen en bijbehorende normen. Een gedetailleerd overzicht hiervan vindt u in de Nota van Bevindingen, zie Bijlage I. 2.3 Onderzoeksuitvoering Om de vraag ‘wat is effectief jeugdbeleid?’ te beantwoorden is gekozen voor een synthese van wat kennisinstituten en wetenschappers hierover uitgedacht hebben. Daarmee ontstaat een naar alle waarschijnlijkheid niet volledig complete ‘norm’ voor effectief jeugdbeleid, maar het biedt wel voldoende handvatten voor een uitspraak over de werkzame bestanddelen van effectief jeugdbeleid en voor een toetsing van het Arnhemse beleid en de Arnhemse inrichting van het jeugdbeleid daaraan. De scope van het onderzoek betreft de wettelijke taken van de gemeente sinds de invoering van de Jeugdwet in 2015. Dat zijn talloze taken en daarom is de scope beperkt.

Zo is in dit onderzoek de jeugdgezondheidszorg, waar de gemeente wel verantwoordelijk voor is, niet meegenomen. In het onderzoek is met vele partijen gesproken. Niet gesproken is met het onderwijs en met de jeugdgezondheidszorg. Er zijn 8 jeugdhulpaanbieders (van de enkele honderden in Arnhem) 23 cliënten (van de 28 aangeleverde namen op een totaal van ruim 3800 cliënten in Arnhem) en 5 verdiepende casussen betrokken in het onderzoek. Er kan er niet gesproken worden over wetenschappelijk onderbouwde uitspraken op basis van een wetenschappelijk valide steekproef. Het doel van de Rekenkamer is het geven van een redelijk betrouwbaar beeld binnen de praktische (tijds- en financiële) mogelijkheden van een rekenkameronderzoek. De Rekenkamer streeft met het onderzoek geen statistische representativiteit na. Wel is er zorg gedragen voor een zo representatief mogelijk beeld van de cliënten. Zo is er gesproken met cliënten die door jeugdzorgaanbieders en door de wijkteams zijn aangedragen, en daarnaast hanteerde de Rekenkamer ook criteria voor te werven respondenten: namelijk jeugdhulptrajecten die succesvol zijn verlopen en jeugdhulptrajecten die moeizaam zijn verlopen 2. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van onderzoeksaanpak verwijzen we u naar hoofdstuk 1 en bijlage 3 van de Nota van Bevindingen.

2

Zie ook: brief rekenkamer aan de raad d.d. 13-11-2019, betreffend “antwoord vragen mail d.d. 11-11-2019 inzake "Jeugdzorg" Arnhemse Ouderen Partij aan Rekenkamer”

VIII

3. Bevindingen, conclusies en aanbevelingen

3.1 Bevindingen Wat is effectief jeugdbeleid? Een synthese tot werkzame bestanddelen Het NJI en andere kennisinstituten/wetenschappers bevelen de volgende werkzame bestanddelen aan voor effectief jeugdbeleid:  Effectief jeugdbeleid is beleid dat zich vooral richt op mogelijkheden, kansen, een succesvolle schoolloopbaan en talentontwikkeling; dus niet uitsluitend op risico’s en problemen en het voorkomen daarvan. Het jeugdbeleid dient zich te richten op kansrijk, gezond en veilig opgroeien.  Effectief jeugdbeleid legt de aandacht op het versterken van de beschermende factoren zodat jeugdigen beter kunnen omgaan met en beschermd zijn tegen risicovolle situaties. Niet alle problemen kunnen voorkomen worden, van belang is dat ouders en gezinnen over de veerkracht en hulpbronnen beschikken om hiermee om te gaan.  ‘It takes a village to raise a child’. Effectief jeugdbeleid leidt in de uitvoering tot een netwerk van ‘opvoeders’ rondom jeugdigen. Primair zijn de ouders opvoeder, maar ook de leerkracht op school, de pedagogisch medewerker van de opvang en de coach van de sportvereniging zijn ‘opvoeders’. Dat vraagt dat deze ‘opvoeders’ samenwerken vanuit één gemeenschappelijk doel, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheden en mogelijkheden.

In Arnhem komt met name het fundamentele element van effectief jeugdbeleid ‘it takes a village to raise a child’ niet uit de verf Dit geldt zowel het beleid als in de uitvoering. De werkbare bestanddelen en de twee pijlers voor effectief jeugdbeleid (NJI) 3 voor effectief jeugdbeleid, komen fragmentarisch terug in het jeugdbeleid van de gemeente. Doelen die betrekking hebben op de beschermende factoren (NJI) komen minder terug in de doelen van de gemeente. Bijvoorbeeld doelen als sociale binding, kansen voor betrokkenheid, prosociale normen en de erkenning en waardering van positief gedrag. Een van de fundamentele elementen van effectief jeugdbeleid: ‘it takes a village to raise a child’ wordt in de toelichting in de beleidsstukken weliswaar benoemd, maar sturende doelen op dit punt niet of nauwelijks. Een gedeelde opvatting over de pedagogische civil society (de stip op de horizon) en sturing op netwerksamenwerking door de gemeente is van belang voor de zogenoemde transformatie. De concrete uitwerking en toepassing komt tot stand op uitvoeringsniveau, en dat is in Arnhem lastig met een veelheid aan gecontracteerde jeugdzorgpartners en alle andere netwerkpartners (sociaal wijkteam, welzijn, school en jeugdgezondheidszorg). Het is, zo geven meerdere partners aan, makkelijker om de transformatie vorm te geven met minder partijen.

3

Kwaliteit van de omgeving en samenhangende zorgstructuur 1

Zowel uit de casussen als uit de interviews met professionals blijkt dat de netwerksamenwerking niet vanzelf tot stand komt en het ook niet duidelijk is wie daarop moet sturen, als dat niet gebeurt en wel nodig is. De gemeentelijke sturing op deze netwerkvorming- en samenwerking wordt als onvoldoende ervaren. Uit het casusonderzoek blijkt ook dat niet in alle onderzochte gevallen is ingezet op de relevante werkzame bestanddelen en beschermende factoren. Met name de actieve inzet op, of het in positie brengen van, het informele netwerk komt weinig aan bod. Verder wisselt het sterk op welke wijze relevante partners (zoals school en kinderopvang) betrokken zijn bij de ingezette ondersteuning. De netwerksamenwerking wordt én noodzakelijk geacht door de gezinnen én is nog sterk voor verbetering vatbaar Verbeterpunten die ouders en jeugdigen aandragen hebben dominant betrekking op het gebrek aan ervaren afstemming en samenwerking tussen sociale wijkteams, jeugdzorghulpverleners en scholen. Het Arnhems jeugdbeleid voldoet technisch aan de Jeugdwet, maar op effectiviteit is niet te sturen en niet te meten De wettelijke taken die zijn opgenomen in de Jeugdwet hebben hun weg gevonden in het beleid. Op veel van de doelen van de Jeugdwet monitort de gemeente echter niet stelselmatig de effecten.

Er zijn uitkomsten van cliëntervaringsonderzoeken die bijvoorbeeld een beeld geven over tevredenheid en effectiviteit van de ondersteuning en bij sommige projecten en programma’s is sprake van (incidentele) monitoring. Hierdoor ontstaat op onderdelen een beeld van de doelrealisatie, maar niet op het geheel van de doelen uit de Jeugdwet. De raad ontvangt gefragmenteerd enige informatie over het wettelijk doelbereik. Het ontbreekt de gemeente aan een structurele informatiepositie om de raad hierin te kunnen voorzien. Deze bevinding wordt in belangrijke mate mede verklaard door het feit dat de gemeente zelf geen specifieke doelen hanteert: de gemeentelijke beleidsdoelen zijn weinig concreet en niet voorzien zijn van meetbare prestaties en bijbehorende indicatoren. Het adagium ‘doen wat nodig is’ is alleenstaand onvoldoende sturend en kaderstellend op het doelbereik. De inrichtingsdoelen (de HOE-doelen, zoals het hebben van sociale wijkteams) zijn concreet en ook in meerderheid gerealiseerd. Omdat de WAT-doelen abstract en algemeen zijn, wordt er weinig tot geen doelgerelateerde informatie verzameld. Daardoor is het nagenoeg ondoenlijk om voor de meeste wettelijke doelen en eigen gemeentelijke ambities en doelen een uitspraak te doen over het doelbereik. Het ontbreken van duidelijke doelen met een heldere samenhang leidt dan mede tot een gefragmenteerde informatiepositie.

2

Ook blijkt dat het beleid is verspreid over verschillende beleidsnota’s en –programma’s en dat wekt niet de indruk van onderlinge samenhang. Van een samenhangende beleidstheorie en daarop gebaseerde beleidscyclus is geen sprake. Voorsorterend op de bevindingen over de inrichting van het jeugdbeleid kan gesteld worden dat dit in de praktijk ook zo wordt ervaren door partners van de gemeente. Ondervraagde ouders en jeugdigen geven overigens aan in grote meerderheid tevreden te zijn over de effectiviteit van de ontvangen ondersteuning en hulp. Omdat op dit punt de gemeente geen concrete doelen geformuleerd heeft, zegt dit niet meer dan dat het erop lijkt dat de uitvoering lijkt aan te sluiten aan de wensen van de cliënten. Inrichting en uitvoering: een keten in plaats van een netwerk De gemeente Arnhem heeft alle wettelijke taken afzonderlijk ingericht. Zo is er een toegang, is gekozen voor (een inmiddels aangescherpt) inkoopmodel en leveren verschillende partners preventieve en/of curatieve jeugdhulp. De jeugdzorgaanbieders vervullen hun wettelijke taken. Opvallende punten in de inrichting en uitvoering, zijn: Qua inrichting 1. Van een structurele en geoliede netwerksamenwerking nodig voor effectief jeugdbeleid is in beperkte mate sprake.

De verantwoordelijkheden zijn over veel partners verdeeld (Inkooporganisatie Centraal Gelderland, Sociale Wijkteams voor toegang en ondersteuning, teams Leefomgeving, uitvoerende partners van algemeen toegankelijke voorzieningen, de jeugdgezondheidszorg, de jeugdzorgaanbieders en geautoriseerde verwijzers zoals huisartsen 2. De inrichting van het jeugdbeleid hinkt op sommige punten op twee gedachten. Aanvankelijk wilde de gemeente Arnhem naar populatiegebonden bekostiging, met als logische uitwerking dat de sociale wijkteams ook verantwoordelijk zouden zijn voor de budgetsturing op wijkniveau. De populatiegerichte bekostiging is er niet gekomen, maar de verantwoordelijkheid van de sociale wijkteams is gebleven. Dat is niet consistent, en daarmee lastig uitvoerbaar. Let wel: De inzet van de betrokken personen vanuit de wijkteams is niet ‘het probleem’, maar de instrumenten die zij meekrijgen. Qua inkoop 3. Het (inmiddels semi-)Open House model staat van nature op gespannen voet met wijkgerichte sturing, wijkgerichte budgetbewaking en netwerksamenwerking met partners die elkaar door en door kennen. Het inkoopmodel leidt, ook bij een reductie van de huidige ruim 400 aanbieders, tot een vrijwel onmogelijk te organiseren netwerksamenwerking.

Het is nu eenmaal niet mogelijk om met zoveel partners (alleen vanuit de gecontracteerde jeugdhulp al honderden) elkaar te kennen en elkaar te vinden op wijkniveau of gezinsniveau. Een punt dat inmiddels door meerdere gemeenten onderkend is.

3

Een oplossingsrichting daarvoor is dat gemeenten werken met een consortium van gecontracteerde partijen per deel van de stad. Dit gebeurt bijvoorbeeld in Utrecht. Hierdoor neemt het aantal aanbieders af, moeten de aanbieders de hulp in samenhang aanbieden en zijn prikkels tot preventie en afschaling van hulp ingebouwd. Qua toegang 4. De bedoelde rol van de sociale wijkteams als ondersteuner en aanbieder van hulp komt te weinig van de grond. Het sociale wijkteam fungeert in veel gevallen vooral als verwijzer naar jeugdhulpaanbieders. Dit frustreert de “beweging naar voren”, bedoeld om waar mogelijk zo licht mogelijke hulp en ondersteuning te bieden. Ook is het lastig voor de teams Leefomgeving om signalen van sociale wijkteams gericht op het inrichten van voorliggende voorzieningen te vertalen in concrete acties. Dit komt mede door de als gebrekkig ervaren onderbouwing (kwalitatief en kwantitatief) van deze signalen. Qua uitvoering 5. In het onderzoek betrokken ouders en jeugdigen zijn in grote meerderheid tevreden over de ondersteuning die zij hebben ontvangen. Kritiekpunten richten zich vooral op het vormen van een netwerk rondom een gezin bij het bieden van hulp en ondersteuning.

Zo is in meerdere gevallen de rol van het sociale wijkteam niet helder voor ouders, is de toepassing van interventies of handvatten op school (het andere opvoedmilieu naast het gezin) meer dan eens lastig. Aandacht voor of het inzetten van informele netwerken als hulpbron bij of borging van de ondersteuning is in de onderzochte casestudies nauwelijks aan de orde. Een beeld dat door meerdere ondervraagde partners wordt herkend. 6. Er zijn signalen in het onderzoek naar voren gekomen dat problemen niet tijdig zijn onderkend. De gemeente maakt nog weinig gestructureerd en bewust gebruik van de aanbevolen elementen van bijvoorbeeld preventief jeugdbeleid. Het structureel en in samenhang toepassen van verschillende preventieniveaus (universele, selectieve en geïndiceerde preventieve aanpakken) en preventiethema’s (gezond, veilig en kansrijk) om daarlangs de preventieve en signalerende taak vorm te geven, vindt niet plaats. Het programma Kansrijk opgroeien biedt daarvoor een kader, maar blijkt volgens meerdere respondenten vooral als een extra middelenpotje te worden ervaren. De gemeente onderkent het belang van vroegsignalering, de inzet op preventie en kansrijk opgroeien. Doorlopende lijnen in de leeftijd van 0-27 jaar worden onderschreven, evenals belangrijke overgangsmomenten daarbinnen.

De gemeente onderkent ook het belang van natuurlijke vindplekken zoals de jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau ed.) en de scholen. De sociale wijkteams zorgen dat zij ook de verbinding leggen met deze vindplekken door spreekuren en het aansluiten bij overlegvormen. De gemeente

4

beschikt over verschillende voorzieningen en overlegvormen die tot taak hebben om risico’s en signalen vroegtijdig te signaleren. 7. De ondersteuning van de curatieve hulp is blijkens de uitkomsten van cliëntervaringsonderzoeken effectief. Een grote meerderheid van de ondervraagde clienten ervaart dat zij tijdig de effectieve hulp heeft ontvangen zo blijkt uit de uitgevoerde cliëntervaringsonderzoeken. 8. De gemeente laat echter mogelijkheden liggen om structureel een informatiepositie op te bouwen over de effectiviteit van de hulp, zowel met behulp van gegevens van de sociale wijkteams als gegevens vanuit de jeugdzorgaanbieders die al geregistreerd worden. 9. Het adagium ‘doen wat nodig is’ is een onvoldoende gereedschapskist, onvoldoende sturend gebleken voor effectief jeugdbeleid, omdat onduidelijk is binnen welke kaders dat moet plaatsvinden. Het adagium ‘doen wat nodig is’ is jarenlang gehanteerd en was in de inrichtingsfase van de sociale wijkteams wellicht van toepassing, maar het gebrek aan de stip op de horizon wordt nu binnen de gemeente en door partners gevoeld als een belangrijk gemis.

3.2

Conclusies

De kernvraag van het onderzoek is: Is het Arnhems jeugdbeleid effectief? Er kan niet gezegd worden of sprake is van wel of geen effectief Arnhems jeugdbeleid, doordat er in Arnhem alleen HOE-doelen, en geen visie c.q. WAT-doelen, gesteld zijn. Arnhem heeft niet bepaald wat ze wil bereiken. Dan kan dus ook niet bepaald worden of dat bereikt wordt. Is het Arnhems jeugdbeleid en de uitvoering, met name in de samenwerking, met nadruk op de inkoop, zodanig, dat het Arnhems jeugdbeleid werkt voor de Arnhemse jeugd? Het antwoord daarop is: het lijkt erop dat er veel op (curatief) casusniveau werkt, maar dat is “eerder toeval” dan beleid. De Rekenkamer trekt twee hoofdconclusies uit het onderzoek. De eerste richt zich op het Arnhemse beleid en de tweede op de inrichting en uitvoering van het jeugdbeleid.

Conclusie 1: Er is geen sprake van een functionerende jeugdbeleidscyclus; het jeugdbeleid van Arnhem laat zich kenschetsen als een doelenjungle. De ingrediënten van effectief jeugdbeleid zijn aanwezig, maar in onvoldoende samenhang, te weinig concreet en te weinig sturend. Ondanks de aanwezigheid van werkzame bestanddelen, pijlers en elementen van effectief jeugdbeleid zoals aanbevolen door kennisinstituten, is sprake van een doelenjungle en geen functionerende beleidscyclus voor jeugd. Doelen zijn verspreid over 5

verschillende beleidsdocumenten, begrotingen en programma’s en komen niet in samenhang samen. Daarnaast richten doelen zich voornamelijk op de inrichting (HOE-doelen) zoals het hebben van sociale wijkteams en in beperkte mate op WAT-doelen. Welke maatschappelijke effecten de gemeente Arnhem wil bereiken en hoe de gemeente

dan weet of die ook bereikt zijn, is niet helder. Dit als gevolg van de te abstract geformuleerde doelen die niet voorzien zijn van outcome-indicatoren. Het is opmerkelijk dat de gemeente, vijf jaar na de decentralisatie van de jeugdzorg, nog steeds geen eenduidig antwoord heeft op de vraag wat zij nu wil bereiken en de raad kan informeren over het doelbereik. Er is daardoor geen duidelijke visie. Daardoor zijn er ook geen doelen en kan effectiviteit niet gemeten worden. Daardoor is er ook geen mogelijkheid (bij) te sturen. Er is geen evaluatie en signalen uit de praktijk worden niet weer vertaald naar beleid. Eigenlijk is het geheel vleugellam. Het jarenlang gehanteerde adagium ‘doen wat nodig is’ is onvoldoende sturend, zoals het college in raadsbrieven zelf ook constateert. Het geeft blijkbaar ruimte voor inconsistenties in de inrichting, en daarmee te weinig of niet voldoende instrumenten voor de uitvoering. Partners van de gemeente en de gemeente zelf constateren dit al enige tijd, maar anders dan een voornemen om tot een herijking van het beleid voor het sociaal domein te komen, is de gemeente tot nu niet veel verder gekomen. De vraag is of de recent opgestelde beleidsregels voldoende sturing gaan geven. De gemeentelijke sturing, of beter gezegd de weinig overtuigende invulling daarvan, is een punt van zorg voor de Rekenkamer.

Het opstellen van een concrete en samenhangende jeugdbeleidscyclus als onderdeel van het beleid in het sociale domein is één van de noodzakelijke voorwaarden, om uiteindelijk de te bereiken maatschappelijke effecten voor gezinnen te kunnen realiseren. Het kunnen behalen van die effecten vraagt echter ook om een fundamentele herziening van de inrichting en sturing van de uitvoering van het jeugdbeleid. Deze overtuiging wordt gevoed vanuit de volgende conclusie. Conclusie 2: De inrichting en uitvoering van het jeugdbeleid is een gemankeerde estafette Een veelheid van partners probeert het stokje steeds over te dragen. Er is weinig sturing op netwerkvorming en de inrichting hinkt op meerdere gedachten. Het beeld van een gemankeerde estafette doemt op. Iedereen doet zijn of haar ding, geeft het stokje over en constateert vervolgens het geheel niet de som der delen is en soms het stokje kwijtraakt. Anders gezegd: het jeugdbeleid is te veel ingericht als een keten en de zwakste schakel bepaalt de kracht van de keten. Dit terwijl netwerkvorming (‘it takes a village to raise a child’), waarin meerdere partners gelijk- en volgtijdig samen werken aan een wijk of gezin volgens de kennisinstituten nodig is. De inrichting en uitvoering van het jeugdbeleid hinkt op meerdere gedachten. Wijksturing en netwerkvorming staan van nature op gespannen voet met een (inmiddels semi) Open 6

House inkoopmodel. De veelheid aan contractanten die het gehanteerde inkoopmodel met zich meebrengt, maakt het voor wijkteams, scholen en andere partners niet eenvoudig om tot een samenhangende aanpak (preventief en curatief) te komen. De wens om tot populatiegerichte bekostiging te komen is wel door vertaald naar budgetsturing door de sociale wijkteams, maar sluit niet aan bij de mogelijkheden en bevoegdheden van de sociale wijkteams in het gekozen inkoopmodel.

7

3.3

Aanbevelingen

De aanbevelingen die de Rekenkamer geeft, zijn zowel aan raad als college gericht. De aanbevelingen hangen onderling samen. Kortom: raad en college, ga samen aan de slag!

Aanbeveling 1: Bepaal wat je wilt bereiken, door gebruik te maken van een functionerende jeugdbeleidscyclus College, begin bij het begin: wat is er aan de hand? Breng de staat van de jeugd (de aanwezige risico- en beschermende factoren) op wijkniveau in beeld. Voorafgaand aan het formuleren van WAT-doelen is het verstandig om op een systematische en cijfermatig onderbouwde wijze inzicht te krijgen in op wijkniveau aanwezige risico- en beschermende factoren. Deze informatie vormt de basis voor een concrete invulling van het jeugdbeleid; de zogenaamde WAT-doelen (zie aanbeveling 2). Het vraagt systematische monitoring van alle betrokken ‘opvoeders’ en instellingen. De staat van de jeugd is gebaseerd op epidemiologisch onderzoek naar risico- en beschermende factoren, gegevens over gezondheid, veiligheid, zorggebruik, zorgresultaten en ervaringen van ouders en jeugdigen. De gemeente Rotterdam is al enige jaren bezig met de Staat van de Jeugd, waardoor ook focus ontstaat in waar het jeugdbeleid zich op moet richten. Zo is in het meest recente beleidskader voor Jeugd (nog in concept) als doel gekozen om te komen tot een generatie jeugdigen die zonder achterstanden opgroeit. Dat is weliswaar ambitieus, maar het biedt wel focus op de wijken en de onderwerpen waar de grootste inspanning moet worden geleverd.

Het is tevens een randvoorwaarde die moet worden vervuld voor de raad zodat hij ook de scherpte kan aanbrengen in de te formuleren WAT-doelen enerzijds en anderzijds ook zijn controlerende taak kan uitvoeren. Raad: Formuleer vervolgens WAT-doelen langs de volgende lijnen: (1) kansrijk opgroeien, (2) gezond opgroeien, (3) veilig opgroeien en (4) opvoeden. De Rekenkamer constateert dat de beleidscyclus rondom jeugd niet functioneert en duidelijke WAT-doelen ontbeert. Daarbij is het nodig om te richten op inhoudelijke, maatschappelijke resultaten zoals 'x procent van de jongeren behaalt een kwalificatie voor werk of vervolgopleiding'. En niet op procesresultaten zoals 'werken volgens 'één gezin, één plan, één regisseur'. Of op randvoorwaardelijke doelen zoals 'een goed functionerend facturatie- en declaratiesysteem'. Dit type doelen en resultaten zijn naar opvatting van de Rekenkamer in ruime mate aanwezig in de beleidscyclus, maar hooguit beheersend en niet, of zeker onvoldoende, sturend. De raad dient zijn kaderstellende rol te nemen door in het proces van herijking van het beleid sociaal domein deze invalshoeken voor WAT-doelen als bestuursopdracht richting het college mee te geven bij het opstellen van het nieuwe beleid. Daarbij kan de raad ook cultuurwaarden meegeven die handvatten geven voor de uitvoering, zoals het samen 8

in een netwerk werken aan kansrijk, gezond en veilig opgroeien. Dat biedt de raad en het college ook handvatten om partners aan te spreken op hun verantwoordelijkheden. Het is uiteraard aan de gemeenteraad om WAT-doelen te bepalen, de Rekenkamer geeft navolgend een aanzet voor maatschappelijke effecten. Daarbij baseert de Rekenkamer zich op de reeds in Arnhem ingezette lijn, waarbij de gemeente naar doorlopende ontwikkellijnen in het kansrijk opgroeien van de jeugd wil komen. Dat is aangevuld met de thema’s gezond en veilig opgroeien en opvoeden zoals het NJI ook aanbeveelt voor het preventief jeugdbeleid. Op deze wijze is gepoogd de ingrediënten van effectief jeugdbeleid in samenhang te brengen vanuit het perspectief van jeugdigen en ouders. Maatschappelijke resultaten zijn overgenomen van verschillende gemeenten en gestructureerd langs de bovengenoemde lijnen. U kunt denken aan het inzetten van indicatoren gebaseerd op de benoemde resultaten.

Een handreiking: Maatschappelijke effecten Maatschappelijke resultaat Meer jeugdigen in Arnhem groeien kansrijk op:  Meer jeugdigen doen aan sport, cultuur en vrijwilligerswerk  Meer jeugdigen hebben werk  Meer jeugdigen leveren betere prestaties op school en behalen hun diploma Meer jeugdigen in Arnhem groeien gezond op  Meer jeugdigen gedragen zich gezonder  Meer jeugdigen hebben een betere algemene gezondheid  Meer jeugdigen hebben een betere sociaal-emotionele gezondheid Meer jeugdigen in Arnhem groeien veilig op:  Meer jeugdigen groeien op in een veilig thuis  Meer jeugdigen groeien op in een veilige wijk en schoolomgeving Meer ouders en jeugdigen ervaren opvoedkracht en goede opvoedingsondersteuning  ouders hebben de opvoedvaardigheden die nodig zijn om hun kinderen een gezonde stabiele basis te bieden en ze te laten opgroeien tot zelfredzame volwassenen  Ouders en jeugdigen zijn tevreden over het nut en effecten van geboden ondersteuning of hulp  De geboden hulp is effectief

College: Haal vervolgens de inconsistenties uit de inrichting van het jeugdbeleid. De Rekenkamer beveelt aan om tot een herziening van de inrichting te komen, waarbij de Rekenkamer zich realiseert dat dit niet van de één op de andere dag is te realiseren. De herziening dient zich te richten op het wegnemen van inconsistenties, het consistent inrichten van de inrichting, inkoop, toegang en uitvoering en netwerksturing (deze licht de Rekenkamer toe in aanbeveling 2). De Rekenkamer constateert dat Arnhem terecht kiest voor een wijkgerichte benadering. Dat sluit goed aan bij door kennisinstituten aanbevolen werken in netwerken in de leefmilieus van ouders en jeugdigen: thuis, school en vrije tijd. Het gekozen inkoopmodel, nu inmiddels semi-Open House, past daar moeizaam bij. De vele contractanten die daaruit voortkomen, maken het onnodig ingewikkeld om tot een samenhangende getransformeerde preventieve en curatieve aanpak te komen. Kies

9

daarom voor een sterke beperking van het aantal aanbieders en ken wijkgerichte opdrachten toe aan de aanbieders die gericht zijn op de specifieke opgave in de wijk en de netwerksamenwerking met relevante partners zoals scholen, welzijn, jeugdgezondheidszorg, jongerenwerk en sociale wijkteams. Een tweede inconsistentie betreft de sturingsverantwoordelijkheid van de sociale wijkteams op de wijkbudgetten in de jeugdhulp. De wijkteams kunnen onvoldoende sturen op de wijkbudgetten, omdat de bekostigingssystematiek (inspanningsfinanciering) niet aansluit bij het sturen op een beoogde budget per wijk. Dat betekent dat een keuze moet worden gemaakt: of de sociale wijkteams zijn hier niet meer eindverantwoordelijk voor of voorzie de sociale wijkteams van de instrumenten om daadwerkelijk sturing te kunnen geven aan de budgetten. Wat dit laatste betreft ligt het in de rede dat de sociale wijkteams dan zelf een selectie kunnen maken van jeugdhulporganisaties die zij structureel willen inzetten in de betreffende wijk. Om vervolgens ook budgettaire en wijkspecifieke afspraken te maken met deze aanbieders. Aanbeveling 2: Zet in op netwerkvorming Raad: geef naast de WAT-doelen ook maatschappelijke waarden aan.

Denk in dit kader bijvoorbeeld aan de waarde van een team dat zich als geheel verantwoordelijk stelt voor het belang van het kind, de waarde van verantwoordelijkheid, netwerkvorming en -sturing. Bijvoorbeeld ‘in Arnhem zorgen we ervoor dat we altijd als team rond het kind dat jeugdhulp of -zorg nodig heeft, en zorgen we ervoor dat altijd één partij in het team de regie heeft, van hulpvraag tot resultaat’ College: geef als gemeente sturing aan netwerkvorming op bestuurlijk, beleidsmatig en uitvoerend niveau. Als een netwerk rond de cliënt staan, is nodig. De sturing op netwerkvorming tussen onderwijs, sociale wijkteams, jeugdgezondheidszorg en welzijn (en situationeel andere partners) lijkt nu belegd te zijn bij sociale wijkteams en de teams leefomgeving. Uit de diverse interviews komt het beeld naar voren dat het resultaat daarvan sterk wisselt per wijk en afhankelijk is van personen. De teams leefomgeving hebben weliswaar budget om vernieuwingen te financieren en brengen ook partijen bij elkaar, maar lijken in de veelheid van andere taken en verantwoordelijkheden hierin wisselend succesvol in te zijn. Bovendien leeft een opvatting dat de behoefte tot samenwerking van onderop moet komen en als die behoefte er is, dan wordt deze gefaciliteerd. De Rekenkamer heeft de indruk dat de sociale wijkteams en de teams leefomgeving nog geen tandem vormen in de sturing op netwerkvorming.

Ook zijn voorliggende voorzieningen zoals welzijn in de aansturing elders belegd (accounthouders van de gemeentelijke organisatie). Dat maakt het voor netwerkpartners die zowel in opdracht van de gemeente werken (welzijn, jeugdgezondheidszorg, jeugdzorgaanbieders) als partners die dat niet doen (scholen, huisartsen) onduidelijk waar de regie nu ligt.

10

Beleg daarom de sturing op netwerkvorming op uitvoerend niveau bij één partij op wijkniveau en geef die ook de bevoegdheden en verantwoordelijkheden om die rol waar te (kunnen) maken, zowel voor als achter de voordeur. Dat vraagt sturing en monitoring op wijkniveau door de ambtelijke organisatie en beleidsmatige en programmatische (netwerk)sturing over de verschillende disciplines (zoals welzijn, jeugdhulp, sociaal wijkteam, jeugdgezondheidszorg) heen. De ambtelijk verantwoordelijke moet vervolgens kunnen escaleren naar bestuurlijk niveau als dit nodig is. Op bestuurlijk niveau is logischerwijs ook sprake van een team dat kan handelen binnen het kader, de maatschappelijke waarde die de raad heeft meegegeven.

11

4. Reactie college van B&W

12

13

14

5. Nawoord rekenkamer Wij hebben de reactie van het college ontvangen en zijn verheugd dat het college veel van onze aanbevelingen wil overnemen. Wij kennen uiteraard de brief van het college aan de raad van 7 januari, als ook de notitie ‘naar een duurzame jeugdzorg’ van februari die op de raadsagenda als ‘nog te agenderen’ staat. Wij hebben deze brief en notitie eerder beschouwd als gericht op financiële beheersing en zien er geen fundamentele wijziging van Arnhems jeugdbeleid in, zoals die naar onze mening noodzakelijk is. Wel zijn er enkele maatregelen opgenomen die wel inrichtingskeuzes en uitvoering beïnvloeden4. Andere maatregelen zijn eerder een intensivering van maatregelen die al eerder waren aangekondigd (bv afschalen en specifieke aanpakken voor de ‘duurste’ jeugdhulpgebruikers / gezinnen). Ook wordt aangekondigd dat een herijking van het beleid in het sociaal domein zal plaatsvinden. Dat is in eerdere raadsbrieven en berichten ook al aangekondigd en opgenomen in de nota van bevindingen. In geen van deze stukken wordt gerept over het verbinden van de milieus van school, gezin en straat /vrije tijd. Of van een structureel andere inrichting van bijvoorbeeld de inkoop (minder aanbieders, wijkgericht contracteren) en het schuren daarvan met wijkgerichte sturing of netwerksamenwerking. Een aantal kernpunten van de bevindingen wordt niet geraakt met deze stukken.

Dat er een sluitende beleidscyclus moet zijn, dat kan je met een beetje goede wil als ‘opgepakt’ beschouwen met de aankondiging dat er een herijking van het beleid komt. Maar op de andere bevindingen, met name die gaan over de inrichting, wordt in de voorgestelde maatregelen eigenlijk nauwelijks ingegaan. Ten aanzien van uw kritische kanttekeningen het volgende: de wijze waarop en de mate waarin we ons kritisch uitlaten over scholen en welzijnsinstellingen is beperkt. We constateren vooral dat de gemeente te weinig de samenwerking en verbinding zoekt en te weinig de regie voert. We hebben nooit gepretendeerd of betoogd dat onze interviews en diepteonderzoeken met jeugdigen en hun ouders een alomvattend of wetenschappelijk verantwoord onderzoek van de staat van de jeugd en het jeugdbeleid zou zijn. We zijn wel van oordeel dat deze diepte-interviews en een aantal casussen waarin we op detailniveau onderzoek hebben verricht -net zoals we dat bij schuldhulpverlening hebben gedaan – een representatief beeld geven de problemen die bij de jeugdzorg spelen. Meer was ook niet de bedoeling. Dat u beleidsregels hebt opgesteld en dat u werkt aan het verbeteren van managementinformatie is zeker zinvol, maar helaas nog niet voldoende. Een goede gestructureerde beleidscyclus en gerichte netwerksturing zijn veel belangrijker en zullen op termijn tot meer effect leiden.

We gaan er van uit dat met de implementatie van onze aanbevelingen en de door u in gang gezette verbeteringen de jeugd van Arnhem het jeugdbeleid krijgt dat het verdient.

4

De keuze om de sociale wijkteams zelf meer hulp te laten bieden aan ouders (maatregel 3.1) De keuze om meer begeleiding op school te gaan bieden (maatregel 2.1)De maatregelen om omzetplafonds in te stellen (5.1 ev) gericht op de inkoop.

15

Tot slot: De Rekenkamer Arnhem heeft met teleurstelling kennis genomen van het feit dat het nog vertrouwelijke concept-rapport van de Rekenkamer naar het Arnhemse jeugdbeleid openbaar is gemaakt door het college van B&W, zelfs nog voor de Rekenkamer de bestuurlijke reactie had ontvangen. Het rapport wordt nu noodgedwongen vervroegd aan de raad aangeboden.

16

Colofon De Rekenkamer Arnhem neemt een onafhankelijke positie in binnen de gemeente. Op basis van artikel 182 van de Gemeentewet onderzoekt de Rekenkamer de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. In Arnhem bestaat de Rekenkamer uit drie externe leden, waaronder de voorzitter. Zij worden ondersteund door een ambtelijk secretaris -onderzoeker en een junior onderzoeker.

R e k e n k a m e r Arnhem

Dhr. Mr. A. Teeuw Dhr. Dhr. drs. H. Verdellen Mw. drs. L. Zwier-Kentie Secretaris-onderzoeker Junior onderzoeker

Dhr. drs. P. Bosch Mw. M. de Lange MSc Postbus 9029 6800 EL Arnhem 026 - 377 3721 rekenkamer@arnhem.nl paul.bosch@arnhem.nl meriam.de.lange@arnhem.nl www.rekenkamerarnhem.nl 377198

ARNHEM — OUDERS — JOU — MEER — INVESTEREN IN EEN POSITIEVE IDENTITEIT — JUFFEN EN MEESTERS —

TRAINERS

DE

ONDERSTEUNER

MET

EEN

—

RUST —

BIJ

EEN

EN

WIJKGERICHT

OVERZICHTELIJK

INVESTEREN

IN

VERTROUWEN

GEZONDHEID

AANTAL —

IN

NETWERK PARTNERS

GESPREKKEN

MET

ANDERE OUDERS — COACHES — EEN GEZAMENLIJK BEELD

VAN

DE

OPGAVE

(STAAT

VAN

DE

JEUGD)

EEN STAD — DEELNAME AAN POSITIEVE ACTIVEITEN —

OPA'S

EN

REALISEREN

OMA'S VAN

—

DE

EEN

PEUTERSPEELZAAL

VEILIGE

OMGEVING

— —

JONGEREN- EN KINDERWERKERS — INVESTEREN IN COGNITIEVE VAARDIGHEDEN EN SCHOOLPRESTATIES —

ZICHT

OP

DE

STAPPEN

IN

EEN

HULPTRAJECT

— HET CONSULTATIEBUREAU — EEN FUNCTIONERENDE BELEIDSCYCLUS

—

GEMEENTELIJKE

NETWERKSAMENWERKING TUSSEN

SCHOOL,

—

ÉÉN

HULPVERLENER

STURING

DOORGAANDE EN

OP

LIJN

WIJKTEAM

—

ERKENNING EN WAARDERING — INVESTEREN IN KANSEN KRIJGEN — JEUGDHULPVERLENERS — TIJDIG EN GOED SIGNALEREN DE

VAN

PROBLEMEN

ONDERSTEUNER

ONS ALLEMAAL

—

—

EEN

‘KLIK’

MET

SCHOOL

—

LIEFDE

—

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=ddb32f79-f8e5-43db-a7d3-6998f58b6878